id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.215 Rolnummer: A. 225649/XII-8581 Zaak: Arrest 249215 - Overheidsopdrachten - 14/12/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-12-22 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-20 01:53 Fiche Arrest nr 249.215 van 14 december 2020 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 249.215 van 14 december 2020 in de zaak A. 225.649/XII-8581 In zake: de NV ORANGE BELGIUM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk De Keuster en Uschi Steurs kantoor houdend te 2980 Sint-Antonius Zoersel Handelslei 60 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nathanaëlle Kiekens en Ian Arnouts kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
(16)sub-subgunningscriteria met elk een afzonderlijke waardering. De offertes van de inschrijvers werden dan ook op elk van deze punten afzonderlijk gewaardeerd. Het feit dat de offertes van de inschrijvers voor elk van deze punten afzonderlijk werden gewaardeerd overeenkomstig de tabbladen 2 en 3 maakt dan ook dat er wel degelijk sprake is van sub-subgunningscriteria en niet louter van beoordelingselementen. In het voornoemde arrest nr. 217.242 wordt duidelijk gesteld dat een subgunningscriterium zich onderscheidt van een louter beoordelingselement door een eigen waardering, zijnde een eigen score. Bovendien is er volgens de verzoekende partij te dezen wel degelijk sprake van achteraf vastgestelde criteria. In tegenstelling tot hetgeen de verwerende partij poneert, is het Lianakis-arrest volgens haar wel degelijk van toepassing op onderhavige situatie. Onder randnummer 36 van het Lianakis-arrest stelt het Hof van Justitie immers uitdrukkelijk dat alle elementen die door de aanbestedende dienst in aanmerking worden genomen ter bepaling van de economisch voordeligste aanbieding, alsook het relatieve gewicht van deze criteria, bij de potentiële inschrijvers bekend dienen te zijn wanneer deze hun offertes voorbereiden. Op grond hiervan kan een aanbestedende dienst geen afwegingsregels of subgunningscriteria voor de gunningscriteria toepassen die hij niet vooraf ter kennis heeft gebracht van de inschrijvers. Daarnaast is volgens de verzoekende partij evenmin aan de voorwaarden gesteld in het arrest van het Hof van Justitie inzake srl ATI EAC voldaan. De verzoekende partij, net als alle overige inschrijvers, had haar offerte wel degelijk op een andere manier voorbereid indien zij weet zou hebben gehad van de wegingscoëfficiënten van de sub-subgunningscriteria. Zo zou de volgorde van de sub-subgunningscriteria zijn aangehouden bij de opmaak van de offerte waarbij zij dieper zou zijn ingegaan op de verschillende sub-subgunningscriteria zoals de diverse communicatiediensten van de verzoekende partij, de XII-8581-15/26 projectorganisatie inclusief planning en bestaffing, hoe de diensten beheer en ondersteuning zouden worden ingevuld, hoe zij zou voorzien in de beveiliging van haar netwerk en netwerkdiensten en tevens onder meer in de bescherming van de privacy van gebruikers. Aangezien de verzoekende partij echter niet op de hoogte was van deze verschillende sub-subgunningscriteria en de individuele scores die er werden aan toegekend in de tabbladen 2 en 3 van stuk 10b, was zij niet in de mogelijkheid haar offerte op de betrokken specifieke sub-subgunningscriteria uit te werken. Ook de wegingscoëfficiënten van de sub-subgunningscriteria hadden de voorbereiding van haar offerte wel degelijk beïnvloed indien deze bij de voorbereiding aan verzoekende partij bekend zouden zijn geweest. Zo werd bijvoorbeeld nergens aangegeven dat de beschrijving van transitie uitgebreider diende te gebeuren. Zij wijst erop dat zij haar offerte heeft ingediend als huidige leverancier en daarbij het standaardproces inzake transitie heeft aangeboden. Immers, in het geval dat de opdracht wederom aan de