id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.252 Rolnummer: A. 225449/IX-9315 Zaak: Arrest 249252 - Schooltucht - 16/12/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-12-22 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-20 01:50 Fiche Arrest nr 249.252 van 16 december 2020 Onderwijs en cultuur - Schooltucht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 249.252 van 16 december 2020 in de zaak A. 225.449/IX-9315 In zake : Guy DE PAUW bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rika Heijse kantoor houdend te 9052 Gent Dorpsstraat 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep 21 Vlaamse Ardennen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Stommels en Jan Fransen kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 220 bus 14 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 14 juni 2018, strekt tot de nietigver- klaring van de beslissing van de kamer van beroep van het Gemeenschapsonder- wijs van 19 maart 2018 waarbij Guy De Pauw de tuchtmaatregel ‘schorsing tot en met 30 juni 2018’ wordt opgelegd. IX-9315-1/30 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Het Gemeenschapsonderwijs, vertegenwoordigd door scholen- groep 21 Vlaamse Ardennen, heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 21 september
- De tussen- komende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij, de verwerende partij en de tussenko- mende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 november
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Rika Heijse, die verschijnt voor de verzoekende par- tij, advocaat Tijs Lust, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwe- rende partij en advocaat Jan Fransen, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. IX-9315-2/30 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, geco- ördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is vastbenoemd leraar aan het atheneum te Oudenaarde, onderwijsinstelling die behoort tot scholengroep 21 Vlaamse Ardennen van het Gemeenschapsonderwijs. 3.
- Tijdens het schooljaar 2016-2017 worden bij verzoeker functio- neringsproblemen vastgesteld. Op 9 mei 2017 en op 12 mei 2017 stelt de schooldirectie een vaststellingsfiche op, omdat verzoeker op 8 mei 2017 en 12 mei 2017 de lessen heeft gestaakt wegens het niet beschikken over het nodige didactische materiaal en omdat hij de leerlingen openlijk heeft betrokken bij zijn conflict met de direc- tie. Op 14 juni 2017 rapporteert de onderzoekscel van het Gemeen- schapsonderwijs over zijn tussen 17 mei en 9 juni 2017 gevoerde onderzoek, op vraag van de scholengroep, ‘naar de mate waarin Guy De Pauw, leraar mechani- ca, in de toekomst nog kan samenwerken met het directieteam van GO! atheneum Oudenaarde en met de leden van zijn vakgroep’. 3.
- Op 4 september 2017 beslist de algemeen directeur om verzoe- ker met onmiddellijke ingang preventief te schorsen en een tuchtonderzoek en tuchtprocedure op te starten. De raad van bestuur van de scholengroep bekrachtigt de preven- tieve schorsing op 20 september
- Hij bevestigt ook de beslissing om een tuchtdossier en tuchtonderzoek op te starten. IX-9315-3/30 3.
- De algemeen directeur verzoekt de onderzoekscel van het Ge- meenschapsonderwijs op 3 oktober 2017 om een onderzoek in te stellen naar de gebeurtenissen op 8 mei 2017 en 12 mei
- Hij vraagt om de lesweigering door verzoeker, de reden waarmee hij dit motiveert en de vraag of hij hierbij leer- lingen heeft betrokken, te onderzoeken. Op 27 oktober 2017 stelt de onderzoekscel een verslag op, geti- teld ‘onderzoek naar de redenen waarom leraar mechanica Guy De Pauw op 8 en 12 mei 2017 in GO! atheneum Oudenaarde zijn lessen heeft gestaakt’. Na kennisname van dit verslag wordt verzoeker uitgenodigd om gehoord te worden op de hoorzitting van 20 december 2017 en worden hem de volgende ten laste gelegde feiten meegedeeld: “- op 8 mei 2017 in de namiddag geen les te hebben gegeven aan de leer- lingen van 4 Bame, maar met deze leerlingen gedurende drie lesuren in de polyvalente zaal te hebben gezeten waarbij zijn handelwijze (een werksta- king) op zich al onaanvaardbaar is – de heer De Pauw ontzegde zijn leerlin- gen het recht op onderwijs – maar de motieven voor zijn handelwijze (te- kort aan didactisch materiaal) niet alleen onaanvaardbaar zijn maar tevens volstrekt incorrect zijn. - op 8 mei 2017, maar ook voorheen, de hem toegewezen leerlingen te heb- ben betrokken bij zijn conflict met directeur, adjunct-directeur en TAC [= technisch adviseur-coördinator] door ten aanzien van de leerlingen uit- gebreid zijn ongenoegens over hun handelwijze te ventileren, bijvoorbeeld door ten aanzien van de leerlingen mee te delen dat ‘hij geen werkstukken kreeg van de school om de praktijklessen te geven’, waardoor hij de leer- lingen opzette tegen de schoolverantwoordelijken. - op 12 mei 2017 voor de werken voor derden (klaarmaken van auto van zijn vrouw voor autoschouwing) niet de voorgeschreven werkwijze te heb- ben gevolgd waarbij hij naliet voorafgaand aan de werken de toelatings- overeenkomst voor te leggen aan de TAC. - op 12 mei 2017 aan een leerling van 4 Bame die zich in de loop van de dag op school aanbood geen les te hebben gegeven of te hebben betrokken bij de hiervoor onder 3 vermelde ‘werken voor derden’, maar deze leerling wat te hebben laten werken (‘prutsen’) aan zijn quad, waardoor deze leer- ling het recht op onderwijs werd ontzegd.” IX-9315-4/30 3.
- Na verzoeker te hebben gehoord, beslist de raad van bestuur op 20 december 2017 om hem de tuchtstraf van de schorsing voor zes maanden op te leggen omwille van de voormelde, bewezen bevonden tenlasteleggingen. 3.
- Op 12 januari 2018 stelt verzoeker een beroep in tegen deze tuchtstraf bij de kamer van beroep voor de personeelsleden van het Gemeen- schapsonderwijs. 3.
