id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.251 Rolnummer: A. 228271/IX-9561 Zaak: Arrest 249251 - Media - 16/12/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-12-22 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-20 01:51 Fiche Arrest nr 249.251 van 16 december 2020 Onderwijs en cultuur - Media Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 249.251 van 16 december 2020 in de zaak A. 228.271/IX-9561 In zake: de BVBA FM PROMOTION bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Butenaerts kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 3 juni 2019, strekt tot de nietigverkla- ring van het ministerieel besluit van 5 april 2019 „houdende de erkenning als lo- kale radio omroeporganisatie van radiozender lokale radio Maaseik voor Fre- quentiepakket 40 Bree [105.9 FM]; Kinrooi [105.1 FM]; Maaseik [107.6 FM]‟, “en bijgevolg de niet-erkenning van de bvba FM Promotion”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-9561-1/21 Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laat- ste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 december 2020. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Tanju Turkeli, die loco advocaat Stijn Butenaerts verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 21 april 2017 neemt de Vlaamse regering het besluit „hou- dende bepaling van het aantal particuliere landelijke, regionale, netwerk- en loka- le radio-omroeporganisaties dat kan worden erkend en houdende de opstelling van het frequentieplan en de vaststelling van de frequentiepakketten die ter be- schikking worden gesteld van de particuliere landelijke, regionale, netwerk- en lokale radio-omroeporganisaties‟ (“frequentiebesluit 2017”). IX-9561-2/21 3.2. Op 16 mei 2017 verschijnt in het Belgisch Staatsblad een op- roep tot kandidaatstelling voor erkenning als lokale radio-omroeporganisatie. Met het besluit van 1 december 2017 verleent de Vlaamse mi- nister , bevoegd voor de media, aan radiozender lokale radio Maaseik een erken- ning als lokale radio-omroeporganisatie voor frequentiepakket 40 (Bree [105.9 FM]; Kinrooi [105.1] en Maaseik [107.6]). Ook verzoekster was kandidaat voor deze erkenning; er waren geen andere kandidaten. 3.3. Bij arrest nr. 242.804 van 25 oktober 2018 vernietigt de Raad van State het frequentiebesluit 2017. Op 29 maart 2019 neemt de Vlaamse regering een nieuw be- sluit „houdende bepaling van het aantal particuliere landelijke, regionale, net- werk- en lokale radio-omroeporganisaties dat kan worden erkend en houdende de opstelling van het frequentieplan en de vaststelling van de frequentiepakketten die ter beschikking worden gesteld van de particuliere landelijke, regionale, net- werk- en lokale radio-omroeporganisaties‟ (“frequentiebesluit 2019”). Dat besluit wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 4 april 2019 en treedt die- zelfde dag in werking. 3.4. Bij besluit van 5 april 2019 wordt het voormeld ministerieel besluit van 1 december 2017 opgeheven omdat het, aldus is te lezen in de consi- derans van het opheffingsbesluit, “aangewezen is het besluit dat niet meer over de vereiste rechtsgrond beschikt uit de rechtsorde te verwijderen”. Bij arrest nr. 244.812 van 18 juni 2019 wordt het alsnog vernietigd. 3.5. Bij een ander ministerieel besluit van 5 april 2019 wordt radio- zender lokale radio Maaseik opnieuw erkend als lokale radio-omroeporganisatie voor frequentiepakket 40. IX-9561-3/21 Dat is het thans bestreden besluit. Het steunt onder meer op de volgende overwegingen: “Overwegende dat het besluit van 29 maart 2019 onder meer de frequen- tiegegevens uit het besluit van 21 april 2017 herneemt en dat er zich geen wijzigingen hebben voorgedaan in de feitelijke frequenties waarvoor de kandidaat-omroepen destijds hebben gekandideerd, waardoor deze kandi- daatstellingen zelf aldus overeind blijven; Overwegende dat de motivering van het vernietigingsarrest nr. 242.804 van 25 oktober 2018 vreemd is aan de beoordeling van een kandidatuur en vreemd is aan de erkenning van kandidaten na de vergelijking van kandi- daturen; Overwegende dat het besluit