← België

Arrest 249297 - Natuurbehoud - Vergunningen - 22/12/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.297 Rolnummer: A. 222944/VII-40066 Zaak: Arrest 249297 - Natuurbehoud - Vergunningen - 22/12/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-01-07 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-20 01:50 Fiche Arrest nr 249.297 van 22 december 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 249.297 van 22 december 2020 in de zaak A. 222.944/VII-40.066 In zake : Albert HENNES bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Martin Denys kantoor houdend te 1560 Hoeilaart de Quirinilaan 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk De Greef kantoor houdend te 1700 Dilbeek Eikelenberg 20 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 23 augustus 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 23 juni 2017 dat : - het beroep van verzoeker tegen het besluit van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna: OVAM) van 20 juli 2015 waarbij de OVAM beslist dat de eigenaar niet aantoont dat hij conform de bepalingen van artikel 12, § 2 van het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (hierna: bodemdecreet) niet verplicht is om het beschrijvend bodemonderzoek en de eventuele bodemsanering uit te voeren voor de gemengd-nieuwe bodemverontreiniging met minerale olie en BTEX in het vaste deel van de aarde en minerale olie, BTEX en MTBE in het grondwater, ongegrond verklaart, - het voormelde besluit van de OVAM van 20 juli 2015 bevestigt. VII-40.066-1/23 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 november
  3. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat John Toury, die loco advocaat Martin Denys verschijnt voor verzoeker, en advocaat Dirk De Greef, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De feiten werden uiteengezet in de arresten met de nummers 240.956 en 240.955 van 8 maart 2018 van de Raad van State. VII-40.066-2/23 3.
  6. De bestreden beslissing motiveert de conclusie dat verzoeker als eigenaar niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 12, § 2, eerste lid, 3° van het bodemdecreet als volgt: “Overwegende dat tot slot de beroeper tevens moet aantonen dat hij niet op de hoogte was en niet op de hoogte behoorde te zijn van de bodemverontreiniging op het ogenblik dat hij eigenaar van de grond werd; Overwegende dat de voorwaarde dat de beroeper niet op de hoogte was en niet op de hoogte behoorde te zijn van de bodemverontreiniging op het ogenblik dat hij eigenaar van de grond werd, als volgt geëvalueerd wordt; Overwegende dat de beroeper betoogt dat hij louter ondergeschikt ingaat op de verdere argumentatie met betrekking tot het kenniselement in de bestreden beslissing; dat hij verwijst naar de beleidslijn van de Vlaamse overheid betreffende de beoordeling van de kennisvoorwaarde bij erfgenamen in het kader van vrijstelling van saneringsplicht; dat beroeper stelt dat het in deze duidelijk is dat zelfs in het geval wanneer beroeper mocht zijn overgegaan tot het aanvragen van een saneringsvrijstelling in zijn hoedanigheid van eigenaar - quod non incasu - OVAM eveneens dit verzoek diende in te willigen nu het duidelijk is dat ook de rechtsvoorganger van beroeper (mevrouw REMACLE), in deze totaal onschuldig was; dat zoals reeds goed door de OVAM geweten is, de bodemverontreiniging in deze enkel en alleen begaan werd door de onderaannemers van de NV FINA EUROPE/TOTAL waarvoor deze laatsten volledig aansprakelijk zijn; dat in de mate dat de verantwoordelijken voor het begaan van een bodemverontreiniging reeds van bij het begin gekend zijn, de (onschuldige) eigenaar niet gehouden kan zijn tot het uitvoeren van een bodemsaneringsproject op zijn kosten; dat immers in een dergelijk geval OVAM zich onmiddellijk dient te keren tegen de vervuiler en dit op grond van het algemeen milieurechtsprincipe de vervuiler betaalt; dat hieraan nog verder dient te worden toegevoegd dat in het geval er onmiddellijke duidelijkheid is over de identiteit van de vervuiler, er geen beroep kan gedaan worden op de objectieve aansprakelijkheidsregels - deze laatsten werden immers door de wetgever in het leven geroepen voor het geval er geen duidelijkheid is over de daadwerkelijke aansprakelijke(n) - maar enkel de ‘gewone’ aansprakelijkheidsregels van kracht zijn; dat beroeper besluit dat als