id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.191 Rolnummer: A. 227356/IX-9502 Zaak: Arrest 249191 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 10/12/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-12-22 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-20 01:53 Fiche Arrest nr 249.191 van 10 december 2020 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 249.191 van 10 december 2020 in de zaak A. 227.356/IX-9502 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de UNIVERSITEIT ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jim Deridder kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 210 A bus 10 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Stappers kantoor houdend te 2000 Antwerpen Vlaamsekaai 54-57 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 5 februari 2019, strekt tot de nietig- verklaring van de beslissing van 11 december 2018 van het bestuurscollege van de Universiteit Antwerpen waarbij Noel Clycq wordt aangesteld als docent in een tenure track stelsel met een opdracht van onderwijs, onderzoek en dienstverle- ning in het domein Governance of learning in an era of globalisation. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-9502-1/28 Eerste auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laat- ste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 november
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jim Deridder, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eenslui- dend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Op 23 januari 2018 beslist het bestuurscollege van de Universi- teit Antwerpen een vacature uit te schrijven voor een voltijds onderzoeksprofes- sor in het domein Governance of learning in an era of globalisation. Het vacatu- rebericht vermeldt onder meer dat de interviews met de door de selectiecommis- sie gepreselecteerde kandidaten zullen plaatsvinden op 22 mei
- IX-9502-2/28 Op 23 maart 2018 dient verzoekster haar kandidatuur in. Nog acht andere kandidaten solliciteren naar het te begeven ambt, onder wie Noel Clycq. Op 9 mei 2018 onderzoekt de selectiecommissie de ingediende dossiers om te komen tot een shortlist. Op die vergadering zijn enkel de zoge- naamde vier ‘interne’ leden aanwezig. Om pragmatische redenen kunnen de drie ‘externe’ experts die in de commissie zetelen hun beoordeling van de ingediende kandidaturen schriftelijk bezorgen. Blijkens de notulen van de vergadering heb- ben twee externe leden van die mogelijkheid gebruikgemaakt. De selectiecommissie stelt eerst vast “dat geen van de kandida- turen formeel onontvankelijk is” en beslist vervolgens om vijf kandidaten, onder wie verzoekster, niet in de preselectie op te nemen. Ten aanzien van verzoekster motiveert zij haar beslissing als volgt: “Deze kandidate behaalde in 2005 een doctoraat aan de universiteit van Tilburg. De kandidate beschikt duidelijk over de nodige expertise op het vlak van het werven en beheren van onderzoeksfondsen. Daarnaast be- schikt de kandidate over een brede werkervaring en was ze reeds aan ver- scheidene internationale instellingen verbonden, wat getuigt van de nodi- ge mobiliteit. Op het vlak van academische output, kan de kandidate een kwantitatief uitgebreid publicatieprofiel voorleggen, maar is het aantal peer-reviewede artikels in internationale tijdschriften beperkt. De kandi- date heeft tot op heden bijna exclusief in één specifiek Nederlandstalig VABB-tijdschrift gepubliceerd. Het onderzoeksplan van de kandidate is zeer beperkt en geeft voornamelijk een beschrijving van de huidige on- derzoekslijnen die ze reeds aan het uitbouwen is, waardoor de onder- zoeksstrategie onvoldoende duidelijk is. De kandidate vertrekt voor haar onderzoek voornamelijk vanuit een veeleer juridische insteek met betrek- king tot het topic van mensenrechten en niet zozeer vanuit een governance insteek vanuit de onderwijswetenschappen. De commissie meent even- eens dat het dossier van de kandidate meer gericht is op het opnemen van een onderwijsopdracht dan op het uitvoeren van wetenschappelijk onder- zoek.” Na een hoorzitting met de kandidaten die in de preselectie zijn opgenomen op 22 mei 2018, wordt Noel Clycq door de commissie voorgedragen. IX-9502-3/28 Op 27 juni 2018 beslist de faculteitsraad “om het advies van de adviescommissie te volgen” en om Noel Clycq voor te stellen aan het bestuurs- college voor de betrokken aanstelling. Op 28 juni 2018 beslist de onderzoeksraad “[v]oortgaande op het advies [van de adviescommissie], inclusief de daarbij gegeven motivering, zoals geformuleerd door de adviescommissie” om Noel Clycq aan het bestuurs- college voor te stellen voor de invulling van de vacante positie. Op 28 augustus 2018 beslist het bestuurscollege om Noel Clycq aan te stellen als voltijds docent in het tenure track stelsel bij het departement Opleidings- en Onderwijswetenschappen van de faculteit Sociale Wetenschappen met een opdracht van onderwijs, onderzoek en dienstverlening in het domein Governance of learning in an era of globalisation voor een periode van vijf jaar met ingang van 1 oktober
- Op 11 december 2018 wordt die beslissing door het bestuurs- college ingetrokken en op dezelfde datum neemt het bestuurscollege een nieuwe beslissing waarbij Noel Clycq opnieuw wordt aangesteld. Dat is de bestreden beslissing. Inzonderheid over verzoekster luidt de motivering ervan: “Deze kandidate behaalde in 2005 een doctoraat aan de universiteit van Tilburg. De kandidate beschikt duidelijk over de nodige expertise op het vlak van het werven en beheren van onderzoeksfondsen. Daarnaast be- schikt de kandidate over een brede werkervaring en was ze reeds aan ver- scheidene internationale instellingen verbonden, wat getuigt van de nodi- ge mobiliteit. Op het vlak van academische output, kan de kandidate een kwantitatief uitgebreid publicatieprofiel voorleggen, maar is het aantal peer-reviewede artikels in internationale tijdschriften beperkt. De kandi- date heeft tot op heden bijna exclusief