id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.231 Rolnummer: A. 232386/IX-9805 Zaak: Arrest 249231 - Examens (onderwijs) - 15/12/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-12-22 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-20 01:51 Fiche Arrest nr 249.231 van 15 december 2020 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 249.231 van 15 december 2020 in de zaak A. 232.386/IX-9805 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Geoffroy Generet kantoor houdend te 1050 Brussel Kapitein Crespelstraat 2-4 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW SINT-GOEDELE BRUSSEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jim Deridder kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 210A bus 10 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 7 december 2020, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de interne beroepscommissie van de vzw Sint-Goedele Brussel van 20 november 2020 waarbij aan XXXX een oriënteringsattest C wordt toegekend. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 december 2020 om 10.30 uur. IX-9805-1/31 Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Matthieu Generet, die loco advocaat Geoffroy Generet verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jim Deridder, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is tijdens het schooljaar 2019-2020 aanvankelijk ingeschreven als leerling in het eerste jaar van de derde graad ‘humane weten- schappen’ (ASO) in het Sint-Guido-Instituut Anderlecht, onderwijsinstelling die behoort tot de vzw Sint-Goedele Brussel. Na het kerstreces maakt hij de overstap naar de studierichting ‘bouwtechnieken’ (TSO). 3.
- Op het einde van het schooljaar beslist de delibererende klas- senraad om aan verzoeker een oriënteringsattest C toe te kennen. Die beslissing is als volgt gemotiveerd: “De leerplandoelstellingen werden onvoldoende bereikt voor volgende vakken: Geschiedenis- Nederlands. Er werden zwakke resultaten behaald voor volgende vakken: Lichamelijke opvoeding. XXXX had een waarschuwing voor Engels en Geschiedenis. XXXX is pas ingestroomd in januari en behaalde onvoldoende de leerplandoelstellingen om het tweede leerjaar van de derde graad aan te vatten. IX-9805-2/31 De klassenraad noemt als belangrijkste oorzaken: De taalbeheersing in het Nederlands als onderwijstaal is ontoereikend om de leerstof te verwerken en/of de lessen voldoende te begrijpen. De inzet van de leerling is onvoldoende. De motivatie is ontoereikend als gevolg van te weinig interesse in de ge- volgde richting. Onvoldoende deelname aan de onderwijsactiviteiten. De geboden kansen tot remediëring waren: Inhaalles. Studiebegeleiding. Gesprek met leerlingbegeleiding. Woordenlijsten voor geschiedenis. Opvolging van de geboden remediëring: De remediëring werd niet benut met als gevolg dat de resultaten zwak of onvoldoende gebleven zijn.” 3.
- Overleg met de directie leidt niet tot een nieuwe bijeenkomst van de klassenraad. 3.
- Op 3 juli 2020 stelt verzoeker beroep in bij het schoolbestuur en op 24 augustus 2020 wordt verzoeker gehoord door de beroepscommissie. 3.
- Op 25 augustus 2020 beslist de beroepscommissie om aan ver- zoeker drie bijkomende proeven op te leggen, namelijk voor bouwtechnieken, geschiedenis en Nederlands. Verzoeker slaagt voor geen enkele bijkomende proef. 3.
- Op 15 september 2020 beslist de beroepscommissie om een C-attest toe te kennen. 3.
- Bij arrest nr. 248.615 van 15 oktober 2020 beveelt de Raad van State de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van 15 september
- 3.
- Op 26 oktober 2020 beslist de beroepscommissie verzoeker andermaal aan bijkomende proeven te onderwerpen voor Nederlands, geschiedenis en bouwtechnieken. IX-9805-3/31 Verzoeker legt deze af op 12 en 13 november
- Hij behaalt de volgende scores: - Nederlands: 40,7% - geschiedenis: 38% - bouwtechnieken: 41,8%. De resultaten voor Nederlands en geschiedenis én de examen- kopijen worden aan verzoeker op 13 november 2020 meegedeeld. De examenkopij van bouwtechnieken wordt hem op 16 november 2020 bezorgd. 3.
- Op 16 november 2020 hoort de beroepscommissie verzoeker en zijn raadsman. Verzoeker vraagt onder meer om “een analyse van de bijkomende proeven door een onafhankelijke derde”. De beroepscommissie geeft verzoeker nog de kans om tegen 18 november 2020 zijn opmerkingen over de bijkomende proef voor bouwtech- nieken te bezorgen. 3.
- Op 20 november 2020 beslist de beroepscommissie om aan verzoeker een C-attest toe te kennen. Die beslissing is als volgt gemotiveerd (voetnoten weggelaten): “De beroepscommissie beraadt zich eerst over de vraag van de leerling om de uitgestelde proeven te laten doorlichten door een expert teneinde vast te stellen of deze beantwoorden aan het beheersingsniveau dat van een leer- ling in 5BOTE kan worden verwacht en of ze correct en redelijk werden verbeterd. Mevr. [B.] legt uit dat de uitgestelde proeven op voorhand werden voor- gelegd aan mevr. [Ch. B.], adjunct-directeur pedagogisch beleid, en als expert op het vlak kwaliteitszorg ook expert op het vlak van realisatie van [leerplandoelen], met de vraag om de betrokken leerkrachten te coachen bij het opstellen van de uitgestelde proeven. Doel van deze coaching was er- voor te zorgen dat de gestelde vragen op het examen in lijn zijn met het ontvangen leerstofoverzicht, het leerplan van Katholiek Onderwijs Vlaanderen en het verwachte beheersingsniveau voor een 3de graad TSO. IX-9805-4/31 Daarnaast werd ook rekening gehouden met de criteria van validiteit, transparantie en betrouwbaarheid van de vragen. Met elk van de betrokken leerkrachten werd fysiek of online overleg ge- organiseerd waarin de examenvragen en verbetersleutel werden doorge- nomen en aangepast waar nodig. De beroepscommissie stelt vast dat, waar de leerling het beheersingsniveau van de proeven betwist en aangeeft dat het lijkt alsof alles eraan wordt gedaan om hem niet te doen slagen, dit beperkt blijft tot een blote bewering die door niets wordt gestaafd. De leerling verduidelijkt ook niet wat hem tot die bewering brengt, en maakt niet concreet waar hij vindt dat de proeven niet zouden beantwoorden aan wat van hem kon worden verlangd. Waar hij de objectiviteit van de leerkrachten in twijfel trekt, maakt hij die opmerking ook op geen enkele wijze concreet. De beroepscommissie stelt vast dat er uitgegaan mag worden van de ob- jectiviteit en deskundigheid van de leerkrachten […]. De leerling slaagt er niet in op overtuigende wijze dit vermoeden te weerleggen, en komt niet verder dan de loutere opmerking ter zitting dat hij de indruk heeft dat de proeven te zwaar waren voor wat mag worden verwacht van een leerling in 5BOTE en dat het erop lijkt alsof de school er alles aan doet om hem niet te doen slagen. Hij heeft ook de kans niet gegrepen om zijn argumenten in een aanvullende nota bijkomend toe te lichten. Uit de stukken van het dossier blijkt ook dat de examens én de verbeter- sleutels wel degelijk voorafgaand aan de proeven werden gecontroleerd door de adjunct-directeur pedagogisch beleid, en waar nodig werden bij- gesteld, zodat ze integraal beantwoorden aan wat van een leerling op dat niveau mag worden verwacht. Er werden ook geen vragen gesteld over leerstof die niet in het leerstofoverzicht was opgenomen, en dat wordt door de leerling ook niet betwist. De beroepscommissie behoudt dan ook het vertrouwen in de betrokken leerkrachten die de proeven hebben opgesteld en de adjunct-directeur pe- dagogisch beleid die de proeven heeft nagekeken en besproken met de leerkrachten en ziet geen reden om de proeven ook nog eens voor te leggen aan een ander