dusdanig duidelijk blijkt dat zelfs in het geval dat beroeper een saneringsvrijstelling zou hebben aangevraagd in zijn hoedanigheid van eigenaar, de saneringsvrijstelling diende te worden toegekend; Overwegende dat de tussenkomende partij van mening is dat de beroeper hoe dan ook niet voldoet aan de kennisvoorwaarde uit artikel 12, §2, 3° Bodemdecreet van 27 oktober 2006; dat volgens de beleidslijn van de Vlaamse overheid de erfgenamen worden ‘geacht niet te voldoen aan de kennisvoorwaarde als de erflater voor zijn overlijden voor de betrokken bodemverontreiniging door de OVAM saneringsplichtig werd gesteld en hij hiervoor het statuut van onschuldig eigenaar niet werd toegekend’; dat in casu mevrouw REMACLE door OVAM reeds saneringsplichtig werd gesteld in 1996; dat zij werd aangemaand tot het uitvoeren van een bodemsanering en in 2000 de in situ sanering opgestart werd; dat zij nooit het VII-40.066-3/23 statuut van onschuldig eigenaar aanvroeg en dit dus ook nooit toegekend kreeg; dat de saneringsplicht deel uitmaakte van de door de beroeper aanvaarde nalatenschap; dat bij het aanvaarden van de nalatenschap in 2004 de verontreinigde grond reeds het voorwerp uitmaakte van diverse bodemonderzoeken en actieve saneringsmaatregelen; dat op het ogenblik dat de beroeper eigenaar werd van de grond, hij dan ook ongetwijfeld kennis had van de bodemverontreiniging, hij minstens de nodige onderzoeken had kunnen doen om hier kennis van te nemen; Overwegende dat de OVAM erop wijst dat de saneringsplicht bij mevrouw REMACLE rustte en ingevolge haar overlijden bij de beroeper; dat de OVAM verder integraal verwijst naar de bestreden beslissing en bij haar standpunt blijft dat beroeper niet voldoet aan art. 12, §2 Bodemdecreet van 27 oktober 2006; Overwegende dat: - artikel 711 BW als volgt luidt: ‘Eigendom van goederen wordt verkregen en gaat over door erfopvolging, door schenking onder de levenden of bij testament, en uit kracht van verbintenissen.’; - artikel 718 BW als volgt luidt: ‘Erfenissen vallen open door de dood.’; - artikel 777 BW als volg luidt: ‘De aanvaarding werkt terug tot op de dag dat de erfenis is opengevallen.’; - artikel 778 BW als volgt luidt: ‘De aanvaarding kan uitdrukkelijk of stilzwijgend geschieden: zij geschiedt uitdrukkelijk, wanneer men in een authentieke of een onderhandse akte de titel of de hoedanigheid van erfgenaam aanneemt; zij geschiedt stilzwijgend, wanneer de erfgenaam een daad verricht die noodzakelijk zijn bedoeling om te aanvaarden insluit en die hij slechts in zijn hoedanigheid van erfgenaam bevoegd zou zijn te verrichten.’; - artikel 50 VLAREBO-besluit van 14 december 2007 als volgt luidt: ‘Bij de beoordeling van het feit of de eigenaar al dan niet op de hoogte was of op de hoogte behoorde te zijn van de bodemverontreiniging op het ogenblik van de verwerving, vermeld in artikel 12, §2, 3°, en artikel 23, §2, 3°, van het Bodemdecreet, wordt in het bijzonder rekening gehouden met de volgende elementen: 1° het tijdstip van de verwerving; 2° vermeldingen of aanwijzingen in de aankoopakte; 3° de hoedanigheid van de eigenaar; 4° de ervaring of beroepskennis van de eigenaar; 5° de aard, de zintuiglijke waarneembaarheid of de algemene bekendheid van de bodemverontreiniging; 6° de aard van de inrichting die aanleiding heeft gegeven tot de bodemverontreiniging; 7° de toestand van en de voorkennis over de verontreinigde grond; 8° beschikbare documenten met betrekking tot de verontreinigde grond.’; [Er volgt een uitvoerig overzicht van feitelijke en juridische ontwikkelingen, onderzoeken, verslagen en briefwisseling] Overwegende dat de beroeper eigenaar werd van de grond ingevolge het overlijden van zijn moeder, mevrouw GEORGETTE REMACLE, op 5 maart 2004; dat de beroeper op het ogenblik van de verwerving van de VII-40.066-4/23 grond dus in een bijzondere hoedanigheid verkeerde, met name deze van erfgenaam; dat bij de overdracht van een grond naar aanleiding van een overlijden de bijzondere overdrachtsregeling, die wordt voorzien in artikel 102 en volgende Bodemdecreet van 27 oktober 2006, niet van toepassing is en dat de erfgerechtigden bijgevolg niet kunnen genieten van die beschermingsregeling; dat met toepassing van artikel 50, 3° VLAREBO-besluit van 14 december 2007 de bijzondere hoedanigheid van erfgenaam een specifieke invulling van de