van de Vlaamse Regering van 29 maart 2019 niet inhoudt dat de ingediende en reeds beoordeelde dossiers van de kan- didaat radio-omroeporganisaties op enige wijze hun relevantie zouden verloren hebben; dat aldus het nieuwe frequentiebesluit geen aanleiding geeft tot een wijziging in de ingediende kandidaatstellingsdossiers; Overwegende dat het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbegin- sel impliceren dat een erkende radio-omroep er mag op rekenen dat een individueel besluit hem de daarin vermelde rechten verstrekt; dat de ver- nietiging van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2017 bij het arrest nr. 242.804 van 25 oktober 2018 vreemd is aan het kandidaats- dossier van de radio-omroeporganisatie die een erkenning bekomen heeft; Overwegende dat het besluit van 1 december 2017 houdende de erkenning als lokale radio-omroeporganisatie van Lokale Radio Maaseik bij besluit van 5 april 2019 is opgeheven; Overwegende dat het motief voor deze opheffing vreemd is aan de verge- lijking van de kandidaatsdossiers; dat de frequentiegegevens hier niet zijn gewijzigd; dat het nieuwe frequentiebesluit op geen enkele wijze zou im- pliceren dat kandidaatsdossiers enig ander en nieuw element zou moeten bevatten; overwegende dat bijgevolg opnieuw geoordeeld kan worden krachtens de vergelijking van de kandidaatsdossiers die is doorgevoerd onder de vigeur van het vernietigde frequentiebesluit; Overwegende de beoordeling van de aanvragen op basis van de werkwijze die is opgenomen in de bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd en overwe- gende dat aan elke aanvraag op basis van de werkwijze een score werd toegekend op basis van de motivering die is opgenomen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd; Overwegende dat de kandidaat, vermeld in artikel 1, de hoogste totaalsco- re behaalde.” De totaalscore van de beide kandidaten is in bijlage 2 bij het besluit als volgt vastgesteld: - lokale radio Maaseik 84,89/100, - verzoekster 70,38/100. IX-9561-4/21 IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie 4. De verwerende partij werpt op dat het beroep niet ontvankelijk is in de mate ermee de nietigverklaring wordt gevorderd van de impliciete weige- ring om verzoekster te erkennen. Beoordeling 5. Verzoekster vordert de nietigverklaring van zowel het ministe- rieel erkenningsbesluit als van de daaruit impliciet blijkende weigering om het voordeel van de erkenning aan haar te verlenen. Zo op beroep van verzoekster het eerste voorwerp met huidig arrest uit de rechtsordening wordt verwijderd, dan verdwijnt daardoor meteen ook de weigering om het voordeel aan verzoekster te verschaffen, aangezien die weigering alleen uit het bestaan van het erkenningsbe- sluit kan worden afgeleid. Zoals de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrecht- spraak heeft uitgelegd in onder meer zijn arrest nr. 222.357 van 1 februari 2013, de Raad sedertdien met regelmaat herhaalt en hij geen reden ziet thans anders te oordelen, is een beroep tegen zo een impliciete weigering niet a priori onontvan- kelijk. Ten minste blijft, met het oog op een uitspraak over dat supplementaire beroep tegen de impliciete weigering, altijd na te gaan of de verzoekende partij een middel aanvoert dat, gelet op alle gegevens waarmee in het kader van het beroep rekening moet worden gehouden, tot de uitzonderlijke vaststelling leidt dat de overheid geen andere keuze heeft dan de erkenning aan de verzoekende partij te verlenen. De al dan niet uiteindelijke vernietiging van de impliciete wei- geringsbeslissing hangt dan ook samen met de grond van de zaak. IX-9561-5/21 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 6. Het eerste middel is geput uit de schending van het zorgvuldig- heidsbeginsel, het legaliteitsbeginsel en artikel 6 van het besluit van de Vlaamse regering van 21 april 2017 „houdende diverse uitvoeringsbepalingen over de net- werk- en lokale radio-omroeporganisaties en houdende wijziging van diverse besluiten over radio-omroep‟ (“uitvoeringsbesluit”). De thans bestreden erkenning is verleend op basis van de