in één specifiek Nederlandstalig VABB-tijdschrift gepubliceerd. Zowel de kwaliteit als de kwantiteit van de internationale peer reviewed publicatieoutput ligt voor de geselecteerde kandidaten hoger dan voor deze kandidate. Het onderzoeksplan van de kandidate is zeer beperkt en geeft voornamelijk een beschrijving van de huidige onderzoekslijnen die ze reeds aan het uitbouwen is, waardoor de IX-9502-4/28 onderzoeksstrategie onvoldoende duidelijk is. De kandidate vertrekt voor haar onderzoek voornamelijk vanuit een veeleer juridische insteek met be- trekking tot het topic van mensenrechten en niet zozeer vanuit een gover- nance insteek vanuit de onderwijswetenschappen. De beoogde onder- zoekstopics zoals omschreven in het beknopte onderzoeksplan sluiten in verhouding tot deze geformuleerd door de geselecteerde kandidaten on- voldoende aan bij het huidige onderzoek dat binnen de onderzoeksgroep wordt uitgevoerd, alsook bij de visie op toekomstige onderzoekslijnen die nog zullen worden uitgebouwd. De commissie meent eveneens dat het dossier van de kandidate meer gericht is op het opnemen van een onder- wijsopdracht dan op het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek. Aanvullend bij het bovenstaande stipt het Bestuurscollege ten aanzien van de kandidatuur van [verzoekster] nog het volgende aan: Het vacaturebericht vermeldt bij de omschrijving van de opdracht onder meer: ‘Ook dienstverlening behoort tot uw takenpakket: u neemt onder meer deel aan de activiteiten van de opleidingscommissie en de departe- mentsraad Opleidings- en Onderwijswetenschappen.’ In het vacaturebe- richt is inzake het beoogde profiel van de kandidaten verder ook voorge- schreven: ‘U ben kwaliteitsgericht, integer, creatief en samenwerkingsge- richt.’ Deze bepalingen kunnen niet los worden gezien van artikel 5 van het ZAP-statuut van de UAntwerpen, waarin is vooropgesteld: ‘De leden van het ZAP behartigen in alle omstandigheden naar best vermogen de belangen van de UAntwerpen en gedragen zich naar de bepalingen van de opdrachtverklaring, het statuut en alle andere reglementen, voorschriften en besluiten van de universiteit. In het bijzonder vervullen zij hun op- dracht op een kwaliteitsvolle, integere, creatieve en samenwerkingsge- richte wijze, in overeenstemming met de kernwaarden van de UAntwer- pen.’ Het Bestuurscollege is van oordeel dat de houding die [verzoekster] in het verleden heeft aangenomen, ertoe leidt dat een collegiale samenwerking in de zin van artikel 5 van het ZAP-statuut binnen de UAntwerpen – in het bijzonder met het oog op de inbedding van de vacature in het Departe- ment Opleidings- en Onderwijswetenschappen – redelijkerwijze niet kan worden verondersteld, zodat er ook in dat opzicht redenen zijn om te be- sluiten dat haar kandidatuur niet aan de voormelde vacaturevoorwaarden beantwoordt. Het Bestuurscollege steunt zich daarbij op de volgende ele- menten: - [verzoekster] heeft bij de Raad van State de schorsing en nietigverkla- ring gevorderd van een beslissing waarbij zij in de graad van docent werd ingezapt (rolnummer G/A 207.788 - afstand). - [verzoekster] heeft op 29 april 2013 bij de Raad van Bestuur een klacht ingediend wegens beweerd favoritisme binnen het toenmalige Instituut voor Onderwijs- en Informatiewetenschappen, met ongegronde klachten omtrent verschillende ZAP-leden die thans deel uitmaken van het depar- tement Opleidings- en Onderwijswetenschappen. - [verzoekster] vordert bij de Raad van State de nietigverklaring van de niet-verlenging van haar aanstelling als ZAP-lid (rolnummer G/A 218.452) waarbij zij de competenties van verschillende ZAP-leden van IX-9502-5/28 het huidige departement Opleidings- en Onderwijswetenschappen in twij- fel trekt. - en vooral: [verzoekster] heeft op grond van beweerde discriminatie en van de wetgeving inzake pesten op het werk tegen de UAntwerpen en te- gen verschillende ZAP-leden, waarvan het merendeel nog actief binnen het departement Opleidings- en Onderwijswetenschappen, een vordering ingesteld bij de Arbeidsrechtbank te Antwerpen. Deze vordering, waarin [verzoekster] standpunten heeft ingenomen die een toekomstige collegiale samenwerking in de zin van artikel 5 van het ZAP-statuut al te zeer hypo- thekeren, is bij vonnis van 30 oktober 2018 integraal afgewezen. Ook uit de overwegingen van het vonnis blijkt dat de voormelde samenwerking in redelijkheid niet kan worden voorondersteld, onder meer maar niet uitslui- tend omwille van de wijze waarop [verzoekster] zich tegenover de UAnt- werpen en haar toenmalige collega’s heeft opgesteld.” IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
- In het eerste middel wordt de schending aangevoerd van de materiëlemotiveringsplicht, het onpartijdigheidsbeginsel en het redelijkheidsbe- ginsel. Tevens wordt aangegeven dat de bestreden beslissing een verkapte tucht- maatregel vormt, het principe van de rechtsstaat schendt en “een vorm van machtsafwending” inhoudt. Verzoekster betoogt dat de bestreden beslissing steunt op het motief dat zij zich tot de Raad van State heeft gewend en een klacht heeft neerge- legd wegens pesten. Zij wordt om die reden gediskwalificeerd. Dit optreden wordt als het ware tuchtrechtelijk gestraft, niet met een tuchtrechtelijke sanctie maar met een beroepsverbod. Het is een motief dat niet kan worden aangewend om iemand voor een vacature af te wijzen en het kan daarom geen materieel draagkrachtig motief zijn. Het is bovendien onredelijk dat wie zich verhaalt bij de Raad van State en een besluitvorming ter beoordeling voorlegt, om die reden wordt geweerd. Het aanvaarden van deze redenering komt neer op het ontnemen van elke rechtsbescherming. De mogelijkheid om te beslissen over een aanstel- IX-9502-6/28 ling na het uitschrijven van een vacature wordt afgewend om personeelsleden te leren dat ze zich niet tot de Raad van State mogen wenden en dat zij beslissingen van de verwerende partij niet mogen betwisten. De benoemingsbevoegdheid wordt afgewend tot een afschrikmiddel.