kennisvoorwaarde rechtvaardigt; dat de positie van de erflater/erflaatster bij de beoordeling wordt betrokken; dat op hypothetische wijze wordt nagegaan of de erflater/erflaatster, indien deze de vrijstelling van de saneringsplicht zou aanvragen, hiervoor in aanmerking zou komen; dat, indien dit het geval is, diens erfgenamen worden geacht te voldoen aan de kennisvoorwaarde en dus worden vrijgesteld van de saneringsplicht, indien zij tevens kunnen aantonen dat zij de bodemverontreiniging niet zelf hebben veroorzaakt en dat de bodemverontreiniging is tot stand gekomen vóór het tijdstip waarop zij eigenaar werden van de grond; dat, indien de erflater/erflaatster niet aan de cumulatieve voorwaarden voor de vrijstelling van de saneringsplicht voldoet, de kennisvoorwaarde in concreto wordt beoordeeld in hoofde van de erfgenamen; Overwegende dat uit het hogervermelde blijkt dat de bodemverontreiniging ontstaan is ten tijde dat mevrouw GEORGETTE REMACLE eigenaar en exploitant was van de grond; dat bijgevolg duidelijk is dat de erflaatster niet zou voldoen aan de tweede voorwaarde van artikel 12, §2 Bodemdecreet van 27 oktober 2006 en aldus niet zou voldoen aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 12, §2 Bodemdecreet van 27 oktober 2006; Overwegende dat aangezien de erflaatster niet voldoet aan de vrijstellingsvoorwaarden, de kennisvoorwaarde in hoofde van de beroeper in concreto dient beoordeeld te worden; Overwegende dat het al dan niet kennis hebben of behoren te hebben van de verontreiniging dient te worden beoordeeld op het tijdstip van de verwerving van de grond; dat de beroeper de grond heeft verworven op 5 maart 2004 ingevolge het overlijden van zijn moeder, mevrouw GEORGETTE REMACLE; dat de beoordeling van de kennisvoorwaarde aldus dient te gebeuren op dit tijdstip; dat overeenkomstig vaste rechtspraak van de Raad van State de kennisvoorwaarde dient te worden gekoppeld aan de zorgvuldigheidsplicht; dat een eigenaar met andere woorden moet worden geacht de verontreiniging te kennen, indien kan worden aangenomen dat een zorgvuldig optredend eigenaar het nodige zou hebben gedaan om zich op de hoogte te stellen betreffende de verontreiniging; dat deze zorgvuldigheidsplicht bovendien moet worden gekaderd in de tijdsgeest; dat opdat van een eigenaar van een grond kan worden verwacht dat hij op het tijdstip van de verwerving kennis had en behoorde te hebben van de verontreiniging, er aanwijzingen nodig zijn die de eigenaar er konden op wijzen dat er mogelijk verontreiniging aanwezig is op de grond; dat artikel 50 VLAREBO-besluit van 14 december 2007 een niet-limitatieve opsomming geeft van elementen waarmee rekening dient gehouden te worden bij de beoordeling van de kennisvoorwaarde; Overwegende dat op het ogenblik dat de beroeper de grond verworven heeft ingevolge het overlijden van zijn moeder, mevrouw GEORGETTE VII-40.066-5/23 REMACLE, op 5 maart 2004, de bodemverontreiniging reeds gekend was en in kaart gebracht; dat in februari 1996 een druktest uitgevoerd werd op een ondergrondse benzinetank in het tankstation dat uitgebaat werd door de moeder van de beroeper; dat uit deze test bleek dat de tank lek was; dat als gevolg hiervan een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd werd; dat de OVAM mevrouw REMACLE meermaals wees op haar zelfstandige saneringsplicht voor de vastgestelde bodemverontreiniging; dat mevrouw REMACLE nooit vrijstelling van haar saneringsplicht bekomen heeft; dat vervolgens in 1998 een beschrijvend bodemonderzoek werd opgesteld dat op 29 oktober 1998 conform werd verklaard door de OVAM; dat vervolgens in opdracht van mevrouw REMACLE een bodemsaneringsproject werd opgesteld dat conform verklaard werd op 17 september 1999; dat de bodemsaneringswerken bestonden uit een grondwateronttrekking, gecombineerd met een bodemluchtextractie; dat de saneringswerken in 2000 aangevat werden; dat eerder al beheersmaatregelen uitgevoerd werden waarbij 20.000 liter puur product verwijderd werd door drijflaagrecuperatie; dat de saneringswerken op het ogenblik dat de beroeper eigenaar werd op 5 maart 2004, nog bezig waren; dat op dat moment duidelijk was dat er nog restverontreiniging aanwezig was op de grond; dat er reeds van op het ogenblik dat duidelijk werd in februari 1996 dat er een tank lek was, ook een rechtszaak ingespannen werd over de