← België

Arrest 249171 - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen - 08/12/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.171 Rolnummer: A. 226160/IX-9389 Zaak: Arrest 249171 - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen - 08/12/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-12-22 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-20 01:52 Fiche Arrest nr 249.171 van 8 december 2020 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 249.171 van 8 december 2020 in de zaak A. 226.160/IX-9389 In zake :

  1. Andy ADRIAENS
  2. Patrick FRANSEN
  3. Rudy VANDEGAER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jean Bourtembourg en Virginie Feyens kantoor houdend te 1060 Brussel Zwitserlandstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nicolas Bonbled en Sebastiaan De Meue kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  4. Het beroep, ingesteld op 17 september 2018, strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 3 juli 2018 „houdende diverse maatregelen betreffende de leden van het operationeel personeel van de Civiele Bescherming‟ (BS 19 juli 2018). II. Verloop van de rechtspleging
  5. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. IX-9389-1/46 Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 november
  6. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Frank Vandevoorde, die loco advocaten Jean Bourtembourg en Virginie Feyens verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Sebastiaan De Meue, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven, behoudens wat de kosten betreft. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. III. Feiten 3.
  8. Eerste verzoeker was statutair tewerkgesteld als operationeel brigadier (niveau D) bij de operationele eenheid Jabbeke van de Civiele Bescherming. Tweede verzoeker was statutair tewerkgesteld als operationeel brigadier (niveau D) bij de operationele eenheid Brasschaat van de Civiele Bescherming. Derde verzoeker was statutair tewerkgesteld als operationeel assistent (niveau C) bij de operationele eenheid Jabbeke van de Civiele Bescherming. IX-9389-2/46 3.
  9. De wet van 15 mei 2007 „betreffende de civiele veiligheid‟ voorziet in twee soorten operationele diensten van civiele veiligheid, namelijk de operationele eenheden van de Civiele Bescherming enerzijds en de brandweer en de reddingsposten van de hulpverleningszones anderzijds. Bij koninklijk besluit van 20 september 2017 „tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 juni 2014 tot bepaling van de opdrachten en taken van civiele veiligheid uitgevoerd door de hulpverleningszones en de operationele eenheden van de Civiele Bescherming en tot wijziging van het koninklijk besluit van 16 februari 2006 betreffende de nood- en interventieplannen‟ wordt een reorganisatie doorgevoerd, waarbij met ingang van 1 januari 2019, in essentie, de hulpverleningszones alle dringende opdrachten zullen uitvoeren, terwijl de Civiele Bescherming zich meer zal concentreren op de gespecialiseerde of langdurige opdrachten. Bij arrest nr. 248.253 van 11 september 2020 is een annulatieberoep tegen dit koninklijk besluit verworpen. Bij koninklijk besluit van 8 oktober 2017 „tot bepaling van de vestiging van de eenheden van de Civiele Bescherming‟ wordt het aantal operationele eenheden van de Civiele Bescherming met ingang van 1 januari 2019 teruggebracht van zes naar twee (waaronder Brasschaat). Bij arrest nr. 248.250 van 11 september 2020 zijn de annulatieberoepen tegen dit koninklijk besluit verworpen. Bij koninklijk besluit van 29 juni 2018 „houdende de bezoldigingsregeling van het operationeel personeel van de Civiele Bescherming‟ wordt, in essentie, een regeling uitgewerkt die zo dicht mogelijk aanleunt bij de bezoldigingsregeling van de operationele leden van de hulpverleningszones om mobiliteit tussen beide diensten te vergemakkelijken. Bij koninklijk besluit van 29 juni 2018 „tot bepaling van het administratief statuut van het operationeel personeel van de Civiele Bescherming‟ wordt het administratief statuut voor het operationeel personeel van de Civiele IX-9389-3/46 Bescherming vastgesteld. Bij arrest nr. 248.192 van 31 augustus 2020 is een annulatieberoep tegen dit koninklijk besluit verworpen. 3.
  10. Bij koninklijk besluit van 3 juli 2018 „houdende diverse maatregelen betreffende de leden van het operationeel personeel van de Civiele Bescherming‟ wordt onder meer ingevolge de reorganisatie met ingang van 1 januari 2019, het aantal openstaande betrekkingen in de nieuwe operationele graden van de Civiele Bescherming vastgesteld (artikel 2), worden de nadere regels bepaald waaronder de leden van het operationeel personeel van de Civiele Bescherming in de nieuwe graden van de Civiele Bescherming kunnen worden benoemd – zo wordt onder meer in een selectieprocedure voorzien (artikelen 3 tot 7) – en wordt bepaald volgens welke regels de niet in aanmerking genomen leden weder tewerkgesteld worden in één van de diensten van de federale overheidsdienst Binnenlandse Zaken (hierna: de FOD Binnenlandse Zaken), in andere federale overheidsdiensten of bij de federale politie (artikelen 8 tot 15). Artikel 12 bepaalt dat de personeelsleden die op 1 januari 2019 niet benoemd of niet weder tewerkgesteld zijn, onderworpen worden aan de ambtshalve mobiliteit overeenkomstig het koninklijk besluit van 15 januari 2007 „betreffende de mobiliteit van de statutaire ambtenaren in het federaal administratief openbaar ambt‟. Artikel 16 bepaalt dat het vrijwillig personeelslid dat hiertoe een aanvraag indient op 1 januari 2019 ambtshalve benoemd wordt in de graad van vrijwillig sappeur. Dat is het thans bestreden besluit. Tegen het koninklijk besluit van 3 juli 2018 zijn, naast het beroep van de verzoekers, nog vier andere beroepen ingesteld, namelijk de zaken A. 225.973/IX-9360, A. 226.148/VIII-10.943, A. 226.174/VIII-10.946 en A. 226.180/VIII-10.
  11. Bij arrest nr. 248.190 van 31 augustus 2020 heeft de Raad van State de zaken A. 226.148/VIII-10.943 en A. 226.180/VIII-10.949 samengevoegd, IX-9389-4/46 en heeft de Raad artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 3 juli 2018, waarin het aantal openstaande betrekkingen in de nieuwe operationele graden van de Civiele Bescherming worden vastgesteld, vernietigd. Hij heeft de beroepen voor het overige verworpen. Bij arrest nr. 248.191 van 31 augustus 2020 heeft de Raad van State uitspraak gedaan in de zaak A. 226.174/VIII-10.946 en heeft hij artikel 3, § 1, 1°, en § 2, 1°, van het koninklijk besluit van 3 juli 2018 vernietigd. De vernietigde bepalingen bevatten nadere regels inzake medische geschiktheid waaraan kandidaten dienen te voldoen in het kader van kandidaatstellingen voor de nieuwe operationele graden van de Civiele Bescherming. Bij arrest nr. 249.172 van heden heeft de Raad van State in de zaak A. 225.973/IX-9360 het beroep verworpen. IV. Samenvoeging
  12. Met een brief van 28 januari 2020 wijst de verwerende partij erop dat tegen het bestreden besluit vijf beroepen tot nietigverklaring zijn ingesteld. Het betreft enerzijds de zaken A. 225.973/IX-9360 en A. 226.160/IX-9389, en anderzijds de zaken A. 226.148/VIII-10.943, A. 226.174/VIII-10.946 en A. 226.180/VIII-10.
  13. In voormelde brief, alsook in haar laatste memorie, vraagt de verwerende partij al deze zaken samen te voegen omwille van hun samenhang en ze te verwijzen naar een tweetalige kamer. Beoordeling
  14. Bij arrest nr. 248.190 van 31 augustus 2020 heeft de Raad van State definitief uitspraak gedaan in de zaken A. 226.148/VIII-10.943 en A. 226.180/VIII-10.
  15. Bij arrest nr. 248.191 van 31 augustus 2020 heeft de Raad van State definitief uitspraak gedaan in de zaak A. 226.174/VIII-10.
  16. Hieruit IX-9389-5/46 volgt dat hoe dan ook niet kan worden ingegaan op het verzoek tot samenvoeging met de voormelde zaken. De Raad ziet voorts niet in dat een goede rechtsbedeling vereist dat de zaken A. 225.973/IX-9360 en A. 226.160/IX-9389 worden samengevoegd. Er wordt heden ook in de zaak A. 225.973/IX-9360 uitspraak gedaan. Het verzoek van de verwerende partij tot samenvoeging wordt dan ook verworpen. V. Ontvankelijkheid
  17. In hun verzoekschrift stellen verzoekers onder de rubriek „De ontvankelijkheid‟ het volgende: “De verzoekers, operationele ambtenaren van de Civiele Bescherming, kunnen op ongunstige wijze geraakt worden door de aangevochten bestuurshandeling. Drie onder hen zullen toegewezen worden aan de operationele eenheid te Brasschaat, en twee onder hen zullen toegewezen worden aan de operationele eenheid te Jabbeke. Enkel 313 van de huidige 450 operationele ambtenaren van de Civiele Bescherming, Nederlandstalige en Franstalige rol samen, zullen evenwel hun dienstbetrekking binnen de Civiele Bescherming kunnen behouden en enkel in één van de twee kazernes gelegen te Brasschaat en te Crisnée. In de hoop deze dienstbetrekking te kunnen behouden, hebben de in functie zijnde ambtenaren voor 31 augustus 2018 hun kandidatuur moeten stellen voor de dienstbetrekkingen in de nieuwe graden en zullen zij zich moeten onderwerpen aan een geschiktheidstest die de basisbekwaamheden evalueert in functie van de te begeven dienstbetrekking. Men moet opmerken dat de ambtenaren zich kandidaat stellen zonder verduidelijking van de kazerne waar zij willen worden aan toegewezen. De selectie verloopt trouwens volgens de volgende beginselen: er wordt voorrang gegeven aan diegenen die de meeste punten bekomt; in geval van gelijkheid van punten, wordt er eerst voorrang gegeven aan de kandidaat met de hoogste graad: bij gelijkheid van graad, wordt vervolgens voorrang gegeven aan de kandidaat met de hoogste dienstanciënniteit; en ten slotte bij gelijke dienstanciënniteit, wordt er voorrang gegeven aan de oudste kandidaat. Wat betreft de operationele brigadiers die zich kandidaat hebben gesteld voor een dienstbetrekking van een middenkader, kunnen zij zich een dienstbetrekking zien aanbieden bij het basiskader, bij gebreke te worden geselecteerd voor deze dienstbetrekking. Indien ze niet worden geselecteerd, kunnen de ambtenaren volgens de aangevochten bestuurshandeling hopen een dienstbetrekking te krijgen bij de FOD Binnenlandse Zaken, in andere federale overheidsdiensten of bij de federale politie, die overeenstemt met hun profiel, die niet te ver bij hen moet worden uitgeoefend, die vacant is en die, nadat zij zich kandidaat hebben gesteld, hen wordt toegekend. IX-9389-6/46 Bij gebreke dergelijke dienstbetrekking te verkrijgen, worden de ambtenaren onderworpen aan de ambtshalve mobiliteit zoals beheerst door het koninklijk besluit van 15 januari 2007 „betreffende de mobiliteit van de statutaire ambtenaren in het federaal administratief openbaar ambt‟. Dit besluit bepaalt dat de ambtenaren ter beschikking worden gesteld van Selor en kunnen gedwongen worden een opleiding te volgen met het oog op hun ambtshalve mobiliteit. De mogelijkheid van een mobiliteit naar een hulpverleningszone wordt opgeworpen in de aangevochten bestuurshandeling, maar het beoogde besluit werd nog niet aangenomen. Hieruit volgt dat de ambtenaren geen gelijkwaardige functie zouden kunnen vinden zoals zij thans uitoefenen. Zij zouden zelfs zonder werk kunnen vallen en worden gedwongen zich om te vormen naar een ander beroep.” 7.
  18. In haar memorie van antwoord betoogt de verwerende partij dat de verzoekers met hun uiteenzetting in het verzoekschrift hun belang hebben omschreven en aldus de grenzen van het gerechtelijk debat daarrond hebben bepaald, zodat zij zich niet meer op een ander dan het in het verzoekschrift bepleite belang kunnen beroepen. De verwerende partij werpt op dat eerste en tweede verzoeker niet over het rechtens vereiste rechtstreeks en persoonlijk belang beschikken. Zij hebben ervoor geopteerd niet deel te nemen aan de selectieproeven, terwijl van een verzoeker die zich ter staving van zijn belang beroept op een mogelijk nadeel minstens mag verwacht worden dat hij zijn wil om zijn huidige functie te behouden uitdrukkelijk doet gelden door deel te nemen aan de selectieproeven. De verwerende partij verwijst daarbij naar de rechtspraak in benoemings- en bevorderingsgeschillen, over de vereiste om blijk te geven van voldoende en voortdurende interesse om het beoogde voordeel te behalen en de weg naar de eigen benoeming open te houden. De verwerende partij stelt het belang van derde verzoeker echter niet in vraag. 7.
