id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.260 Rolnummer: A. 224249/IX-9220 Zaak: Arrest 249260 - Personeel van de griffies en parketten - 16/12/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-12-31 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-20 01:50 Fiche Arrest nr 249.260 van 16 december 2020 Justitie - Personeel van de griffies en parketten Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 249.260 van 16 december 2020 in de zaak A. 224.249/IX-9220 In zake : de ALGEMENE CENTRALE DER OPENBARE DIENSTEN woonplaats kiezend te 1000 Brussel Fontainasplein 9-11 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ingrid Martens kantoor houdend te 9000 Gent Gustaaf Callierlaan 291 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stefaan Verbouwe kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 270 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 17 januari 2018, strekt tot de nietigverklaring van de “dienstnota ‘invoering elektronische registratie arbeidstijd, verloven en afwezigheden’ [van de hoofdgriffier] van 14 december 2017 die van toepassing is op de vredegerechten en de politierechtbank van het arrondissement West-Vlaanderen”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-9220-1/15 Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 september
- Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ingrid Martens, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Rutger Robijns, die loco advocaat Stefaan Verbouwe verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 13 december 2017 beslist het directiecomité vredegerechten en politierechtbank van het arrondissement West-Vlaanderen, dat met ingang van 1 januari 2018 een systeem van elektronische registratie van de arbeidstijd, verloven en afwezigheden in gebruik zal worden genomen. Het directiecomité keurt de ontwerpnota van de hoofdgriffier hierover goed en vraagt hem deze te “finaliseren” en te verspreiden onder het personeel. IX-9220-2/15 3.
- Ter uitvoering van de voormelde beslissing van 13 december 2017 verspreidt de hoofdgriffier op 14 december 2017 de dienstnota ‘invoering elektronische registratie arbeidstijd, verloven en afwezigheden’ onder het personeel via e-mail. Wat de griffiers betreft, is deze dienstnota enkel van toepassing op de elektronische registratie van verloven en afwezigheden. Dat is de thans bestreden beslissing. IV. Rechtsmacht van de Raad van State Standpunt van de partijen
- De verwerende partij werpt op dat de Raad van State zonder rechtsmacht is voor zover het beroep ook gericht is tegen de bepalingen van de dienstnota die betrekking hebben op de griffiers.
- In haar memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij dat zij zich op dat punt naar de wijsheid van de Raad van State gedraagt. Beoordeling 6.
- Artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidt als volgt: “§
- Indien het geschil niet door de wet aan een ander rechtscollege wordt toegekend, doet de afdeling uitspraak, bij wijze van arresten, over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen: 1° van de onderscheiden administratieve overheden; 2° van de wetgevende vergaderingen of van hun organen, daarbij inbegrepen de ombudsmannen ingesteld bij deze assemblees, van het Rekenhof en van het Grondwettelijk Hof, van de Raad van State en de administratieve rechtscolleges evenals van organen van de rechterlijke macht en van de Hoge Raad voor de Justitie, met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van hun personeel, evenals de aanwerving, de aanwijzing, de benoeming in een openbaar ambt of de maatregelen die een tuchtkarakter vertonen. De in het eerste lid bedoelde onregelmatigheden geven slechts IX-9220-3/15 aanleiding tot een nietigverklaring als ze, in dit geval, een invloed konden uitoefenen op de draagwijdte van de genomen beslissing, de betrokkenen een waarborg hebben ontnomen of als gevolg hebben de bevoegdheid van de steller van de handeling te beïnvloeden. Artikel 159 van de Grondwet is eveneens van toepassing op de in het eerste lid, 2°, bedoelde akten en reglementen.” 6.
- De bestreden beslissing gaat uit van een orgaan van de rechterlijke macht. 6.