aansprakelijkheid voor de bodemverontreiniging waarin de moeder van de beroeper partij was, naast de tussenkomende partij; dat bovendien aangezien mevrouw REMACLE voor haar overlijden voor de betrokken bodemverontreiniging saneringsplichtig werd gesteld en dienaangaande geen vrijstelling van saneringsplicht heeft bekomen, de saneringsplicht deel uitmaakte van haar nalatenschap; dat derhalve dient gesteld te worden dat de beroeper op de hoogte was en behoorde te zijn van de bodemverontreiniging op het ogenblik dat hij eigenaar werd van de grond; Overwegende dat aan de derde voorwaarde van artikel 12, §2 Bodemdecreet van 27 oktober 2006 niet voldaan is; Overwegende dat de beroeper om het statuut van onschuldig bezitter te verkrijgen moet voldoen aan drie cumulatieve voorwaarden; dat aangezien aan de derde voorwaarde niet voldaan is, de beroeper niet aantoont dat hij conform de bepalingen van artikel 12, §2 Bodemdecreet van 27 oktober 2006 niet verplicht is om het beschrijvend bodemonderzoek en de eventuele bodemsanering uit te voeren; Overwegende dat volledigheidshalve wordt opgemerkt dat het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 een duidelijk onderscheid maakt tussen de saneringsplichtige en de saneringsaansprakelijke; dat bij de voorliggende gemengd nieuwe bodemverontreiniging overeenkomstig artikel 13 Bodemdecreet van 27 oktober 2006 de saneringsplichtige, vermeld in artikel 11 Bodemdecreet van 27 oktober 2006, diegene is die op eigen kosten het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering moet uitvoeren, maar desgevallend de kosten van dit beschrijvend bodemonderzoek of deze bodemsanering kan verhalen op de persoon die overeenkomstig artikel 16 Bodemdecreet van 27 oktober 2006 aansprakelijk is en van deze saneringsaansprakelijke een voorschot kan vorderen of eisen dat hij een financiële zekerheid stelt; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep ongegrond te verklaren en de bestreden beslissing te VII-40.066-6/23 bevestigen […]”. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunten van de partijen
  7. Verzoeker voert de schending aan van de artikelen 12, § 1 en 23, § 1 van het bodemdecreet, artikel 213 van het besluit van de Vlaamse regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (hierna: Vlarebo), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, alsook machtsoverschrijding en de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag. In een eerste onderdeel zet verzoeker uiteen dat de minister zijn aanvraag tot vrijstelling van saneringsplicht als exploitant ten onrechte heeft geweigerd omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden tot vrijstelling als eigenaar van de grond. Voor vrijstelling als exploitant respectievelijk eigenaar gelden nochtans niet dezelfde voorwaarden, en op de trapsgewijze aanwijzing als saneringsplichtige had verzoeker “hoe dan ook het recht […] een vrijstelling aan te vragen in zijn hoedanigheid van exploitant”. Hij stelt dat er geen rechtsgrond was om zijn aanvraag tot vrijstelling als exploitant te toetsen aan de voorwaarden tot vrijstelling als eigenaar, en dat “het gebrek aan wettelijk vereiste rechtsgrond een onwettigheid is die de openbare orde raakt” terwijl “in het bestreden besluit erkend wordt dat beroeper voldoet aan de voorwaarden om een vrijstelling te verkrijgen als exploitant, zodat beroeper zonder meer belang heeft bij het middel”. In een tweede onderdeel betoogt verzoeker dat de bestreden beslissing geen afdoende motivering bevat aangaande de argumentatie die hij in zijn bestuurlijk beroep heeft aangevoerd tegen het door de OVAM weigeren van VII-40.066-7/23 zijn aanvraag tot vrijstelling als exploitant omwille van het vermeende niet voldoen aan de voorwaarden tot vrijstelling als eigenaar. De bestreden beslissing diende minstens een motivering “te bevatten waarom een beroep tot vrijstelling als exploitant is essentie wordt ingewilligd, maar formeel wordt geweigerd omwille van een toets aan de voorwaarden voor een vrijstelling als eigenaar”.
  8. De verwerende partij antwoordt onder meer dat verzoeker door de OVAM werd gewezen op zijn saneringsplicht als eigenaar van de grond, en dat het ook logisch is dat in hoofde van wie zowel eigenaar is van de grond als er als exploitant op aanwezig is, meteen de strengste voorwaarden tot vrijstelling worden onderzocht.
