← België

Arrest 249228 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 15/12/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.228 Rolnummer: A. 225601/X-17280 Zaak: Arrest 249228 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 15/12/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-12-30 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-20 01:51 Fiche Arrest nr 249.228 van 15 december 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 249.228 van 15 december 2020 in de zaak A. 225.601/X-17.280 In zake : Dariya BEZUGLA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Van Assche kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen en eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sander Kaïret kantoor houdend te 9930 Zomergem Kerkstraat 1 tegen : het BRUSSELSE HOOFDSTEDELIJKE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Butenaerts en Andy Hoedenaeken kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen:

  1. de BV SIMPLY BETTER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Ivan-Serge Brouhns en Guillaume Possoz kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 185 bij wie woonplaats wordt gekozen en eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gregory Verhelst kantoor houdend te 2000 Antwerpen Bouwmeestersstraat 11
  2. de NV DROH!ME EXPLOITATION bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Filip De Preter, François Tulkens en Bert Van Herreweghe kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- X-17.280-1/15 I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 4 juli 2018, strekt tot de nietigverklaring van “het besluit […] van de gemachtigde ambtenaar van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest dd. 27 juni 2018 waarbij de stedenbouwkundige vergunning wordt afgeleverd aan de Sprl Simply Better, chaussée de Tubize 483A/bte2, 1420 Braine L‟Alleud, voor de „organisatie van TO2 2018‟ op een terrein gelegen aan de Terhulpsesteenweg 51-53”. II. Verloop van de rechtspleging
  4. Bij arrest nr. 242.084 van 6 juli 2018 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen alsook de vordering tot het opleggen, onder verbeurte van een dwangsom, van een andere voorlopige maatregel. Verzoekster heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partijen hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De eerste tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld. Verzoekster heeft een laatste memorie ingediend. De eerste tussenkomende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 november
  5. X-17.280-2/15 Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sander Kaïret, die verschijnt voor verzoekster, advocaat Gautier De Wachter, die loco advocaten Stijn Butenaerts en Andy Hoedenaeken verschijnt voor de verwerende partij, advocaat Gregory Verhelst, die verschijnt voor de eerste tussenkomende partij, en advocaat Linde Moons, die loco advocaten Filip De Preter, François Tulkens en Bert Van Herreweghe verschijnt voor de tweede tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten 3.
  7. De bvba Simply Better wil tussen 2 mei 2018 en 25 juli 2018 “TO2 2018” organiseren op een terrein gelegen aan de Terhulpsesteenweg 51-53 te Ukkel. 3.
  8. Een eerste besluit van de gemachtigde ambtenaar van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, van 6 maart 2018, tot afgifte daartoe van een stedenbouwkundige vergunning voor de plaatsing van niet in de grond verankerde infrastructuur, wordt door Raad van State in zijn tenuitvoerlegging geschorst bij arrest nr. 241.563 van 22 mei
  9. Onder meer wordt in het arrest overwogen dat de aanvraag en de bestreden vergunning zich op het eerste gezicht ook uitstrekken tot een in het bosgebied van het gewestelijk bestemmingsplan gelegen parking, zodat op het eerste gezicht over de aanvraag het voorafgaand advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen en van de gemeente moest zijn ingewonnen. X-17.280-3/15 Bij arrest nr. 241.709 van 1 juni 2018 schorst de Raad van State ook een tweede besluit, van 25 mei 2018, tot afgifte van de stedenbouwkundige vergunning voor de organisatie van “TO2 2018”. Opnieuw wordt geoordeeld dat de aanvraag en de vergunning zich uitstrekken tot een in het bosgebied van het gewestelijk bestemmingsplan gelegen parking en dat over de aanvraag dan ook het voorafgaand advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen en van de gemeente moest zijn ingewonnen. 3.
  10. Na een nieuwe aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning vanwege de bvba Simply Better wordt haar met het thans bestreden besluit van de gemachtigde ambtenaar van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 27 juni 2018 een derde keer een stedenbouwkundige vergunning uitgereikt. 3.