fre- quentiepakketten zoals bepaald in het frequentiebesluit 2019, maar dan wel op basis van de dossiers die door verzoekster en radiozender lokale radio Maaseik werden ingediend tijdens de oproep tot kandidaatstelling die is verschenen in het Belgisch Staatsblad van 16 mei 2017, dus zonder nieuwe oproep tot kandidaat- stelling voor frequentiepakket 40. Gelet op de aangevoerde algemene beginselen van behoorlijk bestuur en artikel 6 van het uitvoeringsbesluit mag volgens verzoekster veronder- steld worden dat de verwerende partij een nieuwe erkenningsronde organiseert, daar middels het nieuwe frequentiebesluit 2019 maar liefst acht nieuwe frequen- tiepakketten ter beschikking werden gesteld, waarvan minstens één frequentie- pakket in de provincie Limburg, zijnde frequentiepakket 126 „Maaseik [95.0 FM]‟. Dat frequentiepakket heeft volgens verzoekster een invloed op de kandi- daatstelling van de lokale radio-omroepen voor frequentiepakket 40. Zo frequen- tiepakket 126 van meet af aan ter beschikking gesteld ware, dan zouden verzoek- ster of radiozender lokale radio Maaseik hun aanvraag tot erkenning op een ande- re wijze hebben ingediend of dan zou de andere radiozender zijn aanvraag zelfs niet hebben ingediend voor frequentiepakket 40. De vrijgave van frequentiepak- IX-9561-6/21 ket 126 heeft aldus een impact op de samenstelling van de kandidaatstellingsdos- siers. 7. In de memorie van wederantwoord voegt verzoekster hieraan toe, zonder toelichting, dat alle aanvragen en alle voorbereidende handelingen die kaderen in het frequentiebesluit 2017 “behept werden met een onwettigheid”. 8. In haar laatste memorie beperkt verzoekster zich ertoe als haar standpunt te handhaven dat de procedure hernomen moest worden vanaf het be- gin, zodat zowel zij als “de tussenkomende partij” (versta: radiozender lokale radio Maaseik) “en eventuele derden” de mogelijkheid zouden krijgen om in het licht van het gewijzigde frequentieplan 2019 een aanvraagdossier te kunnen in- dienen. Beoordeling 9. Verzoekster verduidelijkt niet precies hoe het legaliteitsbegin- sel op zich geschonden zou zijn. In zoverre het middel mede hierop steunt, valt het samen met de ingeroepen schending van artikel 6 van het uitvoeringsbesluit. 10. Artikel 6 van het uitvoeringsbesluit, dat verzoekster zowel in het verzoekschrift als in de memorie van wederantwoord geschonden noemt en ook zelf citeert, luidt: “De minister maakt via een oproep in het Belgisch Staatsblad bekend voor welke frequentiepakketten een aanvraag tot erkenning als netwerkradio- omroeporganisatie kan worden ingediend, met vermelding van eventuele bijkomende nuttige informatie.” Deze bepaling is vreemd aan het voorliggende geschil, dat niet de erkenning als netwerkradio-omroeporganisatie maar wel als lokale radio- omroeporganisatie betreft. In zoverre faalt het middel naar recht. IX-9561-7/21 11.1. De verwerende partij heeft zich echter verweerd op grond van artikel 16 van het uitvoeringsbesluit, zodat het mee in de beoordeling kan worden betrokken. Dit artikel luidt: “De minister maakt in het Belgisch Staatsblad bekend voor welke fre- quentiepakketten een aanvraag tot erkenning als lokale radio- omroeporganisatie kan worden ingediend, met vermelding van de eventu- ele bijkomende nuttige informatie.” 11.2. Artikel 16 van het uitvoeringsbesluit is geen op straffe van nie- tigheid voorgeschreven vormvereiste. Dit artikel schrijft ook niet uitdrukkelijk voor dat een nieuwe oproep moet gebeuren wanneer een erkenningsbesluit wordt vernietigd. 