expert, nu uit geen enkel concreet gegeven blijkt dat er mogelijk een probleem zou zijn met de voorgelegde proeven. Wat de opmerking betreft dat laattijdig werd geantwoord op de vraag van de vader van de leerling naar het leermateriaal voor het vak geschiedenis, stelt de beroepscommissie vast dat die vraag hoe dan ook erg laat kwam, en in een periode waarin van de leerkrachten niet kon worden verwacht dat ze hun professionele e-mail zouden opvolgen. De vraag werd immers gesteld in een vakantieperiode, en de directie, die wel beschikbaar blijft tijdens vakantieperiodes, werd van die vraag niet ingelicht door de leerling of zijn vader. De commissie stelt bovendien ook vast dat de leerling geen belang heeft bij dit argument, nu hij zelf aangaf ter zitting dat hij wel degelijk over het cursusmateriaal beschikte, omdat hij in de aanloop van de uitgestelde proeven die hij in september reeds aflegde, reeds een kopie van de cursus van een medeleerling had ontvangen. De leerstof geschiedenis verschilt overigens ook niet danig van de leerstof die hij heeft gezien in 5HW. De beroepscommissie is dan ook van oordeel dat niet blijkt dat de leerling niet IX-9805-5/31 over het nodige cursusmateriaal beschikte om zich goed te kunnen voor- bereiden op de uitgestelde proef van geschiedenis. Ten gronde merkt de commissie op dat de leerling pas na de kerstvakantie instroomde in 5BOTE. In het vierde jaar was hij ingeschreven in de richting Economie-Wiskunde. Hij kreeg een B-attest met clausulering voor eco- nomie. Tijdens het eerste trimester van het voorbije schooljaar was hij in- geschreven in het vijfde jaar humane wetenschappen. Zijn resultaten op het einde van dat trimester waren bijzonder zwak en hij eindigde voor acht vakken met een tekort, waaronder ook Geschiedenis (33,6 %) en Neder- lands (39%). De beroepscommissie stelt vast dat de leerling zich na de kerstvakantie in zijn nieuwe studierichting, thans TSO in plaats van ASO, niet heeft herpakt op het vlak van Nederlands en Geschiedenis. Zijn resultaten blijven zeer zwak. De leerling behaalde voor Geschiedenis een zeer zwak resultaat in DW3 (26%) en ook tijdens het eerste trimester scoorde hij zwak voor dit vak (33,6%), weliswaar in de richting 5HW. Voor geschiedenis maakte hij weliswaar twee taken, en die waren goed. Van die taken kan evenwel niet gecontroleerd worden of hij die effectief zelf maakte, zodat de beroeps- commissie van oordeel is dat die taken alleen niet aantonen dat de leerling voldoende vooruitgang heeft gemaakt op het vlak van geschiedenis om thans te stellen dat hij de leerplandoelstellingen in voldoende mate zou hebben behaald. Ook voor Nederlands scoorde hij reeds zwak in het eerste trimester (39%, toen weliswaar nog in het ASO, 5HW) en scoort hij nog steeds zwak in DW3 (46%). Uit die resultaten kan al worden afgeleid dat de leerling het vereiste niveau voor Nederlands niet heeft behaald. De beroepscommissie merkt hierbij nog op dat in de loop van het schooljaar de begeleidende klassenraad de evoluties van de leerling bijhoudt in een ‘individuele fiche’. Een gebrek aan inzet en motivatie in hoofde van verzoeker vormen daarin een rode draad. Doorheen alle periodes wordt genoteerd dat de taalbe- heersing van verzoeker ontoereikend is om de leerstof te verwerken, dat de inzet van verzoeker onvoldoende is, en dat verzoeker onvoldoende moti- vatie toont. Uit de periode van de lock-down kunnen in dat verband ook geen voor de leerling gunstige conclusies worden getrokken: de leerling maakte tijdens die periode voor Nederlands geen enkele taak, en deed aldus ook geen enkele inspanning om de tekorten die hij opgebouwd had, alsnog in te halen en toch te pogen alsnog het vereiste niveau te behalen. Dat verzoeker voor geen van beide vakken de leerplandoelstellingen heeft behaald, wordt tenslotte nogmaals bevestigd door de scores die verzoeker behaalt op de uitgestelde proeven. Verzoeker behaalt voor het examen Geschiedenis slechts 19/50 (38%) en voor het examen Nederlands slechts 46,5/114 (40,7%). Wat het vak bouwtechnieken betreft, stelt de beroepscommissie vast dat verzoeker pas na de kerstvakantie overstapte naar de richting bouwtech- nieken, en op dat ogenblik geen enkele voorkennis had. Er werd naar aanleiding van de instap van verzoeker in de nieuwe studierichting overi- IX-9805-6/31 gens door de vakleerkracht ‘bouwtechnieken’ op 29 december 2019 een e-mail verzonden, met mededeling waar op Smartschool er informatie te vinden is – met de vraag om die tijdens de vakantie alvast door te nemen – en met het aanbod om voor CAD-tekenen op donderdagnamiddag aan te sluiten bij het 3de en 4de jaar van de studierichting. Verzoeker kreeg aldus ook, zoals de andere leerlingen die pas op dat moment instapten in 5BOTE, remediëring aangeboden in de vorm van bijlessen, maar hij nam hier niet aan deel. Over de vraag of hij de leerplandoelstellingen voldoende beheerst die werden aangeboden tijdens het eerste semester, was op het einde van het schooljaar geen informatie voor handen, precies door die late instap van verzoeker en het feit dat hij niet deelnam aan de aangeboden remediëring. Op zijn rapport DW3 voor de lock down, slaagt hij wel voor de toetsen die op dat moment al werden afgenomen en het dagelijks werk dat dan al werd gequoteerd, maar dit gaat over een zeer beperkt gedeelte van de leerstof en is absoluut niet representatief voor de vraag of verzoeker de leerplandoel- stellingen van het vak voldoende heeft behaald, laat staan dat uit zijn prestaties zou kunnen worden afgeleid dat hij voldoende basiskennis heeft verworven om met succes te kunnen overstappen naar het zesde jaar BOTE. Tijdens de lock-down diende de leerling vier taken onderzoek in (één taak ‘overeenkomsten en contracten’ en drie taken ‘prijscalculatie’). Van vijf taken beweert hij dat hij deze wel degelijk maakte maar niet kon indienen omdat het systeem (Capisj) niet functioneerde. Hij legde ter zake na de hoorzitting d.d. 24 augustus 2020 foto’s voor waaruit bleek dat (wellicht) hij op 10 juni 2020 ’s nachts actief was op Capisj. Hij legde ook foto’s voor van ingevulde taken ‘elektriciteit op de bouwwerf’ (3 taken), ‘overeenkomsten en contracten’ (1 taak) en ‘arbeid en vermogen’ (1 taak). Uit deze foto’s (het zijn geen screenshots) van de ingevulde oefeningen blijkt niet wanneer die oefeningen werden gemaakt of door wie dat zou zijn gedaan. Het is dus niet duidelijk of het inderdaad om foto’s gaat die in juni werden genomen van de PC van de leerling, zoals de leerling beweert. Het is evenmin duidelijk of het om foto’s gaat van testen die de leerling zelf en zelfstandig heeft ingevuld, bovendien zonder hulp van buitenaf, dan wel of het beelden zijn die hij van andere leerlingen heeft gekregen. Voorts legt de leerling ook foto’s voor van de surfhistoriek van een PC. De foto’s zijn gemaakt op 24 augustus 2020 rond 17 u. Op deze foto’s is te zien dat vanop de PC waarvan de foto’s zijn gemaakt, op 10 juni 2020 blijkbaar activiteit is geweest op www.capisj.be tussen 1.22 u. en 2.43 u. Er werd kennelijk ook informatie opgezocht via google. De beroepscommissie stelt vast dat er aldus documenten voor liggen waaruit blijkt dat vijf oefeningen toch zouden zijn gemaakt, hoewel het niet duidelijk is of die oefeningen door de leerling zelf zijn gemaakt. Als ze door de leerling zelf werden gemaakt, werden ze bovendien wel rijkelijk laat gemaakt. De opgaven waren reeds veel vroeger doorgegeven, en op 6 mei 2020 herinnerde de leerkracht verzoeker alvast nog aan onder meer de opdrachten 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9, maar verzoeker reageerde niet op die mail. De opdrachten 6 tot en