verzoekende partij zou worden gegund, was geen transitie nodig. Indien de verzoekende partij echter op de hoogte was geweest van het feit dat de transitiebeschrijving op een dergelijke wijze zou worden gequoteerd (5 punten op 30 punten bij Dienstencatalogus - geboden dienstverlening, 2 punten op 10 punten bij SLA en SLA rapportering en 6 punten op 10 punten bij Dienstencatalogus - projectorganisatie initiële transitie), had de verzoekende partij een veel uitgebreidere aanpak aangeboden. Ook wijst zij erop dat zij bij het opmaken van haar offerte het model Dienstencatalogus, zoals gevoegd bij de opdrachtdocumenten heeft aangewend als basis. Het betrokken model Dienstencatalogus bevatte echter op geen enkele wijze een quotering zoals opgenomen in de tabbladen 2 en 3 van stuk 10b. De Dienstencatalogus vermeldde enkel of een bepaald item „vereist‟ of „aanbevolen‟ was. Voorts voert de verzoekende partij aan dat zij wel degelijk belang heeft bij de formulering van de betrokken kritiek. Het verschil tussen de offerte van verzoekende partij en de gekozen inschrijver met betrekking tot de kwalitatieve beoordeling is immers minimaal, het verschil bedraagt voor perceel 2 slechts 4,8 punten. Indien de verzoekende partij haar offerte had kunnen uitwerken met kennis van de wegingscoëfficiënten van de sub- XII-8581-16/26 subgunningscriteria, had de rangschikking wel degelijk anders kunnen zijn. Het is immers om deze reden dat verzoekende partij uitdrukkelijk heeft gevraagd naar een gunningsmatrix. Door de verwerende partij werd echter uitdrukkelijk gesteld dat geen subgunningscriteria zouden worden gehanteerd, terwijl de verwerende partij op dat moment de betrokken subgunningscriteria wel degelijk reeds had overgemaakt aan de inspectie van financiën.
- In haar laatste memorie ontkent de verwerende partij nogmaals met klem dat de 16 „onderverdelingen‟ die de verzoekende partij onderscheidt, niet in het bestek zouden zijn vermeld. Zij benadrukt, aan de hand van een vergelijkende tabel, dat alle 16 elementen die beoordeeld zijn, op voorhand transparant werden bekendgemaakt in het bestek, namelijk bij de beschrijving van het criterium kwaliteit in het bestek en wat de aangeboden SLA‟s en de kwaliteit van de aangeboden rapportering betreft, nader uitgewerkt in het document „SLA‟ bij het (eerste) bestek en het BAFO-bestek. De bewering van de verzoekende partij dat het bestek slechts vier elementen met betrekking tot het criterium kwaliteit bevat, is pertinent onjuist. De kritiek dat deze elementen pas naderhand zouden zijn verduidelijkt, getuigt van een slechte, minstens eenzijdige lezing van het bestek en een onzorgvuldige voorbereiding van haar offerte. Alle 16 elementen die beoordeeld zijn, stonden wel degelijk van bij de aanvang in het bestek, met bijkomende toelichting, vermeld. De omstandigheid dat het bestek ruimte laat voor bijkomende beoordelingselementen (zie de woorden “onder meer”) doet niet ter zake aangezien uiteindelijk enkel is beoordeeld wat in het bestek staat vermeld. Indien de beoordeling is geschied op grond van voorheen reeds aan de inschrijvers gekende elementen, dan is er geen sprake van achteraf vastgestelde subgunningscriteria. Zelfs indien er sprake zou zijn van beoordelingselementen die verworden tot subgunningscriteria, betreft dit volgens de verwerende partij niet bij voorbaat een schending van de ingeroepen normen en beginselen, doch zal de Raad van State dienen te onderzoeken of de inschrijvers op het ogenblik van de voorbereiding van hun offerte op de hoogte waren of konden zijn van alle elementen die bij de beoordeling van hun offerte in acht zouden worden genomen. De verwerende partij verwijst nogmaals naar het arrest van het Hof van Justitie inzake srl ATI EAC, waarin de wegingscoëfficiënten voor de XII-8581-17/26 subgunningscriteria pas nadien werden vastgesteld, en welke zaak dus