  9. Verzoeker stelt nog in de laatste memorie dat het “allerminst ‘volstrekt logisch’” is dat “een verzoek vrijstelling als exploitant niet wordt getoetst aan de voorwaarden tot vrijstelling als exploitant, maar wordt behandeld als een verzoek tot vrijstelling als eigenaar” terwijl hij “het recht heeft een vrijstelling aan te vragen in zijn hoedanigheid van exploitant” en dat ook heeft laten gelden. Volgens verzoeker “vormen beweerde proces-economische redenen geen rechtsgrond om een verzoek tot vrijstelling als exploitant als onbestaande te beschouwen en te behandelen als een verzoek tot vrijstelling als eigenaar […] nu het bodemdecreet voorziet in een cascaderegeling met verschillende voorwaarden voor gebruiker, exploitant en eigenaar, en voorziet in verschillende bepalingen inzake vrijstelling voor exploitant en eigenaar”. Wat betreft het tweede middelonderdeel suggereert verzoeker in zijn laatste memorie volgende prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof: “’Schendt artikel 11 van het Bodemdecreet, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet nu het slachtoffer van een nieuwe verontreiniging - die door de eigenaar geenszins zelf werd veroorzaakt - wordt aangesproken door de overheid om een beschrijvend bodemonderzoek en mogelijks een bodemsanering uit te voeren en dit louter op grond van zijn eigendomsstatuut, terwijl vaststaat dat hij geenszins de veroorzaker van de verontreiniging is en de identiteit van de verontreiniger gekend is en in het gemeen aansprakelijkheidsrecht bij bijvoorbeeld luchtverontreiniging slechts de vervuiler kan worden aangesproken doch geenszins de eigenaar van de luchtverontreinigende site’. VII-40.066-8/23 ‘Schendt artikel 11 van het Bodemdecreet, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre dat twee fundamenteel onderscheiden situaties gelijk worden behandeld, te weten de situatie waarin een eigenaar actief de bodem verontreinigt en naderhand nalaat om deze te saneren overeenkomstig de geldende reglementering, enerzijds, en de situatie waarin een eigenaar zelf de bodem niet heeft verontreinigd maar zonder op de hoogte te zijn van de aanwezigheid, aard en omvang van de verontreiniging, eigenaar is geworden van een terrein waarop een derde verontreiniging heeft veroorzaakt en deze niet heeft verwijderd, anderzijds?’ ‘Schendt artikel 11 Bodemdecreet de artikelen 6 en 7 EVRM in de mate dat de overheid bestraffend optreedt (lees: betalingsverplichtingen aangaande bodemonderzoeken en bodemsaneringen oplegt), terwijl men in de zin van artikel 6 EVRM steeds onschuldig is totdat het tegendeel in rechte werd bewezen, en hieruit voortvloeit dat door de decreetgever geen bestraffend en gedifferentieerd systeem opgezet kan worden waarbij men louter op grond van het feit van een eigendomsstatuut - en los van elke fout - gedwongen wordt tot het stellen van bepaalde saneringsdaden en/of bodemonderzoeken’”.
  10. De verwerende partij werpt in de laatste memorie op dat de door verzoeker gestelde prejudiciële vragen laattijdig zijn, dat het verzoek tot het stellen van dezelfde prejudiciële vragen van verzoeker door de Raad van State werd verworpen in het eerder aangehaalde arrest nr. 240.956 van 8 maart 2018 en dat deze prejudiciële vragen niet dienen te worden gesteld. Beoordeling
  11. Artikel 12, §1, van het bodemdecreet bepaalt: “De exploitant […] is niet verplicht om het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering uit te voeren, als de OVAM op basis van het dossier van de grond of het gemotiveerd standpunt van de exploitant […] van oordeel is dat hij cumulatief voldoet aan de volgende voorwaarden: […]”. Uit die bepaling volgt dat de OVAM die beoordeling op eigen initiatief kan maken zonder dat er een aanvraag moet zijn ingediend door de exploitant. Het feit dat verzoeker met een brief van 13 september 2013 werd gewezen op zijn zelfstandige saneringsplicht als eigenaar van de grond impliceert dat de OVAM er reeds van uit ging dat hij in zijn hoedanigheid van op de grond aanwezige exploitant voldeed aan de voorwaarden tot vrijstelling. Bij gebrek aan VII-40.066-9/23 een op de grond aanwezige gebruiker kwam daardoor de decretale saneringsplicht terecht bij verzoeker als eigenaar van de grond.