  19. In haar laatste memorie volhardt de verwerende partij in haar exceptie wat eerste en tweede verzoeker betreft. Beoordeling 8.
  20. Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden IX-9389-7/46 gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren. Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen. Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast. 8.
  21. Eerste en tweede verzoeker hebben niet deelgenomen aan de selectieproeven. Als operationeel personeelslid van de Civiele Bescherming ondergaan zij evenwel persoonlijk en rechtstreeks dezelfde nadelen van de regeling vervat in het bestreden besluit, als zij die hebben deelgenomen aan de selectieproeven maar niet zijn geslaagd. De vernietiging van het bestreden besluit verschaft hen het direct en persoonlijk voordeel dat de verplichting tot deelnemen aan de selectieproeven vervalt. In zoverre de verwerende partij opwerpt dat eerste en tweede verzoeker er zelf hadden kunnen voor zorgen dat zij de nadelige gevolgen van het bestreden besluit niet zouden ondergaan door deel te nemen aan de selectieproeven en daarvoor te slagen, kan zij evenmin worden gevolgd. De verzoekers zijn er als operationeel personeelslid van de Civiele Bescherming toe gerechtigd de wettigheid van de voorwaarden in het bestreden besluit waaronder zij hun statuut van operationeel personeelslid van de Civiele Bescherming kunnen behouden, in vraag te stellen. Of die voorwaarden wettig zijn, betreft het onderzoek van de grond van de zaak. IX-9389-8/46
  22. De exceptie is niet gegrond. VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel
  23. Het eerste middel is gericht tegen artikel 2, eerste lid, van het bestreden besluit, waarin het aantal openstaande betrekkingen in de nieuwe operationele graden van de Civiele Bescherming worden vastgesteld. Zoals hiervóór sub 3.3 uiteengezet, heeft de Raad van State bij arrest nr. 248.190 van 31 augustus 2020 artikel 2, eerste lid, van het bestreden besluit vernietigd, waardoor het eerste middel zonder voorwerp is geworden. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 11.
  24. Het tweede middel is ontleend aan “de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, […] de schending van artikel 23 van de Grondwet, […] het gebrek aan motivering en [een] niet afdoende motivering, [… een] manifeste beoordelingsfout en […] machtsoverschrijding”. 11.
  25. In een eerste middelonderdeel stellen de verzoekers dat het bestreden besluit kadert in de hervorming van de Civiele Bescherming die zelf kadert in de algehele hervorming van de Civiele Veiligheid. Dit besluit bepaalt in zijn artikelen 3 en 4 dat de in functie zijnde operationele ambtenaren van de Civiele Bescherming zich moeten onderwerpen aan een selectie om hun dienstbetrekking te kunnen behouden binnen de Civiele Bescherming vanaf 1 januari 2019 en dat enkel de besten worden geselecteerd, terwijl in het kader van de hervorming van de Civiele Veiligheid de ambtenaren van de gemeentelijke brandweerdiensten allen automatisch werden overgeplaatst naar de hulpverleningszones (artikel 203 van de IX-9389-9/46 wet van 15 mei 2007 „betreffende de Civiele Veiligheid‟ en artikel 308 van het koninklijk besluit van 19 april 2014 „tot bepaling van het administratief statuut van het operationeel personeel van de hulpverleningszones‟) en terwijl eveneens de gemeentelijke ambtenaren van de centra van het eenvormig oproepstelsel allen een detachering bij de FOD Binnenlandse Zaken hebben kunnen genieten. Aan hen werd de opdracht overgedragen het noodoproepsysteem te beheren, en dit met het oog op hun benoeming als staatsambtenaar. Zij hebben bovendien een opleiding genoten in dat verband (artikel 206 van de voornoemde wet van 15 mei 2007 en het koninklijk besluit van 12 oktober 2011 „tot detachering of terbeschikkingstelling naar de FOD Binnenlandse Zaken van de personeelsleden in dienst bij de centra van het eenvormig oproepstelsel‟). Aangezien de opdrachten van de Civiele Bescherming bijna identiek blijven op 1 januari 2019, is het discriminerend en ongerechtvaardigd dat bepaalde in functie zijnde ambtenaren worden geweerd, terwijl de professionele brandweerlieden allen hun dienstbetrekking hebben kunnen behouden bij de oprichting van de hulpverleningszones, evenals de gemeentelijke ambtenaren van de centra van het eenvormig oproepstelsel bij de oprichting van de gefederaliseerde centra
  26. In ondergeschikte orde stellen de verzoekers dat, in de hypothese dat de opdrachten van de Civiele Bescherming vanaf 1 januari 2019 verschillend zijn van de huidige opdrachten, omdat ze meer gespecialiseerd zijn, het dan nog discriminerend en ongerechtvaardigd is dat aan deze ambtenaren geen opleiding wordt aangeboden om toegang te krijgen tot de dienstbetrekkingen in de nieuwe operationele graden van de Civiele Bescherming, naar het voorbeeld van de ambtenaren van het eenvormig oproepstelsel bij hun overdracht naar de FOD Binnenlandse Zaken. 11.
  27. In een tweede middelonderdeel stellen de verzoekers dat op grond van artikel 16 van het bestreden besluit de 650 vrijwillige personeelsleden van de Civiele Bescherming die hiertoe een aanvraag doen ambtshalve worden benoemd in de graad van vrijwillig sappeur op 1 januari 2019 zonder dat zij aan de selectietest worden onderworpen die wel wordt opgelegd aan de professionele IX-9389-10/46 personeelsleden, terwijl zij dezelfde functies moeten uitoefenen als de professionele operationele personeelsleden van de Civiele Bescherming waardoor zij aldus als vergelijkbare categorieën kunnen worden beschouwd. Het is discriminerend deze twee categorieën van ambtenaren op een verschillende wijze te behandelen, rekening houdend met de nagestreefde doelstellingen. Voorts wijzen zij erop dat indien wordt bepaald dat de operationele brigadiers die kandidaat zijn voor een dienstbetrekking van het middenkader en die niet worden geselecteerd, ambtshalve kandidaat zijn voor een basiskader (artikel 4, § 8, van het bestreden besluit), het bestreden besluit niet bepaalt dat alle in functie zijnde ambtenaren, of zij nu operationele medewerkers zijn – wat overeenstemt met de nieuwe graad van sappeur – of niet werden geselecteerd voor een hogere graad, zullen worden opgenomen als sappeur op 1 januari
  28. De verzoekers stellen in dit verband: “Dat aldus op belangrijke mate de rechten van de ambtenaren worden aangetast op arbeid en op de vrije keuze van de beroepsarbeid, en dit in het raam van een algemeen werkgelegenheidsbeleid dat ondermeer gericht is op het waarborgen van een zo hoog en stabiel mogelijk werkgelegenheidspeil, omdat de aangevochten akte de precaire arbeid begunstigt ten nadele van de stabiliteit van tewerkstelling van de uiteindelijke ambtenaren, zonder dat er hiertoe redenen van algemeen belang bestaan; Terwijl het handelen van de Koning niet willekeurig mag zijn; Dat geen enkele bestuurshandeling geldig kan zijn indien ze niet berust op een werkelijke, pertinente en toelaatbare motivering in rechte en in feite en die moet blijken uit het administratief dossier. Dat het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie meer bepaald wordt bekrachtigd in de artikelen 10 en [11] van de Grondwet dat volgens de traditionele formule van het Grondwettelijk Hof niet uitsluit dat er een verschil van behandeling wordt tot stand gebracht tussen categorieën van personen voor zover zij berust op een objectief criterium en dat zij redelijkerwijze gerechtvaardigd is; dat het bestaan van een dergelijke rechtvaardiging moet beoordeeld worden door rekening te houden met het doel en de gevolgen van de bekritiseerde maatregel, alsook met de aard van de desbetreffende beginselen; dat het beginsel van gelijkheid geschonden is wanneer het vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de gebruikte middelen en het beoogde doel; Dat artikel 23 van de Grondwet het fundamenteel recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid bekrachtigt in het raam van een algemeen werkgelegenheidsbeleid dat onder meer gericht is op het waarborgen van een zo hoog en stabiel mogelijk werkgelegenheidspeil; dat uit deze bepaling een beginsel van standstill volgt, dat zich ertegen verzet dat de bevoegde overheid beduidend de door de toepasselijke reglementering aangeboden graad van IX-9389-11/46 bescherming herleidt zonder dat er hiertoe redenen bestaan die verband houden met het algemeen belang.” 12.1.
  29. Met betrekking tot het eerste middelonderdeel repliceren de verzoekers in hun memorie van wederantwoord dat het recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid, met inbegrip van het recht op een billijke beloning en arbeidsvoorwaarden, is ingeschreven in artikel 23, 1°, van de Grondwet. Gelezen in samenhang met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, laat artikel 23 van de Grondwet aan iedereen toe aan te voeren dat hij op het vlak van billijke arbeidsvoorwaarden verschillend wordt behandeld, zonder redelijke verantwoording en op discriminerende wijze. 12.1.
  30. De verzoekers benadrukken dat sinds meerdere jaren de regering er naar streeft de Civiele Veiligheid te hervormen, namelijk de brandweer, de Civiele Bescherming en de dringende medische hulpverlening. Zoals de verwerende partij opwerpt, vermeldde het regeerakkoord van 2003 reeds de ambitie de civiele spoeddiensten te hervormen teneinde hen te actualiseren in functie van de behoeftes. Deze hervorming van de Civiele Veiligheid is doorgegaan in drie fases: - De hervorming van de Civiele Veiligheid heeft zich in eerste instantie in 2011 geconcretiseerd door de overdracht van de gemeentelijke ambtenaren van de centra van het eenvormig oproepstelsel (centra 100) naar de FOD Binnenlandse Zaken teneinde verder de dienstbetrekking van calltaker te blijven uitoefenen in de nieuwe gefederaliseerde centra
  31. - Daarna is tussen 2014 en 2016 de omvorming tussengekomen van de gemeentelijke en intercommunale brandweerdiensten in 34 hulpverleningszones die het volledig Belgische grondgebied bedekken. - De verwerende partij is ten slotte in een derde fase overgegaan tot een actualisering van de Civiele Bescherming met de inwerkingtreding van de hervorming van de Civiele Bescherming op 1 januari
  32. IX-9389-12/46 12.1.
  33. Voor het statutair of contractueel personeel in dienst in de centra 100 werd erin voorzien dat zij gedurende een jaar zouden worden gedetacheerd bij de FOD Binnenlandse Zaken en dat na afloop van een volledige periode van detachering, de gedetacheerde personeelsleden zouden worden benoemd als leden van het statutair personeel van de FOD Binnenlandse Zaken; zij genoten daartoe een opleiding (artikel 206 van de wet van 15 mei 2007 en het koninklijk besluit van 12 oktober 2011 „tot detachering naar de FOD Binnenlandse Zaken van de beroepsbrandweerlieden in dienst bij de centra van het eenvormig oproepstelsel‟). De in dienst zijnde leden van het beroepspersoneel en de vrijwilligers van brandweerdiensten binnen een gemeente zijn allen operationeel personeel geworden van de zone waarvan deze gemeente deel uitmaakt (artikelen 202 en volgende van de wet van 15 mei 2007 en artikel 308 van het koninklijk besluit van 19 april 2014). De artikelen 3 en 4 van het bestreden besluit voorzien in een selectieprocedure opdat de in functie zijnde operationele ambtenaren van de Civiele Bescherming hun dienstbetrekking bij de Civiele Bescherming zouden kunnen behouden. Enkel de 313 meest geschikte ambtenaren werden geselecteerd en zijn vanaf 1 januari 2019 ambtshalve benoemd in de nieuwe graad vermeld in artikel 5 van het bestreden besluit. Het feit dat zonder redelijke verantwoording de operationele ambtenaren van de Civiele Bescherming zich hebben moeten onderwerpen aan een eliminerende selectieprocedure maar de gemeentelijke ambtenaren van de brandweerdiensten en van de centra van het eenvormig oproepstelsel niet, is een discriminatie. Het is eveneens discriminerend dat de ambtenaren van de Civiele Bescherming geen opleiding krijgen om toegang te hebben tot de dienstbetrekkingen, in navolging van de ambtenaren van de centra van het eenvormig oproepstelsel bij hun overgang naar de FOD Binnenlandse Zaken, wat IX-9389-13/46 des te meer waar is nu de ambtenaren van de Civiele Bescherming met succes een eliminerend examen moeten afleggen om te worden overgedragen en dat de nieuwe graden geen rekening houden met verkregen diploma‟s en brevetten en met de verworven anciënniteit. 12.1.