volgens de verwerende partij uitermate gelijkaardig is met de voorliggende zaak. Het Hof oordeelde dat een dergelijke werkwijze wel degelijk wettig is, indien drie voorwaarden zijn voldaan. Het niet voldaan zijn van de eerste en de derde voorwaarde wordt door de verzoekende partij niet beargumenteerd. De tweede voorwaarde, namelijk “geen elementen bevatten die, indien zij bij de voorbereiding van de offertes bekend waren geweest, deze voorbereiding hadden kunnen beïnvloeden” wordt door de verzoekende partij helemaal niet concreet aannemelijk gemaakt, noch in haar memorie van wederantwoord, noch in haar brief van 14 mei
- De essentie is dat de verzoekende partij, net zoals de gekozen inschrijver, op voorhand volledig in kennis is gesteld van alle beoordelingselementen en zij in functie daarvan haar best mogelijke offerte kon voorbereiden. Zij toont met geen enkel concreet voorbeeld het tegendeel aan. Wat de kritiek betreft dat de weging van de subgunningscriteria niet op voorhand bekend zou zijn geweest, betoogt de verwerende partij dat dit tevens het geval was in voormelde zaak srl ATI EAC, en het steeds aan de verzoekende partij toekomt om te bewijzen dat dit een impact heeft gehad op de voorbereiding van de offerte. De verzoekende partij blijft in gebreke hiertoe zelfs maar een begin van bewijs te leveren. Beoordeling Ontvankelijkheid
- Een middel dat voor het eerst wordt aangevoerd in de memorie van wederantwoord is in beginsel niet-ontvankelijk maar mag evenwel alsnog worden aangevoerd indien het is gesteund op gegevens waarvan de verzoekende partij pas na inzage van het neergelegd administratief dossier kennis kon krijgen. Dit blijkt te dezen het geval te zijn, aangezien het nieuw middel is gesteund op stuk 10b van het administratief dossier, dat niet gekend was door de verzoekende partij bij de indiening van haar enig verzoekschrift tot vernietiging en tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. XII-8581-18/26 De verzoekende partij verwijst terecht naar rechtspraak van de Raad van State naar luid waarvan met de feitelijke en juridische argumentatie die is opgenomen in het verzoekschrift tot voortzetting geen rekening mag worden gehouden bij de beoordeling van de zaak, aangezien deze niet in een verzoek tot voortzetting hoort, maar in de geëigende rechtsplegingstukken die daarvoor zijn voorzien. Aldus kan haar niet worden verweten dat zij haar nieuw middel pas in haar memorie van wederantwoord heeft ontwikkeld.
- De exceptie van de verwerende partij dat de verzoekende partij niet aantoont dat de rangschikking van de offertes anders had kunnen zijn zodat zij geen belang zou hebben bij haar middel, betreft de grond van de zaak zoals hierna zal blijken bij de bespreking van het middel. Ten gronde
- Het gelijkheidsbeginsel zoals neergelegd in artikel 5 van de voormelde wet van 15 juni 2006, zoals van toepassing op de in het geding zijnde opdracht, gebiedt de aanbestedende overheden de aannemers, de leveranciers en de dienstverleners op gelijke wijze te behandelen. Het beginsel van de gelijke behandeling van de inschrijvers veronderstelt dat de gunningsprocedure op transparante wijze wordt gevoerd en dat openbaarheid de regel is. De inschrijvers moeten van de aanbestedende overheid een gelijke kans krijgen om de opdracht in de wacht te slepen, wat inhoudt dat zij zich zowel in de fase van voorbereiding van hun aanbiedingen als bij de beoordeling ervan door de aanbestedende overheid in een gelijke positie moeten bevinden. De gelijkheid die aan de gunning van overheidsopdrachten ten grondslag ligt, veronderstelt voorts dat degenen die voor gunning van de opdracht in aanmerking willen komen van tevoren weten wat zij daarvoor moeten doen of laten en dus met alle door de aanbestedende overheid cruciaal geachte gegevens rekening moeten kunnen houden bij het opstellen van hun offertes.