met 9 diende hij daarna klaarblijkelijk wel in, IX-9805-7/31 maar de opdrachten 3, 4 en 5 niet, en die zou hij dan, naar zijn zeggen, in de nacht van 10 juni gemaakt hebben. Slechts vier taken werden dus met zekerheid effectief ingediend. Van 12 taken ligt geen enkel bewijs of zelfs begin van bewijs voor dat de leer- ling die taken effectief maakte en indiende. De leerling betwist ook niet dat hij deze taken niet maakte. De leerling nam ook niet deel aan de live-sessies die voor bouwtechnieken via Smartschool werden georganiseerd tijdens de lock-downperiode. Als reden gaf hij het vroege uur van die sessie op (die gingen door om 11 u. …). Uit de informatie die beschikbaar was op de klassenraad van 30 juni 2020 blijkt dat de leerling alvast op dat moment niet beschikte over een vol- doende kennis van het programma ‘autocad’. Hij beschikte op dat moment bovendien ook niet over voldoende kennis, zowel op bouwkundig als op technisch vlak, om in 6BOTE op zelfstandige basis de GIP te kunnen af- leggen. De lijst met tijdens het schooljaar aangeboden leerplandoelstel- lingen die de leerling op dat ogenblik niet had behaald, was ook zeer lang. De beroepscommissie legde in haar beslissing d.d. 26 oktober 2020 een uitgestelde proef op voor bouwtechnieken om te achterhalen of de con- clusies die reeds kunnen worden getrokken op basis van de informatie zoals die beschikbaar was bij de deliberatie, inderdaad correct waren, gelet op het feit dat er nauwelijks tot geen informatie beschikbaar was over of verzoe- ker ook de competenties beheerst die in het eerste semester al werden aangeboden. De commissie stelt vast dat deze conclusies inderdaad stand houden. Op de uitgestelde proef behaalt de leerling amper 41,8% voor bouwtechnieken. Voor het onderdeel ‘onderzoek en organisatie’ behaalt hij amper 22,5/113 of 19,91%. Op het tweede deel van het examen waar hij twee bouwknopen diende uit te tekenen, scoorde hij weliswaar beter en behaalde hij 55/
- Hoe dan ook blijkt uit de wel zeer slechte score op het eerste deel van het examen dat hij de leerplandoelstellingen op het vlak van onderzoek en organisatie op verre na niet behaalt, en dat de competenties die hij op dit ogenblik reeds beheerst, duidelijk niet volstaan om met succes de richting bouwtechnieken te volgen in het zesde jaar. Hij kent de vakterminologie onvoldoende, en mist teveel basisvaardigheden om met succes het zesde jaar te beëindigen. De beroepscommissie stelt vast dat er op dat punt nochtans voldoende remediëring werd geboden doorheen het jaar: • Vanaf januari werd remediëring aangeboden aan de leerlingen die op dat moment instroomden in 5BOTE, waaronder verzoeker. De leerkracht gaf bijlessen op donderdagnamiddag (vrije dag van de leerlingen 5BOTE) met als doel de toepassingsvaardigheden van deze leerlingen bij te schaven (tekenen met Autocad en ruimtelijk inzicht). Deze remediërende lessen werden aangeboden op het tijdstip waarop de tweede graad bouwtechnie- ken deze vaardigheden inoefenden. De leerlingen van 5BOTE kregen op dat moment dus effectief les. Verzoeker ging niet op dat aanbod in en daagde niet één keer op op deze bijlessen. Andere leerlingen deden dat wel. • De leerling kreeg vanaf zijn aankomst in deze studierichting toegang tot de 2de graad bouwtechnieken via vakken in Smartschool (bouwtechnieken IX-9805-8/31 2019-20, derde en vierde jaar bouwtechnieken). Op dit platform kon hij de leerstof van de tweede graad raadplegen en zijn kennis ter zake zelfstandig bijschaven, wat ook nodig is, want de derde graad bouwt hierop verder. Dhr. K. [M.], leerkracht bouwtechnieken, was beschikbaar om vragen te beantwoorden en toelichting te geven. Dit kon via smartschool (berichten, live-sessies, …) na de lessen, tijdens vrije momenten of tijdens lesmo- menten waarop de koppeling kon worden gemaakt met de huidige leerstof uit de derde graad. Ook hier bleef verzoeker zeer afwezig. • Tijdens de lock-down werden heel wat oefeningen en taken aangeboden, die ook betrekking hadden op deze praktische vaardigheden. De leerling maakte enkel taken waarin naar theoretische kennis werd gepeild. Hij diende niet één praktijkgerichte taak in. Hier ging het onder meer over ta- ken waarbij met de hand moest worden getekend, zoals een elektriciteits- plan van de eigen woning, opbouw van verschillende dekvloertypes, schema hoogspanning. Deze tekeningen moesten via smartschool worden ingediend en niet via Capisj. De leerling diende deze taken nooit in, en er waren in de betrokken periodes zeker geen technische problemen met smartschool. Uit het dossier van de leerling blijkt dan ook duidelijk dat de leerling de leerplandoelstellingen van bouwtechnieken helemaal niet heeft bereikt, en een grote achterstand heeft opgebouwd. Hij behaalt doorheen het jaar aanmerkelijke tekorten voor Geschiedenis en Nederlands, en heeft, zeker voor Nederlands, tijdens de lock-down niet het nodige gedaan om die te- korten in te halen zodat die zijn blijven bestaan. Dat wordt voor zowel Geschiedenis als voor Nederlands nog eens bevestigd door de zwakke re- sultaten van de leerling op de uitgestelde proeven. De beroepscommissie stelt evenwel vast dat de leerling vooral voor bouwtechnieken, wat hét kernvak is in de opleiding bouwtechnieken, een te grote achterstand heeft opgebouwd. Hij miste reeds het onderwijs in de tweede graad en in het eerste semester van de derde graad, en ging niet in op remediëringen die werden aangeboden om de leerling toe te laten vol- doende bij te benen om de derde graad te kunnen afleggen, waardoor hij die achterstand niet inhaalde. Uit zijn prestaties op de uitgestelde proef blijkt dat hij de vakterminologie niet beheerst, en volledig moet afhaken van zodra toepassingen worden bevraagd. Op dat vlak behaalt hij de leer- plandoelstellingen overduidelijk niet, en dat in een richting die nochtans uitgesproken toepassingsgericht is (TSO). Dit alles rechtvaardigt het toekennen van een C-attest. De tekorten die verzoeker behaalt op Nederlands, Geschiedenis en, vooral, bouwtechnie- ken zijn van die aard […] dat niet anders dan vastgesteld kan worden dat hij alle basiskennis mist die nodig is om de derde graad met succes af te ron- den. Waar verzoeker in zijn initiële verzoekschrift al opmerkte dat er niet pro- spectief werd gedelibereerd, merkt de beroepscommissie op dat een deli- beratie in essentie ook niet prospectief maar wel retrospectief is. Eén en ander volgt reeds uit artikel 115/6 Codex secundair onderwijs, dat in zijn eerste paragraaf stelt: IX-9805-9/31 ‘§1 . Leerlingenevaluatie strekt ertoe om, rekening houdend met het pe- dagogisch project van de school, na te gaan of de leerling in voldoende mate de doelstellingen, vastgelegd door of krachtens decreet- of regelge- ving, heeft bereikt of nagestreefd, naargelang van het geval. (…)’ […] Een leerlingenevaluatie strekt er aldus in essentie toe na te gaan of een leerling in het voorbije jaar de leerplandoelstellingen in voldoende mate heeft bereikt. Artikel 38, 1° van het Organisatiebesluit luidt dan weer: ‘Een leerling beëindigt met vrucht: 1° het eerste en tweede leerjaar van de eerste graad, het eerste en tweede leerjaar van de tweede graad en het eerste leerjaar van de derde graad, in- dien hij in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn op- genomen heeft bereikt en aldus bekwaam wordt geacht zijn studies voort te zetten in het volgend leerjaar;’ […] Ook hier is de logica der dingen dus dat éérst wordt nagegaan of de leer- plandoelstellingen van het voorbije jaar in voldoende mate zijn bereikt. Daaruit kan dan in tweede orde volgen dat de leerling ook bekwaam wordt geacht om zijn studies in een volgend