- De verwerende partij antwoordt dat de motieven van de bestre- den beslissing die verzoekster in dit middel viseert duidelijk van ondergeschikte orde zijn en slechts aanvullend gelden op de beoordeling die door de adviescom- missie, de faculteitsraad en de onderzoeksraad is gemaakt. Uit het dossier blijkt immers dat die organen enkel en uitsluitend op de academische titels en verdien- sten van verzoekster steunen. Op grond van haar publicatieoutput, haar onderzoeksplan en de oriëntatie van haar voorgesteld onderzoek dat onvoldoende aansluit bij het huidi- ge onderzoek binnen de onderzoeksgroep of bij de visie op toekomstige onder- zoekslijnen, is verzoekster niet tot de verdere selectie toegelaten. Het zijn in de eerste plaats deze academische afwegingen die het bestuurscollege zich in de bestreden beslissing eigen heeft gemaakt en die voor het bestuurscollege op zich volstonden om de beslissing tot niet-selectie en bijgevolg a fortiori niet- aanstelling te bevestigen. De verwerende partij merkt op dat verzoekster zich onmogelijk op het verbod tot het opleggen van een verkapte tuchtsanctie kan beroepen als rechtsgrond voor haar beroep. Verzoekster is geen personeelslid van de Universi- teit Antwerpen en de verwerende partij beschikt te haren aanzien noch over een tuchtbevoegdheid senso stricto, noch over de mogelijkheid om een ordemaatregel uit te spreken. De verwerende partij meent dat verzoekster zich evenmin kan beroepen op het verbod op machtsafwending. Zij verwijst naar de rechtspraak van de Raad van State waaruit blijkt dat het voor machtsafwending bij veronderstelling ongeoorloofde doel ook het enige motief van de administratieve IX-9502-7/28 rechtshandeling moet zijn. Het bestuurscollege beschikt enkel over de bevoegdheid om verzoekster al dan niet aan te stellen in het vacante ambt. De bestreden beslissing is daartoe ook beperkt. Anders dan verzoekster betoogt, heeft de bestreden beslissing niet tot gevolg dat zij zich niet tot de Raad van State zou kunnen wenden en nog minder houdt de bestreden beslissing een ‘beroepsverbod’ in. Wel overweegt het bestuurscollege, in ondergeschikte orde, dat de wijze waarop verzoekster zich in het verleden in en buiten procedures heeft opgesteld ten aanzien van de Universiteit Antwerpen in het algemeen en verschillende ZAP-leden van het betrokken departement in het bijzonder, een relevant gegeven is. Van die overweging kan niet worden aangenomen dat ze onredelijk is of zou strijden met de materiëlemotiveringsplicht. De verwerende partij verwijst naar de diverse beschuldigingen die verzoekster ten aanzien van haar collega’s heeft geuit: “verzoekster fileert het studieverleden van collega ZAP-leden, zij beschuldigt alle leden van de (toenma- lige) instituutsraad van kwade trouw, zij vraagt te onderzoeken of de (toenmalige) vicerector zich schuldig heeft gemaakt aan fraude en corruptie, zij beschuldigt andere ZAP-leden van genderdiscriminatie en ‘vriendjespolitiek’, zij beschuldigt de voorzitter van de facultaire onderwijscommissie van machtsmisbruik en inti- midatie, van leugens en van manipulatie, zij beschuldigt de (toenmalige) vicerec- tor van machtsafwending, zij trekt ‘de betrouwbaarheid en de mate waarin de ethische code op wetenschappelijk onderzoek en publicaties worden nageleefd’ binnen het departement in twijfel, zij noemt de ZAP-leden van de promotiecom- missie ‘vermeende geweldplegers () in een lopende onderzoeksprocedure wegens geweld en ongewenst gedrag op het werk’ en partijdig.” Met betrekking tot de arbeidsrechtelijke procedure inzake pesten op het werk die verzoekster heeft in- gesteld, merkt de verwerende partij op dat verzoekster tot dagvaarding is overge- gaan van niet alleen de Universiteit Antwerpen, maar ook zes ZAP-leden, van wie de meesten thans nog deel uitmaken van het ZAP-kader, in het bijzonder bin- nen het departement Opleidings- en Onderwijswetenschappen. De verwerende partij wijst erop dat “de vordering van verzoekster over de hele lijn onbewezen en dus ongegrond [is] verklaard, en dit op eensluidend advies van de arbeidsaudi- IX-9502-8/28 teur”. Zij citeert ten slotte uitvoerig uit het verslag van de preventieadviseurs, die insgelijks besluiten dat een professionele samenwerking met verzoekster “on- houdbaar én onmogelijk” is. Het laat zich in alle redelijkheid niet aanzien dat er met ver- zoekster op een normale, professionele manier kan worden samengewerkt. De verwerende partij “zal niet verhelen dat de door verzoekster geviseerde overwe- gingen in de bestreden beslissing zeer uitzonderlijk zijn, maar de verklaring daar- voor is gelegen in het feit dat verzoeksters gedrag […] dat eveneens was”. Voor zover verzoekster in de overtuiging lijkt te zijn dat haar attitude per definitie bui- ten elke beschouwing moet blijven – “ongeacht persoonlijke verwijten, onbehoor- lijk procesgedrag, ongegronde klachten wegens pesten op het werk, rechtstreekse vorderingen tegen ZAP-leden, enz.” – is de verwerende partij van oordeel dat verzoekster, in rechte en in feite, dwaalt.
- In haar repliek betwist verzoekster dat het om overtollige mo- tieven gaat. Uit niets blijkt dat zonder deze motieven de bestreden beslissing nog geschraagd blijft. Wie tal van motieven inroept, kan niet stellen dat ze van geen belang zijn. Uit de motieven blijkt ook zeer duidelijk hoe het bestuurscolle- ge denkt over verzoekster. Het beklemtoont net de partijdigheid. Niemand mag geweerd worden omdat hij een procedure heeft ingeleid tegen de voorzitter van de selectiecommissie. Verzoekster geeft aan dat er uiteraard geen tuchtmaatregel op juridisch correcte wijze is opgelegd, maar er wordt wel een veto opgelegd aan een gewezen personeelslid om opnieuw personeelslid te worden. Er bestaat geen al- gemeen beginsel dat ten aanzien van ex-personeelsleden geen orde- of tuchtmaat- regelen genomen kunnen worden. Het gaat om de afwending van bevoegdheden, een verkapte tuchtmaatregel om iemand niet meer aan te nemen omdat zij, toen zij personeelslid was, procedures heeft ingeleid bij de Raad van State. IX-9502-9/28 Er valt niet in te zien waarom de Raad van State een motief waarbij gesteld wordt dat verzoekster niet in aanmerking komt omdat zij zich vroeger heeft gewend tot de Raad van State niet zou mogen censureren.