- Op 19 maart 2018 vernietigt de kamer van beroep de beslissing van de raad van bestuur. De kamer van beroep acht enkel de eerste twee tenlaste- leggingen bewezen en beslist om verzoeker daarvoor de tuchtmaatregel ‘schor- sing tot en met 30 juni 2018’ op te leggen. Dat is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Het eerste middel is genomen uit de schending van het zorgvul- digheidsbeginsel, de materiëlemotiveringsplicht en het beginsel patere legem quam ipse fecisti; van de rechten van verdediging, in het bijzonder het recht op een tuchtonderzoek à charge en à décharge en van artikel 12sexies, eerste lid, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschaps- onderwijs (“het rechtspositiedecreet”). In het eerste onderdeel van het eerste middel voert verzoeker aan dat de bestreden beslissing steunt op het verslag van een onderzoek dat louter à charge is gevoerd en dus niet onpartijdig is en dat hierdoor zijn rechten van verdediging zijn geschonden. IX-9315-5/30 Verzoeker argumenteert dat de kamer van beroep voor het on- derzoek van de eerste twee tenlasteleggingen integraal steunt op het verslag van de onderzoekscel van het Gemeenschapsonderwijs, terwijl dat verslag doet blij- ken van partijdigheid. Verzoeker citeert verschillende passages uit het verslag die zijn stelling moeten staven. Vooreerst verwijst hij naar de passage “[i]n die optiek is het niet meer dan logisch dat de leraar zelf ook een rol opneemt in het verwerven van dit didactisch materiaal en dat hij niet zit toe te kijken hoe de TAC hem dit materiaal op een schoteltje levert”. Volgens verzoeker getuigt dit van de subjectiviteit waarmee de onderzoekscel het onderzoek heeft uitgevoerd. Naast het gegeven dat niemand van de geïnterviewde partijen dergelijke bewoordingen heeft gebruikt, blijkt hieruit dat de onderzoekscel reeds van in het begin uitgaat van het verkeer- de uitgangspunt, namelijk dat het ter beschikking stellen van didactisch materiaal een gedeelde verantwoordelijkheid is tussen de leraar en de technisch adviseur- coördinator. Dit is echter in strijd met de op 8 september 2016 gemaakte afspraak tussen de directie en verzoeker, alsook met artikel 12sexies van het rechtspositie- decreet. Vervolgens verwijst verzoeker naar de passage “[n]iettemin kunnen we samengevat stellen dat niemand begrijpt waarom de heer De Pauw alle onderdelen van de gedemonteerde Renault Scenic zomaar weggooide en daarna klaagde over een gebrek aan didactisch materiaal”. Verzoeker betoogt dat deze passage uiterst tendentieus is. Zo gaat de onderzoekscel niet in op de reden waarom hij zich verplicht zag de motoronderdelen weg te gooien, namelijk om- wille van een gebrek aan gepaste opbergruimte. Rekken om motoronderdelen op te bergen waren immers nog niet aanwezig in het lokaal op het ogenblik van de feiten. De onderzoekscel vermeldt in het verslag dat de TAC zich afvraagt waar- om verzoeker zelf geen rekken heeft gemaakt, zonder hierbij een kritische vraag te stellen of dit wel tot zijn takenpakket behoort. De vermelding in het verslag dat auto-onderdelen beter niet in een rek worden geplaatst maar op een standaard, IX-9315-6/30 palet of motorsteuntjes doet niet ter zake en weerlegt verzoekers stelling niet dat er onvoldoende opbergruimte was in het lokaal. De onderzoekscel heeft niet na- gegaan of er op het moment van de feiten dergelijke opbergmogelijkheden aan- wezig waren. Evenmin is de onderzoekscel ingegaan op de kwaliteit van de aan- wezige rekken in het magazijn en of deze geschikt zijn voor het opbergen van zware motoronderdelen. Voorts verwijst verzoeker naar een passage waarin wordt ge- steld dat hij op voorhand wist dat er op 8 mei 2017 geen remmensets beschikbaar waren zodat hij “zijn zogezegd geplande les” niet zou kunnen geven, dat hij vond dat de TAC tegen die dag sets ter beschikking had moeten stellen en dat verzoe- ker de remmen van de Renault Scenic had kunnen gebruiken maar die op dat moment al had weggegooid. Verzoeker wijst erop dat hij op geen enkel moment passief heeft gewacht totdat de TAC het didactisch materiaal ter beschikking stelde maar dat hij gedurende het schooljaar het gebrek aan didactisch materiaal meermaals heeft aangekaart. Dit blijkt onder meer uit zijn verklaring “sinds ik het atelier heb laten opruimen en de brug heb laten verwijderen, deed hij constant moeilijk tegen mij over het ontbreken van didactisch materiaal”. Nergens in het verslag wordt echter gewezen op de tekortkoming van de school en de TAC in het voorzien van didactisch materiaal. De onderzoekscel miskent hiermee de af- spraak van 8 september 2016 en artikel 12sexies van het rechtspositiedecreet. De bewoordingen “zogezegde geplande les” doen volgens verzoeker ook duidelijk blijken van minachting in hoofde van de onderzoekers. Uit zijn jaarplan blijkt duidelijk dat hij een les over remmen inplande in mei-juni en uit zijn lesvoorbe- reiding van mei blijkt dat hij de les inplande in de eerste weken van mei. Wat de verwijzing naar de onderdelen van de Renault Scenic betreft, herhaalt verzoeker zijn kritiek dat de onderzoekscel niet heeft nagegaan of er al dan niet opbergmo- gelijkheden voor die onderdelen waren en of verzoeker genoodzaakt was de on- derdelen weg te gooien. Verzoeker verwijst ook naar de passage “[b]innen de logica van de heer De Pauw is dat normaal omdat hij vindt dat [de TAC] voor dat materiaal IX-9315-7/30 moet zorgen”. Hij stelt dat hieruit een vooringenomenheid van de onderzoekscel blijkt, evenals een ontkenning van de verantwoordelijkheid van de school voor het ter beschikking stellen van didactisch materiaal. Verzoeker benadrukt ook dat het niet zo is dat hij geen moeite deed voor het verkrijgen van didactisch materi- aal. Hij heeft de TAC immers aangespoord het materiaal te leveren en het was de afspraak dat de school zou zorgen voor het nodige materiaal. Ten slotte verwijst verzoeker naar de passage “[d]aarmee zegt de heer De Pauw dus zelf dat hij met zijn werkstaking van die maandag in de hand heeft gewerkt dat sommige leerlingen op eigen initiatief besloten om niet naar school te komen”. Hij betoogt dat dit een partijdige en subjectieve interpre- tatie van zijn bewoordingen is, die geenszins strookt met de waarheid. In het tweede onderdeel van het eerste middel voert verzoeker aan dat de bestreden beslissing onzorgvuldig tot stand is gekomen en niet materi- eel draagkrachtig is gemotiveerd omdat ze louter is gesteund op het tendentieuze en vooringenomen onderzoeksverslag en er geen rekening wordt gehouden met zijn verweer, minstens dat het verweer niet afdoende is onderzocht en weerlegd. Wat