  12. Overeenkomstig artikel 51 van Vlarebo diende verzoeker desgewenst binnen een termijn van 90 dagen na ontvangst van de brief van 13 september 2013, op straffe van niet-ontvankelijkheid, zijn gemotiveerd standpunt over vrijstelling van saneringsplicht als eigenaar of het voldoen aan de voorwaarden van artikel 12, § 2 van het bodemdecreet, aan de OVAM te bezorgen. Verzoeker heeft eerst op 27 mei 2015 een vraag tot vrijstelling ingediend, daarbij verkeerdelijk verwijzend naar de voorwaarden waaraan een exploitant moet voldoen luidens (thans) artikel 12, §1 van het bodemdecreet. “[L]outer ondergeschikt” heeft verzoeker in zijn bestuurlijk beroep geargumenteerd dat “zelfs in het geval wanneer beroeper mocht zijn overgegaan tot het aanvragen van een saneringsvrijstelling in zijn hoedanigheid van eigenaar - quod non in casu - OVAM eveneens dit verzoek diende in te willigen”. De vraag tot vrijstelling als exploitant hoefde evenwel niet gesteld te worden omdat, zoals hierboven is gebleken, de vrijstelling als exploitant impliciet is vervat in de brief van de OVAM van 13 september
  13. In haar beslissing van 20 juli 2015 heeft de OVAM uitdrukkelijk bevestigd dat zij van oordeel is dat verzoeker voldoet aan de voorwaarden van artikel 12, § 1 van het bodemdecreet. In de bestreden beslissing wordt daarover niets anders gezegd.
  14. Er kan in elk geval niet worden ingezien welk belang verzoeker zou kunnen hebben bij een nietigverklaring op grond van het eerste middel. Het bestuur heeft namelijk reeds driemaal erkend dat hij voldoet aan de voorwaarden om te worden vrijgesteld van saneringsplicht als exploitant. Zo ook in de bestreden beslissing. Wat die aanspraak betreft, heeft verzoeker reeds wat hij wil. Met zijn eerste middel wil verzoeker echter uitdrukkelijk horen zeggen dat het bestuur zich niet mocht uitspreken over een volgens hem niet gevraagde vrijstelling als eigenaar van de grond. VII-40.066-10/23 Nietigverklaring op grond van dat middel zou echter niets veranderen aan verzoekers rechtspositie. Artikel 11, eerste lid, van het bodemdecreet zelf wijst hem, als eigenaar van de grond, immers aan als saneringsplichtige en er ligt geen vraag tot vrijstelling van saneringsplicht als eigenaar voor.
  15. Het eerste middel is niet ontvankelijk.
  16. Gelet op de reden van niet-ontvankelijkheid van het middel is er geen aanleiding tot het stellen van de door verzoeker overigens laattijdig geformuleerde prejudiciële vragen. B. Tweede middel Standpunten van de partijen
  17. Verzoeker voert de schending aan van de artikelen 212 en 213 van Vlarebo, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, de hoorplicht, het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel “Doordat, eerste onderdeel, aan de NV TOTAL Belgium - geen partij, noch (rechtmatig) belanghebbende - klaarblijkelijk een afschrift van het beroep bij de Vlaamse Regering werd betekend en onder de benaming ‘tussenkomende partij’ wordt toegelaten in de administratieve procedure, en de eenzijdige feitenvoorstelling vervat in een ‘tussenkomende nota’ aangevuld met stukken van de ‘tussenkomende partij’ integraal worden opgenomen in het bestreden besluit; Terwijl, artikel 212 VLAREBO voorschrijft dat als de juridische dienst van oordeel is dat het beroep ontvankelijk is, ze die beslissing meedeelt aan de indiener van het beroep, de OVAM, de in artikelen 11 of 22 van het decreet opgesomde personen, en de opdrachtgever van het onderzoek waarop het beroep betrekking heeft: […] En terwijl, artikel 213 VLAREBO bepaalt dat de personen vermeld in artikel 212, met uitzondering van de indiener van het beroep, een nota met opmerkingen en stavingstukken kunnen indienen bij de Vlaamse Regering; En terwijl, de NV TOTAL (overigens net als de OVAM) weliswaar betrokken is bij een dossier voor het Hof van Beroep te Brussel omtrent de aansprakelijkheid van de werkelijke vervuiler, hetgeen de NV TOTAL echter in geen enkel opzicht partij of rechtmatig belanghebbende maakt in de VII-40.066-11/23 administratieve beroepsprocedure omtrent het verzoek tot vrijstelling van beroeper; En terwijl, meer nog, de NV TOTAL slechts een onrechtmatig - doch geen enkel rechtmatig - belang kan hebben bij het horen weigeren van een vrijstelling tot saneringsplicht aan beroeper, en het dan ook erg raadselachtig is waarom de NV TOTAL - al dan niet op verzoek van de OVAM - door verwerende partij in de administratieve beroepsprocedure werd betrokken, dan wel toegelaten; En terwijl, de NV TOTAL alleszins geen persoon is zoals bedoeld in de artikelen 212 en 213 VLAREBO, zodat niet valt in te zien waarom een zorgvuldige overheid in graad van administratief beroep een oliemaatschappij zou betrekken in een onderzoek naar de voorwaarden tot vrijstelling van een exploitant, dan wel haar besluit zou steunen op de door de NV TOTAL uit eigen initiatief aangebrachte elementen; En terwijl, beroeper niet durft te veronderstellen dat de NV TOTAL louter als ‘tussenkomende partij’ in stelling werd gebracht