jaar verder te zetten. De conclusie van de beroepscommissie is duidelijk, en die conclusie wordt gestaafd door de stukken in het dossier, waaronder de resultaten van ver- zoeker doorheen het schooljaar, en de bevestiging van die resultaten in de eveneens zwakke resultaten die verzoeker behaalde voor de uitgestelde toetsen waarvan is vastgesteld dat ze wel degelijk redelijk en representatief zijn: verzoeker behaalt de leerplandoelstellingen van 5BOTE niet, en die vaststelling [verantwoordt] op zich reeds het toekennen van een C-attest. Nu verzoeker de leerplandoelstellingen van 5BOTE niet behaalt is de vraag of hij desondanks toch kans op slagen heeft in 6BOTE, vervolgens ook helemaal niet meer aan de orde. Ondergeschikt geeft de beroepscommissie mee dat uit de vaststellingen die ze deed ook blijkt dat de achterstand die verzoeker heeft opgelopen in 5BOTE aanzienlijk is en te groot om met succes het zesde jaar BOTE te kunnen aanvatten en afronden. In de nota die verzoeker indiende in de aanloop van de vergadering van de beroepscommissie d.d. 26 oktober 2020 wees verzoeker in dat verband weliswaar op de goede schoolresultaten die hij tot dan zou hebben behaald in 6BOTE. Verzoeker volgde inderdaad tot nu als vrij leerling de lessen in het zesde jaar bouwtechnieken. De beroepscommissie merkt, wat die resultaten betreft, op dat deze dage- lijks werk en kleine testen betreft die tot nu toe werden afgenomen. Ze betreffen bovendien geen nieuwe leerstof maar die eerste toetsen zijn slechts herhaling en opfrissing van leerstof van het vorige schooljaar, en dan ook geenszins representatief voor de leerstof die nog moet komen in het zesde jaar. De behaalde resultaten zijn dan ook allerminst representatief en tonen niet aan dat verzoeker 6BOTE toch zou aankunnen. Zijn scores op de laatste testen over organisatie (23/50) en onderzoek (4/10) waren ove- rigens opnieuw negatief. Het dagelijks werk dat wekelijks wordt geëvalu- eerd voor het onderdeel realisaties, en waarop verzoeker beter scoort (drie maal 6/10 en één maal 7/10 in september; één maal 6/10 en twee maal 5/10 IX-9805-10/31 in oktober), is ook alles behalve representatief voor zijn kennis en kunde op het vlak van bouwtechnieken. Dit betreft werk in het ‘atelier’, lees han- denarbeid (metsen e.d.), maar zegt niets over zijn achtergrondkennis, en het is precies daar dat verzoeker ruimschoots te kort komt. Op de kleine test over vakterminologie en bouwtechnieken die binnen dat onderdeel van het vak reeds werd afgenomen, scoort hij overigens andermaal slecht (3,3/10). Ook wat Nederlands en Geschiedenis betreft, werden tot nu toe enkel testjes afgenomen over zeer beperkte stukken leerstof, zodat ook die cijfers allerminst representatief zijn voor het kennen en kunnen van verzoeker. En voor Nederlands behaalde verzoeker weliswaar 2/2 voor een klein testje – een resultaat dat door zowat de hele klas werd behaald, en dat overigens [geen] inhoudelijke test betrof; de leerlingen kregen het punt toegekend als ze een voorbereiding correct en tijdig indienden – maar op een iets minder kleine, en wel inhoudelijke, test die op 10 werd gequoteerd, slaagt ver- zoeker overigens andermaal niet en behaalt hij slechts 4/
- De resultaten die verzoeker voorlegt van zijn eerste weken in 6BOTE kunnen de beroepscommissie dan ook niet afbrengen van haar conclusie: verzoeker heeft de leerplandoelstellingen van het vijfde jaar BOTE niet behaald, en heeft een achterstand opgebouwd die bovendien te groot is om enige kans op slagen te maken in het zesde jaar BOTE. Wat de andere argumenten betreft die verzoeker in zijn nota d.d. 23 oktober 2020 nog ontwikkelde, verwijst de beroepscommissie naar haar tussenbe- slissing d.d. 26 oktober 2020 waarin ze die argumenten al heeft [weer- legd].” Dat is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min- stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood- zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Ernst van de middelen A. Eerste middel IX-9805-11/31 Uiteenzetting van het middel
- In het eerste middel voert verzoeker “afwending van macht”, een “kennelijke beoordelingsfout” en “machtsoverschrijding” aan. Verzoeker stelt ervan overtuigd te zijn dat de verwerende partij haar bevoegdheid om bijkomende proeven op te leggen heeft gebruikt met het enkele doel om het verzoeker onmogelijk te maken om deze tot een goed einde te brengen. Dat heeft, volgens hem, zijn klasleraar verklaard. Hij geeft toe zich ervan bewust te zijn dit niet te kunnen bewijzen. Verzoeker betoogt echter te kunnen aantonen, dat “minstens twee bijkomende proeven” “zo [waren] opgesteld dat hij hier nooit op had kunnen slagen”. Hij was “hoe langer hoe meer” overtuigd geraakt van de “slechte wil” van de verwerende partij en achtte het nodig “om de bijkomende proeven te laten analyseren door een onafhankelijke derde die met kennis van zaken spreekt”. Daar heeft hij ook bij de beroepscommissie op aangedrongen. Hoewel de beroepscommissie oordeelde dat de interne controle op de bijkomende proeven afdoende was, moet thans volgens verzoeker worden vastgesteld dat hij zich “terecht vragen [stelde] bij de eerlijkheid” van de verwe- rende partij. In dit verband verwijst verzoeker naar twee commentaren van leer- krachten van een andere school waar de studierichting bouwtechnieken wordt aangeboden. Verzoeker verklaart geen enkele band te hebben met die andere school. Uit de ene commentaar leidt verzoeker af dat de bijkomende proef voor geschiedenis “manifest onredelijk” was en dat die proef door geen enkele andere leerling uit een vijfde jaar TSO of zelfs ASO tot een goed einde zou zijn gebracht. IX-9805-12/31 Voor Nederlands meent verzoeker uit de commentaar te kunnen opmaken dat de bijkomende proef geen fair en eerlijk examen was. Voor de bijkomende proef bouwtechnieken is verzoeker er niet in geslaagd een gelijkaardig advies te verkrijgen. Maar de beoordeling van de twee andere proeven straalt volgens verzoeker ook af op de bijkomende proef voor bouwtechnieken. Ook daar bieden de georganiseerde coaching en kwaliteitscon- trole dus geen enkele garantie, aldus verzoeker. Verzoeker voert ook nog aan dat hij de leerkracht geschiedenis om een duidelijk leerstofoverzicht had verzocht, maar dat die “schaamteloos” slechts op de dag van de bijkomende proef heeft geantwoord. Beoordeling
- Er kan slechts sprake zijn van machtsafwending wanneer een bestuursorgaan de bevoegdheid die hem door de wet is verleend met het oog op het bereiken van een bepaald oogmerk van algemeen belang, gebruikt om een ander doel na te streven en wanneer dit ongeoorloofde oogmerk het enige doel is van de betrokken bestuurshandeling. Het uitsluitend nastreven van het ongeoorloofde oogmerk dient te worden aangetoond met voldoende ernstige, welbepaalde en overeenstemmende vermoedens. 7.
- Verzoeker steunt zijn argumentatie dat de verwerende partij met de beslissing tot het opleggen van bijkomende proeven “[a]l van het begin af aan” enkel de bedoeling zou hebben gehad om hem iedere kans op slagen te ontnemen, op één enkele verklaring die hij toeschrijft aan zijn klasleraar. 7.2.
- Vooreerst dient te worden opgemerkt dat verzoeker aanvoert dat het “[a]l van het begin af aan” in de bedoeling van de verwerende partij zou hebben gelegen om hem niet te doen slagen. IX-9805-13/31 Als dat zo zou zijn, dan mocht ook prima facie van verzoeker worden verwacht dat hij dat middel van machtsafwending eveneens van in het begin zou doen gelden, namelijk in de eerste procedure (A. 231.864/IX-9774) die hij voor de Raad van State heeft gevoerd. Het middel lijkt derhalve in die mate onontvankelijk en dus niet ernstig. 7.2.