de eerste tenlastelegging betreft, argumenteert verzoeker dat de beoordeling en de besluitvorming van de kamer van beroep niet zorgvuldig tot stand is gekomen en dat de motivering steunt op foutieve feitelijke elementen en niet is onderbouwd met bewijskrachtige argumenten. In het bijzonder wordt geen rekening gehouden met de decretale plicht van de school om het vereiste didactisch materiaal ter beschikking te stellen. Verzoeker staaft dit met tal van argumenten. Zo zijn, aldus verzoeker, de onderzoekscel en bij uitbreiding de kamer van beroep ten onrechte van oordeel dat hij het oefenmateriaal dat de school ter beschikking stelde, eigengereid weggooide. Verzoeker betoogt dat uit de verklaringen van de leerlingen blijkt dat er in de eerste drie maanden geen oefenmateriaal was dat de school ter beschikking stelde. Hij – en dus niet de IX-9315-8/30 school – heeft gezorgd voor de Renault Scenic die hij in zijn lessen gebruikte en hij was dus ook gerechtigd om zelf te beslissen wat hij met dit oefenmaterieel zou doen. Dat hij zelf didactisch materiaal heeft aangeleverd ontslaat de school ook niet van haar plicht om didactisch materiaal ter beschikking te stellen. Voorts stelt verzoeker dat het niet correct is dat hij de onderde- len van gemonteerd mechanisch oefenmateriaal systematisch weggooide. Hij stelt dat elk onderdeel van de auto vier keer werd gebruikt, voor elke klas waaraan hij les gaf. Daarna waren de onderdelen niet langer bruikbaar en werden ze verkocht als oud ijzer. Bovendien houdt dit geen verband met het ten laste gelegde feit geen les te hebben gegeven. Dat er geen gemonteerd remsysteem beschikbaar was voor demontage heeft niets te maken met het weggooien van onderdelen. Met betrekking tot de stelling dat hij op 8 mei 2017 over de onderdelen van de Renault Scenic had kunnen beschikken, doet verzoeker gelden dat dit impliceert dat hij over voldoende opslagcapaciteit kon beschikken in de maanden en weken voordien. Het verslag bevat echter geen enkel onderzoek naar de opslagcapaciteit. Bovendien is het niet correct dat hij niet met objectief vast- staande gegevens kan staven dat er geen opslagmogelijkheden waren in het lo- kaal. Uit foto’s van het begin van het schooljaar blijkt dat er geen rekken stonden in het lokaal. Bovendien heeft hij dit ter sprake gebracht tijdens de vergadering met de directie op 8 september
- Dat in het verslag wordt vermeld welk materiaal op het ogen- blik van het opstellen van het verslag aanwezig is in het lokaal, is volgens ver- zoeker volstrekt irrelevant en heeft geen bewijswaarde ten aanzien van het op 8 mei 2017 beschikbare materiaal. Verzoeker stelt voorts dat in het verslag ten onrechte gewag wordt gemaakt van een eigengereide en deloyale houding. Hij wijst erop dat met de TAC en de directie op 8 september 2016 werd afgesproken dat de school voor het nodige didactisch materiaal zou zorgen en dat hij vervolgens ter uitvoering IX-9315-9/30 van die afspraak op 11 september 2016 de TAC een lijst heeft bezorgd met het nodige materiaal. De TAC heeft daar geen antwoord op gegeven. In het verslag van de onderzoekscel wordt aan deze tekortkoming van de TAC geen aandacht besteed. Er wordt enkel gewag gemaakt van de moeilijke houding van verzoeker. In verband met de overweging dat hij geen loyale houding heeft aangenomen door na te laten een didactisch alternatief te zoeken en zo een uitweg te vinden om op 8 mei 2017 toch les te kunnen geven, doet verzoeker gelden dat er voor praktijklessen geen alternatief bestaat, dan praktijklessen zelf en dat hij reeds alle theorielessen had gegeven. In het verslag wordt ten onrechte overwo- gen dat de afgedankte wagens op de speelplaats konden dienen als alternatief. De wielen hadden dan eerst gedemonteerd moeten worden en het demonteren en monteren kan niet binnen de tijdsspanne van een les terwijl de afspraak is dat de brug vrij blijft. In de mate dat hem wordt verweten op 8 mei 2017 geen alterna- tieve les te hebben gegeven, doet verzoeker gelden dat hij om didactische redenen steeds eerst theorieles en nadien praktijkles geeft. De week vóór 8 mei had hij reeds verschillende lessen besteed aan de theorie van de verschillende remsyste- men zodat het tijd was om deze theorie voor de leerlingen in praktijk om te zet- ten. Indien hij nog een theorieles had kunnen geven, had hij dit zeker gedaan. Wat de tweede tenlastelegging betreft, argumenteert verzoeker eveneens dat de beoordeling en de besluitvorming van de kamer van beroep niet zorgvuldig tot stand is gekomen en dat de motivering steunt op foutieve feitelijke elementen en niet is onderbouwd met bewijskrachtige argumenten. Verzoeker doet gelden dat het onzorgvuldig en ongefundeerd is om te stellen dat de leerlingen mee betrokken zijn in het conflict met de directie. Hij wijst erop dat de vakleerkracht en de leerlingen een organisch geheel vormen en dat het evident is dat de leerlingen geconfronteerd worden met en betrokken worden in het conflict wanneer dit conflict rechtstreeks te maken heeft met het materiaal dat de leerlingen nodig hebben in de les. Verzoeker herhaalt dat de school heeft nagelaten het vereiste didactisch materiaal ter beschikking te stellen. IX-9315-10/30 Volgens verzoeker kan uit de interviews met de leerlingen ook geenszins worden afgeleid dat hij de leerlingen heeft opgezet tegen de school of tegen een bepaald personeelslid. Integendeel blijkt, aldus verzoeker, dat hij hen neutraal heeft geïnformeerd over de gang van zaken en dat hij een constructieve houding heeft aangenomen door zijn leerlingen toe te laten zelf materiaal mee te brengen om toch oefenmateriaal te hebben. Verzoeker merkt ook op dat de inter- views van de leerlingen zeer insinuerend en suggestief zijn afgenomen doordat herhaaldelijk werd gevraagd of verzoeker de school of een personeelslid de schuld gaf van de problemen. De verklaring van een leerling werd foutief geci- teerd, aangezien hij heeft gezegd dat “moesten de leerlingen klacht indienen, de TAC tegen de lamp zou lopen”. Hij heeft niet gezegd dat verzoeker hen aan- spoorde tot het indienen van een klacht. Volgens verzoeker blijkt hieruit dat de kamer van beroep geen zorgvuldig onderzoek heeft gevoerd naar de verklaringen die de leerlingen hebben afgelegd, maar klakkeloos het tendentieuze en partijdige verslag van de onderzoekscel heeft gevolgd. Tot slot stelt verzoeker dat de verklaringen van de overige leer- krachten geen overtuigingsmateriaal kunnen zijn omdat zij niet bij de lessen aan- wezig waren. Bovendien kan ook niet worden uitgesloten dat deze verklaringen zijn ingegeven door eigenbelang.