  11. De onder het randnummer 3.2 vermelde beslissingen worden bij respectievelijk ‟s Raads arrest nr. 243.440 van 18 januari 2019 en nr. 244.132 van 2 april 2019 vernietigd. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4.
  12. Verzoekster leidt een eerste middel af “uit de schending van het gezag van gewijsde als algemeen rechtsbeginsel, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, [d]oordat, in het bestreden besluit overwogen wordt dat het voorwerp van de vergunning zich uitstrekt tot de installaties vergund bij de door Uw Raad geschorste vergunningsbesluiten van 6 maart 2018 en 25 mei 2018, en toch overwogen wordt dat de parking geen deel uitmaakt van de aanvraag”. 4.
  13. In haar memorie van wederantwoord stelt verzoekster dat het voorwerp van de vergunning niet wordt bepaald “door de feitelijke situatie maar X-17.280-4/15 door de omschrijving ervan in het bestreden besluit”. Ook “temporeel” wordt het voorwerp van de vergunning volgens haar door de vorige vergunningen bepaald. Beoordeling 5.
  14. De vernietigde vergunningsbesluiten van 6 maart 2018 en 25 mei 2018 betreffen een andere vergunningsaanvraag dan de vergunningsaanvraag waarover de thans bestreden beslissing uitspraak doet. Anders dan – volgens de onder de randnummers 3.2 en 3.4 vermelde arresten van de Raad van State – het geval was in verband met de twee eerst vermelde aanvragen en de beslissingen erover, namelijk dat ze tevens betrekking hebben op een parking in bosgebied, blijkt dat niet meer het geval wat de voorliggende derde vergunningsbeslissing en de betrokken vergunningsaanvraag betreft. 5.
  15. In de bestreden beslissing staat niet dat de vergunning zich uitstrekt tot de installaties die werden vergund door de eerdere vergunningsbesluiten van 6 maart 2018 en 25 mei
  16. De beslissing vermeldt wel dat ze ertoe strekt de tijdelijke installaties te regulariseren die reeds bestaan. Tot dergelijke reeds bestaande installaties blijken geen installaties op de meer genoemde parking in bosgebied te behoren, aangezien – naar beweerd en niet betwist wordt – die installaties (lichttotems, „kiss&ride‟-zone, betonblokken) intussen verwijderd zijn geworden. 5.
  17. Het middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 6.
  18. Een tweede middel wordt “genomen uit de schending van artikel 188 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening van 9 april 2004 (hierna: BWRO), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van het X-17.280-5/15 motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, [d]oordat, de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening niet afdoende wordt beoordeeld in het bestreden besluit, inzonderheid de problemen inzake capaciteit van de parking”. 6.
  19. In haar memorie van wederantwoord stelt verzoekster dat in het licht van het zorgvuldigheidsbeginsel rekening moet gehouden worden met de (geschatte) reële bezoekersaantallen “zoals ze zich daadwerkelijk al anderhalve maand voordeden”. Zij meent dat haar “bewering” dat de capaciteit van de parking

(200)ondermaats is in verhouding tot het aantal bezoekers “werd bewaarheid”. Alleszins diende volgens verzoekster de capaciteit van de parking onderzocht te worden. De effectenstudie voor de Droh!me-site voorziet in zware hinder bij circa 1500 bezoekers en gaat daarbij van een capaciteit van 519 parkeerplaatsen – dit is veel meer dan de vergunde 200 – uit. Het verslag van de privédetective wijst uit dat men op drukke dagen tot 2500 bezoekers en meer ontvangt. Ook verzoeksters stelling dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat, en niet onderzocht werd of, de parking integraal zal worden aangewend om de bezoekers van La Terrasse 02 parkeerplaats te bieden, is correct. Meer nog, voorziet de “basis milieuvergunning” van de nv Droh!me in een limiet van 600 bezoekers “en voorwaarden dat de parking ook bereikbaar moet blijven voor bezoekers van het bosgebied”. Volgens verzoekster weet men “zeer goed” dat de parking hoofdzakelijk voor de (private) evenementen op de Droh!me-site gebruikt wordt, die met de ecologische, economische en sociale functies van bossen en wouden helemaal geen uitstaans hebben. Dit geldt volgens haar “ook voor de doorverwijzing van bezoekers naar het Terkamerenbos conform het mobiliteitsplan”. 