  34. In tegenstelling tot wat de verwerende partij beweert, in het licht van de nagestreefde doelstelling die erin bestaat een grotere efficiëntie te verzekeren van de tussenkomsten en een betere complementariteit van de opdrachten van de operationele eenheden van de Civiele Bescherming en de hulpverleningszones zodanig dat een betere bescherming kan worden geboden aan de bevolking, en dit op efficiëntere wijze, is het onderscheid tussen de operationele ambtenaren van de Civiele Bescherming en de andere ambtenaren van de Civiele Veiligheid niet pertinent en laat ze niet toe redelijkerwijze het aangeklaagde verschil in behandeling te verantwoorden. Integendeel, gelet op de voormelde doelstellingen, zou het gepast zijn geweest al het personeel van de Civiele Bescherming in dienst te houden, in navolging van wat werd gedaan in de eerste twee fases van de hervorming van de Civiele Veiligheid. De compenserende maatregelen waarin de verwerende partij heeft voorzien, zijn niet gepast aangezien ze aan de ambtenaren van de Civiele Bescherming niet toelaten hun dienstbetrekking te behouden maar enkel om te worden gereclasseerd in andere dienstbetrekkingen. Wat betreft de reaffectatie naar de hulpverleningszones, moet worden gepreciseerd dat de drie koninklijke besluiten van 14 oktober 2018 slechts betrekking hebben op de operationele medewerkers en brigadiers (basiskader). Het bestreden besluit volgt vast en zeker uit een toepassing van het veranderlijkheidsbeginsel, maar de uitoefening hiervan moet te verenigen zijn met de naleving van het gelijkheidsbeginsel in functie van de voorhanden zijnde omstandigheden, behoudens indien men in aanmerking zou nemen dat de overheid IX-9389-14/46 steeds een algemeen belang nastreeft en dus nooit zou kunnen discrimineren wanneer zij eenzijdig en voor de toekomst de arbeidsvoorwaarden van haar ambtenaren zou wijzigen. De budgettaire redenen die in aanmerking zouden kunnen worden genomen voor de beoordeling van de (aangevoerde) schending van het gelijkheidsbeginsel, “is een pure cirkelredenering van de verwerende partij die niet wordt ontwikkeld noch wordt gesteund door bewijskrachtige stukken”. Elke hervorming heeft noodzakelijkerwijze budgettaire implicaties, wat niet zou toelaten te besluiten dat ze daardoor niet discriminerend zou zijn. 12.2.
  35. Met betrekking tot het tweede middelonderdeel repliceren de verzoekers in hun memorie van wederantwoord dat indien het niet is toegelaten zonder redelijke verantwoording de statutaire leden onderling verschillend te behandelen, het dan evenmin is toegelaten de statutaire leden en de vrijwillige leden verschillend te behandelen. Artikel 16 van het bestreden besluit bepaalt dat de 650 vrijwillige leden van de Civiele Bescherming die hiertoe een aanvraag doen, ambtshalve worden benoemd in de graad van vrijwillig sappeur op 1 januari
  36. De vrijwillige leden worden dus niet onderworpen aan de selectieproeven die wordt opgelegd aan de leden van het beroepspersoneel. De andere bepalingen van het bestreden besluit zijn op hen niet van toepassing (artikel 1). 12.2.
  37. De situatie van de vrijwillige brandweerlieden en van de beroepsbrandweerlieden is vergelijkbaar, zoals het Grondwettelijk Hof nog recent heeft gesteld. Aangezien de vrijwillige brandweerlieden en de beroepsbrandweerlieden vergelijkbare opdrachten vervullen in eenzelfde korps, vormen zij vergelijkbare categorieën (GwH van 9 juli 2013, nr. 103/2013, B.5.2). IX-9389-15/46 De leer van dit arrest is toepasbaar op de situatie van de beroepsleden en de vrijwillige leden van de Civiele Bescherming, bedoeld in artikel 155 van de wet van 15 mei 2007, aangezien de opdrachten en de prestaties vergelijkbaar zijn en enkel de organisatie van de arbeidsduur verschilt omdat de vrijwillige leden hun activiteit niet in hoofdorde uitoefenen. De opleiding van de beroepsleden en van de vrijwillige leden is trouwens identiek. Het is aldus ten onrechte dat de verwerende partij beweert dat de vrijwillige leden zich in een “manifest verschillende situatie” zouden bevinden dan de leden van het operationeel personeel, en dit enkel omdat de vrijwillige leden minder kosten. 12.2.
  38. Opdat het verschil in behandeling zou kunnen worden toegelaten, moet het objectief en redelijk verantwoord zijn, rekening houdend met het doel en de gevolgen van de bekritiseerde maatregel alsook met de aard van de desbetreffende beginselen. De verzoekers zien niet in hoe het hoofdkenmerk van de functies van de beroepsleden van aard zou zijn te rechtvaardigen dat voor prestaties die binnen eenzelfde korps op identieke wijze worden uitgevoerd, een verschillende overgang wordt georganiseerd afhankelijk of het een beroepslid dan wel een vrijwillig lid betreft van de Civiele Bescherming. Zij zien evenmin in hoe de door het bestreden besluit nagestreefde doelstellingen een dergelijk verschil in behandeling zouden kunnen rechtvaardigen. Het feit dat de beroepsleden zijn onderworpen aan een selectie en dat enkel de meest geschikten worden benoemd tot de nieuwe graden van de Civiele Bescherming, terwijl de vrijwillige brandweerlieden niet worden onderworpen aan de selectie opgelegd aan de personeelsleden en op eenvoudig IX-9389-16/46 verzoek ambtshalve kunnen worden benoemd in de graad van vrijwillig sappeur op 1 januari 2019 voor dezelfde prestaties, is discriminerend. Aldus worden de rechten van de ambtenaren op arbeid en op een vrije keuze van beroepsarbeid eveneens op aanzienlijke wijze aangetast in het kader van een algemene arbeidspolitiek, die er onder meer in bestaat een zo stabiel en hoog arbeidsniveau als mogelijk te verzekeren, terwijl het bestreden besluit de precaire arbeid verkiest ten nadele van de werkzekerheid van de ambtenaren, zonder dat hiervoor pertinente en toelaatbare redenen van algemeen belang bestaan. 13.
  39. In hun laatste memorie benadrukken de verzoekers met betrekking tot het eerste middelonderdeel, dat zij nooit hebben beweerd dat de selectieproeven discriminatoir zouden zijn omwille van het feit dat de opdrachten toegewezen aan de Civiele Bescherming na de hervorming, al dan niet verschillend zouden zijn. Met verwijzing naar rechtsleer stellen zij dat “het bestaan van de vergelijkbaarheid rechtstreeks verbonden is met een referentiekader, dit wil zeggen een context die het aannemen van de gewraakte norm verantwoordt”. Volgens hen bestaat het referentiekader om de vraag te kunnen beantwoorden of het personeel van de Civiele Bescherming enerzijds en van de hulpverleningszones en van de centra van het eenvormig oproepstelsel anderzijds voldoende vergelijkbaar zijn, in het voorwerp van de gewraakte norm en in de context van de hervorming van de Civiele Bescherming, namelijk een betere bescherming aan de bevolking aanbieden. De verzoekers betogen dat het voorwerp van het bestreden besluit volgens het verslag aan de koning is, enerzijds bepalen hoe het huidig statutair operationeel personeel in dienst van de Civiele Bescherming toegang kan hebben tot de nieuwe graden van de Civiele Bescherming en anderzijds het kader IX-9389-17/46 tot stand brengen voor de toegang tot deze dienstbetrekkingen buiten de Civiele Bescherming. Wat de context betreft, herinneren de verzoekers eraan dat de regering sinds meerdere jaren overweegt de Civiele Veiligheid te hervormen, dit wil zeggen de brandweer, de Civiele Bescherming en de dringende medische hulpverlening, en dat deze hervorming tot stand is gebracht in drie fases. . In het licht van dit referentiekader bevindt het personeel van de Civiele Bescherming zich in een situatie die voldoende vergelijkbaar is met die van het personeel van de hulpverleningszones en van het personeel van de centra van het eenvormig oproepstelsel en hun overdracht moest dus op minstens gelijkaardige wijze behandeld worden. Al deze ambtenaren maken immers deel uit van de Civiele Veiligheid die de wetgever heeft willen hervormen met als doel een betere bescherming te bieden aan de bevolking van het koninkrijk. 13.
  40. In hun laatste memorie benadrukken de verzoekers met betrekking tot het tweede middelonderdeel dat het Grondwettelijk Hof heeft geoordeeld dat de vrijwillige brandweerlieden en de beroepsbrandweerlieden vergelijkbare categorieën zijn en dat het Hof rekening heeft gehouden met de aard van de opdrachten uitgevoerd door de brandweerlieden, professioneel of niet. Dit geldt volgens de verzoekers naar analogie dan ook voor de professionele leden en de vrijwillige leden van de Civiele Bescherming. Zij vervullen immers gelijkaardige opdrachten in hetzelfde korps. Zij onderbouwen dit door erop te wijzen dat wat de aan de Civiele Bescherming toegewezen opdrachten en specifieke taken betreft, geen onderscheid wordt gemaakt al naargelang ze moeten worden uitgevoerd door vrijwilligers of beroepsleden. IX-9389-18/46 Beoordeling a. De ontvankelijkheid van het middel 14.
  41. In zoverre in het middel onder meer de schending wordt aangevoerd van het gebrek aan “motivering en de niet afdoende motivering, [… een] manifeste beoordelingsfout en […] machtsoverschrijding”, moet worden vastgesteld dat de verzoekers niet aantonen op welke wijze die in het middel ingeroepen beginselen of voorschriften zouden zijn geschonden. 14.
  42. Het middel is derhalve onontvankelijk in zoverre de schending hiervan wordt aangevoerd. b. De gegrondheid van het middel 15.
  43. In het eerste middelonderdeel wordt in hoofdorde aangevoerd dat de verschillende behandeling tussen enerzijds de operationele personeelsleden van de Civiele Bescherming die moeten deelnemen aan selectieproeven om nog deel te kunnen uitmaken van de Civiele Bescherming, en anderzijds de ambtenaren van de lokale brandweerdiensten die allen automatisch worden overgeplaatst naar de hulpverleningszones, en de gemeentelijke ambtenaren van de centra van het eenvormig oproepstelsel die allen een detachering naar de FOD Binnenlandse Zaken hebben kunnen genieten, in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, omdat de opdrachten toegewezen aan de Civiele Bescherming op 1 januari 2019 nagenoeg identiek blijven, zodat het niet is verantwoord dat niet alle operationele personeelsleden van de Civiele Bescherming hun tewerkstelling daar kunnen behouden. Ondergeschikt, in de hypothese dat de Civiele Bescherming vanaf 1 januari 2019 wel een gewijzigde opdracht heeft, is het volgens de verzoekers discriminerend dat de operationele personeelsleden van de Civiele Bescherming geen bijzondere opleiding kunnen volgen om toegang te krijgen tot IX-9389-19/46 deze betrekkingen, naar het voorbeeld van de ambtenaren van het eenvormig oproepstelsel bij hun overdracht naar de FOD Binnenlandse Zaken. 15.
  44. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dezelfde regels verzetten er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de aangevochten maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen. Het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. 15.
  45. Zoals de verzoekers zelf hebben aangegeven, verliep de hervorming van de Civiele Veiligheid in drie fases. In een eerste fase, in 2011, is dit geconcretiseerd door de overdracht van de gemeentelijke ambtenaren van de centra van het eenvormig oproepstelsel (centra 100) naar de FOD Binnenlandse Zaken teneinde verder de dienstbetrekking van calltaker te blijven uitoefenen in de nieuwe gefederaliseerde centra
  46. Tussen 2014 en 2016 volgde de omvorming van de gemeentelijke en intercommunale brandweerdiensten in 34 hulpverleningszones die het volledig Belgische grondgebied bedekken. Ten slotte is in een derde fase overgegaan tot een actualisering van de Civiele Bescherming met de inwerkingtreding van de hervorming van de Civiele Bescherming op 1 januari
  47. Wat op zich al aantoont dat het gaat om drie verschillende categorieën van ambtenaren. IX-9389-20/46 Dat blijkt ook uit voornoemde wet van 15 mei
  48. De opdrachten die enerzijds de operationele personeelsleden van de Civiele Bescherming moeten uitvoeren en die welke anderzijds de ambtenaren van de lokale brandweerdiensten en de gemeentelijke ambtenaren van de centra van het eenvormig oproepstelsel moeten uitvoeren, verschillen van elkaar. Zo ook moet de Civiele Bescherming na 1 januari 2019 een aantal opdrachten niet meer uitvoeren (veiligheidsafbakening, beperkte vervuiling op binnenwateren, niet gespecialiseerde schoonmaak en verdeling van voedsel in de gevangenissen), terwijl de opdrachten van de hulpverleningszones en het eenvormig oproepstelsel niet werden gewijzigd. Tevens blijkt uit het koninklijk besluit van 20 september 2017 „tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 juni 2014 tot bepaling van de opdrachten en taken van civiele veiligheid uitgevoerd door de hulpverleningszones en de operationele eenheden van de Civiele Bescherming en tot wijziging van het koninklijk besluit van 16 februari 2006 betreffende de nood- en interventieplannen‟ dat met ingang van 1 januari 2019 – in essentie – de hulpverleningszones alle dringende opdrachten zullen uitvoeren, terwijl de Civiele Bescherming zich zal toespitsen op de gespecialiseerde of langdurige opdrachten. Ook hieruit blijkt dat de opdracht van de Civiele Bescherming na 1 januari 2019 niet identiek is aan de opdracht die zij voorheen had, vermits het de bedoeling is dat zij evolueert naar een hooggespecialiseerde tweedelijnsinterventiedienst, georganiseerd volgens de drie clusters „CBRN‟ (chemische, biologische, radiologische en nucleaire gevaarlijke stoffen), „Search & Rescue‟, en „Heavy Support & Crisis Management‟, en dat zij na de hervorming nog enkel opdrachten van nationaal belang voor haar rekening zal nemen (vermits ook bepaald wordt dat de hulpverleningszones indien nodig voor onderlinge bijstand zorgen). In tegenstelling tot wat de verzoekers aanvoeren, bevinden de operationele personeelsleden van de Civiele Bescherming zich dus niet in dezelfde IX-9389-21/46 situatie als de ambtenaren van de lokale brandweerdiensten en de gemeentelijke ambtenaren van de centra van het eenvormig oproepstelsel. 15.