- In de mate dat de verwerende partij opwerpt dat het middel on- ontvankelijk is omdat verzoeker pas voor het eerst voor de Raad van State aan- voert dat het tuchtonderzoek niet à charge en à décharge is gebeurd en het on- derzoeksrapport niet objectief is, repliceert verzoeker dat hij reeds in zijn beroep- schrift de subjectiviteit van het onderzoeksrapport heeft aangeklaagd en dat hem niet kan worden verweten dat hij dit nu gedetailleerder en uitgebreider doet, aan- gezien dit eigen is aan het voortschrijdend inzicht gedurende de procedure. Bo- vendien diende de kamer van beroep, aldus verzoeker, gelet op de devolutieve werking van het administratief beroep sowieso na te gaan of het onderzoek naar de feiten op objectieve wijze is geschied. Dit is geenszins gebeurd. IX-9315-11/30 Wat het eerste middelonderdeel betreft, betoogt verzoeker dat de omstandigheid dat het onderzoek gebeurde door een aparte onderzoekscel, de lengte van het onderzoeksverslag, het feit dat een aantal positieve elementen wer- den vermeld over hem en de vraagstelling van het onderzoek, geenszins de objec- tiviteit van het hele onderzoek staven. Hij doet gelden dat in het bijzonder de smalende teneur van de bewoordingen van het onderzoeksverslag en de persoon- lijke appreciatie die de onderzoekscel aan feiten en verklaringen geeft, van een gebrek aan objectiviteit en aan het vereiste neutrale tegenonderzoek doen blijken. Ook de manier waarop tot conclusies wordt gekomen door tegen de feiten in te gaan of feitelijke gegevens te negeren is volgens verzoeker een bewijs van partij- digheid. Verzoeker wijst er ook op dat hij niet aanklaagt dat hij geen inspraak krijgt in het ter beschikking gestelde didactisch materiaal, maar wel dat geen didactisch materiaal wordt aangekocht terwijl dit overeenkomstig arti- kel 12sexies, eerste lid, van het rechtspositiedecreet, ontegensprekelijk de taak is van de school. Dat in het onderzoeksrapport de verantwoordelijkheid om voor didactisch materiaal te zorgen deels bij hem wordt gelegd, is volgens verzoeker in strijd met deze bepaling en met de afspraak van 8 september
- Verzoeker benadrukt ook dat in het onderzoeksrapport nergens de verantwoordelijkheid bij de school wordt gelegd voor het aanschaffen van materiaal. Het gegeven dat hij zelf materiaal meebrengt ontslaat de school niet van haar plicht dienaangaande, zo stelt verzoeker. Hij herhaalt ook dat het onderzoeksrapport zich nergens kri- tisch opstelt tegenover het gebrek aan opbergruimte. Zijn verklaringen daarom- trent worden zelfs in twijfel getrokken, maar nergens wordt bewezen dat er wel opbergruimte beschikbaar was. Verzoeker besluit dat hem niet kan worden ver- weten dat hij zelf meegebracht didactisch materiaal weggooit bij gebrek aan op- slagplaats. In zoverre de verwerende partij met betrekking tot het tweede middelonderdeel inzake de eerste tenlastelegging verwijst naar het grondig on- IX-9315-12/30 derzoek waaruit blijkt dat wel veel materiaal aanwezig was, repliceert verzoeker dat hij niet betwist dat het minimale materiaal in het kader van de veiligheids- voorzieningen voorhanden was, maar dat dit geen didactisch materiaal betreft. Van het andere materiaal waarnaar de verwerende partij verwijst, is volgens ver- zoeker vastgesteld dat het aanwezig was op het moment van het onderzoek in oktober 2017, hetgeen niets zegt over het materiaal dat in mei 2017 aanwezig was. Verzoeker benadrukt ook dat de omstandigheid dat hij zelf didactisch mate- riaal heeft meegebracht, de school niet ontslaat van haar plicht om didactisch materiaal ter beschikking te stellen van de lesgevers. Hij is van oordeel dat de kamer van beroep er ten onrechte vanuit gaat dat de omstandigheid dat hij didac- tisch materiaal heeft meegebracht, impliceert dat dit het hele schooljaar ter be- schikking moet blijven van de school. Voorts acht verzoeker het geenszins tegen- strijdig dat hij in het verzoekschrift stelt materiaal te hebben weggegooid omdat het niet langer bruikbaar was en dat hij aan de onderzoekscel heeft verklaard het materiaal te hebben weggegooid wegens een gebrek aan opslagruimte en hij wijst erop dat het ene het andere niet uitsluit. Ten slotte herhaalt hij ook dat hij de wa- gens op de speelplaats niet kon gebruiken voor zijn les omdat ze mobiel moeten blijven en de brug ’s avonds vrij moet zijn. Verzoeker besluit dat uit het voor- gaande blijkt dat niet op afdoende en onpartijdige wijze is onderzocht of er vol- doende didactisch materiaal aanwezig was op het ogenblik van de feiten en dat de kamer van beroep bijgevolg niet kon besluiten dat “er in de school wel degelijk oefenmateriaal ter beschikking van de verzoeker was”. Wat de tweede tenlastelegging betreft, betwist verzoeker de stelling van de verwerende partij dat zijn argumentatie dat de verklaring van een leerling foutief werd geciteerd in het onderzoeksverslag en dat de interviews van de leerlingen insinuerend en suggestief werden afgenomen onontvankelijk is om- dat hij deze argumentatie voor het eerst in het verzoekschrift aanvoert. Hij stelt dat ingevolge de devolutieve werking van het beroep de kamer van beroep een onderzoek dient te voeren naar alle aspecten van de zaak en zich niet kan beper- ken tot de bezwaren in het beroepschrift. De kamer van beroep had bijgevolg eveneens de audiofragmenten moeten beluisteren die bij het onderzoeksverslag IX-9315-13/30 waren gevoegd. In de beslissing verwijst de kamer van beroep enkel naar het on- derzoeksverslag en verzoeker kan dan ook niet anders dan vaststellen dat de ka- mer van beroep de audiobestanden niet in aanmerking heeft genomen. Verzoeker kon dit uiteraard niet voorzien en dit opwerpen in het beroepschrift.
- In zijn laatste memorie vraagt verzoeker aandacht voor de door hem aangevoerde en met stukken gestaafde feitelijke weerleggingen van het on- derzoeksrapport. Hij benadrukt daarbij dat het onderzoek door de onderzoekscel dateert van na zijn preventieve schorsing en dat de foto’s uit het onderzoeksrap- port geen beeld geven van de situatie op school op 8 mei
- Volgens verzoe- ker waren de zaken die hij in het verleden had aangeklaagd ondertussen in orde gebracht. Het is dan ook ten onrechte, zo stelt verzoeker, dat wordt aangenomen dat er wel oefenmateriaal in de school aanwezig was, dat hij over vijf afgedankte auto’s kon beschikken en dat hem een Honda motor ter beschikking werd gesteld. In zoverre hem ten kwade wordt geduid dat hij materiaal weggooide, doet ver- zoeker gelden dat geen rekening werd gehouden met het feit dat er op dat mo- ment geen kasten waren voor opslag en dat de beschikbare rekken te licht waren. Verzoeker merkt daarbij op dat het de TAC was die het schroot verkocht en dat de directie dus op de hoogte was van de gang van zaken en er kennelijk geen pro- blemen mee had. Voor zover wordt aangenomen dat hij nog vijf andere wagens ter beschikking had en dat hij de brug van de afdeling carrosserie kon gebruiken, betoogt verzoeker dat het in werkelijkheid om twee wagens ging waarvan er al één gedemonteerd was en dat wordt voorbijgegaan aan de feitelijke onmogelijk- heid om binnen een les van drie uur de remsystemen te demonteren en hermonte- ren alsook de onmogelijkheid om auto’s zonder wielen met karretjes te verplaat- sen. Verzoeker voert ten slotte nog aan dat de verklaringen van de leerlingen uit het debat moeten worden geweerd omdat ze niet in overeenstemming zijn met punt 42 van het charter van de onderzoekscel van het Gemeenschapsonderwijs. Verzoeker argumenteert dat in het rapport van de onderzoekscel geen verant- woording wordt gegeven voor de noodzaak tot het horen van leerlingen en dat er geen personeelslid van het CLB aanwezig was tijdens de verhoren. Volgens ver- zoeker maakt dit de verhoren onwettig. Hij stelt dat de minderjarige leerlingen IX-9315-14/30 onder druk zijn gezet door de interviewer en dat er geen garantie was op onbe- vangen verklaringen doordat er in strijd met het Charter van de onderzoekscel geen bijstand was van het CLB. De verklaringen van de leerlingen moeten wor- den geweerd. Beoordeling
- In het eerste onderdeel van het middel voert verzoeker aan dat de bestreden beslissing onwettig is omdat ze steunt op het verslag van een onder- zoek dat louter à charge is gevoerd en dat dus niet onpartijdig is, waardoor zijn rechten van verdediging zijn geschonden. In een tweede onderdeel van het middel betoogt hij dat de bestreden beslissing om die reden onzorgvuldig en niet afdoen- de materieel gemotiveerd is. Het past om de beide middelonderdelen samen te beoordelen. 8.