in een administratieve procedure teneinde de belangen van de NV TOTAL en de OVAM in het kader van de aansprakelijkheidsprocedure te beschermen, doch eraan twijfelt welke objectieve feitelijke gegevens verwerende partij meende te moeten opvragen bij de door beroeper in aansprakelijkheid gedagvaarde oliemaatschappij; En terwijl, alleszins het VLAREBO net zomin als het Bodemdecreet voorziet in een mogelijkheid tot tussenkomst in het kader van een administratief beroep tegen een weigering tot vrijstelling; Doordat, tweede onderdeel, verzoekende partij niet werd gehoord na het indienen van een ‘tussenkomende nota’ door de NV TOTAL die geen partij, noch rechtmatig belanghebbende is in de administratieve beroepsprocedure in het kader van het verzoek tot vrijstelling als exploitant; Terwijl, Uw Raad inderdaad reeds oordeelde dat artikel 153 van het bodemdecreet een georganiseerd administratief beroep inricht, waarbij de beroepsindiener niet over dezelfde waarborgen beschikt als bij een jurisdictioneel beroep, dat een contradictoir debat vereist, doch dat deze normatieve regeling een aanvullende werking van het beginsel van behoorlijk bestuur van de hoorplicht niet uitsluit in zover de normatieve regeling niet voldoende zou garanderen dat de betrokken vooraf in de gelegenheid wordt gesteld nuttig voor zijn of haar standpunt op te komen (RvS 21 april 2016, nr. 234.456); En terwijl, in casu door verwerende partij aan de NV TOTAL om totaal onverklaarbare redenen en in strijd met de normatieve regeling van het VLAREBO een forum werd geboden om een eenzijdig feitenrelaas en een selectieve weergave uit stukken die niet behoren tot het administratief dossier aan verwerende partij voor te leggen waaromtrent beroeper inderdaad op geen enkele wijze vooraf in de gelegenheid werd gesteld nuttig voor zijn standpunt op te komen, En terwijl, een en ander alvast niet te verklaren valt door de korte beslissingstermijn van negentig dagen voorgeschreven door artikel 155, §2 Bodemdecreet, nu verwerende partij bijna twee jaar heeft gewacht alvorens zonder blozen het bestreden besluit af te leveren; Zodat, het bestreden besluit de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen schendt”. VII-40.066-12/23
  18. De verwerende partij antwoordt dat verzoeker in zijn beroepschrift zelf uitdrukkelijk stelde dat de bodemverontreiniging veroorzaakt werd door onderaannemers van de nv Fina Europe/Total, en dat de OVAM zich tot hen moest richten. Verzoeker heeft zo zelf de nv Total Belgium tot belanghebbende partij gemaakt. De bodemverontreiniging niet zelf veroorzaakt hebben is een van de voorwaarden om van saneringsplicht te kunnen worden vrijgesteld. De verwerende partij moest dus verzoekers stellingname onderzoeken. Zij heeft overigens geoordeeld dat verzoeker de bodemverontreiniging niet zelf heeft veroorzaakt, zodat diens belangen in geen enkel opzicht zijn geschaad door de tussenkomst. Aangaande het tweede onderdeel antwoordt ze: “Verwerende partij verwees in antwoord op de vraag van verzoekende partij om in de procedure gehoord te worden, reeds in haar Ministerieel besluit d.d. 23 juni 2017 naar de volgende rechtspraak: ‘Overwegende dat de beroeper vraagt om gehoord te worden; Overwegende dat op deze vraag niet moet worden ingegaan; dat terzake het standpunt wordt ingenomen van de Raad van State dat in administratieve beroepsprocedures de betrokkenen over geen andere waarborgen beschikken dan die welke de wetten, decreten en reglementen hun uitdrukkelijk verlenen (RvS 3 juni 1999, nr. 80,642, NV HEIMA; RvS 2 december 1999, nr. 83.830, CELIS); dat het voldoende is dat de betrokkene de mogelijkheid heeft om zijn rechten te vrijwaren door zijn standpunt uiteen te zetten In een gemotiveerd beroepschrift of nota en via eventueel schriftelijk meegedeelde aanvullende gegevens (RVS 2 december 1999, nr. 83,830, CELIS; RvS 6 april 2000, nr. 86.717, NV PRECHAMP; RvS 18 juni 2009, nr. 194.343, STEVENS; RvS 1 juli 2010, nr. 206.377, NV METALEN DESCAMPS; RvS 7 februari 2013, nr. 222.414, HANJOUL);’ Uit de hierboven aangehaalde rechtspraak blijkt dat het voldoende is dat verzoekende partij zijn standpunt schriftelijk kan uiteenzetten, wat door verzoekende partij gebeurde in zijn beroepsschrift. […] Het door verzoekende partij aangehaalde arrest van de Raad van State d.d. 21 april 2016 stelt geenszins anders. Meer nog. In dit arrest bevestigt de Raad van State dat een georganiseerd administratief beroep, niet gelijk te stellen valt met een jurisdictioneel beroep. De overheid is er bijgevolg niet toe gehouden de rechten van verdediging en de verplichting van tegenspraak te waarborgen. De Vlaamse minister treedt in het kader van het administratief beroep immers enkel op als een administratieve overheid, als orgaan van actief van bestuur. (Arrest Raad van VII-40.066-13/23 State d.d. 21 april 2016, overweging 9)”. De verwerende partij besluit dat zij dan ook geenszins genoodzaakt was om verzoeker te horen na de aanvullende nota van de nv Total Belgium.