  49. Wat de in ondergeschikte orde aangevoerde discriminatie betreft, is hiervóór vastgesteld dat de opdrachten van de personeelsleden van de Civiele Bescherming onvoldoende vergelijkbaar zijn met onder meer de opdrachten van de ambtenaren van het eenvormig oproepstelsel, waaruit volgt dat de vaststelling dat de ambtenaren van het eenvormig oproepstelsel een bijzondere opleiding kunnen volgen terwijl in deze mogelijkheid niet voorzien is voor de operationele personeelsleden van de Civiele Bescherming, geen ontoelaatbaar verschil in behandeling inhoudt, vermits beide categorieën van ambtenaren onvoldoende vergelijkbaar zijn, gelet op de verschillende aard van de opdrachten van beide categorieën. 15.
  50. Uit wat voorafgaat volgt dat het eerste middelonderdeel niet gegrond is. 16.
  51. In het tweede middelonderdeel wordt vooreerst de schending aangevoerd van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet omwille van een niet gerechtvaardigd verschil in behandeling van enerzijds het beroepspersoneel van de Civiele Bescherming en anderzijds de vrijwillige personeelsleden van de Civiele Bescherming, die per 1 januari 2019 wél allemaal ambtshalve en zonder selectieproeven in het nieuwe kader worden benoemd in de graad van vrijwillig sappeur. Daarnaast wordt de schending aangevoerd van artikel 23 van de Grondwet dat het fundamenteel recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid garandeert alsook een standstillverplichting bevat, dat zich ertegen zou verzetten dat de bevoegde overheid beduidend de door de toepasselijke reglementering aangeboden graad van bescherming herleidt zonder dat hiertoe redenen bestaan die verband houden met het algemeen belang. IX-9389-22/46 16.
  52. In zoverre de schending wordt aangevoerd van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet moet worden gewezen op wat volgt. Luidens het verslag aan de koning beoogt het bestreden besluit enerzijds te regelen hoe het statutaire operationele personeel die op dat ogenblik in dienst is van de Civiele Bescherming, kan overgaan naar de nieuwe graden van de Civiele Bescherming en anderzijds het kader te creëren voor de overgang naar tewerkstelling buiten de Civiele Bescherming. Artikel 1 van het bestreden besluit beperkt het toepassingsgebied van dit besluit tot het operationeel personeel van de Civiele Bescherming. Enkel in artikel 16 van het bestreden besluit is in een regeling voorzien voor de vrijwillige personeelsleden van de Civiele Bescherming. Volgens de economie van het bestreden besluit dient artikel 1 te worden gelezen in samenhang met de vermindering van het aantal effectieve leden van het operationeel personeel. Ook worden nadere regels bepaald waaronder de leden van het operationeel personeel van de Civiele Bescherming in de nieuwe graden van de Civiele Bescherming kunnen worden benoemd – zo wordt onder meer in een selectieprocedure voorzien (artikelen 3 tot 7) – en wordt bepaald volgens welke regels de niet in aanmerking genomen leden weder tewerkgesteld worden in één van de diensten van de FOD Binnenlandse Zaken, in andere federale overheidsdiensten of bij de federale politie (artikelen 8 tot 15). Artikel 12 bepaalt dat de personeelsleden die op 1 januari 2019 niet benoemd of niet weder tewerkgesteld zijn, onderworpen worden aan de ambtshalve mobiliteit overeenkomstig het koninklijk besluit van 15 januari 2007 „betreffende de mobiliteit van de statutaire ambtenaren in het federaal administratief openbaar ambt‟. De vrijwillige personeelsleden daarentegen die geen aanvraag hebben ingediend om ambtshalve te worden benoemd in de graad van vrijwillig sappeur, worden ambtshalve ontslagen (artikel 16, derde lid, van het bestreden besluit). Hieruit volgt dat het bestreden besluit in zijn geheel is geconcipieerd om het lot van de operationele personeelsleden te regelen, in tegenstelling tot de vrijwillige personeelsleden waarvan de effectieven IX-9389-23/46 onveranderd blijven. Deze twee personeelscategorieën bevinden zich aldus in een situatie die niet vergelijkbaar is, afgezien van de aard van hun opdrachten die hun zijn opgedragen en de vorming die zij moeten volgen. Het is derhalve niet onredelijk dat onder die voorwaarden in een selectieproef wordt voorzien om de meest geschikte kandidaten onder de leden van het operationeel personeel van de Civiele Bescherming te selecteren, terwijl de vrijwillige personeelsleden hiervan worden vrijgesteld. 16.
  53. In zoverre de schending wordt aangevoerd van artikel 23 van de Grondwet, moet worden vastgesteld dat dit onderdeel nauwelijks en zeker niet duidelijk word toegelicht. Afgezien van de vraag of dit onderdeel van het middel daarom alleen al onontvankelijk is, zal bij de beoordeling van het derde middel – waarin nogmaals de schending van dit artikel wordt aangevoerd – blijken dat het bestreden besluit artikel 23 van de Grondwet niet schendt. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 17.
  54. Het derde middel is ontleend aan “de schending van de artikelen 22 en 23, leden 1 tot 3, 1° van de Grondwet, […] artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, […] de schending van het algemeen rechtsbeginsel van de evenredigheid, […] het gebrek aan motivering, […] de schending van de beginselen van de rechtszekerheid en het gewettigd vertrouwen, […] [een] manifeste beoordelingsfout en […] machtsoverschrijding.” 17.
  55. Artikel 8 van het bestreden besluit bepaalt dat de leden van het operationeel personeel die niet geselecteerd worden voor een dienstbetrekking in de nieuwe operationele graad van de Civiele Bescherming, zolang zij benoemd zijn bij de algemene directie Civiele Veiligheid, weder tewerkgesteld kunnen worden, naargelang de vacante functies, in de diensten van de FOD Binnenlandse Zaken, in andere federale overheidsdiensten of bij de federale politie. In dit verband bepalen IX-9389-24/46 de artikelen 9, 10 en 11 van het bestreden besluit dat deze wedertewerkstelling zal afhangen van de vacante plaatsen meegedeeld door de voornoemde diensten, dat de operationele ambtenaren van de Civiele Bescherming zich kandidaat kunnen stellen voor deze vacante plaatsen mits zij voldoen aan de vereisten van de te begeven functie, en dat zij in voorkomend geval een test moeten afleggen opdat de meest geschikte kandidaat zou worden gekozen. Artikel 12 bepaalt dat de personeelsleden die op 1 januari 2019 niet benoemd werden in de nieuwe operationele graden of die niet weder tewerkgesteld werden, worden onderworpen aan de ambtshalve mobiliteit overeenkomstig het koninklijk besluit van 15 januari 2007 „betreffende de mobiliteit van de statutaire ambtenaren in het federaal administratief openbaar ambt‟. Hoewel in de aanhef van het bestreden besluit melding wordt gemaakt van het koninklijk besluit van 29 juni 2018 „betreffende de mobiliteit van het operationeel personeel van de Civiele Bescherming naar de hulpverleningszones‟, is volgens de verzoekers die mogelijke overgang onbestaande. De omstandigheid dat de agenten zich moeten onderwerpen aan een selectieproef om een dienstbetrekking te behouden binnen de Civiele Bescherming, in samenhang met het feit dat in het geval zij niet geselecteerd worden en hun situatie volstrekt onbepaald is, zorgt ervoor dat de artikelen 3, 4 en 8 tot 12 van het bestreden besluit manifest onevenredig zijn. Uit deze bepalingen volgt dat de verwerende partij geenszins rekening heeft gehouden met de belangen van de operationele personeelsleden van de Civiele Bescherming waarvan het lot is overgeleverd aan een volstrekt onbekende factor. Gelet op hun taken, het arbeidsstelsel en de omschreven bekwaamheden, zal het door het bestreden besluit beoogde stelsel een substantiële en zelfs een radicale wijziging meebrengen voor een groot aantal van de ambtenaren van de Civiele Bescherming en minstens voor 137 onder hen, zowel wat hun arbeidsvoorwaarden als de inhoud van hun arbeid betreft. Dit is een onevenredige aantasting van het recht op eerbied van het privé en IX-9389-25/46 familiaal leven en de vrije keuze van een beroepsactiviteit, alsook van het recht op billijke arbeidsvoorwaarden. De voornoemde bepalingen van het bestreden besluit die betrekking hebben op de huidige ambtenaren van de Civiele Bescherming zijn niet noodzakelijk in het licht van het door de verwerende partij nagestreefde doel. Andere maatregelen die minder de fundamentele rechten van de ambtenaren aantasten, zouden toelaten op dezelfde wijze het door de verwerende partij nagestreefde doel te bereiken, zoals de invoering van een overgangsregeling die aan de in functie zijnde ambtenaren zou toelaten hun dienstbetrekking te behouden, hierbij rekening houdend met het nieuwe belang van de woon-werktrajecten, gelet op de herleiding van zes kazernes naar twee, en door eventueel de vrijwillige mobiliteit aan te sporen naar een andere federale dienst of een hulpverleningszone. Het ontbreken van een overgangsregeling is niet verantwoord en de bepalingen van het besluit die op volstrekt vage wijze de toekomst beheersen van de ambtenaren van de Civiele Bescherming die niet geselecteerd zouden zijn in de nieuwe graden, blijken in deze context slecht gemotiveerd en volgen uit een manifeste beoordelingsfout. Volgens de verzoekers bevestigen artikel 8 van het Europees verdrag over de rechten van de mens en artikel 22 van de Grondwet het fundamentele recht op de eerbied voor het privéleven. Dit fundamentele recht mag slechts worden aangetast als daarin is voorzien door de wet, daarbij een doelstelling van algemeen belang wordt nagestreefd en de beperking noodzakelijk is binnen een democratische samenleving, wat de eerbied impliceert van het evenredigheidsbeginsel.
  56. In hun memorie van wederantwoord stellen de verzoekers dat het derde middel moet worden onderscheiden van het tweede middel omdat enerzijds artikel 23 van de Grondwet “niet meer gecombineerd wordt” met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en omdat anderzijds de schending van artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 EVRM wordt aangevoerd. Volgens hen verliest de IX-9389-26/46 verwerende partij uit het oog dat artikel 23 van de Grondwet kan worden ingeroepen zowel in een gecombineerde lezing met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet (voorwerp van het tweede middel) als, rechtstreeks, via de verplichting tot standstill (voorwerp van het derde middel). Zij lichten dit verder toe als volgt: “Welnu, de belangrijke wijziging van de arbeidsvoorwaarden door de aangevochten bestuurshandeling maakt een inmenging uit in het privé en familiaal leven van het individu waardoor artikel 8 van het Verdrag wordt geschonden indien ze niet wordt gerechtvaardigd door pertinente en toelaatbare redenen van algemeen belang. Ter zake dekt „privé en familiaal leven‟ dus wel degelijk de beroepsrelaties van de verzoekende partijen. De verwerende partij heeft het aan het verkeerde eind wanneer zij zomaar stelt dat het feit eventueel te worden overgeplaatst naar een andere dienstbetrekking of zich te moeten kandidaat stellen voor een post op geen enkele wijze het privé of familiaal leven zou aantasten. Een dergelijke abstracte bevestiging is onjuist. Zij toont voor het overige aan dat de verwerende partij perfect het middel heeft begrepen en dat het slechts in het kader van deze zaak is dat zij het beweerdelijk obscuur karakter inroept.