- De verwerende partij en de tussenkomende partij werpen de niet-ontvankelijkheid op van het middel voor zover verzoeker zich pas voor de eerste maal voor de Raad van State zou beroepen op de partijdigheid van de on- derzoekscel. 8.
- Het verval van het recht om onregelmatigheden als annulatie- middel aan de rechter voor te leggen is een zware sanctie die slechts uitzonderlijk toegepast kan worden. In tuchtzaken, waarin streng de hand moet worden gehouden aan de eerbiediging van de rechten van de verdediging, kan die exceptie slechts aan een tuchtrechtelijk gestrafte tegengeworpen worden, wanneer blijkt dat hij zijn rechten misbruikt. De bewijslast berust daarenboven bij wie zich op deze kwade trouw beroept, namelijk bij het bestuur. IX-9315-15/30 Dat bewijs wordt niet geleverd. Het blijft bij een feitelijke vast- stelling dat verzoeker dit verweer niet gevoerd zou hebben bij de kamer van be- roep. Louter ten overvloede bedenkt de Raad dat verzoeker bezwaar- lijk in zijn beroepschrift voor de kamer van beroep kon aanvoeren dat de kamer van beroep voor de bestreden beslissing naar zijn mening integraal steunt op het verslag van de onderzoekscel dat naar zijn oordeel niet onpartijdig is. Bovendien heeft verzoeker in zijn beroepschrift, zij het minder uitvoerig en precies, de sub- jectiviteit en de onjuistheid van de bevindingen van de onderzoekscel aange- klaagd. 8.
- De door de verwerende partij en de tussenkomende partij op- geworpen exceptie wordt verworpen. 9.
- Artikel 19, § 1, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse rege- ring van 22 mei 1991 ‘omtrent de evaluatie, maatregelen van orde en tucht in het gemeenschapsonderwijs’ (“tuchtbesluit”) luidt: “De bevoegde tuchtoverheid gaat over tot de nodige vaststellingen en ver- horen zodra de feiten, die de toepassing van een tuchtmaatregel kunnen verantwoorden, haar ter kennis worden gebracht.” Artikel 19, § 3, eerste lid, van het tuchtbesluit luidt: “De tuchtoverheid stelt een tuchtdossier samen.” 9.
- In casu heeft de tuchtoverheid een onderzoek gevraagd aan de onderzoekscel van het Gemeenschapsonderwijs over “de redenen waarom leraar mechanica Guy De Pauw op 8 en 12 mei 2017 in GO! Atheneum Oudenaarde zijn lessen heeft gestaakt”. IX-9315-16/30 Verzoeker voert aan dat het onderzoek door de onderzoekscel louter à charge is gevoerd en dus niet onpartijdig is en dat hierdoor zijn rechten van verdediging zijn geschonden. Deze grief van verzoeker is echter niet dienstig. 9.
- De onderzoekscel is geen autonoom orgaan van het Gemeen- schapsonderwijs maar een onderdeel van de ambtelijke diensten van het centrale niveau van het Gemeenschapsonderwijs. Zoals elk openbaar bestuur vermag de verwerende partij voor de voorbereiding of de opvolging van haar optreden of ter ondersteuning ervan een beroep te doen op haar administratieve diensten, mits zij daarbij de toepasselijke regelgeving in acht neemt. In zijn arrest nr. 144.324 van 12 mei 2005 heeft de Raad van State reeds overwogen “dat er niets mis is met een bestuur dat, als het klachten ontvangt en alvorens op te treden en de klacht ernstig te nemen, beslist aanvullend onderzoek naar de vermeende feiten te doen”, voor welk aanvullend onderzoek dan vanzelfsprekend de eigen administratie mag worden ingeschakeld. Het is voor deze zaak ook zo. De onderzoekscel is geen tuchtonderzoeker. De “afbakening van het onderzoek” dat aan de onderzoekscel is opgedragen luidt, zo is te lezen in het rapport: “De scholengroep vraagt om te onderzoeken of Guy De Pauw, leraar me- chanica van GO! atheneum Oudenaarde geweigerd heeft om op 8 mei 2017 en op 12 mei 2017 les te geven, hoe hij in voorkomend geval deze leswei- gering motiveert en in hoeverre deze motivering deze lesweigering recht- vaardigt. De scholengroep vraagt tevens na te gaan hoe de heer De Pauw hierover met de betrokken leerlingen heeft gecommuniceerd.” Anders dan verzoeker beweert, is de onderzoekscel - als onder- deel van de diensten van het Gemeenschapsonderwijs - bij het uitvoeren van dit onderzoek naar het functioneren van verzoeker er niet als ware hij een onder- zoeksrechter toe gehouden een onderzoek à charge en à décharge uit te voeren. Ook het charter van de onderzoekscel bevat niet de verplichting om steeds een onderzoek à charge en à décharge uit te voeren, noch is dat te lezen in de concre- IX-9315-17/30 te opdracht die hij kreeg in deze zaak. Uit het verslag van de onderzoekscel van 27 oktober 2017 blijkt dat deze onderzoeksinstantie een zo volledig mogelijk onderzoek heeft gevoerd waarbij telkens de verklaringen van de directie, de TAC, collega’s en leerlingen werden voorgelegd aan verzoeker. Verzoeker heeft de mogelijkheid gekregen om zich te verdedigen en die verklaringen punt voor punt te weerleggen. Zijn stand- punt over het gebeuren is in het verslag uitvoerig weergegeven. De verklaringen van de andere betrokkenen gaan als bijlage bij het onderzoeksverslag. Het valt voorts binnen de opdracht van de onderzoekscel om zaken te verduidelijken en standpunten mee te delen, zolang hierbij het standpunt van het tuchtrechtelijk vervolgde personeelslid mee in overweging wordt geno- men. Als de onderzoekers hierbij op bepaalde ogenblikken hun visie op de feiten laten blijken, geven zij slechts uitvoering aan de hen uitdrukkelijk gegeven op- dracht (“in hoeverre deze motivering deze lesweigering rechtvaardigt”) en bete- kent dat niet dat zij het hen opgedragen onderzoek op partijdige wijze hebben gevoerd. Bovenal echter verliest verzoeker uit het oog dat het bewijs van de tuchtinbreuk en het finale oordeel erover niet bij de onderzoekscel berust, maar bij de raad van bestuur van de scholengroep (in eerste aanleg) en, vervol- gens, door de kamer van beroep (in beroep). Het is de tuchtoverheid die de in- houd van het onderzoeksverslag zal beoordelen en daar de nodige conclusies uit zal trekken, rekening houdende met alle andere elementen van het tuchtdossier – zoals, bijvoorbeeld, het door verzoeker gevoerde verweer. Verzoeker beschuldigt de kamer van beroep niet van partijdigheid. Voorts blijkt verzoeker alle moge- lijkheden te hebben gehad om voor de kamer van beroep gegevens aan te brengen die de onjuistheid of de onvolledigheid van het verslag van de onderzoekscel kunnen aantonen. IX-9315-18/30 Kortom, waar het op aankomt uit oogpunt van verzoekers rech- ten van verdediging, is niet of de leden van de onderzoekscel een mogelijk sub- jectieve persoonlijke appreciatie hebben neergeschreven in hun verslag, maar wel dat de tuchtprocedure op een tegensprekelijke wijze werd gevoerd, dat verzoeker tegenover de tuchtoverheid zijn opmerkingen over de (on)juistheid en de (on)volledigheid van het onderzoeksverslag heeft kunnen doen gelden en dat ver- zoekers standpunten en argumenten hierover door de tuchtoverheid in overwe- ging zijn genomen. Dat heeft er overigens effectief toe geleid dat de kamer van beroep de derde en vierde tenlastelegging niet in aanmerking heeft genomen, om- dat verzoeker de kamer kon overtuigen dat ze niet afdoende bewezen waren. Zelfs indien het voorafgaand onderzoek door enige onregelmatigheid aangetast is, toont verzoeker niet aan dat dit doorwerkt naar de bestreden beslissing op een wijze die ze onwettig maakt. Verzoeker maakt dan ook geen schending van zijn rechten van verdediging aannemelijk.