- Luidens punt 9 van het BAFO-bestek worden de ontvankelijke BAFO‟s beoordeeld aan de hand van de gunningscriteria „kwaliteit‟ voor 55 % en XII-8581-19/26 „prijs‟ voor 45 %. Aldus worden in het bestek de wegingscoëfficiënten of de relatieve waarde van elk gunningscriterium bepaald. In het licht van het criterium kwaliteit worden luidens voornoemd punt 9 van het bestek de BAFO‟s beoordeeld “onder meer op basis van volgende beoordelingselementen: - de mate waarin de door de inschrijver aangeboden dienstverlening (in exploitatiefase) beantwoordt aan de functionele behoeften van het Bestuur en de technische specificaties zoals beschreven in dit Bestek en de bijlagen; zoals, de kwaliteit van de aangeboden communicatiediensten, de voorgestelde projectorganisatie in exploitatiefase, de wijze van invulling van het beheer & ondersteuning (ondersteunende processen) van de geboden dienstverlening, de functionaliteit van het bestelportaal, de mate van beveiliging van netwerk en bescherming van privacy, de redundantie, de business continuity maatregelen, duurzaamheid van de aangeboden dienstverlening. - de aangeboden SLA‟s en de kwaliteit van de aangeboden rapportering, - de kwaliteit van de voorgestelde projectorganisatie bij initiële transitiefase en exitfase, - de extra aangeboden diensten.” Uit de beoordeling van het gunningscriterium kwaliteit in het gunningsverslag blijkt dat daarbij rekening werd gehouden met de volgende vier elementen:
- aangeboden dienstverlening,
- SLA en SLA rapportering,
- projectorganisatie, en
- kwaliteit van de extra aangeboden diensten. Uit de bijlagen bij het verslag blijkt voorts dat een volledig overzicht wordt gegeven van de concrete plus- en minpunten in het licht van “de in het bestek vermelde beoordelingselementen”. De verzoekende partij beschouwt deze elementen als subgunningscriteria. De verwerende partij meent dat dit geen subgunningscriteria zijn, doch louter beoordelingselementen die motiveren waarom de ene inschrijver op het vlak van kwaliteit beter scoort dan een andere. XII-8581-20/26
- Als subgunningscriteria moeten worden beschouwd gegevens die dienstig zijn om in het aangebodene een onderscheid te maken en die aldus een maatstaf bij een beoordeling van een gunningscriterium zijn. Om een subgunningscriterium te kunnen onderscheiden van de in het kader van de motiveringsplicht vereiste vermelding van gunstige of minder gunstige elementen die de beoordeling van een gunningscriterium ondersteunen, moet het gaan om een voorafgaand aan de toetsing bedacht gegeven waarmee de inschrijvingen min of meer stelselmatig worden vergeleken of om een enigszins planmatige toetsing.
- Het eerste middel komt in essentie hierop neer dat geen bewijs voorligt dat de beoordelingsmethode voorafgaand aan de opening van de offertes werd vastgesteld. Daartegen betoogt de verwerende partij dat de beoordelingsmethode wel degelijk voorafgaand aan de opening van de (eerste) offertes werd vastgesteld. Zij verwijst hiervoor naar het document „Gunningscriteria_evaluatieschema_Telecom2018‟ waarin “de afspraken betreffende evaluatie perceel 1, 2, 3, 4 zijn opgenomen”, en dat deel uitmaakt van het dossier zoals voorgelegd aan de Inspectie van Financiën bij de goedkeuring van het bestek (stuk 10b van het administratief dossier). Deze afspraken stemmen volgens de verwerende partij overeen met de beoordelingsmethode die is opgenomen in het gunningsverslag, namelijk voor het criterium kwaliteit een analyse van de min- of meerwaarden/de plus- en minpunten. In dit document wordt op het eerste tabblad onder „puntentoekenning evaluatiecriteria deel B kwaliteit‟ vermeld: Puntentoekenning evaluatiecriteria deel B kwaliteit Quotering Criterium is conform zonder min- of meerwaarde 50% Criterium biedt meerwaarde t.o.v. basis Aantal % in meer in functie van de meerwaarde Criterium wijkt af met minwaarde t.o.v. basis Aantal % in min in functie van de minwaarde Op het tweede en derde tabblad wordt zowel onder „scores perceel 1‟ als onder „scores perceel 2‟, „gunningscriteria/evaluatieschema‟, het gunningscriterium kwaliteit nader onderverdeeld als volgt: XII-8581-21/26 Beoordelingsdocument Weging B. Kwaliteit 55 B.
- Dienstencatalogus - geboden dienstverlening (exploitatie) 30
- Communicatiediensten Dienstencatalogus deel Communicatiediensten 10
- Projectorganisatie (planning, bestaffing,…) na Dienstencatalogus deel Transitie 5 initiële transitie
- Invulling Diensten beheer en ondersteuning Document „vereisten ondersteunende processen‟ 4
- Functionaliteit portaal Dienstencatalogus deel Portaal 3
- Beveiliging van het netwerk en de netwerk- Dienstencatalogus deel Beveiliging 2 diensten en bescherming privacy gebruikers
- Redundantie in de infrastructuur van de Dienstencatalogus deel Redundantie 2 dienstverlener en in koppeling met derden
- Business Continuity maatregelen voor het Dienstencatalogus deel Business Continuity 2 Bestuur
- Duurzaamheid Dienstencatalogus deel Duurzaamheid 2 B.