  57. Ter zake spreekt het voor zich dat de aangevochten bestuurshandeling op aanzienlijke wijze het privé en familiaal leven aantast van de verzoekende partijen, beschermd door de artikelen 22 van de Grondwet en 8 EVRM. Indien men enerzijds de situatie neemt van de verzoekende partijen die zijn geslaagd in de selectieproeven en gerangschikt in de nieuwe graden moet men vaststellen dat hun plaats en arbeidsvoorwaarden op aanzienlijke wijze werden gewijzigd. De vacante dienstbetrekkingen in de nieuwe graden overeenkomstig artikel 2 van de aangevochten bestuurshandeling zijn diegenen in de operationele eenheden aangewezen in het koninklijk besluit van 8 oktober 2017 ter bepaling van de vestiging van de eenheden van de Civiele bescherming. Er bestonden concreet 6 operationele eenheden, gelegen in Jabbeke, Liedekerke, Brasschaat, Ghlin, Crisnée en Libramont, die de verwerende partij beslist heeft te herleiden tot 2 (Brasschaat en Crisnée). Anderzijds impliceert de overplaatsing voor de ambtenaren die niet geselecteerd worden in de nieuwe graden eveneens een belangrijke wijziging met betrekking tot arbeidsplaats (bijvoorbeeld de verzoekers toegewezen aan de FOD Openbare Gezondheid moeten zich voortaan begeven naar Brussel) maar eveneens een nieuwe zelfbeschikking ten aanzien van de verschillende functies en taken die hen vreemd zijn.
  58. Wat betreft de materiële schending van de aangevochten bestuurshandeling en artikel 23 van de Grondwet, zijn dit beginsel en dit artikel geschonden voor dezelfde redenen als artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 EVRM wat betreft de situatie van de ambtenaren die geslaagd zijn in de selectieproef en ambtshalve werden benoemd in nieuwe graden. Voor de andere ambtenaren, die niet werden geselecteerd of benoemd in de nieuwe graden, schendt de aangevochten bestuurshandeling eveneens artikel 23 van de Grondwet en het beginsel van formele motivering van de bestuurshandelingen, om de hiernavolgende redenen. Eerst en vooral moet men vaststellen dat de afdeling wetgeving van de Raad van State in haar advies n° 63.326/2 van 28 mei 2018 betreffende het ontwerp van koninklijk besluit ter bepaling van het administratief statuut heeft gesteld: „Zoals in artikel 2, § 1, van het ontworpen besluit bepaald wordt, zal dit besluit niet van toepassing zijn op alle leden van het beroepspersoneel van de Civiele Bescherming maar alleen op die leden die geselecteerd zullen IX-9389-27/46 worden conform de artikelen 3 en 4 van het ontwerp van koninklijk besluit „houdende diverse maatregelen betreffende de leden van het operationeel personeel van de Civiele Bescherming‟ waarover vandaag advies 63.328/2 gegeven is. Bij laatstgenoemd ontwerpbesluit wordt het aantal openstaande betrekkingen in de nieuwe operationele graden van de Civiele Bescherming vastgesteld (artikel 2), wordt bepaald op welke wijze de leden van het operationeel personeel van de Civiele Bescherming de nieuwe graden van de Civiele Bescherming kunnen verwerven (artikelen 3 en volgende) en wordt bepaald volgens welke regels de niet-weerhouden leden weder tewerkgesteld worden in een van de diensten van de FOD Binnenlandse Zaken, in andere federale overheidsdiensten of bij de federale politie (artikelen 8 en volgende). Uit het voorgaande blijkt dat de reorganisatie van de Civiele Bescherming grote gevolgen zal hebben voor de arbeidsvoorwaarden van alle leden van het beroepspersoneel van de Civiele Bescherming. Op te merken valt dat in het verslag aan de Koning in dat verband geen enkele specifieke verantwoording gegeven wordt. De afdeling Wetgeving heeft evenwel reeds op het volgende gewezen: „Voor zover de in het ontwerp opgenomen maatregelen tot gevolg zouden hebben dat het arbeidsrechtelijk beschermingsniveau van bepaalde categorieën van werknemers wordt verminderd, dient erop te worden gewezen dat artikel 23 van de Grondwet, dat onder meer het recht op billijke arbeidsvoorwaarden garandeert, er zich in beginsel tegen verzet dat normen worden aangenomen waarbij de graad van bescherming van de rechten, die erdoor worden erkend, aanzienlijk zou worden verminderd ten opzichte van het beschermingsniveau in de wetgeving die van toepassing was de dag waarop dat grondwetsartikel in werking is getreden. Volgens het Grondwettelijk Hof impliceert artikel 23 van de Grondwet een standstill-verplichting „die eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving in aanzienlijke mate vermindert, zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang. Weliswaar is het de openbare diensten volgens de wet van de veranderlijkheid of van de mutabiliteit toegestaan om de regels inzake de organisatie en de werking van de openbare diensten en de voorwaarden van de dienstverlening aan het publiek te allen tijde te wijzigen, zodat de openbare diensten snel kunnen worden aangepast aan de vooruitgang en de evolutie van de behoeften waaraan moet worden voldaan. Wat de uitoefeningsvoorwaarden van het recht op billijke arbeidsvoorwaarden betreft, mag de steller van het ontwerp evenwel geen beperkingen opleggen waarvan de gevolgen kennelijk onevenredig zijn met het nagestreefde doel, en mag hij evenmin, zonder noodzaak, beperkingen opleggen ten aanzien van bepaalde categorieën van personen. De steller van het ontwerp moet op dit punt een afdoende verantwoording kunnen geven. In haar antwoordmemorie meent de verwerende partij dat de afdeling wetgeving van de Raad van State enkel en alleen een aantal punctuele opmerkingen heeft gemaakt op het ontwerp dat de aangevochten bestuurshandeling is geworden, waarop is geantwoord in het Verslag aan de Koning. Het betreft echter geenszins punctuele opmerkingen. In het verslag aan de Koning dat het koninklijk besluit van 29 juni 2018 ter bepaling van het administratief statuut van het operationeel personeel van de Civiele bescherming voorafgaat, zet de verwerende partij uiteen: „De Raad van State vermeldt in zijn advies over dit ontwerp dat „de reorganisatie van de Civiele Bescherming inderdaad grote gevolgen zal hebben voor de werkomstandigheden van alle beroepsleden van de Civiele Bescherming. Deze reorganisatie, en dit ontwerp in het bijzonder, vormen, globaal gezien, echter geen beperking van de graad van bescherming die de regelgeving die dit ontwerp vervangt, biedt. Ook al brengt de ontworpen regelgeving bepaalde beperkingen van de huidige rechten met zich mee, toch IX-9389-28/46 leidt deze niet tot een grote beperking van de graad van bescherming van de voorgaande reglementering. Deze beperkingen worden trouwens in het algemeen gecompenseerd door de toekenning van een bijkomende bescherming. Zo worden bijvoorbeeld bepaalde verloven die moeilijk verzoenbaar zijn met de organisatie van een operationele continudienst en het werken in ploegen, beperkt of verminderd. Dat aspect wordt gecompenseerd door overgangsbepalingen waarbij verloven die lopende zijn, wel behouden blijven. In dit ontwerp worden tevens specifieke verplichtingen gepreciseerd, zoals de verplichting betreffende het behoud van de lichamelijke geschiktheid van de intervenanten, teneinde een kwaliteitsvolle interventie te kunnen garanderen en de veiligheid van de bevolking en de intervenanten te waarborgen. Daarnaast wordt het statuut van de vrijwillige personeelsleden momenteel vrij globaal geregeld in een aantal bepalingen, terwijl er vroeger slechts enkele bepalingen op hen van toepassing waren. Er moet tot slot opgemerkt worden dat het geldelijke statuut op significatieve wijze opgewaardeerd wordt. Het geldelijk statuut van de personeelsleden van de Civiele Bescherming is afgestemd op dat van de brandweer (koninklijk besluit van 19 april 2014 houdende bezoldigingsregeling van het operationeel personeel van de hulpverleningszones), dat voordeliger is. De geldende regels op het vlak van integratie in de nieuwe graden van de Civiele Bescherming leiden nooit tot een daling van de wedde, maar wel tot aanzienlijke stijgingen. Bovendien worden bepaalde huidige premies, die eerder symbolisch waren, vervangen door een operationaliteitspremie, die 38 % van de wedde bedraagt voor de graden van sappeur, korporaal, sergeant en adjudant, 28 % van de wedde voor de graden van luitenant, commandant en kapitein, 22 % van de wedde voor de graad van majoor en 18 % van de wedde voor de graad van kolonel. Tot slot blijven bepaalde vroegere toelagen behouden: de taaltoelage, de toelage voor bijkomende prestaties en de toelage voor een operationele opdracht in het buitenland. De aan de werkomstandigheden aangebrachte wijzigingen staan, globaal gezien, in verhouding tot de einddoelstelling, namelijk het leveren van een optimale hulpverlening aan de bevolking, waarbij deze dienst gestructureerd is op twee niveaus, met name lokaal en federaal. Men begrijpt dat terwijl de Raad van State gewag heeft gemaakt van „alle operationele leden van de Civiele bescherming‟ de verwerende partij slechts antwoordt op het lot voorbehouden voor de actuele civiele beroepsleden die geselecteerd zullen worden in de vacante dienstbetrekkingen in de nieuwe operationele graden van de Civiele bescherming. Het verslag aan de Koning parafraseert in werkelijkheid de maatregelen voorzien door de koninklijk besluiten van 29 juni 2018, de één houdende het administratief statuut, de andere houdende het geldelijk statuut van het operationeel personeel van de Civiele bescherming die daadwerkelijk niet van toepassing zijn op de krachtens de artikelen 3 en 4 van de aangevochten bestuurshandeling geselecteerde en gerangschikte professionele personeelsleden. Men kan benadrukken dat een beroep werd ingediend tegen het koninklijk besluit van 29 juni 2018 houdende het administratief statuut en is thans hangende (G/A 226.182/ VIII- 10950). Anders gezegd, de verwerende partij motiveert volgens hem waarom de twee nieuwe statuten geen aanzienlijke aantasting inhouden van de fundamentele rechten van de ambtenaren van de Civiele bescherming zoals hen gewaarborgd door artikel 23 van de Grondwet en blijkt niet de draagwijdte te hebben gevat van de opmerking van de Raad van State, wat ondermeer blijkt uit het gebruik van de bewoordingen „punctuele opmerkingen‟ ten opzichte van de opmerkingen van de afdeling wetgeving van de Raad van State. Het verslag aan de Koning voorafgaand aan de aangevochten IX-9389-29/46 bestuurshandeling zwijgt in werkelijkheid over de situatie van de 137 ambtenaren die niet zullen benoemd worden in vacante dienstbetrekkingen in de nieuwe graden van de Civiele bescherming. De antwoordmemorie doet hetzelfde, zelfs indien het voor zich spreekt dat de uitleg hierin niet zou kunnen in de plaats gesteld worden van de leemtes in het verslag van de Koning. Volgens het verslag aan de Koning voorafgaand aan de aangevochten bestuurshandeling heeft het ontwerp trouwens nooit enig ander voorwerp gehad dan „enerzijds te bepalen hoe het huidige in dienst zijnde operationeel statutair personeel toegang kan hebben tot de nieuwe graden van de Civiele bescherming en anderzijds een kader creëren voor de toegang tot dienstbetrekkingen buiten de Civiele bescherming‟. De verwerende partij blijft dus in gebreke formeel de eerbied van artikel 23 van de Grondwet te motiveren, hoewel zij hiertoe uitdrukkelijk werd uitgenodigd tijdens de uitwerking van de aangevochten bestuurshandeling, wat volstaat om te leiden tot de gegrondheid van het middel aangezien er een ongerechtvaardigde vermindering is van de sociale rechten – meer bepaald het recht op vrije keuze van beroepsarbeid – van de verzoekende partijen. Vervolgens moet men vaststellen dat de aangevochten bestuurshandeling wel degelijk een aanzienlijke vermindering inhoudt die niet verantwoord is door pertinente en toelaatbare redenen van algemeen belang. De aangevochten bestuurshandeling beoogt volledig een ganse categorie van personen uit te sluiten uit het toepassingsgebied van de Civiele bescherming, en meer bepaald de personen die niet geselecteerd en benoemd werden in de nieuwe graden, hetzij 137 personen in totaal. Met andere woorden, van de één op de andere dag, zal een categorie van personen niet meer toegelaten worden te werken op de Civiele bescherming. Ten opzichte van vergelijkbare situaties besluit het Grondwettelijk hof tot het bestaan