- Voor zover verzoeker voorts betwist dat feiten zich hebben voorgedaan zoals de tuchtoverheid meent dat ze zich hebben voorgedaan, is dat een zaak van materiëlemotiveringsplicht die eist dat de tuchtoverheid steunt op werkelijk bestaande feiten. Het valt niet aan de Raad van State toe om als rechter in hoger beroep uit te maken wat naar zijn oordeel als de juiste toedracht van de aan de tuchtsanctie ten grondslag liggende feiten moet worden beschouwd. Hij vermag als annulatierechter, in het kader van het onderzoek naar de wettigheid van de opgelegde tuchtsanctie, desgevraagd enkel na te gaan of de tuchtoverheid, gelet op de gegevens van het administratief dossier, naar recht en redelijkheid tot haar voorstelling van de aan verzoeker ten laste gelegde feiten is gekomen. Om de onwettigheid van de motieven van de beslissing van de kamer van beroep aan te tonen, kan verzoeker niet volstaan met het louter ont- IX-9315-19/30 kennen, tegenspreken of in vraag stellen van de feitelijke elementen waarop de beoordeling door de kamer van beroep berust. Het is immers zaak van de verzoe- kende partij om concrete aanwijzingen te verschaffen die het vermoeden wettigen of aantonen dat de door de kamer van beroep in aanmerking genomen gegevens niet juist zijn. Daarbij wordt ook bedacht dat de omstandigheid dat de verwe- rende partij een deel van het feitenonderzoek toevertrouwt aan een dienst van de centrale administratie die daarin een zekere expertise opbouwt, reeds een waar- borg is voor de objectiviteit van de feitengaring, net door de afstand met het ter- rein.
- Wat de eerste tenlastelegging betreft, bevestigt de kamer van beroep in haar beslissing het beginsel zoals verwoord in artikel 12sexies van het rechtspositiedecreet dat de school het didactisch materiaal dat nodig is om de leerplannen te realiseren ter beschikking van de leerkracht moet stellen. Zij gaat er dus niet vanuit dat het ter beschikking stellen van didactisch materiaal een ge- deelde verantwoordelijkheid is van de school en de leerkracht. In zoverre verzoe- ker meent dat de onderzoekscel dit standpunt wel inneemt, doet zijn kritiek hier- op niet ter zake aangezien de kamer van beroep, die over een hervormingsbe- voegdheid beschikt, zich uitspreekt op grond van een eigen beoordeling, zowel in rechte als in feite. De kamer van beroep stelt evenwel dat de verplichting van de school de leerkracht niet ontslaat van de verplichting om leerlingen te onderrich- ten en om ingeval van tijdelijke onbeschikbaarheid van didactisch materiaal, in een alternatief te voorzien. Vooreerst was er volgens de kamer van beroep in de school oefenmateriaal aanwezig en had verzoeker de mogelijkheid om oefenmateriaal te verkrijgen. Het feit dat hij zijn eigen didactisch materiaal weggooide is hier nog aan toegevoegd, maar doet geen afbreuk aan de vaststelling van de kamer van IX-9315-20/30 beroep dat er didactisch materiaal voorhanden was dat verzoeker mocht gebrui- ken. Zij steunt hiervoor op verklaringen van de TAC en collega’s van verzoeker, die in het onderzoeksverslag worden vermeld. Zo wordt in het onderzoeksverslag gesteld dat van de lijst die verzoeker op 11 september 2016 aan de TAC heeft bezorgd heel wat materiaal beschikbaar was, dat er op de speelplaats permanent vijf afgedankte auto’s staan die verzoeker mag gebruiken als oefenmateriaal, dat verzoeker beschikt over oefenmateriaal via werken voor derden, en dat een colle- ga een motor van een Honda ter beschikking stelde. Bovendien stelt de kamer van beroep dat van verzoeker mocht worden verwacht dat hij in een loyale opstelling een uitweg zou zoeken om op 8 mei 2017 les te kunnen geven. In het onderzoeksverslag wordt vermeld dat het klopt dat verzoeker op 8 mei 2017 niet beschikte over defecte of versleten rem- men terwijl hij die dag van plan was om daarover les te geven met het oog op het bereiken van leerplandoelstelling 25.36, maar dat uit zijn jaarvorderingsplan niet blijkt dat hij die les effectief op die dag of die week had gepland. Bovendien wist hij reeds op vrijdag 5 mei dat er op maandag 8 mei geen remmensets zouden zijn. De onderzoekers wijzen er in hun verslag op dat dit niet wegneemt dat er op de speelplaats nog vijf andere afgedankte wagens stonden en dat verzoeker de brug van de werkplaats carrosserie kon gebruiken. De redenen waarom dit volgens verzoeker praktisch niet realiseerbaar is, wordt door de onderzoekscel aan de hand van verklaringen van de directie, de TAC en de collega’s van verzoeker en waarbij verzoeker telkens geconfronteerd wordt met hun argumenten, op omstan- dige wijze verworpen. Het verweer van verzoeker dat hij alle theorielessen reeds had gegeven, mist overtuigingskracht, aangezien uit het onderzoeksverslag blijkt dat hij les gaf op basis van het beschikbare didactisch materiaal en niet op basis van zijn jaarvorderingsplan of leerplandoelstellingen. Verzoeker herhaalt in het middel in wezen de argumenten die hij aan de onderzoekscel heeft voorgelegd en hij voegt hier nogmaals een eigen IX-9315-21/30 verklaring aan toe waarin hij een aantal feitelijke vaststellingen uit het onder- zoeksverslag betwist, maar hij maakt daarmee niet aannemelijk dat de kamer van beroep niet redelijkerwijze kon steunen op de bevindingen van de onderzoekscel.