11.3. Het doel van de opgelegde bekendmaking in het Belgisch Staatsblad is om alle gegadigden voor een frequentie gelijktijdig te informeren van de start van de erkenningsprocedure en aan hen alzo de kans te bieden om zich kandidaat te stellen. Verzoekster is geen “nieuwe” kandidaat voor het in geding zijnde frequentiepakket. Zij heeft haar belangstelling reeds kenbaar gemaakt na de bekendmaking met oproep aan kandidaten in het Belgisch Staatsblad op 16 mei 2017 en zij heeft toen een ontvankelijk dossier ingediend. Tot die oproep is toentertijd overgegaan ter uitvoering van artikel 16 van het uitvoeringsbesluit. De bestreden erkenning is er dan ook gekomen na oproeping bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Het doel van die bekendmaking is, althans wat verzoekster betreft, bereikt. IX-9561-8/21 De bewering dat radiozender lokale radio Maaseik zich niet meer kandidaat zou stellen na een nieuwe oproep is niet enkel louter hypothe- tisch, maar ook volstrekt ongeloofwaardig. Deze lokale radio-omroeporganisatie heeft zich niet teruggetrokken uit de erkenningsronde, noch heeft zij afstand ge- daan van de erkenning die haar is verleend bij het thans bestreden erkenningsbe- sluit. Verzoekster heeft bijgevolg geen belang bij een nieuwe oproep, die slechts voor méér concurrentie had kunnen zorgen. 11.4. Voor zover het middel bijgevolg ook opgevat mag worden als een schending van artikel 16 van het uitvoeringsbesluit, is het onontvankelijk bij gebrek aan belang. 12. Een andere vraag is dan, of de verwerende partij los van een nieuwe oproep mocht voortgaan op de reeds ingediende dossiers dan wel of zij de kandidaten moest toelaten – of verplichten – om hun dossier te actualiseren. Die vraag hangt samen met het in het middel ook aangevoerde beginsel van de zorg- vuldigheidsplicht. 13. De nietigverklaring van het frequentiebesluit 2017 en het ver- vangen ervan door het frequentiebesluit 2019 verplicht het bestuur om met laatst- genoemd besluit rekening te houden als rechtsgrond wanneer zij een nieuwe er- kenning verleent voor frequentiepakket 40, nadat haar vroegere erkenningsbesluit vernietigd is door de Raad van State. Verzoekster betwist overigens niet dat dit is gebeurd. Voor fre- quentiepakket 40 wordt alvast niet beweerd dat de technische gegevens werden gewijzigd. Hierbij mag worden opgemerkt, dat het frequentiebesluit 2019 grotendeels identiek is aan het vernietigde frequentiebesluit. De verwerende partij IX-9561-9/21 wou, zo legt zij uit in de memorie van antwoord, ter wille van de rechtszekerheid maximaal rekening houden met de individuele erkenningen die reeds voorheen waren verleend en die ondertussen definitief zijn en met de afspraken waartoe zij reeds – of eindelijk – was gekomen in het samenwerkingsakkoord met de andere gemeenschappen. 14. Die nieuwe rechtsgrond betekent echter niet dat alle voorberei- dende handelingen ipso facto onwettig zijn en overgedaan moeten worden. Zoals de verwerende partij terecht opmerkt, volgt uit het ver- nietigingsmotief dat bij arrest nr. 242.804 heeft geleid tot de nietigverklaring van het frequentiebesluit 2017 niet dat ook alle voorbereidende handelingen die in de individuele erkenningsronde zijn gesteld, onregelmatig zijn. In voormeld arrest werd een inbreuk op de machtigingsrichtlijn vastgesteld bij de wijze waarop de consultatie over de beperking van de gebruiksrechten in het frequentiebesluit was verlopen. Die onregelmatigheid staat niet in enig rechtstreeks verband met de wettigheid van de voorbereiding van de individuele erkenningen, zoals bijvoor- beeld het indienen van de aanvraagdossiers. Wel kan er vanwege het tijdsverloop sinds het nemen van de vernietigde beslissing reden zijn om de overheid verplicht te achten om hoe dan ook eerst de feitelijke gegevens van de zaak te herzien en aan te vullen, alvorens een nieuwe beslissing te nemen. 15. Tussen het eerste erkenningsbesluit van 1 december 2017 en het thans bestreden erkenningsbesluit van 5 april 2019 verstreken zestien maan- den. Dit tijdsverloop toont niet uit zichzelf en spontaan aan, wat de reeds inge- diende dossiers betreft, dat het bestuur er niet meer goed kon op vertrouwen. Het ligt dan op de weg van verzoekster om aan te tonen dat niettemin zo een reden voorhanden is en dat zij bij een dergelijke herziening be- lang heeft. IX-9561-10/21 16. In de hiervóór sub 3.5 aangehaalde considerans van het thans bestreden besluit kon verzoekster een verantwoording lezen, waarom de verwe- rende partij meent te mogen voortgaan op de reeds ingediende dossiers en “dat bijgevolg opnieuw geoordeeld kan worden krachtens de vergelijking van de kan- didaatdossiers die is doorgevoerd onder de