van een aanzienlijke vermindering van de rechten beschermd door artikel 23 van de Grondwet. Ter illustratie, het Hof heeft zelf geoordeeld dat „door een categorie van vreemdelingen die legaal op het grondgebied verblijven uit te sluiten van het recht op maatschappelijke dienstverlening, vermindert artikel 57sexies van de wet van 8 juli 1976 aanzienlijk het beschermingsniveau in die aangelegenheid voor de personen die tot die categorie van vreemdelingen behoren. Om bestaanbaar te zijn met artikel 23 van de Grondwet, moet die aanzienlijke vermindering worden verantwoord door redenen van algemeen belang‟(Grondwettelijk Hof, 61/2017 van 18 mei 2017). De mogelijkheden tot overplaatsing, die de verwerende partij kwalificeert in haar antwoordmemorie als compensatoire maatregelen of begeleidingsmaatregelen, relativeren geenszins een dergelijk vermindering, aangezien de verzoekende partijen, beroepsleden van de Civiele bescherming, eenvoudigweg hun werk zullen verliezen indien zij niet slagen in de selectieproeven. Bovendien blijkt uit de lezing van de verschillende aangenomen koninklijke besluiten dat de mobiliteit naar de Hulpverleningszones slechts de basiskaders betreft. Een dergelijke regressie is des te aanzienlijker ten aanzien van de taken, het arbeidsregime en de bijzondere bekwaamheden van de operationele ambtenaren van de Civiele bescherming. - De taken. Overeenkomstig artikel 12 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de Civiele veiligheid bepaalt de Koning welke taken in het kader van de opdrachten, bedoeld in artikel 11 van die wet, door de posten en welke door de operationele eenheden van de Civiele Bescherming uitgevoerd worden. Indien er een bepaald par[a]llel[l]isme kan zijn tussen de opdrachten uitgevoerd door de Hulpverleningszones en de Civiele bescherming, dan is dat niet [het] geval voor „de andere federale openbare diensten‟ of de „federale politie‟. Dat zijn de diensten waar de ambtenaren van de Civiele bescherming IX-9389-30/46 kunnen worden in overgeplaatst indien zij al dan niet geselecteerd zijn maar niet gerangschikt. - Het arbeidsstelsel Het geheel van de operationele ambtenaren van de Civiele bescherming, met uitzondering van het leidinggevend personeel van de operationele eenheden, presteerden volgens een wachtstelsel van 24 uur aanwezigheid in de kazerne, gevolgd door 72 uur rust. De aflossing van de wacht had elke ochtend plaats om 8 uur (zie artikel 7 van het ministerieel besluit van 22 november 1985 tot vaststelling van de werking van de nationale alarmeringsdienst en depot, van de permanente eenheden en van de grote wacht van de Civiele bescherming). Het genoemde ministerieel besluit van 22 november 1985 dat het arbeidsstelsel vastlegde van deze ambtenaren, werd feitelijk toegepast maar werd nooit gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad noch onderworpen aan de afdeling wetgeving van de Raad van State „gelet op de dringende noodzakelijkheid‟ waarnaar de verwezen wordt in het voorwoord. Het was bovendien strijdig met de 6 collectieve overeenkomst van de openbare sector 1978-1989 (9de algemeen akkoord) aangezien het arbeidsstelsel niet het gemiddelde van 38 uur per week naleefde. Wat betreft het nieuwe ingevoerde arbeidsstelsel (zie het arbeidsreglement FOD Binnenlandse Zaken – Deel arbeidsduur voor de leden van het operationeel personeel van de Civiele bescherming – aangenomen door de Voorzitter van het directiecomité van de verwerende partij op 17 augustus 2018 – stuk 13 van het administratief dossier) dat de duur van de prestaties herleidt van 24u00 naar 12u40, moet worden benadrukt dat hiertegen een beroep is ingesteld voor de Raad van State dat thans nog hangende is (G/A 226.478/ VIII –10975) - De opleiding en de bijzonder bekwaamheden Er kan kort aan herinnerd worden dat elk van de zes permanente eenheden verdeeld was in 4 compagnies van 15 tot 20 operationele medewerkers en brigadiers en dat elke compagnie geleid werd door een technisch expert bijgestaan door een operationele assistent. De toegang tot de functie van operationele medewerker van niveau D binnen de Civiele bescherming vereist geen diploma of voorafgaande opleiding en de medewerkers met twee jaar anciënniteit kunnen vervolgens zich inschrijven voor de opleiding „Brevet 1‟ om operationele brigadiers te worden die de operationele medewerkers leiden. Deze opleiding omvat 5 modules die duidelijk de specifi[ci]teit van de functies aantoont: 1) Chemie – Nucleair –Hydraulica –Fysica – Elektriciteit – Administratieve opleiding – pedagogie - Beheer van chemische interventies,

(2)Materieel en interventietechnieken - Telecommunicatie,
(3)Reddingstechnieken – Detectie van chemische en nucleaire stoffen – Vervuiling,
(4)Dragen van het ademhalingstoestel (ARI) en
(5)Dragen van het gaspak. Ter zake is er dus wel degelijk een belangrijke regressie zowel voor de geselecteerde ambtenaren als voor de niet geselecteerde en niet overgeplaatste ambtenaren. 27. Het komt dus aan de verwerende partij toe aan te tonen hoe de doorgevoerde achteruitgang een voor het algemeen belang pertinente en toelaatbare reden heeft en hoe dit geschikt is en zelfs noodzakelijk in het licht van deze reden van algemeen belang en hoe er geen onevenredige gevolgen zijn voor de belanghebbenden. Dit blijft zij in gebreke te doen. Zoals de verwerende partij stelt in antwoord op het middel volgt de interne motivering van de bestuurshandeling meer bepaald uit het Verslag aan de Koning dat het voorafgaat (stuk 1 van het administratief dossier) maar eveneens uit de nota aan de Ministerraad van 4 april 2017 (stuk 5 van het administratief dossier). Volgens deze twee teksten vereisen de operationele diensten van de Civiele bescherming niet meer zoveel ambtenaren omwille van de reorganisatie van de opdrachten tussen de brandweerdiensten. IX-9389-31/46 Men moet er aan herinneren dat een dergelijke doelstelling niet juist is, eenvoudigweg omdat er geen dergelijke reorganisatie is geweest van de opdrachten van de diensten van de Civiele bescherming. Bovendien is het kenmerk van spoed om de diverse types van opdrachten te onderscheiden verkeerd aangezien de opdrachten van de Civiele bescherming van nature uit spoedig zijn (zie de argumenten bij het eerste middel). De nagestreefde redenen door de aangevochten bestuurshandeling zijn dus niet van aard de aangeklaagde achteruitgang te rechtvaardigen. De verwerende partij moet zich hiervan bewust zijn want zij verwijst eveneens naar de drie meer algemene doelstellingen nagestreefd door de hervorming van de Civiele bescherming, te weten
(1)een optimale organisatie van de hulpverlening aan de bevolking,
(2)de verbetering van de veiligheid van de burgers en de hulpverleners en
(3)de professionalisering van het arbeidskader van de leden van hulpdiensten op het vlak van de opleiding, het materiaal, de standaard operationele procedures, het uniform statuut van de beroepsleden en de vrijwilligers van de brandweerdiensten, enz. Indien het uiteraard legitiem is voor de Regering om dergelijke doelstellingen na te streven dan ziet men echter niet in hoe enerzijds de benoeming van het geselecteerde personeel en hoe anderzijds de eenvoudige uitsluiting van het niet geselecteerde personeel, passend en geschikt zou zijn om de nagestreefde doelstellingen te bereiken. Men ziet evenmin in hoe een dergelijke wijziging van de arbeidsvoorwaarden van de geselecteerde beroepsleden en een dergelijke uitsluiting van de niet geselecteerde beroepsleden noodzakelijk zou [zijn] in het licht van het algemeen belang om een efficiëntere bescherming te bieden aan de bevolking. In tegendeel, voor de geselecteerde ambtenaren is de wijziging van de arbeidsplaats en de herleiding van het aantal operationele eenheden van aard de capaciteiten van tussenkomst van de ambtenaren van de Civiele bescherming op het ganse grondgebied van het Koninkrijk te herleiden. Voor de niet geselecteerde ambtenaren, indien, zoals opgemerkt door de verwerende partij, er inderdaad geen verplichting is een overgangsstelsel in te voeren in het kader van de huidige doorgevoerde hervorming, dan had men eenvoudigweg tussen de mogelijke maatregelen die maatregel moeten nemen die het minste de sociale bescherming aantastte. Het kwam minstens aan de verwerende partij toe uit te leggen hoe de invoering van een overgangsstelsel niet noodzakelijk was in het licht van de nagestreefde doelstelling, wat zij in gebreke blijft te doen. Feitelijk hadden andere maatregelen die minder de fundamentele rechten van de ambtenaren aantasten toegelaten op dezelfde wijze het door de verwerende partij nagestreefde doel te bereiken, zoals de invoering van een overgangsstelsel dat de in functie zijnde ambtenaren toeliet hun dienstbetrekking te behouden terwijl rekening werd gehouden met de belangrijke nieuwe traject woonplaats-werk, gelet op de herleiding van 6 naar 2 kazernes, met eventueel de aansporing van een vrijwillige mobiliteit naar een andere federale dienst of een Hulpverleningszone. De afwezigheid van enig overgangsstelsel is niet gerechtvaardigd en de bepalingen van de aangevochten bestuurshandeling, die op uiterst vage wijze de toekomst van die ambtenaren van de Civiele bescherming regelt die niet werden geselecteerd in de nieuwe graden, blijken in dit kader slecht gemotiveerd en volgend uit een manifeste beoordelingsfout. Het is trouwens ongebruikelijk dat een overheidsdienst op aanzienlijke wijze het aantal ambtenaren herleidt zonder een uitdovingskader te voorzien, wat mindere gevolgen zou hebben gehad op de 137 ambtenaren die hun functie hadden kunnen blijven uitoefenen tot aan hun pensioen, waarbij het kader zou uitdoven eens de laatste van die 137 ambtenaren op pensioen zou gaan. De verwerende partij heeft evenwel geen enkele studie gemaakt betreffende de inwerkingstelling van deze hervorming en de impact hiervan en blijkt te hebben beslist, zonder verantwoording, voor een bepaalde maatregel eerder dan een andere maatregel, en meer bepaald door te kiezen voor maatregelen tot drastische verandering van de arbeidsvoorwaarden van IX-9389-32/46 het geselecteerde personeel en de totale uitsluiting uit de diensten van de Civiele bescherming indien men niet geselecteerd wordt. De verwerende partij moet nochtans kunnen verantwoorden indien de vermindering van het aantal personeelsleden van de Civiele bescherming een aanzienlijke invloed zal hebben op de bescherming van de bevolking en anderzijds indien een gelijkaardig resultaat niet zou kunnen worden bereikt door andere maatregelen die minder de rechten van de ambtenaren zouden aantasten. De verwerende partij toont dit niet aan en beperkt zich er toe te herinneren aan de door de aangevochten bestuurshandeling nagestreefde doelstellingen en meer in het algemeen diegene nagestreefd door de hervorming van de Civiele bescherming. Het is trouwens tekenend dat de koninklijke besluiten betreffende de mobiliteit van het operationeel personeel van de Civiele bescherming zullen worden aangenomen ettelijke maanden na de aangevochten bestuurshandeling (B.S. 19 oktober 2018), zie stukken 9 tot 11 van het administratief dossier. Er kan worden gepreciseerd dat in tegenstelling tot wat de verwerende partij beweert, het koninklijk besluit betreffende de mobiliteit van het operationeel personeel van de Civiele bescherming naar de Hulpverleningszones, beoogd in het voorwoord van de aangevochten bestuurshandeling, niet bestond op het ogenblik van het aannemen van de aangevochten bestuurshandeling en dat artikel 12 van de aangevochten bestuurshandeling hiervan getuigt wanneer enkel het koninklijk besluit betreffende de mobiliteit van het operationeel personeel van de Civiele bescherming naar de hulpverleningszones wordt beoogd, zonder precisering betreffende de datum van het aannemen. Gelet op deze ontwikkelingen, is er een aantasting door de aangevochten bestuurshandeling die niet kan worden verantwoord door enige reden van algemeen belang, door de eerbied voor het privé en familiaal leven (artikelen 22 van de Grondwet en 8 EVRM), het recht op arbeid en op vrije keuze van beroepsarbeid, alsook op het recht op billijke arbeidsvoorwaarden voor de actuele operationele beroepsleden van de Civiele bescherming (artikel 23 van de Grondwet).