- De bevoegdheid van de Raad van State voor vorderingen gericht tegen beslissingen van organen van de rechterlijke macht is echter beperkt tot beslissingen met betrekking tot de “leden van hun personeel”. Zoals de Raad van State reeds in zijn arresten nr. 106.172 van 29 april 2002 en nr. 218.060 van 16 februari 2012 heeft aangenomen en dit op basis van de uiteenzetting in de parlementaire voorbereiding van de wet van 25 mei 1999 ‘tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, van de wet van 5 april 1955 inzake de wedden van de ambtsdragers bij de Raad van State, alsook van het Gerechtelijk Wetboek’ (Parl.St. Kamer 1998-99, nr. 1960/8, 4; Parl.St. Senaat 1998-99, nr. 361/3, 3 en 5) wordt met de woorden “leden van hun personeel” gedoeld op het administratief personeel van de griffies en de parketten en niet op de griffiers, die als organen van de rechterlijke macht en behorend tot de rechterlijke orde moeten worden beschouwd. In voornoemd arrest nr. 218.060 van 16 februari 2012 heeft de Raad van State hierbij nog onderstreept dat, sinds de wijzigingen die met de wet van 25 april 2007 ‘tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzonderheid met betrekking tot bepalingen inzake het gerechtspersoneel van het niveau A, de griffiers en de secretarissen en inzake de rechterlijke organisatie’ zijn aangebracht aan het statuut van de leden van de griffie en het parketsecretariaat, artikel 168 van het Gerechtelijk Wetboek nu zelfs uitdrukkelijk bepaalt dat de griffier “een gerechtelijke functie uit[oefent]” met specifieke bevoegdheden die aanleunen bij de opdracht van de magistraten die hij bijstaat, hetgeen hem onderscheidt van het “personeel verbonden aan een griffie, een parketsecretariaat of een steundienst” waarop de artikelen 177 en 178 van het IX-9220-4/15 Gerechtelijk Wetboek van toepassing zijn. De Raad van State bevestigt dit standpunt voor de voorliggende zaak. 6.
- Aangezien een griffier geen lid is van het personeel van een rechtbank en de Raad van State enkel kennis vermag te nemen van beroepen gericht tegen beslissingen van de organen van de rechterlijke macht met betrekking tot dat personeel, moet de Raad van State zich onbevoegd verklaren in zoverre de nietigverklaring wordt gevraagd van de dienstnota in de mate dat deze van toepassing is op de griffiers.
- De exceptie is gegrond. V. Ontvankelijkheid A. Exceptie ratione materiae Standpunt van de partijen
- In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij op dat de dienstnota slechts een uitvoeringsbeslissing is die onlosmakelijk verbonden is met de beslissing van het directiecomité van 13 december 2017 om een systeem van elektronische registratie van de arbeidstijden, van de verloven en afwezigheden in te stellen. Tegen een dergelijke uitvoeringsbeslissing kan volgens haar geen afzonderlijk annulatieberoep worden ingesteld en ze dient het lot van de beslissing van het directiecomité te volgen.
- In haar memorie van wederantwoord repliceert de verzoekende partij dat deze dienstnota niet een loutere uitvoeringsbeslissing is van de voornoemde beslissing van het directiecomité van 13 december
- De dienstnota bevat daarentegen de ganse uitwerking van de regels inzake de elektronische registratie van de arbeidstijd, verloven en afwezigheden. In de dienstnota worden de details van de regeling en de modaliteiten van de regeling IX-9220-5/15 gedetailleerd uitgewerkt. Zo wordt onder meer geregeld “op welke wijze men inklokt en uitklokt, hoeveel uren een hele werkdag en hoeveel uren een halve werkdag bedraagt, de maximumprestatie per werkdag, het toekennen van een bonificatie voor verloren tijd, de wijze van nemen van compensatie, de vroegste inkloktijd en de laatste uitkloktijd, de stamtijden en glijtijden, de middagpauze, de verplichting om gebruik te maken van het elektronisch verlofblad om verlof aan te vragen, verlofaanvragen dienen gericht te worden aan de leidinggevende, de wijze van annuleren van verlof of afwezigheid, het melden van fouten of problemen, ...” Volgens de verzoekende partij zijn dat duidelijke verordeningsbepalingen en algemene maatregelen en richtlijnen inzake arbeidsduur en organisatie van het werk en gaan deze veel verder dan gewoon maar uitvoering geven aan een beslissing tot invoering van een systeem van elektronische registratie. Het is de ganse praktische uitwerking en het vastleggen van de regels ervan. Tegen deze dienstnota kan dan ook een afzonderlijk annulatieberoep worden ingesteld daar ze allerlei nieuwe regels inzake arbeidsduur en organisatie van het werk vastlegt. Beoordeling