6.3. Verzoekster doet in haar laatste memorie nog gelden dat de stukken die zij bij haar memorie van wederantwoord voegt, niet eerder, bij het indienen van haar verzoekschrift, konden worden bijgebracht. X-17.280-6/15 Beoordeling 7.1. De bestreden beslissing bevat een drie bladzijden tellende formele motivering. Daarin wordt expliciet aandacht besteed aan de hinder en ongemakken op mobiliteitsvlak. Onder meer wordt in dit verband overwogen dat een tijdelijke milieuvergunning van 30 april 2018 specifieke voorwaarden bevat die van aard zijn de hinder ten gevolge van de uitbating van het evenement te beperken, door meer bepaald de inwerkingstelling op te leggen van een gedetailleerd mobiliteitsplan dat werd opgesteld in overleg met de gemeente Ukkel en de diensten van de politie en van Leefmilieu Brussel, en dat het mobiliteitsplan dat aan de aanvrager van de tijdelijke milieuvergunning is opgelegd alternatieve parkingoplossingen inhoudt. Het blijkt, aldus de bestreden beslissing, dat de voorwaarden die de tijdelijke milieuvergunning oplegt toelaten om een uitbating conform de goede plaatselijke aanleg en het leefmilieu te waarborgen. 7.2. In haar verzoekschrift beperkt verzoekster er zich in essentie toe op te merken dat “een verwijzing naar het in het kader van de milieuvergunning opgelegde mobiliteitsplan op zich geen beoordeling vormt van de capaciteit van de parking” en dat er met geen woord wordt gerept over de concrete bezoekersaantallen en de aan de gang zijnde verkeerschaos. Dit volstaat niet om van de gegrondheid van het middel te overtuigen. Een aan de gang zijnde verkeerschaos wordt, gelet op het enige stavingstuk dat zij ter zake bij haar verzoekschrift bijbrengt (zijn stuk 16), niet afdoende aannemelijk gemaakt. Verder dient vastgesteld dat in een bij de vergunningsaanvraag gevoegde verklarende nota wel degelijk concrete bezoekersaantallen worden vermeld. Verzoekster onderneemt in haar verzoekschrift zelfs geen begin van een poging om de precieze maatregelen waarin de milieuvergunning en het mobiliteitsplan voorziet, concreet bij haar uiteenzetting te betrekken. Dit laatste kan niet worden goedgemaakt door bij de memorie van wederantwoord nieuwe stukken te voegen waaruit de parkeer- en mobiliteitshinder zouden moeten blijken. X-17.280-7/15 Overigens maakt verzoekster niet aannemelijk dat de effectenstudie van “februari 2017” (stuk 19) en een verslag van een privé-detective niet reeds bij het instellen van haar beroep konden worden bijgebracht. Hetzelfde geldt voor de bij haar memorie van wederantwoord gevoegde “video‟s en foto‟s” (stuk 17b), waaromtrent zij in haar uiteenzetting geen nadere concrete toelichting verschaft. 7.3. Het middel wordt verworpen. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 8.1. In een derde middel wordt de schending aangevoerd “van de artikelen 142, 188 en 190 BWRO, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, [d]oordat, het bestreden besluit geen motivering bevat omtrent de mogelijke gevoelige aantastingen van het stedelijke milieu die het project kan veroorzaken, de sociale en economische gevolgen van het project, inzonderheid de mobiliteitsimpact, noch enig motief omtrent de bevindingen van het effectenverslag in de zin van artikel 142 BWRO”. 8.2. In haar memorie van wederantwoord stelt verzoekester dat zij “slechts [kan] vaststellen dat het bestreden besluit uitdrukkelijk overweegt dat het betrekking heeft op de installaties die het voorwerp vormden van de eerdere geschorste vergunningen (dus ook die met betrekking tot de parking) en ook voorwaarden oplegt met betrekking tot de parking”. Beoordeling 9.1. Het te dezen toepasselijke artikel 142 BWRO bepaalt: “§ 1. Aan een effectenverslag worden onderworpen, de projecten vermeld in bijlage B van dit Wetboek. De lijst van de projecten hernomen in bijlage B wordt vastgelegd rekening X-17.280-8/15 houdend met hun aard, hun afmetingen of hun ligging evenals met de volgende relevante selectiecriteria : 1° Kenmerken van de inrichtingen. Deze kenmerken dienen te worden beschouwd ten opzichte van:
  1. a)de afmetingen van de inrichting;
  2. b)de samenvoeging met andere inrichtingen;
  3. c)het gebruik van natuurlijke rijkdommen;
  4. d)de productie van afval;
  5. e)verontreiniging en hinder;
  6. f)ongevalrisico‟s, ten opzichte van gebruikte stoffen of technologie. 2° Ligging van de inrichtingen. De milieugevoeligheid van de geografische zones die door de inrichtingen geraakt kunnen worden moet in beschouwing worden genomen rekening houdend met :
  7. a)de bestaande grondbezetting;
  8. b)de betrekkelijke rijkdom, de kwaliteit en de capaciteit van herstel van de natuurlijke rijkdommen van de zone;
  9. c)de belastingscapaciteit van de natuurlijke omgeving, met bijzondere aandacht voor volgende zones : - vochtige zones; - kustzones; - berg- en woudzones; - natuurreservaten en natuurparken; - zones die ingedeeld of beschermd zijn door de wetgeving en de reglementering in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; - bijzondere beschermingszones aangewezen door de wetgeving en de reglementering van toepassing in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest overeenkomstig de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG; - zones waarin de door de wetgeving van de Gemeenschap milieukwaliteitsnormen al overschreden zijn; - zones met hoge bevolkingsdichtheid; - historisch, cultureel en archeologisch waardevolle landschappen. 3° Kenmerken van het potentiële effect. De aanzienlijke effecten die een inrichting zou kunnen hebben dienen beschouwd te worden aan de hand van de bij 1° en 2° opgesomde criteria, meer bepaald ten opzichte van : - de omvang van de impact (geografische zone en omvang van de geraakte bevolking); - de grensoverschrijdende aard van de impact; - de omvang en de complexiteit van de impact; - de probabiliteit van de impact; - de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van de impact. § 2. De aanvragen om stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning, die volgen op een niet-vervallen stedenbouwkundig attest dat door een effectenverslag of -studie is voorafgegaan, worden vrijgesteld van een effectenverslag, voorzover ze overeenstemmen met de afgegeven attesten. Wanneer de aanvragen om stedenbouwkundig attest, stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning gelegen zijn in de perimeter van een bijzonder bestemmingsplan waaraan een milieueffectenrapport is voorafgegaan, wanneer de aanvragen om stedenbouwkundig attest of stedenbouwkundige vergunning gelegen zijn of in de perimeter van een niet X-17.280-9/15 vervallen verkavelingsvergunning waaraan, een effectenverslag is voorafgegaan bij toepassing van dit Wetboek en deze aanvragen conform het bijzonder bestemmingsplan of de verkavelingsvergunning zijn, beperkt de onder artikel 143 bedoelde effectenverslag zich tot de specifieke aspecten van de aanvraag om attest of vergunning waarmee geen rekening werd gehouden door het milieueffectenrapport dat aan de goedkeuring van het bijzonder bestemmingsplan is voorafgegaan, of door het effectenverslag dat aan de aflevering van de verkavelingsvergunning is voorafgegaan.” De punten 24 en 25 van de bijlage B bij het BWRO luiden: “Bijlage B. Aan een effectenrapport onderworpen projecten. […] 24) scheppen van sport-, culturele, vrijetijds-, school- en sociale voorzieningen waarin meer dan 200 m² toegankelijk is voor het gebruik van die voorzieningen; 25) parkeerplaatsen in open lucht voor motorvoertuigen, buiten de openbare weg, waar van 50 tot 200 plaatsen zijn voor auto‟s;” 9.2. Het middel gaat ervan uit dat de aanvraag waarover de bestreden