- Maar zelfs mocht het middelonderdeel ontvankelijk zijn, lijkt het hoe dan ook van iedere ernst ontdaan. Immers, daargelaten of verzoeker het middel van de machtsaf- wending wel nuttig vermag aan te voeren ten aanzien van de thans bestreden be- slissing waarbij hem een C-attest wordt toegekend – hij betrekt de machtsafwen- ding op de beslissing van de beroepscommissie om hem aan bijkomende proeven te onderwerpen – dient te worden vastgesteld dat verzoeker zelf aangeeft zich ervan “bewust” te zijn niet het bewijs ter zake te kunnen leveren. Aldus geeft verzoeker toe de eis van voldoende ernstige, wel- bepaalde en overeenstemmende vermoedens opdat het middel van de machtsaf- wending met succes kan worden aangevoerd, niet te kunnen waarmaken. Ook om die reden lijkt het middelonderdeel de vereiste ernst te missen. 8.
- Verzoeker werd in november voor de tweede maal aan drie bij- komende proeven onderworpen, namelijk voor Nederlands, geschiedenis en bouwtechnieken. Verzoeker behaalde voor die bijkomende proeven de volgende resultaten: Nederlands: 40,7%, geschiedenis: 38% en bouwtechnieken 41,8%. IX-9805-14/31 Het zijn de tekorten voor deze vakken die de beroepscommissie ertoe brengen aan verzoeker een C-attest toe te kennen: “Uit het dossier van de leerling blijkt […] duidelijk dat de leerling de leerplandoelstellingen van bouwtechnieken helemaal niet heeft bereikt, en een grote achterstand heeft opgebouwd. Hij behaalt doorheen het jaar aanmerkelijke tekorten voor Geschiedenis en Nederlands, en heeft, zeker voor Nederlands, tijdens de lock-down niet het nodige gedaan om die te- korten in te halen zodat die zijn blijven bestaan. Dat wordt voor zowel Geschiedenis als voor Nederlands nog eens bevestigd door de zwakke re- sultaten van de leerling op de uitgestelde proeven. De beroepscommissie stelt evenwel vast dat de leerling vooral voor bouwtechnieken, wat hét kernvak is in de opleiding bouwtechnieken, een te grote achterstand heeft opgebouwd. Hij miste reeds het onderwijs in de tweede graad en in het eerste semester van de derde graad, en ging niet in op de remediëringen die werden aangeboden om de leerling toe te laten voldoende bij te benen om de derde graad te kunnen afleggen, waardoor hij die achterstand niet inhaalde. Uit zijn prestaties op de uitgestelde proef blijkt dat hij de vakterminologie niet beheerst, en volledig moet afhaken van zodra toepassingen worden bevraagd. Op dat vlak behaalt hij de leer- plandoelstellingen overduidelijk niet, en dat in een richting die nochtans uitgesproken toepassingsgericht is (TSO). Dit alles rechtvaardigt het toekennen van een C-attest. De tekorten die verzoeker behaalt op Nederlands, Geschiedenis en, vooral, bouwtechnie- ken zijn van die aard […] dat niet anders dan vastgesteld kan worden dat hij alle basiskennis mist die nodig is om de derde graad met succes af te ron- den.” 8.
- Verzoeker betwist voorts in het middel niet de scores waarmee hij voor ieder van deze bijkomende proeven werd bedacht. Evenmin voert hij aan te zijn bevraagd over leerstof die niet op de aan hem bezorgde leerstofoverzichten voorkwam. Hij neemt alleen de “redelijkheid” – lees: de moeilijkheidsgraad – van de proeven voor Nederlands en geschiedenis op de korrel. Over de bijkomende proef bouwtechnieken voert verzoeker die betwisting prima facie alleen zijdelings. Verzoeker verwijst voor zijn kritiek op de proeven voor Neder- lands en geschiedenis naar – wat hij noemt – “adviezen” die hij bekwam van “een onafhankelijke derde die met kennis van zaken de bijkomende proeven kon be- kijken”. Verzoeker heeft gevraagd aan de directeur van een andere onderwijsin- stelling waar dezelfde studierichting als de door hem gevolgde wordt aangeboden, IX-9805-15/31 om zijn bijkomende proeven aan een nader onderzoek te (doen) onderwerpen. Verzoeker noemt de proeven, op basis van commentaren van twee leerkrachten van de laatstgenoemde onderwijsinstelling, “manifest onredelijk”, zelfs “schan- dalig”. 8.
- In dat verband dient voorafgaandelijk te worden opgemerkt dat de Raad van State als wettigheidsrechter bij de beoordeling van de rechtmatigheid van een evaluatiebeslissing over een leerling in het secundair onderwijs, niet in de plaats mag treden van de beroepscommissie, laat staan, zoals in dit geval, van de individuele leerkracht aan wie het toekomt bijkomende proeven op te stellen en deze te beoordelen. Zo mag de Raad, onder meer, niet in de plaats van die leer- kracht oordelen dat bepaalde vragen al dan niet in de bijkomende proef mogen worden opgenomen, noch mag hij de verbetering van die proef overdoen, laat staan op zicht van de behaalde resultaten zich een eigen oordeel vormen over het al dan niet slagen van de betrokken leerling. De Raad van State mag met andere woorden zijn eigen opvattingen daarover niet substitueren aan deze van de beroepscom- missie. Hij mag enkel nagaan of de beroepscommissie, binnen de grenzen van haar ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid, op al die vlakken regelmatig en binnen de grenzen van de redelijkheid kon beslissen en heeft beslist. Daarbij moet de Raad van State bovendien uitgaan van het vermoeden van deskundigheid van de betrokken leerkrachten, wat impliceert dat tot bewijs van het tegendeel moet worden aangenomen dat de examenvragen van de bijkomende proeven door de betrokken leerkrachten op een zorgvuldige wijze zijn opgesteld, bijvoorbeeld doordat ze relevant en pertinent zijn voor de uitein- delijke doelstelling, namelijk de beoordeling of de leerling in voldoende mate de leerplandoelstellingen heeft bereikt of niet. 8.
- Hoewel de betrokken leerkrachten Nederlands en geschiedenis van de door verzoeker aangezochte onderwijsinstelling erg forse bewoordingen gebruiken om de bijkomende proeven van verzoeker te becommentariëren, lijken die commentaren te moeten worden gerelativeerd. Immers, naar aanleiding van het IX-9805-16/31 bezorgen ervan aan de raadsman van verzoeker, deelt de technisch directeur van dezelfde onderwijsinstelling mee dat het “[o]ndanks de geformuleerde argumenten […] heel moeilijk [is] om een toets, examen of vakantietaak van een andere school te beoordelen omdat de context, het gevolgde handboek, cursusmaterieel enz … onbekend is”. Die toelichting van de directeur kan, precies gelet op het gebruik van het woord “ondanks”, op het eerste gezicht niets anders betekenen dan dat de betrokken technisch directeur er zelf van overtuigd is dat het – zoals hij het om- schrijft – “vrij sterk geformuleerd antwoord” niets afdoet aan zijn overtuiging dat de beoordeling van examens van andere scholen “heel moeilijk” is, precies omdat ieder kader ontbreekt opdat die beoordeling steek zou kunnen houden. Anders dan verzoeker het ziet, maakt de toelichting van de directeur de commentaren van de beide leerkrachten niet “krachtiger”, ze lijkt deze eerder te ondergraven. In die omstandigheden en in de huidige stand van de procedure lijkt verzoeker met de aangevoerde kritiek derhalve niet het vermoeden van des- kundigheid, dat kleeft aan de leerkrachten die zich hebben gekweten van het op- stellen en verbeteren van de betrokken proeven, te kunnen ontkrachten. 8.
- In die mate is het middel ook niet ernstig. 9.
- Verzoeker lijkt niet rechtstreeks kritiek te leveren op de bijko- mende proef voor bouwtechnieken. Hij is van oordeel dat uit zijn bevindingen omtrent de twee andere bijkomende proeven blijkt dat de “intensieve coaching” en “grondige kwaliteitscontrole” die de verwerende partij zou hebben uitgevoerd over die proeven, “niet de minste garantie” bieden voor de proef van bouwtechnieken. Gelet op wat voorafgaat, lijkt verzoeker voor deze kritiek te vertrekken van een verkeerde premisse. 9.
- Ook in die mate is het middel evenmin ernstig. IX-9805-17/31 10.