- In tegenstelling tot wat de verwerende partij opwerpt, blijkt uit het verslag van het directiecomité van 13 december 2017 dat de hoofdgriffier een ontwerp van dienstnota heeft opgesteld en heeft voorgelegd aan de leden van het directiecomité. Deze hebben hierover geen opmerkingen geformuleerd. Vervolgens werd hem de taak toevertrouwd deze dienstnota te “finaliseren” en te verspreiden onder het personeel. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de eerste veruitwendiging van de inhoud van het elektronisch systeem voor registratie van de arbeidstijden, de verloven en de afwezigheden naar het personeel toe, te vinden IX-9220-6/15 is in de dienstnota. Uit het ruime assortiment aan maatregelen (vastleggen maximumprestaties per dag, vastleggen vroegste en laatste inkloktijd, vastleggen minimale tijd middagpauze en uur van aanvang, vastleggen maximaal compensatiesaldo) dat erin is opgenomen, kan worden afgeleid dat de dienstnota een formeel bestaan leidt dat voldoende los kan worden gezien van de beslissing van het directiecomité om een elektronisch systeem voor de registratie van arbeidstijd, verloven en afwezigheden in te voeren. Aan de hoofdgriffier werd een zekere discretionaire beslissingsmarge gegeven die niet geheel gelijkloopt met wat in het directiecomité bepaald werd. De dienstnota gaat uit van de hoofdgriffier en is alleen door hem ondertekend. Daaruit volgt dat de dienstnota op zich een aanvechtbare beslissing is.
- De exceptie wordt verworpen. B. Exceptie inzake het belang Standpunt van de partijen
- In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij de vraag op of de verzoekende partij wel van het vereiste belang getuigt, in de mate dat de vordering de eerdere beslissing van het directiecomité ongemoeid laat en bijgevolg de beslissing tot het invoeren van de elektronische registratie van de arbeidstijd, verloven en afwezigheden, zoals verwoord in de dienstnota, onverkort laat en de gevorderde vernietiging niet tot een tastbaar resultaat zal leiden.
- In haar memorie van wederantwoord repliceert de verzoekende partij dat zij er op zich geen probleem mee heeft dat een systeem van elektronische registratie wordt ingevoerd, zodat zij dit ook niet diende aan te vechten. Wel stelt zij er een probleem mee te hebben dat de ganse regeling via een dienstnota verder wordt uitgewerkt en hierover niet met haar werd onderhandeld. Zij stelt dan ook belang te hebben bij de vernietiging van de dienstnota op zich die allerlei IX-9220-7/15 richtlijnen, maatregelen en regels vaststelt inzake arbeidsduur waarover niet werd onderhandeld. Beoordeling
- In haar repliek voert de verzoekende partij in essentie aan dat de uitgewerkte maatregelen met haar dienden te worden ‘onderhandeld’, minstens ‘overlegd’, hetgeen niet is gebeurd. Zij beroept zich op de schending van haar prerogatieven en voert ter zake vier middelen aan die betrokken zijn op de schending van die prerogatieven.
- De verzoekende partij is een vakorganisatie die door de overheid bij haar werking is betrokken; zij heeft in die hoedanigheid er een functioneel belang bij om de aan haar toegekende prerogatieven, zoals de bevoegdheid tot onderhandeling of overleg, geëerbiedigd te zien. Zoals bij de beoordeling van de exceptie ratione materiae (sub 10) is gesteld, kan de dienstnota bovendien los worden gezien van de beslissing van het directiecomité om een elektronisch systeem voor de registratie van arbeidstijd, verloven en afwezigheden in te voeren.
- De exceptie moet worden verworpen. VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 17.
- In het eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 2, § 1, 2°, van de wet van 19 december 1974 ‘tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel’. Volgens IX-9220-8/15 haar wordt met deze dienstnota een regeling ingevoerd van elektronische registratie van de arbeidstijd en elektronische registratie van de verloven en afwezigheden en worden erin “de details van de regeling en de modaliteiten van de regeling gedetailleerd uitgewerkt”. Het gaat dan ook om verordeningsbepalingen en algemene maatregelen en richtlijnen inzake arbeidsduur en organisatie van het werk waarover op grond van artikel 2, § 1, 2°, van de wet van 19 december 1974 voorafgaand aan de invoering ervan, onderhandelingen met de representatieve vakorganisaties dienden te worden gevoerd. 17.
- In haar laatste memorie benadrukt de verzoekende partij nogmaals dat het in casu om een onderhandelingsmaterie gaat en niet louter om een overlegmaterie. Het directiecomité besliste immers op 13 december 2017 tot de invoering van een systeem van elektronische registratie van de arbeidstijd, verloven en afwezigheden en ter uitvoering van die beslissing heeft de hoofdgriffier van de vredegerechten en de politierechtbank van het arrondissement West-Vlaanderen op 14 december 2017 een dienstnota ‘invoering elektronische registratie arbeidstijd, verloven en afwezigheden’ opgesteld. De beslissing van 13 december 2017 van het directiecomité tot invoering van een systeem van elektronische registratie betreft een zeer algemene beslissing inzake arbeidsduur en organisatie van het werk. De verdere uitwerking van die algemene beslissing betreft geen kleine details van de regeling. Het betreft hoe het systeem van elektronische registratie er precies gaat uitzien. Deze dienstnota bevat “een hele resem aan verordenende bepalingen en algemene richtlijnen inzake arbeidsduur en organisatie van het werk”. De wijze waarop men inklokt en uitklokt, hoeveel uren een hele werkdag en hoeveel uren een halve werkdag bedragen, de maximumprestatie per werkdag, het toekennen van een bonificatie voor verloren tijd, de wijze van nemen van compensatie, de vroegste inkloktijd en de laatste uitkloktijd, de stamtijden en glijtijden, de middagpauze, de verplichting om gebruik te maken van het elektronisch verlofblad om verlof aan te vragen, het feit dat verlofaanvragen gericht dienen te worden aan de leidinggevende, de wijze van annuleren van verlof of afwezigheid, het melden van fouten of problemen. Dit zijn volgens de verzoekende partij allemaal essentiële bepalingen van het systeem van IX-9220-9/15 elektronische registratie. Ze vormen de basis van het systeem en zijn geen kleine details. Beoordeling 18.
- Artikel 2, § 1, 2°, van de voornoemde wet van 19 december 1974 luidt als volgt: “Behoudens in de door de Koning bepaalde spoedgevallen en in de andere door Hem bepaalde gevallen, kunnen de bevoegde administratieve overheden niet dan na onderhandeling met de representatieve vakorganisaties in de daartoe opgerichte comités vaststellen: […] 2° verordeningsbepalingen welke zij uitvaardigen, algemene maatregelen van inwendige orde en algemene richtlijnen, met het oog op de latere vaststelling van de personeelsinformatie of inzake arbeidsduur en organisatie van het werk. De Koning bepaalt wat onder organisatie van het werk dient te worden verstaan in de zin van deze wet. Aan de daartoe vast te stellen besluiten gaan de in dit artikel voorgeschreven onderhandelingen vooraf.” Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 19 december 1974 blijkt de wil van de wetgever om een onderscheid te maken tussen “belangrijke” of “essentiële” aspecten van onder meer het administratief statuut, die aan onderhandeling worden onderworpen, en minder belangrijke aspecten ervan die aan overleg worden onderworpen (Parl.St. Kamer 1970-1971, nr. 889/1, 6). De hiervóór aangehaalde bepalingen moeten restrictief worden geïnterpreteerd, aangezien verplichte, voorafgaande syndicale onderhandelingen een remmende werking hebben op de normale gelding van de wet van de veranderlijkheid die het bestuurlijk optreden beheerst. 18.
- In de voorliggende zaak besliste het directiecomité vredegerechten en politierechtbank van het arrondissement West-Vlaanderen op 13 december 2017 principieel dat met ingang van 1 januari 2018 een systeem van elektronische registratie van de arbeidstijd, verloven en afwezigheden in gebruik zou worden genomen. Zoals de verzoekende partij zelf benadrukt, heeft zij geen IX-9220-10/15 probleem “met de beslissing op zich om een systeem van elektronische registratie in te voeren zodat [zij] dit ook niet diende aan te vechten”. De nadere invulling van dat systeem is echter concreet en in detail uitgewerkt in de bestreden dienstnota die hoe dan ook is ingebed in een bestaande structuur van arbeidstijden, verloven en afwezigheden, voorzien in de statuten. Mede in acht genomen dat ‘onderhandelingsmateries’ restrictief moeten worden geïnterpreteerd, kan de bestreden dienstnota bezwaarlijk als een algemene maatregel van inwendige orde of een algemene regeling inzake arbeidsduur en organisatie van het werk worden beschouwd, zoals bedoeld in artikel 2 , § 1, 2°, van de voornoemde wet van 19 december 1974 waarover voorafgaand onderhandelingen met de vakorganisaties dienden te worden gevoerd.
- Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
- In ondergeschikte orde voert de verzoekende partij in het tweede middel de schending aan van artikel 11, § 1, van de wet van 19 december
- Indien de Raad van State van oordeel zou zijn dat de in de bestreden dienstnota vervatte materie niet als onderhandelingsmaterie dient te worden gekwalificeerd, diende volgens de verzoekende partij in ieder geval hierover met de representatieve vakorganisaties te worden overlegd omdat het om een regeling gaat inzake arbeidsduur en organisatie van het werk.
- In haar laatste memorie stelt de verwerende partij in verband met het tweede middel hetgeen volgt: “Over het onderscheid tussen overleg en onderhandeling wordt bij voorbereidende werkzaamheden (Parl.St. Kamer 1970 - 1971 nr. 889/1, p. 5-6) als volgt geschreven: ‘Het onderscheid tussen overleg en onderhandeling ligt niet in de IX-9220-11/15 beperking van de mogelijkheden der te onderzoeken kwesties, hoewel er een duidelijk verschil bestaat met die waarover moet worden onderhandeld maar wel in het feit dat de ondernomen procedure haar beslag krijgt. Alzo eindigt het overleg enkel op een met redenen omklede resolutie welke aan de overheid die de beslissing moet nemen rechtstreeks wordt toegezonden. Na het toezenden van die resolutie moet de overheid geen enkel bescheid geven zoals dit het geval is bij de onderhandeling.’ ‘Onderhandelen’ betekent dus dat de vakbondsafvaardiging de gelegenheid krijgt om teksten te bespreken en aan te geven of er een akkoord is of niet. De vakbondsafvaardiging brengt dan de veranderingen aan die noodzakelijk worden geacht. Bij ‘overleg’ kan er niet worden aangegeven of de vakbondsafvaard[ig]ing al dan niet akkoord is. De vakbondsafvaardiging lichten enkel het standpunt toe. Dat verschil is belangrijk daar er in het kader van het overleg dus niet noodzakelijk toegiften moeten plaatsvinden en het initiatief eerder bij de overheid ligt.
- Uit de dienstnota inzake invoering elektronische registratie arbeidstijd, verloven en afwezigheden blijkt dat: ‘Op het directiecomité van 13 december 2017 werd beslist dat met ingang van 01/01/2018 door de politierechtbank en de vredegerechten van het arrondissement West-Vlaanderen gebruik zal gemaakt worden van de elektronische registratie van de arbeidstijd, verloven en afwezigheden. Deze dienstnota is het resultaat van overleg met de afdelingsgriffiers van de politierechtbank en de griffiers-hoofd van dienst van de vredegerechten. Er werd gestreefd naar een uniforme regeling binnen de entiteit. Dit houdt in dat de arbeidsvoorwaarden, de verloven en afwezigheden van alle personeelsleden van de vier afdelingen van de politierechtbank en de griffies van de Vredegerechten worden gelijkgeschakeld.’ Zodoende is er op de werkvloer aftoetsing geweest omtrent de dienstnota en zulks met de nodige betrokken actoren verbonden met de arbeidsorganisatie van de griffies van de politierechtbanken en de vredegerechten van het arrondissement West-Vlaanderen. Klaarblijkelijk zijn er naar aanleiding daarvan geen opmerkingen gekomen m.b.t. de voorgenomen invulling van de beslissing van 13 december 2017 en de inhoud van het ontwerp van dienstnota. Er moet worden vastgesteld dat het doel van het overleg weldegelijk werd bereikt door overleg met de afdelingsgriffiers van de politierechtbank en de griff[i]ers-hoofd van dienst van de Vredegerechten. De ACOD kan de substantiële vormvereiste dan ook niet met goed gevolg inroepen nu er weldegelijk overleg heeft plaatsgevonden en haar belangen niet werden geschaad.” Beoordeling 22.