beslissing uitspraak doet aan een effectenstudie of een effectenverslag overeenkomstig artikel 142 BWRO onderworpen is. Volgens verzoekster is dat zo omdat het vergunde project een project als bedoeld in bijlage B, 24) of 25), van het BWRO is. Dat is ten onrechte. Zoals reeds werd geoordeeld in ‟s Raads arrest nr. 201.035 van 18 februari 2010, betreffen de “voorzieningen” waarvoor volgens rubriek 24 van de bijlage B bij het BWRO een voorafgaand effectenverslag dient opgemaakt te worden, gebouwen “waarin” meer dan 200 m² toegankelijk is voor het gebruik voor sport-, vrijetijds-, school-, culturele en sociale voorzieningen, en niet, zoals te dezen, een plaats in open lucht. Ook punt 25), in verband met “parkeerplaatsen in open lucht”, blijkt te dezen niet van toepassing, vermits de aanvraag, zoals gezien bij de beoordeling van het eerste middel (randnummer 5.1 en volgende) juist geen betrekking meer heeft op een parking. 9.3. Het middel is ongegrond. X-17.280-10/15 D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 10. Een vierde middel voert de schending aan “van artikel 35/3, 2° van het Besluit van 13 november 2008 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot bepaling van de handelingen en werken die vrijgesteld zijn van een stedenbouwkundige vergunning, van het advies van de gemachtigde ambtenaar, van de gemeente, van de koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, van de overlegcommissie evenals van de speciale regelen van openbaarmaking of van de medewerking van een architect […], van artikel 15 van de algemene voorschriften van het [gewestelijk bestemmingsplan], van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, [d]oordat, in het bestreden besluit onterecht wordt overwogen dat de aanvraag vrijgesteld is van advies van de Koninklijke commissie voor Monumenten en landschappen en van het advies van de gemeente in toepassing van artikel 33/5, 2° van het vrijstellingsbesluit van 13 november 2008”. Beoordeling 11.1. Het middel berust op de premisse dat het voorwerp van de verleende vergunning zich ook tot de meer vermelde parking in bosgebied uitstrekt. Zoals uit de beoordeling van het eerste middel blijkt (randnummer 5.1 en volgende), wordt dit uitgangspunt niet bijgetreden. 11.2. Het middel is ongegrond. X-17.280-11/15 E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel 12.1. Een vijfde middel is genomen “uit de schending van de artikelen 181 en 194/2 BWRO, van de rechtens vereiste wettelijke grondslag, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, [d]oordat, middels het bestreden besluit een stedenbouwkundige vergunning wordt afgeleverd met (gedeeltelijke) retroactieve werking voor het tijdelijk plaatsen van constructies zonder wachttermijn”. 12.2. Verzoekster stelt in haar memorie van wederantwoord dat de vraag die aan de Raad van State wordt voorgelegd “niet [is] of de vergunning op een welbepaalde datum al dan niet uitvoerbaar is, maar wél of de vergunningverlenende overheid tijdelijke vergunningen kan afleveren met ingang van een welbepaalde datum in het verleden, en zodoende zelf de uitvoerbaarheid van de vergunning (retroactief) reguleert, in strijd met de regeling die is uitgewerkt door de ordonnantiegever”. De strategie “waarbij systematisch tijdelijke vergunningen worden aangevraagd, en op maat van de aanvrager vergund worden met aanduiding van een (retroactieve) periode voor het tijdelijk plaatsen van constructies zorgt niet enkel voor een (onwettige) omzeiling van de wachttermijn, maar ontneemt omwonenden en adviesverlenende instanties doelbewust de mogelijkheid enige effectieve procedurele waarborg te laten gelden”. 12.3. In haar laatste memorie doet verzoekster nog gelden dat onmogelijk wettig een tijdelijke vergunning kan afgeleverd worden “voor een termijn die aanvangt in het verleden”. Uit de aard van de bestreden beslissing blijkt zeer duidelijk dat de bestaande inbreuk bestendigd werd. Beoordeling 13.1. Het te dezen toepasselijke artikel 181 BWRO luidt: X-17.280-12/15 “Het college van burgemeester en schepenen kan bij het Regering in beroep gaan binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing van de gemachtigde ambtenaar tot verlening van de vergunning. Dit beroep, evenals de termijn voor instelling van het beroep, schorst de vergunning. Het wordt terzelfder tijd bij een ter post aangetekende brief naar de aanvrager en naar het Stedenbouwkundig College gestuurd. Het Stedenbouwkundig College maakt er een kopie van over aan de Regering.” Het toepasselijke artikel 194/2 BWRO bepaalt: “Een mededeling die te kennen geeft dat de vergunning afgegeven is, moet op het terrein worden aangeplakt door de aanvrager, hetzij, wanneer het werken betreft, vóór de aanvang van de werken en tijdens de hele duur ervan, hetzij, in de overige gevallen, vanaf de voorbereidingen voor de handeling of handelingen en tijdens de hele uitvoering ervan. Gedurende die tijd, moet de vergunning en het bijhorende dossier, of een door het gemeentebestuur of de gemachtigde ambtenaar gewaarmerkt afschrift van deze stukken, voortdurend ter beschikking van de in artikel 30 aangewezen ambtenaren liggen, op de plaats waar de werken worden uitgevoerd en de handeling of handelingen worden verricht. De houder van de vergunning moet het college van burgemeester en schepenen en de gemachtigde ambtenaar per aangetekend schrijven op de hoogte brengen van de aanvang van de toegestane werken of handelingen alsook van de in het eerste lid bedoelde aanplakking, ten minste acht dagen alvorens de werken aan te vatten. De Regering stelt de nadere regels voor de toepassing van dit artikel vast.” 13.2. Het middel betwist, eensdeels, de retroactiviteit van de verleende vergunning en, anderdeels, haar onmiddellijke uitvoerbaarheid “in weerwil met de wettelijke wachttermijn”. 13.3. Verzoekster overtuigt er niet van dat de bestreden beslissing, in de mate dat zij voor het verleden geldt, onwettig zou zijn, temeer nu een stedenbouwkundige vergunning, al dan niet tijdelijk van aard, werken of handelingen die aan de vergunningsaanvraag voorafgaan in beginsel vermag te regulariseren. Het enkele feit dat met betrekking tot het kwestieuze project een strafrechtelijke procedure hangende zou zijn, sluit dit laatste niet uit. Voorts blijkt niet dat de verwerende partij de overeenstemming van het gevraagde met de goede ruimtelijke ordening niet afdoende zou hebben beoordeeld of gemotiveerd, of dat zij voor het voldongen feit zou zijn gezwicht. Verzoekster maakt dit niet concreet aannemelijk. X-17.280-13/15 13.4. In zoverre het middel bekritiseert dat de verwerende partij een vergunning verleent die “bepaalt” dat ze onmiddellijk uitvoerbaar is, wordt vastgesteld dat dergelijke bepaling als dusdanig niet in de beslissing voorkomt. Voor het overige blijkt het probleem van een eventuele voortijdige uitvoering van de bestreden beslissing, namelijk vooraleer de wettelijke wachttermijn verstreken is, niet de wettigheid van de bestreden beslissing, maar alleen de uitvoering ervan te betreffen. 13.5. Het middel wordt verworpen. V. Kosten 14. De eerste tussenkomende partij vraagt in haar memorie een rechtsplegingsvergoeding. De kosten van de tussenkomst blijven echter ten laste van de tussenkomende partij. Artikel 30/1, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State sluit haar uitdrukkelijk uit van het krijgen van een rechtsplegingsvergoeding. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partijen worden elk voor de helft verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 300 euro. X-17.280-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien december tweeduizend twintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taey, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-17.280-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.228 Gerelateerde publicatie(
  10. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.084 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.