- SLA en SLA- rapportering 20
- Initiële transitie Document SLA 2
- Generieke bepalingen Document SLA 2
- Service indicatoren - vereiste indicatoren Document SLA 3 waarvoor hogere waarden worden gegeven
- Service indicatoren - aanbevolen indicatoren Document SLA 2 waarvoor hogere waarden worden gegeven
- Service indicatoren - optionele indicatoren Document SLA 1 waarvoor hogere waarden worden gegeven B.
- Dienstencatalogus - projectorganisatie initiële transitie 10
- Projectorganisatie (doorlooptijd, kwaliteit, effort Dienstencatalogus deel Transitie 6 Bestuur, planning, bestaffing,...) tijdens initiële transitie
- Exit (project) Management Dienstencatalogus deel Exit 4 B.
- Kwaliteit van de extra aangeboden diensten 5 Dienstencatalogus optioneel deel 5 Totaal 100 Het derde tabblad bevat bovendien een scoretabel waarin voor alle aanbieders per criterium een individuele score kan worden ingevuld. XII-8581-22/26 Uit een vergelijkende lezing van de tekst van de omschrijving van de gunningscriteria zoals opgenomen in het bestek en de tekst van het voormelde evaluatieschema, blijkt dat de invulling van de gunningscriteria met de voornoemde elementen gelijklopend zijn. De in het bestek opgesomde vier elementen ter beoordeling van het gunningscriterium kwaliteit – in het gunningsverslag “groepen van beoordelingselementen” genoemd – worden in het voormelde evaluatieschema overgenomen, onder de nummers B.1 tot B.4, met dit verschil dat de elementen opgesomd onder B.1 thans exhaustief zijn opgesomd, terwijl het woord “zoals” in het bestek wijst op een niet-limitatieve opsomming, en dat nu voor elke “groep” (B1, B2, B3, B4) een afzonderlijke en verschillende weging in punten wordt toegevoegd, namelijk 30, 10, 10 en 5, en de elementen B1, B2 en B3 bovendien nog nader worden onderverdeeld in diverse elementen met een afzonderlijke en verschillende weging. De voornoemde beoordelingselementen kunnen weliswaar uit het bestek kunnen worden afgeleid, doch zulks geldt niet voor het hanteren ervan op een dergelijke planmatige en systematische wijze, en evenmin voor een dergelijke afzonderlijke weging. In het kader van de toetsing van de offertes aan het gunningscriterium kwaliteit blijkt voorts dat elke offerte aan elk van die elementen wordt getoetst, hetgeen het planmatig en systematisch karakter van de toetsing aantoont. Uit de motiveringsdocumenten, gevoegd als bijlage bij het gunningsverslag, blijkt immers dat voor beide inschrijvers en beide percelen de 16 onderverdelingen telkens systematisch worden gevolgd. Hoewel de scores per element niet staan weergegeven in de motiveringsdocumenten, blijkt bovendien de toekenning van een totale puntenscore voor het criterium kwaliteit tot twee cijfers na de komma de effectieve toepassing van het voormelde schema veeleer te bevestigen dan te ontkennen. Met de verzoekende partij wordt ook vastgesteld dat in de motiveringsdocumenten op bladzijde 4, waar de score voor het gunningscriterium kwaliteit nader wordt toegelicht, duidelijk melding wordt gemaakt van “scores”. Er dient dan ook te worden aangenomen dat de verwerende partij bij de beoordeling van het gunningscriterium kwaliteit zich heeft bediend van elementen die als subgunningscriteria moeten worden aangezien. XII-8581-23/26
- De vaststelling van de vermelding van deze elementen in het bestek onder punt 9 leidt niet tot de conclusie dat de inschrijvers vooraf ondubbelzinnig op de hoogte waren gesteld van de omstandigheid dat al deze elementen zouden worden gehanteerd als subgunningscriteria. Meer nog, hierover bevraagd voorafgaand aan de opening van de inschrijvingen, antwoordde de verwerende partij dat geen subgunningscriteria zouden worden gehanteerd. In ieder geval werd voor al deze elementen geen afzonderlijke weging opgegeven in het bestek. Indien in het bestek geen afzonderlijke weging wordt toegekend aan de subgunningscriteria (en de sub-subgunningscriteria) van een gunningscriterium, mag worden verondersteld dat de aanbestedende overheid aan deze criteria een gelijke waarde