- Volgens verzoeker heeft hij ook nog een “schaamteloos ant- woord” ontvangen van zijn leraar geschiedenis naar aanleiding van zijn vraag om voor de betrokken bijkomende proef een leerstofoverzicht te krijgen. Hoe dat voorval de wettigheid van de bestreden beslissing in het gedrang zou moeten brengen, lijkt verzoeker niet te verduidelijken en is evenmin evident zichtbaar. Alleszins voert hij, zoals al aangegeven, op het eerste gezicht niet aan dat hij het zonder leerstofoverzicht heeft moeten stellen, noch dat hem een en ander niet tijdig zou zijn meegedeeld. 10.
- Mocht dat laatste toch de strekking zijn van verzoekers betoog, dan moet hem prima facie worden tegengeworpen dat hem al met een e-mail van 26 oktober 2020 door de voorzitter van de beroepscommissie was meegedeeld dat “[d]e leerstofoverzichten […] dezelfde [waren] als deze die [hem] na de vorige tussentijdse beslissing van de beroepscommissie werden bezorgd”. Met andere woorden, verzoeker lijkt te moeten worden geacht al sinds eind augustus kennis te hebben gehad van dat leerstofoverzicht van geschiedenis. 10.
- Overigens is in de bestreden beslissing ook aandacht besteed aan deze kritiek van verzoeker. Er is op geantwoord dat “die vraag hoe dan ook erg laat kwam, en in een periode waarin van de leerkrachten niet kon worden verwacht dat ze hun professionele e-mail zouden opvolgen”, namelijk “in een vakantieperiode”. Bovendien heeft de beroepscommissie vastgesteld dat verzoeker tijdens de hoor- zitting heeft aangegeven dat hij “wel degelijk over het cursusmateriaal beschikte”, zodat hij “zich goed [kon] voorbereiden op de uitgestelde proef”. Deze motieven waarmee zijn grief wordt weerlegd, bekritiseert verzoeker dan weer niet. 10.
- In die mate is het middel dus hoe dan ook niet ernstig.
- Het middel is in zijn geheel niet ernstig. IX-9805-18/31 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- In het tweede middel voert verzoeker de schending aan van de “motivatieplicht conform de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen” (hierna: de formelemotiveringswet). Verzoeker benadrukt dat zijn raadsman aan de beroepscommis- sie expliciet heeft gevraagd om een analyse van de bijkomende proeven door een onafhankelijke derde. De beroepscommissie is daarop niet ingegaan en heeft dit als volgt gemotiveerd: “de uitgestelde proeven [werden] op voorhand […] voorgelegd aan mevr. [Ch. B.], adjunct-directeur pedagogisch beleid, en als expert op het vlak kwaliteitszorg ook expert op het vlak van realisatie van [leerplandoelen], met de vraag om de betrokken leerkrachten te coachen bij het opstellen van de uitgestelde proeven. Doel van deze coaching was ervoor te zorgen dat de gestelde vragen op het examen in lijn zijn met het ontvangen leerstof- overzicht, het leerplan van Katholiek Onderwijs Vlaanderen en het ver- wachte beheersingsniveau voor een 3de graad TSO. Daarnaast werd ook rekening gehouden met de criteria van validiteit, transparantie en be- trouwbaarheid van de vragen.” Zij had echter, volgens verzoeker, die weigering uitdrukkelijk moeten motiveren. Wat verzoeker leest als motief tot weigering acht hij niet af- doende. Daarmee doet de beroepscommissie volgens hem niet meer dan “haar eigen standpunt […] valideren”. Overigens blijkt uit de bijgebrachte “adviezen” dat er “werkelijk nood was aan een objectieve blik van een onafhankelijke derde”. IX-9805-19/31 Beoordeling 13.
- Luidens artikel 2 van de formelemotiveringswet moet de be- roepscommissie haar beslissing uitdrukkelijk motiveren. Krachtens artikel 3 van die wet moet de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en moet zij afdoende zijn. De formele motivering dient de bestuurde redelijkerwijze in staat te stellen te begrijpen op grond van welke feite- lijke en juridische gegevens de beslissing is genomen en aldus met kennis van zaken eventueel tegen deze beslissing in rechte op te treden. 13.
- Verzoeker stelt in zijn verzoekschrift dat hij de beroepscom- missie “expliciet” heeft gevraagd “naar een analyse van de bijkomende proeven door een onafhankelijke derde”. Ook in de bestreden beslissing wordt daaraan gerefereerd, na- melijk waar de beroepscommissie zich “eerst [beraadt] over de vraag van de leer- ling om de uitgestelde proeven te laten doorlichten door een expert teneinde vast te stellen of deze beantwoorden aan het beheersingsniveau dat van een leerling in 5BOTE kan worden verwacht en of ze correct en redelijk werden verbeterd”. 13.
- Die vraag, waarvan op het eerste gezicht niet blijkt dat verzoeker die met bepaald gewichtige en onderbouwde kritieken of argumenten aan de be- roepscommissie heeft voorgelegd, lijkt in de bestreden beslissing ook een ant- woord te hebben gekregen. Dat erkent verzoeker prima facie ook. Hij vindt de veruitwen- digde motivering echter niet afdoende. 13.
- Met de verwerende partij moet op het eerste gezicht worden vastgesteld dat verzoeker wel erg selectief citeert uit de bestreden beslissing. IX-9805-20/31 Over de niet nader beargumenteerde vraag van verzoeker heeft de beroepscommissie als volgt beslist (voetnoot weggelaten): “Mevr. [B.] legt uit dat de uitgestelde proeven op voorhand werden voor- gelegd aan mevr. [Ch. B.], adjunct-directeur pedagogisch beleid, en als expert op het vlak kwaliteitszorg ook expert op het vlak van realisatie van [leerplandoelen], met de vraag om de betrokken leerkrachten te coachen bij het opstellen van de uitgestelde proeven. Doel van deze coaching was er- voor te zorgen dat de gestelde vragen op het examen in lijn zijn met het ontvangen leerstofoverzicht, het leerplan van Katholiek Onderwijs Vlaanderen en het verwachte beheersingsniveau voor een 3de graad TSO. Daarnaast werd ook rekening gehouden met de criteria van validiteit, transparantie en betrouwbaarheid van de vragen. Met elk van de betrokken leerkrachten werd fysiek of online overleg ge- organiseerd waarin de examenvragen en verbetersleutel werden doorge- nomen en aangepast waar nodig. De beroepscommissie stelt vast dat, waar de leerling het beheersingsniveau van de proeven betwist en aangeeft dat het lijkt alsof alles eraan wordt gedaan om hem niet te doen slagen, dit beperkt blijft tot een blote bewering die door niets wordt gestaafd. De leerling verduidelijkt ook niet wat hem tot die bewering brengt, en maakt niet concreet waar hij vindt dat de proeven niet zouden beantwoorden aan wat van hem kon worden verlangd. Waar hij de objectiviteit van de leerkrachten in twijfel trekt, maakt hij die opmerking ook op geen enkele wijze concreet. De beroepscommissie stelt vast dat er uitgegaan mag worden van de ob- jectiviteit en deskundigheid van de leerkrachten […]. De leerling slaagt er niet in op overtuigende wijze dit vermoeden te weerleggen, en komt niet verder dan de loutere opmerking ter zitting dat hij de indruk heeft dat de proeven te zwaar waren voor wat mag worden verwacht van een leerling in 5BOTE en dat het erop lijkt alsof de school er alles aan doet om hem niet te doen slagen. Hij heeft ook de kans niet gegrepen om zijn argumenten in een aanvullende nota bijkomend toe te lichten. Uit de stukken van het dossier blijkt ook dat de examens én de verbeter- sleutels wel degelijk voorafgaand aan de proeven werden gecontroleerd door de adjunct-directeur pedagogisch beleid, en waar nodig werden bij- gesteld, zodat ze integraal beantwoorden aan wat van een leerling op dat niveau mag worden verwacht. Er werden ook geen vragen gesteld over leerstof die niet in het leerstofoverzicht was opgenomen, en dat wordt door de leerling ook niet betwist. De beroepscommissie behoudt dan ook het vertrouwen in de betrokken leerkrachten die de proeven hebben opgesteld en de adjunct-directeur pe- dagogisch beleid die de proeven heeft nagekeken en besproken met de leerkrachten en ziet geen reden om de proeven ook nog eens voor te leggen aan een ander expert, nu uit geen enkel concreet gegeven blijkt dat er mogelijk een probleem zou zijn met de voorgelegde proeven.” IX-9805-21/31 13.