  1. De aangevochten bestuurshandeling schendt nog de beginselen van rechtszekerheid en gewettigd vertrouwen volgens welke de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk moet zijn, zodanig dat de rechtsonderhorige in de mate van het redelijke de gevolgen kan voorzien van een welbepaalde akte op het moment dat deze akte wordt verwezenlijkt. In tegenstelling tot wat de verwerende partij voorhoudt, die rechtspraak citeert van de Raad van State, kan men niet zomaar stellen dat het beginsel van veranderlijkheid voorrang heeft op het beginsel van rechtszekerheid en gewettigd vertrouwen. Een onderzoek van de rechtspraak van de Raad van State laat geen dergelijke conclusie toe en toont dat orde van voorrang gegeven aan deze beginselen, wanneer zij zich tegenwerken, afhangt van de omstandigheden eigen aan elke zaak. Zo heeft de Raad van State bijvoorbeeld reeds benadrukt dat de „de algemene beginselen van het behoorlijk bestuur het recht op rechtszekerheid omvatten, dat hieruit volgt dat de gewettigde verwachtingen van de overheidsdiensten bij de burgers in het algemeen moeten nageleefd worden en dat indien het statuut van de ambtenaren steeds kan worden gewijzigd, zelfs op ongunstige wijze voor de ambtenaar, wanneer het belang van de dienst het verlangt, dan moet de overheid niettemin voorzichtig handelen door niet op ondoordachte wijze tussenkomen in een bestaande toestand, behoudens in het geval van ernstige redenen‟. Volgend op een herziening van de organieke structuur van het Ministerie van de Franstalige Gemeenschap, werd verzoekster op 16 september 1992 benoemd tot de functie van eerste adjunct zaakgelastigde en deze functie werd vervolgens uitgewist door het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 1993 en de verzoekster werd op 19 oktober 1994 door een ambtshalve wijziging van graad benoemd in de graad van vorser. De Raad van State heeft geoordeeld dat „in deze omstandigheden, IX-9389-33/46 de nieuwe herziening van de organieke structuur geen ernstige reden uitmaakt om in rechte dergelijke ondoordachte en radicale wijzingen in de situatie van de verzoekster te rechtvaardigen en dit gaat dus in tegen het recht op rechtszekerheid als beginsel van behoorlijk bestuur‟. Er moet worden vastgesteld dat terzake de aangevochten bestuurshandeling de beroepsleden van de Civiele bescherming uitsluit en overlevert aan het onbekende, en dit zonder enige toelaatbare reden van algemeen belang. Het betreft een ondoordachte en radicale wijziging, die nochtans als enige werd vooropgesteld door de verwerende partij.”
  2. In hun laatste memorie handhaven de verzoekers, wat de miskenning van artikel 23 van de Grondwet betreft, hun standpunt dat het bestreden besluit een aanzienlijke achteruitgang betekent voor de ambtenaren die niet werden benoemd in de nieuwe graden en dat dit niet wordt verantwoord door relevante en toelaatbare redenen van algemeen belang. De verzoekers herinneren eraan dat het bestreden besluit erop gericht is een volledige groep personen die niet werden geselecteerd en benoemd in de nieuwe graden, uit te sluiten uit het toepassingsgebied van de civiele bescherming, hetzij 137 personen in totaal. In verband met gelijkaardige situaties heeft volgens de verzoekers het Grondwettelijk Hof tot het bestaan van een aanzienlijke terugval van de rechten die artikel 23 van de Grondwet beschermt, besloten (Grondwettelijk Hof, 61/2017 van 18 mei 2017). Volgens de verzoekers relativeren de mogelijkheden tot overplaatsing, die de verwerende partij kwalificeert als maatregelen ter compensatie of ter begeleiding geenszins een dergelijke terugval, aangezien de verzoekers, professionele leden van de Civiele Bescherming, die niet geslaagd zijn in de selectieproeven of die niet in nuttige orde werden gerangschikt, eenvoudigweg hun arbeid zijn verloren voor een nieuwe functie die grotendeels verschillend is, zowel wat betreft de te vervullen taken als wat betreft het arbeidsstelsel en de vereiste technische bekwaamheden. Er moet daarbij benadrukt worden dat talrijke ambtenaren werden overgeplaatst in functies die geenszins gelijkaardig zijn aan de functie die zij uitoefenden bij de Civiele Bescherming. IX-9389-34/46 Beoordeling 20.
  3. In zoverre de verzoekers stellen dat het bestreden besluit hun privéleven en familiaal leven aantast – artikel 8 EVRM en artikel 22 van de Grondwet – lijken zij er voornamelijk op te wijzen dat door de toepassing van het bestreden besluit de afstand tussen hun nieuwe werkplek en hun woonplaats – hun woon-werktraject – is toegenomen. 20.
  4. Er dient vooreerst te worden vastgesteld dat de verzoekers in gebreke blijven dit in concreto aan te tonen. Daarnaast moet er worden op gewezen dat ambtenaren geen verworven recht hebben op een affectatie met een vast woon-werktraject en op de handhaving van de voordelen die een vroeger statuut hun zou hebben toegekend. Bovendien, als zij bij de Civiele Bescherming hadden kunnen blijven, hadden zij ook geen zekerheid wat hun woon-werktraject betreft en zouden zij naar alle waarschijnlijkheid toch aan een andere operationele eenheid zijn toegewezen, aangezien het aantal operationele eenheden van de Civiele Bescherming met ingang van 1 januari 2019 is teruggebracht van zes naar twee. 20.
  5. De verzoekers tonen dan ook niet aan dat hun privéleven en familiaal leven door het bestreden besluit is aangetast. 21.
  6. De verzoekers voeren ook de schending aan van artikel 23 van de Grondwet, dat het fundamenteel recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid waarborgt. Zij stellen dat uit deze bepaling een standstillverplichting volgt die zich ertegen verzet dat de toepasselijke reglementering de graad van bescherming herleidt zonder dat er hiertoe redenen bestaan die verband houden met het algemeen belang. 21.
  7. Krachtens artikel 23 van de Grondwet heeft ieder het recht een menswaardig leven te leiden en waarborgen de wetgevers daartoe, rekening IX-9389-35/46 houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Het derde lid bevat een niet-limitatieve opsomming van die rechten. Artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet bepaalt: “Die rechten omvatten inzonderheid: 1° het recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid in het raam van een algemeen werkgelegenheidsbeleid dat onder meer gericht is op het waarborgen van een zo hoog en stabiel mogelijk werkgelegenheidspeil, het recht op billijke arbeidsvoorwaarden en een billijke beloning, alsmede het recht op informatie, overleg en collectief onderhandelen.” Zoals door het Grondwettelijk Hof is aangenomen, houdt artikel 23 van de Grondwet een standstillverplichting in voor de overheden. Deze standstillverplichting verbiedt de wetgever het beschermingsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving in aanzienlijke mate te verminderen zonder dat daartoe redenen zijn die met het algemeen belang verband houden. De overheid mag met andere woorden het regelgevend kader niet zo wijzigen dat het voorheen in dat kader voor die grondrechten verzekerde beschermingsniveau aanzienlijk wordt verminderd, behoudens indien dit kan worden gerechtvaardigd door redenen die verband houden met het algemeen belang of wordt gecompenseerd door een toename van de bescherming in andere domeinen. 21.
  8. Een verzoeker die de schending van de standstillverplichting inroept moet de aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau aantonen, hetgeen impliceert dat de mogelijke gevolgen van het bestreden besluit duidelijk en concreet uiteengezet worden, zodat kan worden beoordeeld of ze leiden tot een vermindering van het beschermingsniveau die als „aanzienlijk‟ kan worden beschouwd en dat er daarvoor geen redenen zijn die verband houden met het algemeen belang. De overheid beschikt daarbij over een discretionaire bevoegdheid. IX-9389-36/46 21.
  9. De verzoekers stellen in essentie op zeer algemene wijze dat door het bestreden besluit hun arbeidsvoorwaarden en de inhoud van hun arbeid radicaal worden gewijzigd en dat “hun situatie volstrekt onbepaald is”. Hun wedertewerkstelling zal volledig afhangen van het aantal vacante plaatsen bij de diensten van de FOD Binnenlandse Zaken, in andere federale overheidsdiensten of bij de federale politie. 21.5 Hoewel ambtenaren het recht hebben om een betrekking en functie te bekleden die met hun rang en graad overeenstemt, sluit dit echter niet uit dat, rekeninghoudend met het beginsel van de veranderlijkheid van de openbare dienst, in het kader van een administratieve reorganisatie, tot de herverdeling van de opdrachten en taken van verschillende diensten wordt overgegaan. Zo kan de overheid de ambtsbevoegdheden van haar personeelsleden ontlasten en hun nieuwe taken opdragen. De instemming van de betrokken ambtenaren is voor zodanige maatregelen daarbij niet vereist. 21.6.
  10. Eerste verzoeker en tweede verzoeker hebben bewust niet deelgenomen aan de selectieproeven. Eerste verzoeker is ten gevolge daarvan op 4 februari 2019 ambtshalve overgeplaatst naar het detentiecentrum „127bis‟ van de DVZ (Dienst Vreemdelingenzaken) als bewaker waar hij nog steeds werkt. Dat daardoor zijn takenpakket is gewijzigd, houdt op zich echter geen aanzienlijke aantasting van het beschermingsniveau van zijn billijke arbeidsvoorwaarden in. Hij toont evenmin aan dat de invulling van zijn nieuw takenpakket voor hem onoverkomelijk of niet haalbaar is. Tweede verzoeker werkt sinds 21 januari 2019 bij de NMBS, TOP Schijnpoort te Antwerpen als elektro-technicus. Dat daardoor zijn takenpakket is gewijzigd, houdt op zich echter geen aanzienlijke aantasting van het beschermingsniveau van zijn billijke arbeidsvoorwaarden in. Hij toont evenmin aan dat de invulling van zijn nieuw takenpakket voor hem onoverkomelijk of niet IX-9389-37/46 haalbaar is. Hij heeft daarenboven zelf gepostuleerd voor deze vacante post en heeft deelgenomen aan de selectieproeven voor deze functie. 21.6.
  11. Derde verzoeker heeft deelgenomen aan de selectieproeven maar is niet geslaagd. Sinds januari 2019 is hij overgeplaatst naar de federale diensten Gouverneurs, dienst rampenfonds te Gent. Dit houdt op zich evenmin een aanzienlijke aantasting van het beschermingsniveau van zijn billijke arbeidsvoorwaarden in. Hij toont evenmin aan dat de invulling van zijn nieuw takenpakket voor hem onoverkomelijk of niet haalbaar is. 21.
  12. Daarnaast moet worden vastgesteld dat het bestreden besluit verschillende waarborgen bevat inzake het behoud van de arbeidsvoorwaarden voor de wedertewerkgestelde personeelsleden. Zo behouden de wedertewerkgestelde ambtenaren in hun nieuwe overheidsdienst, de klasse-, graad-, niveau- en dienstanciënniteit die zij verworven hebben vóór hun wedertewerkstelling (artikel 13). Zij behouden, in voorkomend geval, het voordeel van de weddeschaal die zij hadden op de dag van hun wedertewerkstelling, voor zover deze gunstiger is (artikel 14). Ook behouden zij in hun nieuwe dienst, het recht op het jaarlijks verlof van het lopende jaar, alsook het reglementair overgedragen en opgespaarde jaarlijks verlof van voorgaande jaren, voor zover zij dit nog niet opgenomen hebben (artikel 15). Hieruit blijkt dat de regelgever wel degelijk oog heeft gehad om zo veel als mogelijk de bestaande arbeidsvoorwaarden te behouden, zodat hieruit alvast geen aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau inzake billijke arbeidsvoorwaarden blijkt. 21.
  13. Uit wat voorafgaat volgt dat de verzoekers niet aantonen dat het beschermingsniveau inzake billijke arbeidsvoorwaarden ingevolge het bestreden besluit aanzienlijk wordt verminderd, hetgeen volstaat om te besluiten dat de standstillverplichting, vervat in artikel 23 van de Grondwet, niet is geschonden. IX-9389-38/46
  14. In zoverre in het middel de schending van het vertrouwensbeginsel wordt aangevoerd, moet worden vastgesteld dat de verzoekers niet aantonen dat de verwerende partij rechtmatige verwachtingen zou hebben geschapen waaraan het bestreden besluit tekortdoet, terwijl het scheppen van rechtmatige verwachtingen een vereiste is om van een schending van het vertrouwensbeginsel te kunnen gewagen.
  15. In de mate dat de verzoekers de schending aanvoeren van het rechtszekerheidsbeginsel doordat de personeelsleden die niet deelnemen aan of niet slagen voor de selectieproeven, in onzekerheid verkeren over hun toekomst, stelt de verwerende partij terecht dat die onzekerheid niet kan worden betrokken op het rechtszekerheidsbeginsel, dat de voorzienbaarheid en de toegankelijkheid van het recht betreft.