- Artikel 11, § 1, van de voornoemde wet van 19 december 1974 luidt: “Behoudens in de door de Koning bepaalde spoedgevallen en in de andere door Hem bepaalde gevallen, kunnen de bevoegde administratieve overheden niet dan na overleg met de representatieve vakorganisaties, naargelang van het geval, in de overeenkomstig artikel 10 opgerichte comités of in de door artikel 12bis bedoelde comités vaststellen: 1° beslissingen tot vaststelling van de personeelsformatie van de diensten die onder het betrokken overlegcomité ressorteren; 2° de regelingen welke de Koning krachtens artikel 2, § 1, 1°, laatste IX-9220-12/15 lid, niet als grondregelingen heeft beschouwd alsook die welke betrekking hebben op de arbeidsduur en op de organisatie van het werk, die eigen zijn aan voormelde diensten. Evenzo moet vooraf overleg worden gepleegd over maatregelen van inwendige orde en over richtlijnen betreffende een van de aangelegenheden bedoeld in het eerste lid, 2°. De overlegcomités brengen een met redenen omkleed advies uit over de voorstellen die hun op grond van deze paragraaf worden voorgelegd. Volgens dezelfde regelen kunnen bij die comités ook voorstellen aanhangig worden gemaakt, strekkend tot verbetering van de menselijke betrekkingen of tot opvoering van de produktiviteit.” Luidens de memorie van toelichting bij het ontwerp dat heeft geleid tot de wet van 19 december 1974, dient onder het begrip ‘arbeidsorganisatie’ of ‘organisatie van het werk’ te worden verstaan: “ofwel de toepassingsmaatregelen van die bedoeld in artikel 2, § 1, 2°, en waarvan de formulering nog steunt op de uitoefening van een zekere discretionaire macht, ofwel de bepalingen welke hiervan niet het verlengstuk zijn doch geen aanleiding kunnen geven tot normen of maatregelen met algemene strekking” (Parl.St. Kamer 1970-1971, nr. 889/1, 12). 22.
- Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de hoofdgriffier met de bestreden dienstnota nadere uitvoering geeft aan een eerder genomen principiële beslissing. Bij het uitwerken van die beslissing behoudt de hoofdgriffier een zekere discretionaire bevoegdheid. Over de dienstnota die vorm geeft aan voormelde beslissing diende dan ook de overlegprocedure gevolgd te worden. Ten onrechte stelt de verwerende partij dat aan de overlegverplichting is voldaan, omdat de bestreden “dienstnota […] het resultaat [is] van overleg met de afdelingsgriffiers van de politierechtbank en de griffiers-hoofd van dienst van de vredegerechten”. Zij gaat daarbij eraan voorbij dat artikel 11, § 1, van de voornoemde wet van 19 december 1974 uitdrukkelijk bepaalt dat inzake de aangelegenheden waarop artikel 11, § 1, van toepassing is, overleg met de representatieve vakorganisaties dient plaats te vinden. Aangezien vaststaat dat de overlegprocedure had moeten worden gevolgd, maar dit in casu niet is gebeurd, is de bestreden dienstnota IX-9220-13/15 genomen met miskenning van een substantiële vormvereiste voorgeschreven in artikel 11, § 1, van de wet van 19 december
- Het tweede middel is gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de dienstnota ‘invoering elektronische registratie arbeidstijd, verloven en afwezigheden’ van de hoofdgriffier van 14 december 2017 die van toepassing is op de vredegerechten en de politierechtbank van het arrondissement West-Vlaanderen, behalve in de mate dat deze van toepassing is op de griffiers.
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de vernietigde dienstnota.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. IX-9220-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien december tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9220-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.260 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div