heeft toegekend. Terecht merkt de verzoekende partij bijgevolg op dat indien zij bij de voorbereiding van haar offerte kennis zou hebben gehad van deze subgunningscriteria en hun afzonderlijke, niet gelijke weging, dit de redactie ervan zou hebben kunnen beïnvloed en zij aldus een meer economisch voordelige offerte had kunnen indienen. Het is immers logisch dat een inschrijver bij het indienen van een offerte keuzes dient te maken op grond van de besteksvereisten, en in functie van de scores voorrang geeft aan het aanbieden van bepaalde producten of diensten. In de mate dat de verwerende partij stelt dat de verzoekende partij louter beweert, aan de hand van zuivere standaardformuleringen, dat zij een meer voordelige offerte had kunnen indienen, wordt vastgesteld dat de verzoekende partij meer doet dan dat. Zij betoogt onder meer dat zij meerdere extra diensten zou hebben aangeboden indien zij had geweten dat dit element 5 punten waard was, alsook dat de transitiebeschrijving een score krijgt onder meerdere subgunningscriteria – 5 op 30 punten bij Dienstencatalogus – geboden dienstverlening, 2 op 10 punten bij SLA en SLA rapportering en 6 op 10 punten bij Dienstencatalogus - projectorganisatie tijdens initiële transitie – zodat zij bij kennis hiervan een veel uitgebreidere aanpak had kunnen aanbieden, terwijl zij hier nu beperkt op heeft geantwoord vanuit de positie van zittende dienstverlener. Uit het gemotiveerd gunningsverslag blijkt bovendien, wat perceel 1 en perceel 2 betreft, dat er een lichte voorkeur is voor de gekozen inschrijver “omwille van een duidelijk uitgeschreven transitie-organisatie met diverse rollen en profielen”, XII-8581-24/26 en omwille van de “kwaliteit van de extra aangeboden diensten”, en wat perceel 1 betreft, dat de gekozen inschrijver een betere optie is omwille van het voorzien “in een uitgebreide ondersteuning voor de organisatie van de nummerportering (nummerbehoud bij transitie) voor de overdracht van volledige GSM-vloot (initiële transitiefase)”. De verzoekende partij maakt bijgevolg voldoende aannemelijk dat zij haar offerte anders had kunnen opbouwen en een meer voordelige offerte had kunnen indienen indien de sub-subgunningscriteria, hun planmatig en systematisch karakter en hun afzonderlijke, niet gelijke weging voorafgaand kenbaar zouden zijn geweest. De door de verwerende partij opgeworpen exceptie van gebrek aan belang bij het middel, wordt bijgevolg verworpen.
- Uit het voorgaande volgt dat de offertes werden getoetst aan de hand van het gunningscriterium kwaliteit opgedeeld in vier subgunningscriteria, en 16 sub-subgunningscriteria, met elk een afzonderlijke weging, die niet in het bestek of in de aankondiging van de opdracht waren opgenomen, wat een schending met zich meebrengt van het in het middel aangevoerde gelijkheids- en transparantiebeginsel. Deze vaststellingen zijn van aard om de gehele gunningsprocedure aan te tasten zodat hieruit volgt dat niet langer vaststaat dat de opdracht werd gegund aan de meest voordelige inschrijver.
- Het eerste onderdeel van het nieuw middel wordt gegrond bevonden. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van 22 juni 2018 van de Vlaamse Gemeenschap waarbij de raamovereenkomst ‘Het aanbieden van een breed gamma van telecommunicatiediensten bestaande uit spraaktelefonie (vast en mobiel) en marketingnummers, datacommunicatie XII-8581-25/26 (vast, mobiel en inclusief ‘machine to Machine’ of ‘Internet of things’) en virtuele telefooncentrales (Cloud PBX)’ (Opdracht nr. 2017/HFB/OPMB/33326), wordt gegund aan de nv Proximus, wat perceel 1 ‘Vaste telefonie, marketingnummers & vaste datacommunicatie’ en perceel 2 ‘Mobiele telefonie, mobiele datacommunicatie voor professioneel gebruik’ betreft.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien december tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-8581-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.215 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.179 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div