- In haar laatste memorie argumenteert de verwerende partij nog dat wat zij in de memorie van antwoord heeft uiteengezet, “enkel als een motive- ring van de motivering [kan] worden aangezien, en vervangt noch verruimt de materiële motivering van de bestreden beslissing”. De bestreden beslissing be- trekt geenszins enkel de procedures an sich bij de overwegingen, maar er wordt ingegaan op de concrete proceshouding die verzoekster in die procedures heeft ingenomen. Verzoekster wordt niet aangerekend dat zij procedures heeft inge- steld. Zoals uit de memorie van antwoord en het administratief dos- sier blijkt, is de houding van verzoekster in concreto doorheen al deze voorgaan- de procedures uitermate kwetsend, provocatief en beledigend geweest. Dit is een appreciatie die het bestuur toekomt, niet de Raad van State, en die gelet op de voorliggende stukken geenszins als onredelijk of onevenredig kan worden be- schouwd. Het is daarbij overigens niet vereist dat een of meer van deze procedu- res formeel als tergend of roekeloos zouden zijn aangemerkt opdat een aanstel- lende overheid met de wijze waarop het recht op rechtsbescherming concreet wordt aangewend, rekening zou mogen houden. De verwerende partij stipt nog aan dat de door verzoekster bestreden overwegingen ook steunen op het profiel dat in de vacature is bepaald, met name op aspecten van integriteit en samenwer- kingsgerichtheid. Beoordeling
- Ten tijde van de bestreden beslissing is verzoekster geen perso- neelslid van de universiteit en oefent de verwerende partij over verzoekster hoe dan ook geen tuchtmacht uit. De beslissing om Noel Clycq te benoemen is alleen IX-9502-10/28 reeds daarom onmogelijk te kwalificeren als een – al dan niet verkapte – tuchtmaatregel. Voor zover het middel uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht.
- Verzoekster verduidelijkt in dit middel niet waaruit de schen- ding van het onpartijdigheidsbeginsel zou bestaan. In zoverre is het middel onontvankelijk.
- Met betrekking tot de door het bestuurscollege bijgebrachte motivering over de rem die verzoekster legt op de professionele samenwerking, vat de bestreden beslissing aan met het woord ‘aanvullend’, hetgeen in de regel duidt op ‘complementair’. Is die motivering ‘aanvullend’ bij de motieven van de selectie- commissie – die het bestuurscollege bijvalt, aanvult en zich eigen maakt – dan is ze zeker niet overtollig. Anders dan de verwerende partij betoogt, blijkt uit voor- noemde motivering, inzonderheid uit de zinsnede “zodat er ook in dat opzicht redenen zijn om te besluiten dat haar kandidatuur niet aan de voormelde vacatu- revoorwaarden beantwoordt” dat het hier niet gaat om een motief dat van onder- geschikte orde is. Integendeel, uit de lezing van de motivering blijkt dat er twee dragende motieven zijn waarom verzoekster niet wordt geselecteerd. Enerzijds is er het motief dat verzoeksters kandidatuur minder scoort dan de gekozen kandi- daat, in die mate zelfs dat zij niet wordt opgenomen in de preselectie. Anderzijds wordt aangenomen dat een collegiale samenwerking met verzoekster in de zin van artikel 5 van het ZAP-statuut niet kan worden verondersteld, op basis waar- van het bestuurscollege oordeelt dat verzoeksters kandidatuur niet aan de vacatu- revoorwaarden beantwoordt. Het zogenaamd “aanvullend” motief is evenzeer een IX-9502-11/28 volwaardig dragend motief, aangezien uit de motivering blijkt dat zelfs de on- derwijskundig en wetenschappelijk beste kandidaat niet benoemd kan worden indien op dit vlak niet aan de vacaturevoorwaarden en aan het profiel is voldaan.
- Daar waar de verwerende partij in de memorie van antwoord eerder de klemtoon legt op “de wijze waarop verzoekster zich in het verleden in en buiten procedures heeft opgesteld ten aanzien van de Universiteit Antwerpen in het algemeen en verschillende ZAP-leden van het betrokken departement in het bijzonder”, legt zij in de bestreden beslissing het zwaartepunt uitsluitend bij de opsomming van diverse procedures die verzoekster tegen de instelling en col- lega’s voert en heeft gevoerd. Of bijvoorbeeld uit het uitvoerige verslag van de preventieadviseurs terecht afgeleid mag worden dat met verzoekster professioneel niet samen te werken valt, zoals in de memorie van antwoord te lezen is, laat de Raad van State buiten beschouwing, aangezien dit verslag in de bestreden beslis- sing niet eens ter sprake wordt gebracht. Als de verwerende partij in haar laatste memorie opmerkt dat de houding van verzoekster blijkt uit de stukken van het administratief dossier, nodigt zij de Raad van State uit om te doen wat hij als wettigheidsrechter niet mag, namelijk om zelf de afweging te maken of verzoekster een profiel heeft dat voldoet aan de vacaturevoorwaarden. Moge het al zo zijn dat in het administratief dossier stukken berusten die zo een beoordeling mogelijk maken, dan blijft het feit dat de geëxpliciteerde verwijten aan verzoekster in de bestreden beslissing louter refereren aan het instellen van procedures bij de Raad van State tegen per- soneelsbeslissingen die over haar zijn getroffen, het indienen van een klacht bij de raad van bestuur “wegens beweerd favoritisme” en een vordering bij de ar- beidsrechter op grond van beweerde discriminatie en pesten op het werk. Enkel in verband met de laatstgenoemde vordering wordt bijkomend gealludeerd op standpunten die verzoekster heeft ingenomen, zonder dat dit evenwel wordt uit- gewerkt en zonder hiervan een autonoom motief te maken. IX-9502-12/28 Met het in vraag stellen van beslissingen van de verwerende partij door de rechtsmiddelen aan te wenden die tot haar beschikking staan, maakt verzoekster gebruik van de rechtsbescherming die haar in een democratische sa- menleving wordt geboden. Het enkele feit de vermelde rechtsgedingen te voeren, aanwenden als motief om verzoekster niet voor een aanstelling in aanmerking te nemen, is derhalve geen deugdelijk motief. Het kan de bestreden beslissing niet schragen.
- Het middel is in die mate gegrond, zonder dat een verwijzing naar de algemene vergadering wegens machtsafwending moet worden bevolen. Gelet op wat hiervóór is overwogen over het complementair karakter van de motieven, kan het gegrond bevinden van dit middelonderdeel evenwel maar tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden, indien blijkt dat het eerste motief – de beoordeling van de selectiecommissie die is bij- gevallen door het bestuurscollege – eveneens ondeugdelijk is. Dat motief wordt aangevochten in het vierde middel en, onrechtstreeks, in het derde middel.
- Er is slechts sprake van een schending van het redelijkheidsbe- ginsel wanneer vaststaat dat een beslissing een deugdelijke grondslag heeft, in feite en in rechte, maar er een wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing. Voor zover het middel de schending aanvoert van het redelijkheidsbeginsel, is het dan ook voorbarig en dus niet ontvankelijk.
- Het eerste middel is in de hiervóór aangegeven mate gegrond. B. Tweede middel
- Het auditoraatsverslag onderzoekt en bespreekt enkel het eer- ste, het derde en het vierde middel, zodat het tweede middel in dit arrest niet be- oordeeld kan worden. In haar laatste memorie gaat verzoekster nog in op het tweede middel, maar zij argumenteert alleszins niet dat het middel om welke re- IX-9502-13/28 den ook nog aanvullend onderzocht moet worden door het auditoraat en de Raad, indien de Raad reeds na onderzoek van de andere middelen tot de gegrondheid van het beroep kan besluiten. C. Derde middel Standpunt van de partijen
- In het derde middel wordt de schending van het onpartijdig- heidsbeginsel aangevoerd. Verzoekster zet uiteen dat P. lid is van de facultaire advies- commissie. Dat commissielid is echter belanghebbende in een procedure die ver- zoekster bij de Raad van State heeft opgestart, gekend onder rolnummer A. 218.452/IX-
- Tevens was hij betrokken in een procedure wegens pesten op het werk. P. kon dus onmogelijk nog onpartijdig oordelen over de kandidatuur van verzoekster. De besluitvorming is dan ook gevitieerd. Een selectieprocedure die aanvat met een selectie door een commissie waartoe een lid behoort dat te- gengestelde belangen heeft in een procedure voor de Raad van State en dat voor- werp is van een klacht wegens pesterijen, is door partijdigheid aangetast.
- De verwerende partij antwoordt dat P. één van zeven leden was van de adviescommissie, die geen beslissingsbevoegdheid heeft en die collegiaal tot een advies is gekomen. De regels en algemene beginselen inzake samenstelling, onpar- tijdigheid, wraking en dergelijke zijn niet zonder meer van toepassing op advies- commissies. Bovendien is dit een eerste advies, dat gevolgd is door een eensluidend advies van de faculteitsraad van 27 juni 2018 ten aanzien waarvan verzoekster geen grieven ontwikkelt en vervolgens door een eensluidend advies IX-9502-14/28 van de onderzoeksraad van 28 juni 2018 ten aanzien waarvan evenmin enig mid- del wordt opgeworpen, dat na een geheime stemming en bij unaniem besluit tot stand is gekomen. Ook ten aanzien van het bestuurscollege – dat de adviezen niet zonder meer heeft overgenomen maar aanvullend een eigen besluitvorming heeft doorgevoerd – en de bestreden beslissing zijnde de enige beslissing die rechtsge- volgen tot stand heeft gebracht en die derhalve bij uitstek aan het onpartijdig- heidsbeginsel lijkt te zijn onderworpen, uit verzoekster in dit derde middel geen enkele kritiek. Beoordeling
- Het onpartijdigheidsbeginsel, voor zover van toepassing op organen van het actief bestuur, waarborgt zowel de persoonlijke onpartijdigheid van de leden van bestuurlijke organen die (mee) een beslissing nemen, als de structurele onpartijdigheid van die leden en bestuurlijke organen, op het vlak van de organisatie van deze organen, het verloop van de procedure en het tot stand komen van hun beslissingen. 19.
- Het onpartijdigheidsbeginsel moet in beginsel eveneens in acht worden genomen door adviesorganen, zij het dat de toepassing ervan niet ertoe mag leiden dat het nemen van een regelmatige beslissing onmogelijk wordt, met name doordat dit beginsel het optreden van het bevoegde adviesorgaan of van het beslissend orgaan van actief bestuur onmogelijk zou maken. 19.
- De Raad ziet geen reden waarom van de selectiecommissie geen onpartijdig optreden verwacht mag worden. De opdracht van de selectie- commissie als deskundig adviesorgaan en éérste beoordelaar van de titels en ver- diensten van de kandidaten zou in het gedrang komen, indien zij of één of meer van haar leden die opdracht niet met voldoende onpartijdigheid zouden vervullen. De uitoefening van haar adviestaak veronderstelt dat zij zich als collegiaal orgaan IX-9502-15/28 op een onpartijdige wijze opstelt. Uit het niet-bindend karakter van het advies kan niet worden afgeleid dat haar onpartijdigheid niet van belang zou zijn voor de opdracht die de verwerende partij haar heeft opgedragen. De vrijheid die het be- stuurscollege heeft om af te wijken van een advies van de selectiecommissie hangt integendeel samen met de onpartijdigheid van de selectiecommissie als deskundig adviesorgaan.
- Bij de beoordeling of er verifieerbare gegevens zijn die ten minste een schijn van verdenking kunnen wettigen ten aanzien van de leden van de selectiecommissie, moet weliswaar de optiek van de rechtzoekende in aan- merking worden genomen, maar speelt ze geen doorslaggevende rol. Doorslag- gevend is of de beweerde vrees voor een gebrek aan onpartijdigheid als objectief verantwoord kan worden beschouwd.
- De verwerende partij betwist niet, wat de feitelijke grondslag van het middel betreft, dat P. belanghebbende partij was in het geding dat ver- zoekster heeft ingesteld op 16 februari 2016 bij de Raad van State, bekend onder rolnummer A. 218.452/IX-8822, noch dat hij het voorwerp was van een klacht van verzoekster in het kader van de wetgeving betreffende pesten op het werk. Daargelaten of hieruit moet worden afgeleid dat de betrokkene een persoonlijk belang had bij de uitkomst van de huidige zaak, betekent dit ten minste dat verzoekster een objectief gerechtvaardigde vrees mocht koesteren dat P. niet meer met de vereiste objectiviteit en sereniteit over haar geschiktheid voor de betrekking kon oordelen. De enkele omstandigheid dat tegen P. een klacht is ingediend door verzoekster brengt voor hem op zich niet de verplichting met zich mee om zich terug te trekken uit de selectiecommissie. Er moet echter rekening worden gehouden met het bijkomende gegeven dat P. belanghebbende was in een annulatieprocedure die verzoekster hangende had bij de Raad van State en die het risico inhield dat zijn aanstelling zou worden vernietigd. Ten slotte onderstreept de verwerende partij zelf dat het voor de collega’s van verzoekster onmogelijk was om met haar professioneel samen te werken, wat evident het gevolg zou zijn IX-9502-16/28 van haar aanstelling, terwijl P. net één van die onmiddellijke collega’s was en weer zou worden ingeval verzoekster de vacante positie zou innemen. Al deze elementen samengenomen verantwoorden in voldoende mate de vrees van ver- zoekster. De vaststelling dat bij de preselectie die geleid heeft tot de uitsluiting van verzoekster van de shortlist bepaalde van haar titels en verdiensten niet eens uitdrukkelijk onder ogen genomen zijn, zoals bij de bespreking van het vierde middel blijkt, is niet van aard de gerezen twijfels tegen te spreken.
- Volgens de verwerende partij volstaat die vaststelling niet om de objectiviteit van de selectiecommissie als geheel in het gevaar te brengen. Zij komt er evenwel niet toe, ter ondersteuning van haar zienswijze, om het bewijs te leveren dat van dergelijke beïnvloeding door P. in de concrete omstandigheden van de zaak geen sprake kon zijn. Het is niet uitgesloten, bijgevolg, dat zijn over- redingskracht bij de beraadslaging van de selectiecommissie op de besluitvor- ming heeft kunnen wegen en dat hij de andere leden heeft kunnen beïnvloeden – ten minste toont de verwerende partij het tegendeel niet aan. Dat de selectiecom- missie zeven leden telt, onder wie drie externe leden, en bij consensus heeft be- slist, doet aan die vaststelling geen afbreuk. Overigens mag worden opgemerkt dat op de vergadering waarop over verzoeksters lot werd beslist, enkel de vier interne leden aanwezig waren. Hieruit volgt dat P. zich had moeten onthouden van deelname aan de selectiecommissie, zodra hij kennis had van de kandidaatstelling van ver- zoekster of ten minste op het ogenblik waarop over haar kandidatuur werd gead- viseerd. Deze onwettigheid tast het advies van de selectiecommissie aan.
- De verwerende partij stelt terecht dat een niet onpartijdig lij- kend doch niet-bindend advies de beslissing waaraan het voorafgaat niet noodza- kelijk onregelmatig maakt. IX-9502-17/28 Een schending van het onpartijdigheidsbeginsel door het ad- viesorgaan leidt inzonderheid niet tot de onwettigheid van de daaropvolgende eindbeslissing, indien is aangetoond dat het onwettig bevonden advies geen in- vloed heeft gehad op die beslissing.
- Anders dan het geval was in de zaak waarin arrest nr. 118.732 is gewezen waaraan de verwerende partij refereert, is in de huidige zaak de in- houd van het advies zonder meer bijgevallen door de faculteitsraad en de onder- zoeksraad, zonder dat zij die motivering aanvullen of zelfs maar overnemen als eigen motieven in hun voorstel aan het bestuurscollege. Terecht vraagt verzoek- ster zich af waarom zij dan die voorstellen óók zou moeten bekritiseren. Vervolgens heeft ook het bestuurscollege die motivering in zijn beslissing overgenomen en zich er bijgevolg bij aangesloten, met enige toevoe- gingen die evenwel de andere motieven niet tegenspreken. Het aldus geschetst verloop van de procedure laat aannemen dat het bestuurscollege – en de faculteitsraad en onderzoeksraad vóór hem – is voortgegaan op de deskundigheid van de leden van de selectiecommissie en op de regelmatige samenstelling ervan. De concrete omstandigheden in acht genomen, doet dit de Raad ertoe besluiten dat minstens de schijn is gewekt dat het onwettig bevonden advies een determinerende invloed heeft gehad op – het eerste motief van – de bestreden beslissing.
- Ten overvloede merkt de Raad op dat de verwerende partij niet beweert dat het toepassen van het onpartijdigheidsbeginsel in dit geval niet vere- nigbaar zou zijn met de eigen aard, meer bepaald de eigen structuur van het be- stuur.
- Het middel is gegrond. IX-9502-18/28 D. Vierde middel Standpunt van de partijen
- Het vierde middel is genomen uit de schending van de artikelen 10, 11 en 33 van de Grondwet alsook het materiëlemotiveringsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. Verzoekster betoogt dat een correcte afweging van haar kandi- datuur ertoe leidt dat ze primeert, minstens moet worden vastgesteld dat haar kandidatuur niet naar behoren is afgewogen. Vooreerst wijst verzoekster erop dat haar doctoraatsthesis aan- sluit bij de vacature en die van de benoemde kandidaat niet. De enkele vermel- ding dat de benoemde kandidaat gedoctoreerd heeft, maskeert een duidelijk ver- schil ten voordele van verzoekster. Er wordt wel gewezen op haar ruime onderwijservaring, terwijl de benoemde kandidaat minder ervaring heeft, maar dit wordt niet in de weeg- schaal gelegd. Er wordt vermeld dat de benoemde kandidaat financiering heeft verworven maar er kan niet worden ontkend dat de expertise van verzoekster op dit vlak primeert. Er wordt vermeld dat de benoemde kandidaat thesissen mee superviseerde, terwijl verzoekster jarenlang effectief promotor van thesissen van studenten van het departement Opleidings- en Onderwijswetenschappen was, waarbij verschillenden met hun thesis in de prijzen vielen, en van een doctoraat. Maar dit element wordt niet in rekening gebracht. IX-9502-19/28 De beoordeling van de publicaties mist elke redelijkheid. Ver- zoekster heeft veel gepubliceerd in het Tijdschrift voor onderwijsrecht en onder- wijsbeleid, maar de kwaliteit van de publicatieoutput zou bij de andere kandida- ten hoger zijn. Verzoekster stelt dat dit geen steek houdt, daar in het tijdschrift expliciet onderwijsbeleid aan bod komt, wat veel beter aansluit bij de vacature. Verzoekster geeft ook een overzicht van haar publicaties en die van de benoemde kandidaat. Verzoekster wijst op haar publicaties als enige auteur in een peer reviewed tijdschrift en in internationale peer reviewed tijdschriften, terwijl het verslag van het bestuurscollege duidelijk stelt dat de benoemde kandidaat nog moet inzetten op de uitbouw van zijn academische output. Zij onderstreept dat niet te begrijpen is waarom de kandidatuur van de benoemde kandidaat moet primeren als in de motivering wordt aangegeven dat er in zijn eigen expertise grote hiaten zijn, die vooral op het etnografische is gericht en het kwalitatieve. Er valt niet te zien hoe dit uitstaans heeft met ‘governance’ en de bestreden beslis- sing legt niet uit waarom een juridische invalshoek minder te maken zou hebben met ‘governance’. Er wordt ook onderkend dat het macroniveau voor de benoem- de kandidaat geen hoofdfocus is, terwijl dit wel het geval is voor verzoekster, getuige het redactiesecretariaat dat ze waarneemt en haar publicatielijst. Verzoekster heeft onderwijservaring en kan positieve studen- tenevaluaties voorleggen en een ruime internationale onderwijservaring, maar hieraan wordt voorbijgegaan. De benoemde kandidaat zou een gedegen kijk hebben op de academische wereld en inzake visie op governance over groeipotentieel beschik- ken. Verzoekster werpt op dat zij niet eens is uitgenodigd voor een gesprek en dat zij bijgevolg niet de gelegenheid heeft gekregen haar kritische, maar gegronde visie te geven. IX-9502-20/28
- De verwerende partij repliceert dat verzoekster de Raad van State in wezen uitnodigt om de beoordeling van het bestuurscollege over te doen en tot een eigen appreciatie van titels en verdiensten over te gaan, terwijl dit niet de taak of de bevoegdheid van de Raad van State is. Verzoekster toont niet aan dat het gelijkheidsbeginsel is ge- schonden, noch dat geen enkel ander normaal en voorzichtig handelend bestuur in dezelfde omstandigheden tot eenzelfde beslissing zou kunnen komen. Deze bemerking geldt volgens de verwerende partij des te meer, “nu de Raad in casu onmogelijk een marginale toetsing kan uitoefenen op de wijze waarop de titels en verdiensten van verzoekster met deze van andere kandidaten zijn vergeleken, aangezien de bestreden beslissing een dergelijke ver- gelijking zelf niet heeft gemaakt”. De vraag die beantwoord moet worden en die verzoekster in haar middel uit de weg gaat, is of de motieven om verzoekster niet te selecteren stand kunnen houden. De verwerende partij benadrukt dat geen van de motieven om verzoekster – in het licht van de openstaande vacature – niet voor verdere bespre- king uit te nodigen, door verzoekster inhoudelijk is bekritiseerd. Verzoekster be- vestigt dat ze veel in TORB heeft gepubliceerd en stelt een eerder retorische vraag. De overige elementen van kritiek zijn naast de kwestie. De vacature betreft een aanstelling als onderzoeksprofessor met een zeer beperkte onderwijsopdracht. De ruime onderwijservaring van verzoekster is in dit licht niet relevant.
- In haar laatste memorie betwist de verwerende partij dat bij- zondere aanspraken van verzoekster ten onrechte niet bij de beoordeling zouden zijn betrokken, met name de specificiteit van het doctoraat, de onderwijservaring, de ervaring met begeleiding van thesissen of doctoraten en publicaties. IX-9502-21/28 Zij wijst op het doorslaggevend belang van het onderzoeksplan, wat ook blijkt uit de motivering over de andere kandidaten. In de motivering om verzoekster uit te sluiten van de shortlist heeft haar onderzoeksplan in hoofdorde doorgewogen en verzoekster bekritiseert dit motief niet. Een goed profiel – al dan niet beter dan dat van andere kandidaten – kan er niet toe leiden dat een onder- maats onderzoeksplan wordt gecompenseerd. De wens van verzoekster dat haar andere titels en verdiensten niettemin worden onderzocht, staat haaks op het be- lang dat aan het onderzoeksplan wordt gehecht. De verwerende partij merkt ten slotte op dat onderwijservaring geen vooropgesteld criterium is in het vacaturebericht. Er wordt enkel gesteld dat in onderwijs de juiste accenten worden gelegd die passen binnen de visie op on- derwijs van de verwerende partij. Beoordeling
- Het gelijkheidsbeginsel inzake benoemingen in openbare amb- ten, krachtens welk iedere burger gelijke toegang heeft tot die openbare ambten, vereist dat de aanspraken en verdiensten van de kandidaten moeten worden on- derzocht en vergeleken op basis van objectieve, redelijke en pertinente criteria. De overheid beschikt daarbij over een ruime discretionaire bevoegdheid zowel voor wat het vastleggen als de weging van de objectieve en relevante beoorde- lingscriteria betreft, die echter de redelijkheid als grens heeft. In het kader van het door hem uit te oefenen wettigheidstoe- zicht valt het de Raad van State niet toe om zijn beoordeling over de titels en ver- diensten van de kandidaten in de plaats te stellen van die van de benoemende overheid. Hij moet desgevraagd wel nagaan of de benoemende overheid bij het uitoefenen van haar beoordelingsbevoegdheid, uitgegaan is van gegevens die in feite en in rechte juist zijn, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan overeenkomstig de door haar vastgestelde criteria binnen de perken van de redelijkheid tot haar beslissing is gekomen. IX-9502-22/28
- Het verslag van de selectiecommissie leert over de preselectie, dat zij de kandidaten voor het al dan niet opnemen op de shortlist heeft getoetst “aan de profielomschrijving”, “die van de kandidaten onder meer vereist dat”: “• Zij een doctoraat op proefschrift bezitten in de Sociale Wetenschappen. Expertise in, doctoraat of diplomering in de Onderwijswetenschappen of Pedagogische Wetenschappen strekt tot de aanbeveling; • Zij op het tijdstip van het sluiten van de vacature een minimale postdoc- torale anciënniteit van 2 jaar hebben; • Zij een internationaal wetenschappelijk curriculum hebben en kwalita- tief hoogstaand wetenschappelijk onderzoek verrichten; • Hun onderzoekskwaliteiten aansluiten bij de beleidslijnen van de univer- siteit; • Zij over een breed nationaal en internationaal netwerk beschikken; • Zij in hun onderwijs de juiste accenten leggen die passen binnen de visie op onderwijs van de Universiteit Antwerpen; • Zij beschikken over (potentiële) leiderschapskwaliteiten.” De selectiecommissie noemt het “omstandig onderzoeksplan voor de volgende 5 jaar” ook een “essentieel onderdeel voor de beoordeling van de kandidatuur”.
- De preselectie waartoe in deze selectieprocedure is overgegaan door de adviescommissie, met het oog op het opstellen van een shortlist van kan- didaten is op zich niet onwettig. Ze omvat echter méér dan enkel het nagaan of de individuele kandidaat voldoet aan minimale, formele of inhoudelijke, ontvanke- lijkheidsvereisten. Ook de preselectie veronderstelt bijgevolg, om de gelijke toe- gang tot de overheidsbetrekkingen te waarborgen, dat een vergelijking gebeurt van de aanspraken van de verschillende kandidaten, waarbij elke kandidatuur op basis van dezelfde criteria die verband houden met het te begeven functieprofiel wordt onderzocht.
- Dat verzoekster niet is uitgenodigd om haar kandidatuur mon- deling te verdedigen is inherent aan de gevolgde werkwijze. Vooropgesteld dat de schifting van de kandidaten correct is verlopen om de schapen van de bokken te scheiden, vermag zij daarop geen kritiek te hebben: zij is in die hypothese niet verschillend behandeld dan andere kandidaten die op gelijke wijze zijn beoor- IX-9502-23/28 deeld en op basis van hun dossier hetzij links gelaten, hetzij doorgelaten naar de volgende ronde. De vraag is dus, of verzoekster op goede grond van de shortlist is weggelaten door de selectiecommissie.
- In het auditoraatsverslag wordt bijgevallen dat uit de motive- ring om verzoekster te weren van de shortlist niet blijkt dat haar verdiensten ade- quaat in rekening zijn gebracht. Zo wordt met name het volgende vastgesteld (voetnoten weggelaten): “Uit de hierboven weergegeven criteria blijkt dat expertise in, doctoraat of diplomering in de onderwijswetenschappen of pedagogische wetenschap- pen tot aanbeveling strekt. Niet zonder pertinentie merkt verzoekster dan ook op dat blijkbaar niet in rekening is gebracht dat zij in deze materie is gedoctoreerd. Eenzelfde vaststelling geldt voor wat betreft de onderwijservaring van verzoekster, waarvan verzoekster meent dat er nogal gemakkelijk aan voorbij wordt gegaan. In de beoordeling van de adviescommissie wordt er enkel gerefereerd naar dit gegeven om te besluiten dat verzoekster getuigt van de nodige mobili- teit. Geen melding wordt gemaakt van haar onderwijservaring in het des- betreffende vak. De repliek van de verwerende partij dat dit zonder relevantie is daar het de zoektocht naar een ‘onderzoeksprofessor’ betreft, kan niet geheel wor- den bijgetreden. Vastgesteld moet immers worden dat […] de geselecteerde kandidaten een proefles hebben gegeven, die medebepalend is voor de gegeven be- trekking. Het lesgeven in de onderwijsmaterie blijkt aldus bij de beoorde- ling, in tegenstelling tot wat de verwerende partij voorhoudt, toch een ze- kere relevantie te hebben. Terecht merkt verzoekster dan ook op dat dit gegeven voor haar niet in de weegschaal wordt gelegd. Ook wordt voor verschillende kandidaten door de adviescommissie ver- meld of de desbetreffende kandidaat ervaring heeft in de supervisie van doctoraatsstudenten en de begeleiding van thesissen. Voor verzoekster wordt terzake niets weergegeven, ofschoon uit haar kandidatuur blijkt dat zij hierin een ruime ervaring heeft. Wat de publicaties van verzoekster betreft […] kan worden aangenomen dat de adviescommissie in eerste instantie kijkt naar publicaties in interna- tionale tijdschriften. In haar verzoekschrift voert verzoekster evenwel ook aan dat zij wel als enig auteur heeft gepubliceerd in internationale peer reviewed tijdschrif- ten zoals Education and Law en Recht der Jugend [und] des Bildungswe- IX-9502-24/28 sens en peer reviewed bijdragen in elf boeken heeft gepubliceerd, terwijl de benoemde kandidaat slechts vier bijdragen als enig auteur kan voorleg- gen. De verwerende partij brengt daar niets tegen in.”
- De verwerende partij spreekt in de laatste memorie deze feite- lijke vaststellingen niet tegen. De Raad kan ze, na eigen onderzoek van het dos- sier, bijvallen.
- Wel noemt de verwerende partij in haar laatste memorie wat voorafgaat niet relevant. Haar argument – dat het onderzoeksplan doorslaggevend is bij de opname op de shortlist en dus een uitsluitingscriterium – ontwikkelt de verwe- rende partij slechts voor het eerst in haar laatste memorie – wat de kracht van dit argument reeds ondergraaft. In haar memorie van antwoord schreef zij nog dat er vijf groepen van redenen waren om verzoekster af te wijzen (publicatieoutput, onderzoeksplan, juridische insteek in plaats van governance, onvoldoende aan- sluiting bij het huidige onderzoek van de onderzoeksgroep en onvoldoende ge- richt op wetenschappelijk onderzoek), waarvan het beperkte onderzoeksplan er dus slechts één was. Hoe dan ook blijkt dit beweerd doorslaggevend belang van het onderzoeksplan niet met zoveel woorden uit de motivering van de bestreden be- slissing, noch uit het vacaturebericht, het sub 31 aangehaalde verslag van de se- lectiecommissie over haar werkwijze of andere onderliggende stukken van het administratief dossier. Ook de motivering van twee van de vier kandidaten die op de shortlist worden opgenomen wijst niet uniform in die richting: over kandidaat B. wordt als aandachtspunt opgemerkt dat de visie omtrent onderzoek over diver- siteit in haar onderzoeksplan niet altijd in de diepte werd uitgewerkt, over kandi- daat M. stelt de commissie dat zijn onderzoeksplan enige focus mist. Het verslag van de selectiecommissie leert voorts dat de gepreselecteerde kandidaten uit de shortlist uitgenodigd worden om hun onderzoeksplan voor te stellen en te verde- digen. IX-9502-25/28 De verwerende partij vraagt bijgevolg nu aan de Raad van State datgene te doen wat zij hem in de memorie van antwoord terecht verbiedt, name- lijk zich in de plaats van de selectiecommissie te stellen en zelf tot de waardering van de titels en verdiensten over te gaan door één element ervan – het vermeend ondermaats onderzoeksplan – als doorslaggevend aan te merken.
- Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de ver- werende partij zich de hiervóór bekritiseerde vergelijking van de kandidaten ei- gen heeft gemaakt.
- Aldus blijkt dat de kandidaten niet volgens gelijke maatstaven en beoordelingscriteria werden beoordeeld. Het vierde middel is gegrond. E. Vijfde middel
- Zonder het formeel een “middel” te noemen, stelt verzoekster in een aparte rubriek van haar laatste memorie dat zij “de mening is en blijft toe- gedaan” dat de verwerende partij “Richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 en de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd [heeft] geschonden en dat de verwerende partij nog steeds in gebreke blijft deze fundamentele juridische fout recht te zetten”.
- Voor zover verzoekster met die opmerking beoogt in haar laat- ste memorie een nieuw middel aan te voeren, volstaat het op te merken dat dit laattijdig zou zijn en dus niet ontvankelijk is. IX-9502-26/28 F. Besluit
- De gegrondheid van het eerste middel tast de wettigheid aan van het tweede, “aanvullend” weigeringsmotief over het gebrek aan collegiale samenwerking in de zin van artikel 5 van het ZAP-reglement. De gegrondheid van het derde en het vierde middel tast de wettigheid aan van het eerste weige- ringsmotief over de preselectie aan de hand van de profielomschrijving. Omdat zodoende de beide dragende motieven sneuvelen, is de beslissing om verzoekster af te wijzen niet deugdelijk, welke onwettigheid dan weer doorwerkt in de eind- beslissing om Noel Clycq aan te stellen. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van 11 december 2018 van het bestuurscollege van de Universiteit Antwerpen waarbij Noel Clycq wordt aangesteld als docent in een tenure track stelsel met een opdracht van onder- wijs, onderzoek en dienstverlening in het domein Governance of learning in an era of globalisation.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nie- tigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 eu- ro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-9502-27/28 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien december tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9502-28/28 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.191 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.