  19. Verzoeker dupliceert dat de OVAM reeds had geoordeeld dat de bodemverontreiniging al aanwezig was lang voor verzoeker eigenaar werd. Er bestond geen discussie over dat verzoeker de bodemverontreiniging niet heeft veroorzaakt. Hij stelt dat “[h]et betoog van verwerende partij […] als zouden de belangen van verzoekende partij in geen enkel opzicht geschaad zijn, [...] kennelijk onjuist [is], nu uit het bestreden besluit duidelijk blijkt dat de tussenkomende nota zich helemaal niet beperkt tot de vraag wie de bodemverontreiniging heeft veroorzaakt, maar een uiteenzetting bevat over de beleidslijn van de Vlaamse overheid omtrent de kennisvereiste bij erfgenamen. Deze redenering werd integraal overgenomen door verwerende partij. De beweringen van verwerende partij dat 1) het standpunt van TOTAL noodzakelijk/nuttig zou zijn geweest bij de beoordeling van de voorwaarde dat verzoekende partij niet zelf de verontreiniging zou hebben veroorzaakt, en 2) dat de belangen van verzoekende partij niet geschaad zouden zijn door de tussenkomende nota van TOTAL zijn inderdaad gespeend van enige ernst. Beroeper stelt vast dat omtrent de aangevoerde schending van de artikelen 212 en 213 in essentie geen verweer wordt gevoerd, noch wordt betwist dat TOTAL alleszins geen persoon is zoals bedoeld in de artikelen 212 en 213 VLAREBO. Beroeper verwijst terzake naar het middel”. Wat betreft het tweede onderdeel wederantwoordt verzoeker dat hij geen schending aanvoert “van de rechten van verdediging en tegenspraak zoals in een jurisdictionele procedure, maar van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid de hoorplicht”. “Eigenaardig genoeg wordt door verwerende partij […] verwezen naar de rechtspraak van Uw Raad die stelt dat in administratieve beroepsprocedures de betrokkenen over geen andere waarborgen beschikken dan die welke de wetten, decreten, en reglementen hen uitdrukkelijk verlenen, ofschoon in casu in strijd met deze verleende waarborgen een derde partij - nota bene de werkelijke vervuiler - in een verzoek tot vrijstelling werd betrokken VII-40.066-14/23 en werd toegelaten eenzijdige meningen en stukken in het dossier te brengen zonder dat beroeper hier op enige wijze werd gehoord, noch op enige wijze nuttig op kon anticiperen”. Beoordeling Eerste middelonderdeel
  20. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de nv Total Belgium door de juridische dienst van de verwerende partij werd uitgenodigd om “een tussenkomende nota in te dienen”.
  21. De artikelen 212 en 213 van Vlarebo, in de op het geding toepasselijke versie, bepalen aan wie kennis moet worden gegeven van een ontvankelijk bevonden bestuurlijk beroep, en de termijn waarover zij beschikken om hun opmerkingen te laten gelden. Verzoeker meent blijkbaar dat uit deze bepalingen volgt dat niemand anders dan deze personen kan tussenkomen in het bestuurlijk beroep, of dat niemand mag tussenkomen die daarbij geen “rechtmatig belang” heeft. Hij stelt ook dat “niet valt in te zien waarom een zorgvuldige overheid in graad van administratief beroep een oliemaatschappij zou betrekken in een onderzoek naar de voorwaarden tot vrijstelling van een exploitant”. Hij betwijfelt “welke objectieve feitelijke gegevens verwerende partij meende te moeten opvragen bij de door [hem] in aansprakelijkheid gedagvaarde oliemaatschappij”.
  22. