← België

Arrest 249225 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 15/12/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.225 Rolnummer: A. 226359/X-17342 Zaak: Arrest 249225 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 15/12/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-12-30 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-20 01:53 Fiche Arrest nr 249.225 van 15 december 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 249.225 van 15 december 2020 in de zaak A. 226.359/X-17.342 In zake :

  1. Amaat HOORNE
  2. Andreas HOORNE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jacqueline Meersman kantoor houdend te 9000 Gent Willem Tellstraat 22 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering en door de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Devers kantoor houdend te 9000 Gent Kouter 71-72 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 5 oktober 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie van 22 augustus 2018 waarbij het beroep van verzoekers, gericht tegen de beslissingen van het departement Landbouw en Visserij van 24 juli 2018 en 30 juli 2018 houdende de weigering van het afgeven van een afschrift van de verzamelaanvragen 2017 en 2018 met betrekking tot percelen in eigendom van verzoekers ontvankelijk maar ongegrond wordt verklaard. X-17.342-1/14 II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verzoekende partijen hebben een toelichtende memorie ingediend. Adjunct-auditeur Benny De Sutter heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 november
  5. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Annelies Haeck, die loco advocaat Jacqueline Meersman verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Patrick Devers, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten 3.
  7. Verzoekers, twee broers, zijn samen met hun zus Irena Hoorne en een derde broer, Odiel Hoorne, onverdeeld eigenaars van enkele onroerende goederen. De derde broer, Odiel Hoorne, had destijds de betrokken gronden in pacht. X-17.342-2/14 3.
  8. Bij dagvaarding van 22 maart 2006 stelt Irena Hoorne een vordering tot openbare verkoop van de betrokken onroerende goederen bij de rechtbank van eerste aanleg te Ieper in. 3.
  9. Met een aangetekend schrijven van 25 oktober 2006 stelt Odiel Hoorne alle mede-eigenaars in kennis van een pachtoverdracht conform artikel 35 van de pachtwet ten voordele van zijn dochter, Christine Hoorne, met ingang van 1 oktober
  10. 3.
  11. Bij tussenvonnis van 21 december 2017 spreekt de vrederechter van het vredegerecht van het kanton Zelzate de pachtontbinding in het nadeel van Christine Hoorne uit en veroordeelt hij haar tot het verlaten en ter vrije beschikking stellen van de betrokken onroerende goederen binnen een termijn van drie maanden vanaf de betekening van het vonnis. Op 28 februari 2018 stelt Christine Hoorne beroep in tegen dit vonnis. Inmiddels werd een dading gesloten. 3.
  12. Bij brief van 16 mei 2018 vragen verzoekers aan het departement Landbouw en Visserij wie hun percelen in het kader van de verzamelaanvraag vermeld in artikel 11 van de gedelegeerde verordening (EU) nr. 640/2.014 “heeft aangegeven in 2017 en 2018”. 3.
  13. Bij beslissingen van 24 juli 2018 en 30 juli 2018 wijst het departement Landbouw en Visserij verzoekers’ voormelde vraag af. 3.
  14. Tegen de weigering stellen verzoekers op 1 augustus 2018 beroep in bij de beroepsinstantie voor openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie (hierna: de beroepsinstantie). 3.
  15. Bij beslissing van 22 augustus 2018 verklaart de beroepsinstantie het beroep ontvankelijk, maar ongegrond. X-17.342-3/14 Dit is de bestreden beslissing, die onder meer als volgt luidt: “Overwegende dat artikel 22 van de Grondwet uitdrukkelijk het recht op eerbiediging van het privé-leven waarborgt; dat de bedoeling en het fundamentele uitgangspunt van de in artikel 13, 2° van het decreet van 26 maart 2004 bedoelde uitzonderingsgrond er precies in bestaat om het aan iedereen toegekende grondwettelijke recht op de eerbiediging van zijn privé-leven te beschermen; Overwegende dat de identiteitsgegevens van een natuurlijke persoon zoals vermeld op een verzamelaanvraag ontegensprekelijk kaderen binnen de persoonlijke levenssfeer; dat er uit een verzamelaanvraag bovendien meer blijkt dan enkel persoonsgegevens; dat uit het al dan niet voorhanden zijn van een verzamelaanvraag tevens kan blijken of er rechtstreekse inkomenssteun wordt aangevraagd; dat uit de perceelsgegevens en gegevens met betrekking tot de aanvraag van rechtstreekse inkomenssteun informatie over de financiële toestand van de betrokkene kan worden afgeleid of kan leiden tot een analyse van zijn landbouwactiviteiten; dat bovendien de omstandigheid dat iemand ervoor kiest of er niet voor kiest om aanspraak te maken op subsidies en daarom een verzamelaanvraag indient, op zich al binnen de persoonlijke levenssfeer kan gesitueerd worden in het geval het gaat om een natuurlijke persoon; Overwegende dat artikel 14, 3° van het openbaarheidsdecreet bepaalt dat een aanvraag om openbaarmaking moet afgewezen worden indien het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van het vertrouwelijke karakter van commerciële en industriële informatie, wanneer deze informatie beschermd wordt om een gelegitimeerd economisch belang te vrijwaren, tenzij degene van wie de informatie afkomstig is met de openbaarheid instemt; dat het om een relatieve uitzonderingsgrond gaat; dat eerst moet worden onderzocht of de openbaarmaking het beschermde economische belang schaadt; dat, als er belangenschade is, het te beschermen belang vervolgens moet worden afgewogen tegen het belang van de openbaarheid, dat de openbaarmaking enkel mag worden bevolen als daarmee een algemeen belang wordt gediend dat zwaarder doorweegt dan het door de uitzonderingsgrond beschermde belang; Overwegende dat het openbaarheidsdecreet, voor wat betreft de uitzonderingen op het recht op openbaarheid, een onderscheid maakt naargelang het gaat om een aanvraag tot openbaarmaking die betrekking heeft op milieu-informatie dan wel op andere informatie; dat een verzamelaanvraag moet beschouwd worden als een document dat minstens gedeeltelijk uit milieu-informatie bestaat; dat zowel artikel 15, § 1, 7° (voor wat betreft milieu-informatie) als artikel 14, 3° (voor wat betreft de andere dan milieu-informatie) van het openbaarheidsdecreet bepalen dat een aanvraag om openbaarmaking dient afgewezen te worden indien het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van het vertrouwelijke karakter van commerciële en industriële informatie, wanneer deze informatie beschermd wordt om een gelegitimeerd economisch belang te vrijwaren; dat beide relatieve uitzonderingsgronden aldus identiek geformuleerd zijn; X-17.342-4/14 Overwegende dat de verzamelaangifte naast identificatiegegevens van de aanvrager ook perceelsgegevens en gegevens met betrekking tot de aanvraag van rechtstreekse inkomenssteun bevat; dat uit de perceelsgegevens en gegevens met betrekking tot de aanvraag van rechtstreekse inkomenssteun informatie over de financiële toestand van de betrokkene kan worden afgeleid of kan leiden tot een analyse van zijn bedrijfstoestand; dat bovendien de omstandigheid dat iemand ervoor kiest of er niet voor kiest om aanspraak te maken op subsidies en daarom een verzamelaanvraag indient, op zich al vertrouwelijk kan zijn; dat door de openbaarmaking van die gegevens inbreuk kan gepleegd worden op het vertrouwelijke karakter van heel wat commerciële gegevens van de begunstigden van de landbouwsubsidies; dat op grond van deze motieven de openbaarmaking van gegevens uit een verzamelaangifte, waaronder de naamsgegevens van de indiener, volgens de beroepsinstantie op grond van het openbaarheidsdecreet terecht geweigerd kan worden; Overwegende dat in het kader van het onderzoek naar de gegrondheid van het voorliggende beroepschrift het feit dat de beroeper een tussenvonnis voorlegt waaruit de onrechtmatige bezetting van de betreffende percelen moet blijken geen afbreuk doet aan de bovenstaande analyse; dat het niet toekomt aan de beroepsinstantie om na te gaan of een indiener van een verzamelaanvraag de percelen in kwestie al dan niet rechtmatig bezet, ook niet wanneer een tussenvonnis wordt voorgelegd waarin de vrederechter oordeelt tot pachtontbinding; dat dergelijke feiten geen aanleiding geven tot het verval van de ingeroepen uitzonderingsgronden uit het openbaarheidsdecreet; dat het tussenvonnis d.d. 21 december 2017 van de vrederechter te Zelzate dat door de beroep wordt ingeroepen bijgevolg niet tot een ander oordeel kan leiden dan het geval waarin er geen dergelijke gerechtelijke uitspraak voorhanden zou zijn.” IV. De regelmatigheid van de rechtspleging 4.
  16. Verzoekers wijzen er terecht op dat de memorie van antwoord niet binnen de vastgestelde termijn is ingediend en dat ze bijgevolg, gelet op artikel 21, laatste lid, RvS-wet uit het debat moet worden geweerd. 4.
  17. Ook het administratief dossier is te laat ingediend. Op grond van het derde lid van het voormeld artikel 21 RvS-wet vragen verzoekers op goede grond dat de door haar aangehaalde feiten als bewezen worden geacht, tenzij ze kennelijk onjuist zijn. X-17.342-5/14 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste, tweede en vierde middel De aangevoerde middelen 5.
  18. Verzoekers roepen in een eerste middel de schending in van de artikelen 7 en 9 van het decreet van 26 maart 2004 ‘betreffende de openbaarheid van bestuur’ (hierna: het openbaarheidsdecreet) en van artikel 32 van de Grondwet. Zij werpen op dat de openbaarheid van bestuur volgens het Grondwettelijk Hof een grondrecht is en dat uitzonderingen moeten worden verantwoord en beperkend moeten worden geïnterpreteerd. Ook het openbaarheidsdecreet voorziet in een principieel recht op inzage van bestuursdocumenten. Uitzonderingen moeten geval per geval restrictief worden uitgelegd, gebeurlijk met inachtneming van het met de openbaarmaking gediende openbaar belang. Door het weigeren van de openbaarmaking zonder deugdelijke motivatie schendt de bestreden beslissing de in het middel aangehaalde bepalingen. Bovendien konden de gegevens in de documenten gedeeltelijk openbaar worden gemaakt. 5.
  19. In een tweede middel voeren verzoekers de schending van de artikelen 13, 14 en 15 van het openbaarheidsdecreet aan. Zij betogen dat de gevraagde gegevens niet onder de bescherming van de persoonlijke levenssfeer vallen. Minstens wordt niet gemotiveerd waarom dit wel het geval zou zijn. Het enige wat zij niet weten is wie precies de betrokken gronden gebruikt. Wanneer zij een pand zouden verhuren, kunnen zij een uittreksel van woonst opvragen om na te gaan of er geen sprake is van onderhuur. Naar analogie moet hetzelfde mogelijk zijn voor het gebruik van de betrokken percelen. X-17.342-6/14 Ondergeschikt betogen verzoekers dat de loutere vaststelling dat gegevens op de persoonlijke levenssfeer betrekking hebben, niet volstaat. Het is niet omdat de openbaarmaking op de persoonlijke levenssfeer betrekking heeft dat deze daardoor automatisch wordt aangetast. De beroepsinstantie blijft in gebreke door niet concreet te onderzoeken en te motiveren in welke mate de gevraagde gegevens aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer afbreuk doen. Verzoekers wijzen erop dat een verzamelaanvraag wordt ingediend om subsidies te verkrijgen en betwisten dat daaruit informatie over de financiële toestand van de betrokkene kan worden afgeleid of dat de gegevens tot een analyse van de landbouwactiviteiten kunnen leiden. Zij voeren aan dat zowel informatie over de teelten als financiële informatie op het internet kan worden teruggevonden. Verder wordt de bescherming van het vertrouwelijk karakter van commerciële en industriële informatie op dezelfde wijze als de bescherming van de persoonlijke levenssfeer gemotiveerd, wat een schending van de motiveringsplicht inhoudt. Daarnaast wordt niet verduidelijkt welke commerciële en industriële informatie, noch welk economisch belang, gevrijwaard moeten worden. Voorts wordt in de bestreden beslissing niet gemotiveerd waarom een verzamelaanvraag minstens gedeeltelijk uit milieu-informatie bestaat. De bestreden beslissing is tevens onzorgvuldig nu, enerzijds, de vraag tot openbaarheid wordt afgewezen op grond van artikel 13 van het openbaarheidsdecreet dat enkel van toepassing is voor zover de gevraagde gegevens geen betrekking hebben op milieu-informatie en, anderzijds, wordt gesteld dat een verzamelaanvraag minstens gedeeltelijk milieu-informatie bevat. 5.
  20. In een vierde middel voeren verzoekers de schending van het motiverings-, zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel aan, alsook de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de motiveringswet). Zij werpen op dat de motiveringsplicht wordt geschonden doordat in de bestreden beslissing niet wordt gemotiveerd waarom de gevraagde gegevens onder de bescherming van de persoonlijke levenssfeer vallen, dan wel in welke mate de toegang tot de gevraagde gegevens aan de persoonlijke X-17.342-7/14 levenssfeer afbreuk zou doen, doordat de relatieve uitzonderingsgronden van artikel 14 en 15 van het openbaarheidsdecreet op dezelfde wijze worden beoordeeld als de absolute uitzonderingsgrond van artikel 13 van het openbaarheidsdecreet, doordat geen afwegingsproces wordt gemaakt met betrekking tot de relatieve uitzonderingsgrond van artikel 14 van het openbaarheidsdecreet en doordat niet wordt gemotiveerd waarom de aanvraag gedeeltelijk op milieu-informatie en gedeeltelijk op andere informatie zou betrekking hebben. Het zorgvuldigheidsbeginsel wordt geschonden omdat de bestreden beslissing eraan voorbijgaat dat uit elke verzamelaanvraag kan worden afgeleid dat de aangever ervoor kiest om steun aan te vragen en dat uit een verzamelaanvraag geenszins informatie over de financiële toestand van de betrokkene kan worden gevraagd. Daarnaast wordt dit beginsel eveneens geschonden doordat, enerzijds, de vraag tot openbaarmaking wordt afgewezen op grond van artikel 13 van het openbaarheidsdecreet dat slechts toepassing vindt op niet-milieugebonden informatie en, anderzijds, in de bestreden beslissing wordt gesteld dat een verzamelaanvraag minstens gedeeltelijk milieu-informatie bevat, waarop het voormelde artikel 13 geen toepassing vindt. Er wordt evenmin verduidelijkt welke vertrouwelijke commerciële en industriële informatie op het spel staat, noch welk gelegitimeerd economisch belang gevrijwaard moet worden. Tot slot is het redelijkheidsbeginsel geschonden, aangezien in het bestreden besluit het belang van de gebruiker zonder enige motivatie boven hun belang als eigenaar en boven het algemeen belang van de openbaarheid wordt gesteld. Beoordeling 6.
  21. Het toepasselijke artikel 13, 2°, van het openbaarheidsdecreet luidt: X-17.342-8/14 “De in artikel 4 genoemde instanties wijzen een aanvraag tot openbaarmaking af, voorzover die geen betrekking heeft op milieu- informatie: […] 2° als de openbaarmaking afbreuk doet aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, tenzij de betrokken persoon met de openbaarmaking instemt.” 6.
  22. De bescherming van de persoonlijke levenssfeer is – net zoals de andere uitzonderingsgronden vervat in artikel 13 van het openbaarheidsdecreet – een absolute uitzonderingsgrond. Blijkens de parlementaire voorbereiding moet onder een absolute uitzonderingsgrond worden verstaan (Parl.St. Vl.Parl. 2002- 03, nr. 1732/1, 24-25): “dat de overheid de openbaarheid moet weigeren wanneer bepaalde informatie onder de uitzonderingsgrond valt. Er moet dus geen belangenafweging plaats vinden tussen het door de uitzonderingsgrond beschermde belang met het belang van de openbaarheid, en de weigering tot openbaarmaking moet niet door deze belangenafweging gemotiveerd worden.” De bescherming van de persoonlijke levenssfeer heeft, ofschoon het een absolute uitzonderingsgrond betreft, ook een relatief aspect (Parl.St. Vl.Parl. 2002-03, nr. 1732/1, 25): “er is weliswaar geen afweging met het openbaar belang dat met de openbaarheid is gediend, maar telkens dient wel in concreto geoordeeld te worden of er al dan niet een inbreuk is gepleegd op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.” Ten slotte blijkt uit de parlementaire voorbereiding dat de bedoeling en het fundamenteel uitgangspunt van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer erin bestaan (Parl.St. Vl.Parl. 2002-03, nr. 1732/1, 25): “om het door de Grondwet in artikel 22 en door het EVRM in artikel 8 aan eenieder toegekende recht op eerbiediging van zijn privé-leven te beschermen t.a.v. de openbaarheid van bestuur. Een schending van de persoonlijke levenssfeer kan slechts in concreto beoordeeld worden en maakt het voorwerp uit van een uitvoerige rechtspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens.” Uit de parlementaire voorbereiding blijkt aldus duidelijk dat geen afweging moet worden gemaakt tussen het belang van de openbaarheid en X-17.342-9/14 het belang van de persoonlijke levenssfeer. Het volstaat dat in concreto wordt geoordeeld of er al dan niet een inbreuk op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zou worden gepleegd. De bedoelde beoordeling moet blijken uit de motivering in de bestreden beslissing zelf of minstens uit de stukken van het administratief dossier die onmiskenbaar aan de beroepsinstantie zelf toe te schrijven zijn. 6.
  23. Zoals uit de stukken van het dossier blijkt, hebben verzoekers doorheen de gehele administratieve procedure tot openbaarmaking steeds en uitsluitend om de identiteit – dit is de naam – van de indiener van de verzamelaanvraag verzocht. De verwerende partij merkt in haar laatste memorie terecht op dat reeds uit het antwoord van het departement Landbouw en Visserij van 24 juli 2018 blijkt dat dit een natuurlijk persoon betreft. 6.
  24. Daargelaten of de vraag naar de identiteit van een persoon wel op de openbaarmaking van een bestuursdocument betrekking heeft, dient vastgesteld dat de verwerende partij dit verzoek op grond van artikel 13, 2°, van het openbaarheidsdecreet heeft geweigerd, “[o]verwegende dat de identiteitsgegevens van een natuurlijke persoon zoals vermeld op een verzamelaanvraag ontegensprekelijk kaderen binnen de persoonlijke levenssfeer”. Op verzoekers’ concrete bezwaar in het administratief beroepschrift dat er van een bescherming van de privacy van de indiener van de verzamelaanvraag geen sprake kan zijn, gelet op de veroordeling van de vrederechter tot ontruiming van het goed, overweegt het bestreden besluit bijkomend: “Overwegende dat in het kader van het onderzoek naar de gegrondheid van het voorliggende beroepschrift het feit dat de beroeper een tussenvonnis voorlegt waaruit de onrechtmatige bezetting van de betreffende percelen moet blijken geen afbreuk doet aan de bovenstaande analyse; dat het niet toekomt aan de beroepsinstantie om na te gaan of een indiener van een verzamelaanvraag de percelen in kwestie al dan niet rechtmatig bezet, ook niet wanneer een tussenvonnis wordt voorgelegd X-17.342-10/14 waarin de vrederechter oordeelt tot pachtontbinding; dat dergelijke feiten geen aanleiding geven tot het verval van de ingeroepen uitzonderingsgronden uit het openbaarheidsdecreet; dat het tussenvonnis d.d. 21 december 2017 van de vrederechter te Zelzate dat door de beroeper wordt ingeroepen bijgevolg niet tot een ander oordeel kan leiden dan het geval waarin er geen dergelijke gerechtelijke uitspraak voorhanden zou zijn.” De voormelde vaststellingen, waarvan verzoekers de onwettigheid in hun verzoekschrift niet aantonen, volstaan om te besluiten dat de verwerende partij zich op afdoende wijze op de absolute uitzonderingsgrond van artikel 13, 2°, van het openbaarheidsdecreet heeft beroepen om de identiteit van de indiener van de verzamelaanvraag aan verzoekers niet mee te delen. Het bestreden besluit is inzake de vraag om mededeling van de identiteit van de indiener van de verzamelaanvraag afdoende gemotiveerd. 6.
  25. Precies om de grondeigenaars tegemoet te treden, heeft de decreetgever er met artikel 88 van het decreet van 26 april 2019 ‘houdende diverse bepalingen inzake omgeving, natuur en landbouw’ (Parl.St. Vl.Parl. 2018-19, nr. 1875/1, 69) expliciet in voorzien dat een eigenaar op uitdrukkelijk verzoek, gericht aan de bevoegde instantie, de naam en het adres kan verkrijgen van de persoon die of het bedrijf dat zijn percelen aangeeft in de verzamelaanvraag. 6.
  26. De door artikel 9 van het openbaarheidsdecreet voorziene mogelijkheid om een bestuursdocument slechts gedeeltelijk openbaar te maken, kan bij de enkele vraag om de identiteit van een persoon mede te delen, geen toepassing vinden. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij in dit verband terecht dat “een naam niet gedeeltelijk bekend gemaakt [kan] worden”. Verder kan opgemerkt worden dat de loutere identiteit van een persoon uiteraard niet op milieu-informatie betrekking heeft. Nu verzoekers hun vraag tot openbaarmaking tot de identiteit van de indiener van de verzamelaanvraag hebben beperkt, zijn de motieven van X-17.342-11/14 het bestreden besluit die betrekking hebben op het feit “dat er uit een verzamelaanvraag bovendien meer blijkt dan enkel persoonsgegevens” en die de overige in het bestreden besluit aangevoerde uitzonderingsgronden dan artikel 13, 2°, van het openbaarheidsdecreet betreffen, als overtollig te beschouwen. Hun beweerde onwettigheid kan niet tot de vernietiging leiden. 6.
  27. De middelen worden verworpen. B. Derde middel Het aangevoerde middel
  28. In een derde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 544 van het Burgerlijk Wetboek en van artikel 16 van de Grondwet. Zij betogen dat de bestreden beslissing ten onrechte stelt dat de betrokken percelen “in bezit” zijn van verzoekers. De betrokken percelen betreffen hun (mede-)eigendom. Op juridisch vlak betreft dit een heel andere kwalificatie, zodat minstens een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel voorligt. Daarnaast hebben zij als eigenaar het recht te weten wat met hun percelen gebeurt en wie de door de overheid gefinancierde subsidies met betrekking tot hun eigendom ontvangt. Het feit dat zij geen inzage krijgen in documenten met betrekking tot hun eigen percelen, betreft een schending en een beperking van hun eigendomsrecht. Beoordeling 8.
  29. In zoverre verzoekers de schending van artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek aanvoeren, beroepen zij zich op de schending van een burgerrechtelijke regel omtrent het eigendomsrecht, waarvan de beoordeling bij uitsluiting tot de rechtsmacht van de rechtscolleges van de rechterlijke orde behoort. X-17.342-12/14 8.
  30. In de bestreden beslissing wordt overwogen “dat de beroeper optreedt namens de heren Amaat en Andreas Hoorne, erfgenamen en mede- eigenaars van enkele percelen die zonder recht noch titel zouden bezet worden door mevrouw Christine Hoorne”. In de bestreden beslissing wordt aldus van de correcte juridische hoedanigheid van verzoekers uitgegaan. Minstens doen verzoekers het tegendeel niet aannemen. 8.
  31. Daargelaten de vraag naar de ontvankelijkheid van verzoekers betoog dat hun eigendomsrecht wordt beperkt doordat zij “geen inzage krijgen in documenten met betrekking tot hun eigen percelen”, tonen zij hoe dan ook geen schending van artikel 16 van de Grondwet er mee aan. 8.
  32. Het middel wordt verworpen.
  33. Het beroep moet hoe dan ook als ongegrond verworpen worden. BESLISSING
  34. De Raad van State verwerpt het beroep.
  35. De verzoekende partijen worden elk voor de helft verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 20 euro en op een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de verwerende partij. De door de verzoekende partijen onterecht betaalde bijdrage van 20 euro wordt aan hen terugbetaald. X-17.342-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien december tweeduizend twintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-17.342-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.225 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.