id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.185 Rolnummer: A. 229282/VII-40658 Zaak: Arrest 249185 - Varia (vreemdelingen) - 10/12/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-12-24 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-20 01:53 Fiche Arrest nr 249.185 van 10 december 2020 Vreemdelingen - Varia (vreemdelingen) Beslissing : Afstand van geding Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 249.185 van 10 december 2020 in de zaak A. 229.282/VII-40.658 In zake:
- Katrien SCHOLS wonende te 3440 Zoutleeuw (Dormaal) Zoutleeuwse Steenweg 9
- Alain WAMBEKE
- Dave TWEEPENNINCKX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luc Deceuninck kantoor houdend te 9120 Beveren-Waas Kloosterstraat 87, bus 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE OPVANG VAN ASIELZOEKERS (FEDASIL) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alain Detheux kantoor houdend te 1060 Brussel Amazonestraat 37 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 28 oktober 2019, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing “gepubliceerd op 28 augustus 2019 op de webstek van FEDASIL [...] waarbij wordt bepaald dat er tegen eind oktober 2019 een nieuw open opvangcentrum voor 130 verzoekers om internationale bescherming zal worden ingericht te Zoutleeuw, deelgemeente Dormaal, in het voormalig woonzorgcentrum Huize-Philemon & Baucis, gelegen aan de Zoutleeuwse Steenweg 11, 3440 Zoutleeuw”. VII-40.658-1/4 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 245.947 van 28 oktober 2019 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing verworpen. Bij arrest nr. 247.151 van 27 februari 2020 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Het genoemde arrest is op 3 maart 2020 aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht. Op 28 en 29 september 2020 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partijen de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 11/3, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: algemeen procedurereglement). De verzoekende partijen hebben niet gevraagd om te worden gehoord. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Beoordeling
- Naar luid van artikel 17, § 7, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de VII-40.658-2/4 rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest.
- De verzoekende partijen hebben geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.
- Het vermoeden van afstand van geding is te dezen van toepassing. IV. Kosten
- De kosten van de vordering tot schorsing dienen ten laste van de verzoekende partijen te worden gelegd. Deze kosten omvatten het rolrecht van 200 euro per verzoekende partij en een bijdrage van 20 euro per verzoekende partij, zoals bepaald bij artikel 66, 6°, van het algemeen procedurereglement. Bij arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof evenwel in het kader van het beroep tot vernietiging van de wet van 19 maart 2017 ‘tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand’ en van de wet van 26 april 2017 ‘houdende de regeling van de oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand voor wat de Raad van State en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betreft’, de woorden “per verzoekende partij” vernietigd in artikel 4, § 4, eerste en derde lid, van de wet van 19 maart 2017, zoals het is ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 26 april
- Bijgevolg is er, op grond van de erga omnes en retroactieve werking van het voormelde arrest, aanleiding om de terugbetaling te bevelen van de onterecht betaalde bijdragen. VII-40.658-3/4
- Het rolrecht met bijdragen dat verband houdt met het verzoekschrift tot nietigverklaring is niet verschuldigd. Het past om de verzoekende partijen het bedrag van 660 euro terug te betalen. BESLISSING
- De Raad van State spreekt de afstand van geding uit.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 600 euro, elk voor een derde, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- De onterecht betaalde bijdragen ten bedrage van 40 euro dienen te worden terugbetaald aan de verzoekende partijen, alsook het rolrecht met bijdragen ten belope van 660 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien december tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Peter Sourbron VII-40.658-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.185 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.947 ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.151 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.