vigeur van het vernietigde frequentie- besluit”. Die motieven worden door verzoekster in het middel niet be- streden. De enige reden die verzoekster opgeeft, is de vaststelling dat in het frequentiebesluit 2019 een nieuw frequentiepakket beschikbaar is gesteld voor Maaseik. Zij leidt hieruit af dat radiozender lokale radio Maaseik of zij- zelf een ander dossier hadden ingediend, als hiermee rekening was gehouden in 2017. Dit is loutere speculatie. Zelfs wat haar eigen situatie betreft, die verzoekster het beste kent, laat zij na om haar stelling te onderbouwen. Haar grief is ongeloofwaardig, minstens niet bewezen. De Raad kan er geen rekening mee houden. Afgezet tegen de hiervóór geciteerde motieven, toont verzoek- ster niet aan dat het thans bestreden erkenningsbesluit steunt op achterhaalde fei- telijke gegevens. Een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel is niet aange- toond. 17. Het middel, voor zover ontvankelijk, is ongegrond. IX-9561-11/21 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 18. Verzoekster voert in het tweede middel de schending aan “van het artikel 146, § 1 van het Decreet van 27 maart 2009 betreffende radio-omroep en televisie, artikel 5 van het [uitvoeringsbesluit] en van de beginselen van be- hoorlijk bestuur, meer bepaald, het zorgvuldigheidsbeginsel, de materiële motive- ringsplicht, transparantiebeginsel en rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, alsmede machtsoverschrijding”. Verzoekster ziet de schending van de voormelde bepalingen en beginselen hierin gelegen dat de verwerende partij steunt “op kwalificatiecriteria die niet zijn voorgeschreven in het Mediadecreet, noch diens uitvoeringsbesluiten en bovendien niet op voorhand werden gecommuniceerd aan de deelnemers”. Volgens verzoekster mogen de aanvraagdossiers uitsluitend beoordeeld worden op basis van de bij artikel 5 van het uitvoeringsbesluit ter uitvoering van artikel 146, § 1, van het decreet van 27 maart 2009 „betreffende radio-omroep en televisie‟ (“mediadecreet”) vastgestelde aanvullende kwalifica- tiecriteria. Bij “lezing van Bijlage 1 houdende de gevolgde procedure bij de be- oordeling van de aanvraagdossiers”, stelt verzoekster vast dat elk aanvullend kwalificatiecriterium “inhoudelijk werd aangevuld met talloze subcriteria/sub- vragen die niet zijn voorgeschreven door het mediadecreet, noch diens uitvoe- ringsbesluit” en dit “op een zeer arbitraire wijze”. Het is voor verzoekster ondui- delijk op basis van welke maatstaven ze zijn opgesteld, wie ze heeft geformuleerd en goedgekeurd. Ze zijn niet op voorhand gecommuniceerd aan de deelnemers. Verzoekster citeert de bijlage en trekt de conclusie dat het onmiskenbaar om nieuwe kwalificatiecriteria gaat. Aan de hand van het overzicht van de scores stelt verzoekster vast dat de verwerende partij een score heeft toegekend aan de “subcrite- IX-9561-12/21 ria/subvragen”, wat wijst op een individuele beoordeling ervan die volgens haar ook het mediadecreet en het uitvoeringsbesluit schendt. Beoordeling 19. Aan de Raad van State is geen “transparantiebeginsel” bekend als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Het middel, dat van een tegengestelde opvatting uitgaat, faalt in die mate naar recht. 20. Artikel 146, § 1, van het mediadecreet draagt de Vlaamse rege- ring op om “aanvullende kwalificatiecriteria” vast te stellen en aan elk van die criteria een weging toe te kennen. Die aanvullende kwalificatiecriteria moeten betrekking hebben op 1° de concrete invulling van het programma-aanbod en het zendschema, 2° het financiële plan en 3° de technische (zend)infrastructuur. 21. Verzoekster bestrijdt niet dat aan deze bepaling uitvoering is gegeven bij artikel 5 van het uitvoeringsbesluit en zij stelt de wettigheid van deze bepaling niet in vraag. Dit artikel luidt: “De aanvullende kwalificatiecriteria voor de lokale omroeporganisaties waaraan de aanvragen tot erkenning inhoudelijk en kwalitatief worden ge- toetst, zijn: 1° voor de concrete invulling van het programma-aanbod en het zend- schema:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.