- Daaruit kon verzoeker op het eerste gezicht wel degelijk ver- nemen dat de beroepscommissie niet is ingegaan op zijn vraag, omdat hij zich volgens de commissie beperkt had tot niet nader onderbouwde beweringen en er aldus niet in slaagde het vertrouwen in de leerkrachten en de omstandige interne controle op de bijkomende proeven aan het wankelen te brengen. In het licht van wat voorlag bij de beroepscommissie, lijkt die motivering prima facie afdoende. 13.
- Verzoeker betoogt nog dat uit de commentaren die hij nadien wist te verzamelen over de bijkomende proeven Nederlands en geschiedenis, blijkt dat er “werkelijk nood was aan een objectieve blik van een onafhankelijke derde”. Om de redenen uiteengezet bij de bespreking van het eerste middel, kan verzoeker ook op dat vlak niet worden bijgevallen. Maar alleszins kan de beroepscommissie evident niet verweten worden met die commentaren, die dateren van na de bestreden beslissing, geen rekening te hebben gehouden.
- Het middel is niet ernstig. IX-9805-22/31 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- In het derde middel voert verzoeker de schending aan van al- gemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder van het zorgvuldig- heidsbeginsel, het onpartijdigheids- en onafhankelijkheidsbeginsel, en het rede- lijkheidsbeginsel. Volgens verzoeker heeft de verwerende partij vooreerst de “zorgvuldigheidsplicht” geschonden “[d]oor de vraag naar een onpartijdige me- ning […] zonder meer af te wimpelen”. De beroepscommissie heeft deze vraag niet de nodige aandacht gegeven. Dat blijkt, naar hij betoogt, uit de twee “voorgelegde adviezen”. Voorts acht verzoeker het onpartijdigheids- en onafhankelijk- heidsbeginsel geschonden. Volgens hem blijkt duidelijk dat de directeur die in de beroepscommissie zetelde, “standpunt [inneemt] in deze kwestie en vertrouwt op het oordeel van haar collega-directielid”. De beslissing van de beroepscommissie is duidelijk op dat standpunt gestoeld en dat standpunt blijkt naderhand – steeds volgens de door verzoeker bijgebrachte “adviezen” – “niet juist”. Ten slotte is verzoeker van oordeel dat het redelijkheidsbeginsel geschonden is, omdat uit de “voorgelegde adviezen” blijkt dat “geen enkele andere school examens zou geven zoals deze die aan verzoeker gegeven werden”. Beoordeling 16.
- Uit de beoordeling van het eerste en het tweede middel blijkt op het eerste gezicht, dat verzoeker ook in het derde middel tevergeefs aanvoert dat de beroepscommissie de op haar rustende zorgvuldigheidsplicht zou hebben ge- IX-9805-23/31 schonden door de vraag van verzoeker “naar een analyse van de bijkomende proeven door een onafhankelijke derde” niet in te willigen. 16.
- In die mate is het middel niet ernstig. 17.
- Om de mogelijke schending van het redelijkheidsbeginsel aan te tonen, lijkt verzoeker steun te zoeken in de voormelde commentaren van twee externe leerkrachten. Bij de beoordeling van het eerste middel is reeds gebleken dat deze commentaren niet van aard zijn het vermoeden van deskundigheid, dat kleeft aan de leerkrachten die zich hebben gekweten van het opstellen en verbe- teren van de betrokken proeven, te ontkrachten. 17.
- Ook in die mate is het middel dus niet ernstig. 18.
- Wat de aangevoerde schending van het onpartijdigheids- en onafhankelijkheidsbeginsel betreft, lijkt verzoeker er voorts een probleem mee te hebben dat de directeur zich bij de beraadslaging van de beroepscommissie achter de toelichtingen van collega’s over de validiteit van de bijkomende proeven heeft geschaard. 18.
- Aan de directeur kan op het eerste gezicht bezwaarlijk worden verweten dat zij bij de beraadslaging van de beroepscommissie waarvan zij deel uitmaakt, een standpunt inneemt. Dat is haar decretale opdracht én haar recht. De voorzitter van de delibererende klassenraad beschikt als lid van de beroepscom- missie immers over stemrecht in die commissie. 18.
- Als verzoeker bedoelt dat de directeur in zo een beroepscom- missie onvoldoende onafhankelijk en onpartijdig kan ageren tegenover haar col- lega’s en leden van het lerarenkorps, dan moet hem worden tegengeworpen dat de toepasselijke regelgeving zelf uitdrukkelijk voorschrijft dat de directeur, als voorzitter van de delibererende klassenraad, deel uitmaakt van de beroepscom- IX-9805-24/31 missie overeenkomstig artikel 123/17, § 2, eerste lid, 2°, van de Codex Secundair Onderwijs. Alsdan moet het middel van verzoeker begrepen worden als een kritiek op het decreet. Een dergelijke kritiek is onontvankelijk. 18.
- In die mate faalt het middel hoe dan ook.
- Het middel in zijn geheel is niet ernstig. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- In een vierde middel maakt verzoeker gewag van een “misken- ning van de maatregelen met betrekking tot de coronapandemie en/of machts- overschrijding”. Verzoeker voert aan dat in de “maatregelen en adviezen” van het “Vlaamse ministerie van Onderwijs” en de onderwijskoepels is gevraagd aan de scholen om, bijvoorbeeld, bij de evaluatie van leerlingen een “grotere flexibiliteit” aan de dag te leggen en aan leerlingen de kans te geven zich te bewijzen middels “extra stages, herexamens, taken etc.” tijdens de zomerperiode. Volgens verzoeker heeft de verwerende partij zich niet aan die maatregelen of adviezen gehouden. Zij verzaakte integendeel aan haar “remedië- ringsplicht”, terwijl zij verzoeker, die instroomde uit een “volledig andere rich- ting”, juist de “nodige hulp” had moeten bieden. Er werd ook “nieuwe leerstof” aangeboden “tijdens de pande- mie”, wat volgens verzoeker indruist tegen de adviezen van het “Vlaamse minis- IX-9805-25/31 terie van Onderwijs” en de onderwijskoepel “Katholiek Onderwijs Vlaanderen” waarvan de verwerende partij deel uitmaakt. Verzoeker benadrukt dat de verwerende partij “net het omge- keerde” heeft gedaan, onder meer doordat hij “slechts 1 week [had] om de jaar- leerstof van 1 jaar voor drie vakken te studeren”. Verzoeker noemt dit “onrede- lijk”; hij is van oordeel dat dit “duidelijk het doel [had] om verzoeker nogmaals te kunnen brengen tot tekorten”. Volgens verzoeker waren de bijkomende proeven van november dan weer “dermate moeilijk en onduidelijk dat verzoeker er in geen geval op [kon] slagen”. Verzoeker stelt nog de vraag of “het nogmaals opleggen van bijkomende proeven redelijk was”. Hij betoogt dat “[v]erscheidene medestudenten zijn doorgelaten met gelijkaardige resultaten in juni 2020, verzoeker niet”. Ten slotte wijst verzoeker erop dat hij intussen de lessen heeft gevolgd in het zesde jaar, dat hij daar “steeds goede resultaten voor elk vak” heeft behaald en dat het onredelijk was om hem “voor een tweede maal bijkomende proeven op te leggen”. Beoordeling 21.
- De grieven van verzoeker in verband met de eerste reeks bij- komende proeven zijn intussen achterhaald. Hij heeft in dat verband de schorsing van de tenuitvoerlegging van de eerdere beslissing van de beroepscommissie be- komen. De beroepscommissie heeft daarop besloten nieuwe proeven te organise- ren, dit keer met een voorbereidingstijd waarin verzoeker zich klaarblijkelijk kon vinden. Hij heeft daartegen alvast geen middel geformuleerd. 21.
- In die mate is het middel dus niet ernstig. IX-9805-26/31 22.