- Wat de tweede tenlastelegging betreft over het betrekken van leerlingen bij het conflict met de directeur, de adjunct-directeur en de TAC, stelt de kamer van beroep dat de raad van bestuur deze tenlastelegging terecht bewe- zen heeft verklaard. Zij steunt hiervoor op de verklaringen, geciteerd in het on- derzoeksverslag, van vijf collega’s van verzoeker, op de eigen verklaring van verzoeker dat hij “eerlijk geantwoord” heeft op de vraag van de leerlingen waar- om er geen les was en op verklaringen van leerlingen waarin wordt verduidelijkt dat verzoeker “nog meer frustraties over de school en de TAC tegenover de leer- lingen had geventileerd”. Uit het voorgaande blijkt niet dat verzoeker wordt verweten de leerlingen te hebben aangespoord klacht in te dienen, maar enkel om de leerlin- gen betrokken te hebben in het conflict. De eventuele foutieve citering van de verklaring van een leerling doet dan ook niet ter zake. Voorts betwist verzoeker nergens zijn eigen verklaring en uit de verklaringen van collega’s van verzoeker blijkt dat zij hoorden dat verzoeker zich tegenover leerlingen negatief uitliet over de school en de TAC, zodat het niet gaat over verklaringen uit tweede hand. Ook het feit dat de leerkracht en leerlingen een organisch ge- heel vormen, houdt op zich niet in dat verzoeker de leerlingen mocht betrekken in zijn conflict met de directie en de TAC. Het volstond eenvoudig de leerlingen te informeren over het vermeend gebrek aan didactisch materiaal zonder hierbij de redenen toe te lichten waarom dit volgens hem het geval was. In de laatste memorie voert verzoeker nog aan dat de verklarin- gen van de leerlingen uit het debat moeten worden geweerd omdat in strijd met IX-9315-22/30 punt 42 van het charter van de onderzoekscel van het Gemeenschapsonderwijs niet de noodzaak is gemotiveerd om leerlingen te horen en er geen lid van het CLB aanwezig was tijdens de verhoren. Het betreft een nieuw argument dat ver- zoeker reeds in het verzoekschrift had kunnen aanvoeren. Voor het eerst aange- voerd in de laatste memorie is dit argument onontvankelijk.
- Verzoeker slaagt er niet in aannemelijk te maken dat de kamer van beroep de twee tenlasteleggingen niet als bewezen mocht beschouwen. Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Het tweede middel is genomen uit de schending van de materië- lemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Verzoeker licht toe dat hij voor het feit gedurende drie uur door overmacht geen les te hebben gegeven en de leerlingen mee betrokken te hebben in het conflict wordt gestraft “met een de facto schorsing van (meer dan) zes maanden”. Hij wijst erop dat de raad van bestuur hem sedert 20 december 2017 heeft geschorst en dat de kamer van beroep de schorsing handhaaft tot en met 30 juni 2018, “het- geen de facto een herbevestiging [is] van de initiële sanctie”. In het eerste onderdeel van het tweede middel voert verzoeker aan dat de tuchtstraf onzorgvuldig is doordat ze feitelijke grondslag mist. Hij ar- gumenteert dat de tenlasteleggingen niet bewezen zijn en hij verwijst ter staving naar zijn uiteenzetting van het eerste middel. In het tweede onderdeel van het tweede middel voert verzoeker aan dat de tuchtstraf onzorgvuldig is en onvoldoende materieel gemotiveerd doordat de motieven voor de opgelegde straf zeer summier zijn en er niet wordt IX-9315-23/30 geantwoord op door hem in het beroepschrift aangevoerde argumenten – namelijk dat hij een blanco tuchtverleden heeft, dat hij vijf keer positief werd geëvalueerd en alle evaluaties lovend zijn en zijn vaardigheden en inzet als leerkracht bevesti- gen, dat de tuchtstraf wordt opgelegd voor een eerste tekortkoming die is veroor- zaakt door toedoen van de school die geen didactisch materiaal ter beschikking stelt en dat er verzachtende omstandigheden zijn zoals overmacht gelet op de onmogelijkheid om praktijkles te geven als er geen praktijkmateriaal is en er geen alternatief voor de les over remsystemen voorhanden is. In het derde onderdeel van het tweede middel voert verzoeker aan dat de tuchtstraf disproportioneel is, hetgeen hij staaft met tal van argumen- ten. Zo stelt hij dat de thans opgelegde tuchtstraf voor twee bewezen bevonden tenlasteleggingen even zwaar is als de oorspronkelijke sanctie die voor vier bewezen geachte tenlasteleggingen was opgelegd. Hij wijst er ook op dat het gaat over een eerste tuchtstraf in een carrière van vijftien jaar en dat die werd opgelegd zonder waarschuwing of een lichtere tuchtstraf. Voorts betoogt verzoeker dat de tuchtstraf niet in verhouding staat tot het ten laste gelegde feit, namelijk eenmalig gedurende drie lesuren geen lesgeven omwille van overmacht. Verzoeker doet ook gelden dat het onredelijk is te stellen dat leerlingen mee betrokken zijn in het conflict met de directie. Hij herhaalt in dat verband dat de vakleerkracht en de leerlingen een organisch geheel vormen en dat het evident is dat leerlingen geconfronteerd worden met en betrokken worden in het conflict wanneer dit rechtstreeks te maken heeft met het lesmateriaal dat no- dig is. IX-9315-24/30 Voorts stelt verzoeker dat het proces-verbaal van de hoorzitting van 20 december 2017 de ware drijfveer achter de tuchtstraf onthult, namelijk hem een lesje leren en duidelijk laten voelen wie de baas is. Volgens verzoeker worden niet zozeer de feiten maar zijn houding bestraft. Verzoeker argumenteert ook dat ten onrechte wordt gesteld dat hij na iedere les het didactisch materiaal zou weggooien en dus intentioneel zou handelen. Hij herhaalt dat hij de gebruikte onderdelen opborg in een centrale bak waarvan de inhoud systematisch wordt geledigd en verkocht als oud ijzer en dat de opbrengst wordt gebruikt om nieuw materiaal mee aan te schaffen. Volgens verzoeker wordt hierover ook ten onrechte gesteld dat zijn leerlingen het slachtof- fer zijn van zijn handelwijze. Hij is van oordeel dat zijn leerlingen het slachtoffer zijn van het gebrek aan investeringen door de school in didactisch materiaal en van het plaatsen van nutteloze apparatuur in het leslokaal. Vervolgens betoogt verzoeker dat ten onrechte wordt beweerd dat de hefbrug een existentieel probleem voor hem zou zijn. Hij stelt dat de brug een essentieel onderdeel is van het didactisch materiaal en dat het weghalen ervan een nodeloos kwetsende en demotiverende maatregel was die louter als doel had hem uit te dagen om hem daarna te kunnen bestraffen. Ten slotte doet verzoeker gelden dat de tuchtstraf kadert in een volledig georkestreerd scenario om hem tijdens het schooljaar 2017-2018 buiten de school te houden.