  16. In zoverre in het middel wordt aangevoerd dat in de aanhef van het bestreden besluit wordt verwezen naar het koninklijk besluit van 29 juni 2018 „betreffende de mobiliteit van operationeel personeel van de Civiele Bescherming naar de hulpverleningszones‟, heeft de verwerende partij in haar memorie van antwoord deze fout erkend en gesteld dat in het Belgisch Staatsblad van 14 september 2018 een erratum werd bekendgemaakt waarbij deze onjuiste datum werd weggelaten. Het koninklijk besluit „betreffende de mobiliteit van operationeel personeel van de Civiele Bescherming naar de hulpverleningszones‟ is door de koning ondertekend op 14 oktober
  17. De verzoekers tonen niet aan dat deze verschrijving hen een bepaalde waarborg heeft ontnomen of hen concreet heeft benadeeld. In hun memorie van wederantwoord bieden de verzoekers trouwens op dit punt geen repliek. Er mag derhalve worden aangenomen dat de verzoekers erkennen dat hen geen waarborg werd ontnomen en dat zij niet concreet werden benadeeld door deze fout. IX-9389-39/46
  18. In de mate dat de verzoekers ook aanvoeren dat minder verregaande maatregelen mogelijk waren, zoals de invoering van een overgangsstelsel waarbij de huidige ambtenaren hun dienstbetrekking in een uitdovingsscenario zouden behouden, kan worden verwezen naar de beoordeling van het tweede onderdeel van het eerste middel waarin dat middelonderdeel ongegrond is bevonden.
  19. Het derde middel is deels onontvankelijk, deels ongegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
  20. Het vierde middel is ontleend aan “een gebrek aan motivering, […] de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, […] een manifeste beoordelingsfout en […] machtsoverschrijding”. Volgens de verzoekers bepaalt artikel 4, § 9, derde lid, van het bestreden besluit dat de leden van het operationeel personeel met de graad van technisch assistent die krachtens de artikelen 3 en 4 geselecteerd zijn voor een betrekking van een hoger kader, kunnen deelnemen aan de specifieke selectie voor de graad van commandant. De graad van commandant is evenwel een uitdovende graad (artikel 5, tweede lid, van het koninklijk besluit van 29 juni 2018 „betreffende het administratief statuut van het operationeel personeel van de Civiele Bescherming‟). Krachtens artikel 5 van het bestreden besluit zal de ambtenaar die aldus als commandant wordt benoemd, de weddeschaal OE2 in uitdoving genieten. Artikel 4, § 9, vierde lid, van het bestreden besluit bepaalt dat de leden van het operationeel personeel met de graad van operationeel medewerker of operationeel brigadier die geselecteerd zijn voor een betrekking in het basiskader of het middenkader, kunnen deelnemen aan de specifieke selectie voor de graad IX-9389-40/46 van luitenant. Krachtens artikel 5 van het bestreden besluit zal de ambtenaar die aldus als luitenant wordt benoemd, de uitdovende weddeschaal OE1-1 genieten, terwijl er een andere, hogere, weddeschaal O1-1 bestaat voor de graad van luitenant. Artikel 5 van het bestreden besluit houdt volgens de verzoekers geenszins rekening met de verkregen brevetten, de gevolgde opleidingen en de daadwerkelijk uitgeoefende functies door de ambtenaren om de graad en de schaal te bepalen waarin de geselecteerde ambtenaren zullen worden benoemd vanaf 1 januari
  21. Dit was echter wel het geval voor de brandweermannen die behoorden tot het hoger kader (artikel 308 van het voornoemde koninklijk besluit van 19 april 2014). Zij wijzen erop dat bijvoorbeeld een brandweerman-luitenant die een vorming heeft gevolgd in crisisbeheer en die beschikt over meer dan zeven jaar anciënniteit als officier de graad van kapitein heeft verkregen; dat de brandweerman kapitein-dienstchef die een vorming heeft gevolgd in crisisbeheer en die beschikt over meer dan drie jaren nuttige ervaring in de functie van dienstchef, de graad van majoor heeft gekregen bij de inwerkingtreding van de hervorming van de brandweerdiensten, evenals de kapitein-commandant (zie bijlage 3 bij het voornoemde koninklijk besluit van 19 april 2014). Volgens de verzoekers lijkt het manifest onredelijk te bevorderen in uitdovende graden of weddeschalen. Volgens de verzoekers lijkt een dergelijke maatregel bovendien discriminerend en het verschil in behandeling dat doorgevoerd is tussen de ambtenaren die benoemd zullen worden in de graad van luitenant volgend op de selectie voorzien in artikel 4, § 9, van het bestreden besluit en diegene voorzien in het koninklijk besluit van 29 juni 2018 „betreffende het administratief statuut van het operationeel personeel van de Civiele Bescherming‟ is niet gerechtvaardigd of evenredig. Het feit dat de operationele ambtenaren van de Civiele Bescherming die geselecteerd worden om deel uit te maken van de Civiele IX-9389-41/46 Bescherming vanaf 1 januari 2019 zich een graad zullen zien toekennen zonder rekening te houden met de verworven brevetten, de gevolgde opleidingen, de anciënniteit van de functie en de eventueel voordien uitgeoefende specifieke functies, blijkt daarenboven ongerechtvaardigd en discriminerend gelet op de situatie gebruikt voor de brandweerlieden.
  22. Met verwijzing naar artikel 14, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State (hierna: RvS-Wet) werpt de verwerende partij in haar memorie van antwoord op dat de verzoekers geen belang hebben bij het gegrond bevinden van het middel. Volgens de verwerende partij beroepen de verzoekers zich op een manifeste beoordelingsfout en op een aantal discriminaties bij de overgang naar uitdovende graden in een hoger kader, terwijl geen enkele van hen in aanmerking komt voor een overgang of bevordering naar het hoger kader. Zij wijst erop dat eerste en tweede verzoeker niet hebben deelgenomen aan de selectieprocedure die de overgang mogelijk maakt. Derde verzoeker heeft deelgenomen, maar was niet geslaagd en zal dan ook niet tot luitenant of commandant kunnen worden benoemd. De verzoekers beroepen zich dan ook ten onrechte op het bestaan van een beweerde discriminatie en een beweerde beoordelingsfout waarvan zij zelf geen enkel rechtstreeks nadeel kunnen ondervinden. Het middel is genomen uit een onregelmatigheid die geen invloed kon uitoefenen op de draagwijdte van de genomen beslissing,
  23. In hun memorie van wederantwoord repliceren de verzoekers dat zij wel degelijk belang hebben bij het middel gegrond op een gebrek aan interne motivering dat een element ten gronde bekritiseert waarvan de wettigheid van de aangevochten bestuurshandeling afhangt. Volgens de verzoekers heeft artikel 14, tweede lid, RvS-Wet precies tot doel een teveel aan formalisme te vermijden, dit wil zeggen nietigverklaringen die geen enkel voordeel opleveren voor de begunstigde. Dit is manifest niet het geval daar waar de erkenning van de IX-9389-42/46 gegrondheid van het middel de verzoekers toelaat opnieuw hun dienstbetrekking op te nemen. Minstens is dergelijk belang onmiskenbaar in hoofde van derde verzoeker, aangezien het middel de bepalingen aanklaagt die een selectie in het gedrang brengt waaraan hij heeft deelgenomen en die hem zijn dienstbetrekking bij de Civiele Bescherming heeft gekost. Het gebrek aan motivering heeft hoe dan ook de verzoekers, alsook elke burger, “de waarborg geboden door de formele motivering van bestuurshandelingen, ontzeg[d]”. Beoordeling
  24. De verzoekers gaan ervan uit dat het gegrond bevinden van het middel ertoe leidt dat zij hun dienstbetrekking bij de Civiele Bescherming terug kunnen opnemen. De verzoekers stellen het in dit middel voor alsof de bepalingen van het bestreden besluit (artikelen 4, § 9, en 5) die zij discriminerend achten, betrekking hebben op de selectie waaraan zij niet deelgenomen hebben (eerste en tweede verzoeker) of waarvoor zij niet geslaagd zijn (derde verzoeker), waarna zij besluiten dat de nietigverklaring van het bestreden besluit, op die grond, hen zal toelaten hun dienstbetrekking terug op te nemen. Die zienswijze is evenwel niet correct. De verzoekers verwijzen naar artikel 4, § 9, derde en vierde lid, van het bestreden besluit welke bepalingen luiden als volgt: “De leden van het operationeel personeel met de graad van technisch assistent die geselecteerd zijn voor een van de betrekkingen vermeld in artikel 2, eerste lid, 3°, kunnen deelnemen aan de specifieke selectie voor de graad van commandant indien zij houder zijn of vrijgesteld zijn van de eerste module van de vergelijkende selectie voor overgang naar niveau B bedoeld in artikel 70bis van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel. De leden van het operationeel personeel met de graad van operationeel medewerker of operationeel brigadier die geselecteerd zijn voor een van de betrekkingen vermeld in artikel 2, eerste lid, 1° of 2°, kunnen deelnemen aan IX-9389-43/46 de specifieke selectie voor de graad van luitenant indien zij houder zijn of vrijgesteld zijn van de eerste module van de vergelijkende selectie voor overgang naar niveau C bedoeld in artikel 70bis van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel.” Deze bepalingen betreffen de „specifieke selectie‟ voor overgang naar een hogere graad. Geen van de verzoekers kwam in aanmerking om aan deze specifieke selecties deel te nemen, vermits zij niet aan de eerste selectie, met name de „geschiktheidstest‟ bedoeld in artikel 4, § 3, hebben deelgenomen (eerste en tweede verzoeker) of niet ervoor geslaagd waren (derde verzoeker). Artikel 4, § 3, van het bestreden besluit bepaalt immers: “De kandidaten voor de betrekkingen bepaald in artikel 2, eerste lid, 1° met uitsluiting van de functies van dispatcher, duiker of dronepiloot worden onderworpen aan een geschiktheidstest bestaande uit schriftelijke meerkeuzevragen over de procedures en materieel van de operationele eenheden van de Civiele Bescherming. De kandidaten voor de betrekkingen bepaald in artikel 2, eerste lid, 2° met uitsluiting van de functies van duiker of dronepiloot worden onderworpen aan een geschiktheidstest bestaande uit schriftelijke meerkeuzevragen over de procedures en materieel van de operationele eenheden van de Civiele Bescherming en over de theoretische kennis van chemie, fysica, hydraulica en elektriciteit. De geschiktheidstest is verschillend voor elk van de kaders bepaald in artikel 2, paragraaf 1, 1° en 2°. De Directeur-generaal van de Algemene directie van de Civiele veiligheid bepaalt de vragen van de test en organiseert de test. De kandidaten voor de betrekkingen bepaald in artikel 2, eerste lid, 3° worden onderworpen aan een geschiktheidstest bestaande uit een interview aangaande de motivatie, ervaring en de generieke competenties. De geschiktheidstest wordt verbeterd op 50 punten. De drempelwaarde om te slagen wordt bepaald op 60%.” De wettigheid van deze geschiktheidstest wordt in dit middel door de verzoekers niet in vraag gesteld. Het is nochtans het niet deelnemen aan of het niet slagen voor deze test die er de rechtstreekse oorzaak van is dat de verzoekers niet in de nieuwe operationele graden kunnen worden benoemd en hun dienstbetrekking bij de Civiele Bescherming niet kunnen behouden. Wanneer het bestreden besluit op grond van dit middel vernietigd wordt, is de verwerende partij er, rekening houdende met het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest, bij het hernemen van haar besluitvorming IX-9389-44/46 niet toe gehouden de eerste fase van de selectieprocedure (de geschiktheidstest) te herwerken, vermits dit middel de onwettigheid van die geschiktheidstest niet aantoont. In die omstandigheden hebben de verzoekers geen belang bij het gegrond bevinden van het middel vermits het hen niet het beoogde voordeel – het terug opnemen van hun dienstbetrekking bij de Civiele Bescherming – kan opleveren.
  25. Het vierde middel is niet ontvankelijk. VII. Kosten
  26. Bij arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof de woorden “per verzoekende partij” vernietigd in artikel 4, § 4, eerste en derde lid, van de wet van 19 maart 2017 „tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand‟, zoals het is ingevoegd bij de wet van 26 april
  27. Dat betekent dat de bijdrage slechts éénmaal is verschuldigd per verzoekschrift, ongeacht het aantal partijen. Bijgevolg is er aanleiding om de terugbetaling te bevelen van de onterecht betaalde bijdragen.
  28. Zoals hiervóór sub 3.3 uiteengezet, is het eerste middel zonder voorwerp, omdat de Raad van State bij arrest nr. 248.190 van 31 augustus 2020 artikel 2, eerste lid, van het bestreden besluit heeft vernietigd. Dat in acht genomen, dienen de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding ten laste van de verwerende partij te worden gelegd. IX-9389-45/46 BESLISSING
  29. De Raad van State verwerpt het beroep.
  30. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 600 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partijen.
  31. De onterecht betaalde bijdragen ten bedrage van 40 euro dienen te worden terugbetaald. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht december tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9389-46/46 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.171 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.767 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.