- Waar verzoeker vervolgens betoogt dat de verwerende partij aan haar “remediëringsplicht” heeft verzaakt door hem niet de “nodige hulp” te bieden om “zijn technische achterstand in te halen”, dient op het eerste gezicht vastgesteld te worden dat verzoeker geen enkele toelichting verstrekt over wat volgens hem die “nodige hulp” precies zou moeten inhouden. Evenmin lijkt verzoeker concrete elementen aan te leveren op basis waarvan de Raad van State zijn grief zou kunnen beoordelen. Het is echter niet aan de Raad van State om in de plaats van verzoeker het middel te redigeren of nader te ontwikkelen, en ook niet om zelf en in de plaats van verzoeker op onderzoek uit te gaan. Nog daargelaten dus of verzoeker dit middel hoe dan ook nuttig vermag aan te voeren, in acht genomen de vaste rechtspraak van de Raad van State dat een bewezen gebrek aan remediëring hoogstens betekent dat de school (mede) schuld draagt aan het minder gunstige eindresultaat van de leerling, maar niet dat dit resultaat daardoor gunstiger wordt, zodat niet dadelijk valt in te zien hoe die eventuele tekortkoming in de begeleiding tijdens het schooljaar ertoe moet leiden het uiteindelijke resultaat als beter te evalueren dan wat er is geleverd – is het middel wat dit punt betreft, onontvankelijk en dus niet ernstig. 22.2.
- De beroepscommissie is in de bestreden beslissing daarenboven uitvoerig ingegaan op de aan verzoeker aangeboden remediëring voor het vak bouwtechnieken. De commissie heeft vastgesteld dat “[v]anaf januari […] reme- diëring [werd] aangeboden aan de leerlingen die op dat moment instroomden in 5BOTE, waaronder verzoeker”, dat “[d]e leerkracht […] bijlessen [gaf] op don- derdagnamiddag”, dat dit samenviel met het inoefenen van de vaardigheden door de leerlingen van de tweede graad, dat verzoeker “niet [inging] op dat aanbod” en daarvoor nooit is opgedaagd, dat verzoeker bij zijn instroom in de studierichting ‘bouwtechnieken’ toegang kreeg tot een platform met de leerstof van het vak bouwtechnieken van de tweede graad, dat de leerkracht steeds bereikbaar was voor IX-9805-27/31 vragen daaromtrent, dat ook tijdens de lockdown heel wat oefeningen en taken bedoeld waren om de praktische vaardigheden te trainen en dat verzoeker niet één zo een praktijkgerichte taak heeft ingediend. Deze vaststellingen worden door verzoeker nergens weerspro- ken. 22.2.
- Het middel is dus alleszins ook om die reden niet ernstig. 23.
- Verzoeker bekritiseert echter wel het feit dat de verwerende partij ook “tijdens [de] pandemie” “nieuwe leerstof” heeft aangeboden. Hij laat prima facie evenwel na duidelijk te maken welke rechtsregel de school daardoor met de voeten zou hebben getreden. Verzoeker verwijst wel naar de adviezen van het “Vlaamse mi- nisterie van Onderwijs” en de onderwijskoepel “Katholiek Onderwijs Vlaanderen” waarvan de verwerende partij deel uitmaakt. Dergelijke “adviezen” hebben echter niet het statuut van een bindende rechtsregel. Verzoeker lijkt dan ook niet met nuttig gevolg de schending hiervan te kunnen aanvoeren in een jurisdictionele procedure. 23.
- In die mate is het middel evenmin ernstig.
- Verzoeker voert ook aan dat de bijkomende proeven “dermate moeilijk en onduidelijk” waren dat hij er “in geen geval op [kon] slagen”. Zoals bij de bespreking van het eerste middel is vastgesteld, heeft hij daarvan geen overtuigend bewijs geleverd. Die vaststelling volstaat om dit middel ook in die mate als niet ernstig te beschouwen. IX-9805-28/31 25.
- Verzoeker stelt ook de vraag “of het nogmaals opleggen van bijkomende proeven redelijk was”, maar hij laat op het eerste gezicht opnieuw na die vraag tot de noodzakelijke ontwikkeling te brengen. Verzoeker beweert weliswaar dat “[v]erscheidene medestuden- ten zijn doorgelaten met gelijkaardige resultaten in juni 2020”, maar hij niet. Hiermee lijkt verzoeker op het eerste gezicht te wijzen op een schending van het gelijkheidsbeginsel. Dat andere leerlingen – verzoeker laat na nader te specificeren wélke leerlingen – met gelijkaardige cijfers wél werden gedelibereerd, wijst prima facie niet op een ongeoorloofde ongelijke behandeling. Het valt aan verzoeker toe om een eventuele ongelijke behandeling te concretiseren, wat hij niet doet. Het komt er voor verzoeker op aan om aan de Raad van State voor te leggen om welke leerlingen het gaat, aannemelijk te maken dat die leerlingen in een voldoende vergelijkbare situatie zouden zijn geplaatst als verzoeker en minimale aanwijzin- gen te verschaffen dat hij aan een andere beoordelingsmaatstaf is onderworpen dan de andere leerlingen zonder dat daarvoor een deugdelijke verantwoording bestaat. 25.
- Nu verzoeker op dat vlak tekort lijkt te schieten, moet het middel ook in die mate als niet ernstig worden afgedaan.
- Ten slotte benadrukt verzoeker dat hij intussen de lessen in het tweede jaar van de derde graad volgt en dit “met vrucht”. Verzoeker verwijst daarvoor naar de “steeds goede resultaten voor elk vak”. Hij vindt het dan “onre- delijk” om hem toch een tweede maal aan bijkomende proeven te onderwerpen. Verzoeker heeft die opmerking ook in zijn nota voor de hoorzit- ting van de beroepscommissie van 16 november 2020 doen gelden. De beroepscommissie heeft daarop als volgt geantwoord: IX-9805-29/31 “De beroepscommissie merkt, wat die resultaten betreft, op dat deze da- gelijks werk en kleine testen betreft die tot nu toe werden afgenomen. Ze betreffen bovendien geen nieuwe leerstof maar die eerste toetsen zijn slechts herhaling en opfrissing van leerstof van het vorige schooljaar, en dan ook geenszins representatief voor de leerstof die nog moet komen in het zesde jaar. De behaalde resultaten zijn dan ook allerminst representatief en tonen niet aan dat verzoeker 6BOTE toch zou aankunnen. Zijn scores op de laatste testen over organisatie (23/50) en onderzoek (4/10) waren ove- rigens opnieuw negatief. Het dagelijks werk dat wekelijks wordt geëvalu- eerd voor het onderdeel realisaties, en waarop verzoeker beter scoort (drie maal 6/10 en één maal 7/10 in september; één maal 6/10 en twee maal 5/10 in oktober), is ook alles behalve representatief voor zijn kennis en kunde op het vlak van bouwtechnieken. Dit betreft werk in het ‘atelier’, lees han- denarbeid (metsen e.d.), maar zegt niets over zijn achtergrondkennis, en het is precies daar dat verzoeker ruimschoots te kort komt. Op de kleine test over vakterminologie en bouwtechnieken die binnen dat onderdeel van het vak reeds werd afgenomen, scoort hij overigens andermaal slecht (3,3/10). Ook wat Nederlands en Geschiedenis betreft, werden tot nu toe enkel testjes afgenomen over zeer beperkte stukken leerstof, zodat ook die cijfers allerminst representatief zijn voor het kennen en kunnen van verzoeker. En voor Nederlands behaalde verzoeker weliswaar 2/2 voor een klein testje – een resultaat dat door zowat de hele klas werd behaald, en dat overigens [geen] inhoudelijke test betrof; de leerlingen kregen het punt toegekend als ze een voorbereiding correct en tijdig indienden – maar op een iets minder kleine, en wel inhoudelijke, test die op 10 werd gequoteerd, slaagt ver- zoeker overigens andermaal niet en behaalt hij slechts 4/
- De resultaten die verzoeker voorlegt van zijn eerste weken in 6BOTE kunnen de beroepscommissie dan ook niet afbrengen van haar conclusie: verzoeker heeft de leerplandoelstellingen van het vijfde jaar BOTE niet behaald, en heeft een achterstand opgebouwd die bovendien te groot is om enige kans op slagen te maken in het zesde jaar BOTE.” Verzoeker weerspreekt in zijn verzoekschrift ook dat oordeel van de beroepscommissie niet. Dan kan ook de Raad van State niet anders dan het middel in die mate als niet ernstig afdoen.
- Het middel is in zijn geheel niet ernstig
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die IX-9805-30/31 cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst drin- gende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien december tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Bruno Seutin IX-9805-31/31 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.231 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.399 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.