- In de memorie van wederantwoord betwist verzoeker de stelling van de verwerende partij dat de duur van de tuchtmaatregel slechts twee en een halve maand zou bedragen. Hij stelt dat het volkomen onduidelijk is wat de duur van de tuchtstraf is nu deze niet in maanden is beschreven. De kamer van beroep heeft enkel een einddatum bepaald zonder een startdatum te vermelden. Volgens verzoeker had de kamer van beroep gelet op de preventieve schorsing die reeds lang liep ook kunnen vaststellen dat de schorsing reeds op voldoende wijze was IX-9315-25/30 uitgevoerd. In ieder geval blijkt, zo stelt verzoeker, dat de tuchtstraf is uitgespro- ken op 19 maart 2018 zodat de duur ervan drie en een halve maand bedroeg. Het tijdstip van betekening speelt volgens hem hierbij geen rol. In de mate dat de verwerende partij stelt dat in de bestreden beslissing wel is gemotiveerd dat er geen sprake is van overmacht zodat bij de strafmaat hiermee geen rekening moet worden gehouden, doet verzoeker gelden dat de kamer van beroep dan nog had moeten vaststellen dat de school in haar beleid het onwettig standpunt toepast dat een leraar minstens gedeeltelijk verant- woordelijk is voor het verwerven van materiaal. Volgens verzoeker is dit min- stens een verzachtende omstandigheid voor de actie die hij als gevolg hiervan heeft ondernomen. Hij wijst erop dat de kamer van beroep haar strafmaat enkel motiveert door te verwijzen naar zijn eigengereid gedrag. Volgens verzoeker is zijn gedrag echter een direct gevolg van het onwettige beleid dat de school ten aanzien van hem en zijn leerlingen voert en hij meent dat de kamer van beroep hiermee rekening had moeten houden bij het bepalen van de strafmaat. Met betrekking tot de proportionaliteit van de sanctie benadrukt verzoeker dat hij drie en een halve maand wordt geschorst voor het feit dat hij gedurende drie uur geen les heeft gegeven. Voorts stelt hij dat de teneur van het proces-verbaal van de hoorzitting, de langdurige preventieve schorsing, het tijd- stip waarop de preventieve schorsing is ingegaan en de onbepaalde duur van de schorsing eens te meer bewijzen dat het de bedoeling was om hem definitief uit de school te verwijderen. Beoordeling
- In zoverre verzoeker in zijn middel aanvoert dat de bestreden beslissing onzorgvuldig en niet materieel gemotiveerd is omdat de tenlasteleg- gingen niet zijn bewezen, kan worden verwezen naar de beoordeling van het eer- ste middel waarin is vastgesteld dat verzoeker faalt om dit aannemelijk te maken. IX-9315-26/30
- Wat betreft de schending van het evenredigheidsbeginsel, kan worden opgemerkt dat de tuchtoverheid bij het bepalen van de aard en de zwaarte van de tuchtstraf beschikt over een ruime appreciatiebevoegdheid, die de rede- lijkheid als grens heeft. Zij moet daarbij rekening houden met de aard van de ten laste gelegde feiten, de tuchtrechtelijk vervolgde persoon, de omstandigheden waarin de feiten zijn gepleegd, de goede werking van de dienst en de weerslag van de inbreuk en de bestraffing op het gedrag van andere personeelsleden. De Raad van State mag zich bij de beoordeling van de redelijkheid van de opgelegde tuchtstraf niet in de plaats van de tuchtoverheid stellen. Hij vermag enkel een volkomen in wanverhouding tot de fout staande straf als onwettig te kwalificeren, dit is een straf waarvan het in redelijkheid ondenkbaar is dat enige overheid ze voor die fout zou opleggen. Ingevolge de devolutieve werking van het georganiseerd admi- nistratief beroep verwerft de kamer van beroep de beslissingsmacht over de tuchtzaak zelf, op dezelfde wijze als de tuchtoverheid, en zij stelt haar beslissing in de plaats van die van de tuchtoverheid. Dit houdt in dat de kamer van beroep – uitgezonderd op het vlak van de straftoemeting die zij niet mag verzwaren – over dezelfde ruime discretionaire bevoegdheid beschikt als de tuchtoverheid om te oordelen over de bij haar aanhangig gemaakte tuchtzaak en om tegen de aan een personeelslid toegeschreven feiten tuchtrechtelijk op te treden. De kamer van beroep spreekt zich uit op grond van een eigen beoordeling, zowel in rechte als in feite. De kamer van beroep mag een andere kwalificatie aan de feiten geven. Zij mag ook beslissen om een lichtere – of geen – tuchtstraf op te leggen.
- Voor zover het middel steunt op een aangevoerde onevenredig- heid tussen de door de kamer van beroep in aanmerking genomen feiten en de door haar opgelegde sanctie, wordt eraan herinnerd dat het eigen is aan de uitoe- fening van een discretionaire bevoegdheid – zoals de tuchtbevoegdheid – dat uit- eenlopende beslissingen denkbaar zijn die nochtans elk de toets aan het evenre- digheidsbeginsel doorstaan. IX-9315-27/30
- In de bestreden beslissing is de kamer van beroep van oordeel dat de eerste twee tenlasteleggingen bewezen zijn en zij legt de tuchtmaatregel ‘schorsing tot en met 30 juni 2018’ op. De keuze voor die strafmaat wordt als volgt gemotiveerd: “De Kamer van Beroep is van oordeel dat de eerste twee tenlasteleggingen, die de neerslag zijn van het eigengereid gedrag van de verzoeker, een tucht- straf noodzaakt die voor hemzelf tastbare gevolgen heeft en die ook zicht- baar is voor derden. Een tijdelijke verwijdering uit de dienst is daarom evenredig aan de bewezen feiten. In de hoop dat de verzoeker zich over zijn houding zal beraden en dat hij uit deze tuchtstraf de nodige lessen zal trekken op het vlak van loyauteit bin- nen het schoolteam en de persoonlijke inzet die van hem verwacht mag worden, acht de Kamer van Beroep het aangewezen de verzoeker tuchtrech- telijk te schorsen tot 30 juni 2018.” De kamer van beroep zet uiteen waarom zij de tuchtmaatregel oplegt. Zij blijkt hierbij zowel rekening te hebben gehouden met de ernst van de feiten als met het eigengereid optreden van verzoeker. De kamer van beroep heeft voorts de hoop uitgedrukt dat verzoeker de nodige lessen zal trekken uit de tucht- straf op het vlak van loyauteit en geoordeeld dat een schorsing tot 30 juni 2018 volstaat als signaal om het gedrag van verzoeker bij te sturen. Het loutere gegeven dat niet elk argument van verzoeker met betrekking tot de keuze van de strafmaat in de bestreden beslissing is beant- woord, doet niet besluiten tot een schending van de materiëlemotiveringsplicht. Het volstaat dat blijkt om welke redenen de beslissing is genomen en dat de aan- gehaalde redenen volstaan om de bestreden beslissing te dragen. Dat is hier het geval.
- Anders dan verzoeker stelt, houdt de tuchtstraf opgelegd door de kamer van beroep geen bevestiging in van de beslissing van de raad van be- stuur. Daar waar de raad van bestuur in zijn beslissing de schorsing voor de duur van zes maanden heeft opgelegd, legt de kamer van beroep verzoeker in haar be- slissing van 19 maart 2018 de tuchtmaatregel van de schorsing ‘tot en met 30 juni 2018’ op. IX-9315-28/30 Niet wordt betwist dat de beslissing van de kamer van beroep aan verzoeker slechts werd betekend op 10 april 2018 zodat de beslissing pas op die datum uitwerking heeft gekregen. In casu werd verzoeker bijgevolg slechts een schorsing opgelegd van ongeveer twee en een halve maand. De argumenten dat verzoeker een blanco tuchtverleden heeft en dat het onredelijk is te stellen dat hij de leerlingen heeft betrokken in het conflict met de school, tonen niet aan dat de opgelegde tuchtmaatregel disproportioneel is. Evenmin maakt de omstandigheid dat verzoeker dit een zware straf vindt voor het feit drie lesuren geen les te hebben gegeven, de straf onredelijk. Met de verwijzing naar het proces-verbaal van 20 december 2017 waaruit de ware drijfveer voor de tuchtsanctie zou blijken eensdeels en het betwisten van het feit dat hij na elke les het lesmateriaal zou weggooien en dat de hefbrug een existentieel probleem zou vormen anderdeels, toont verzoeker even- min aan dat de straf in volkomen wanverhouding staat tot de feiten.
- Het tweede middel is niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. IX-9315-29/30 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes- tien december tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samen- gesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9315-30/30 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.252 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div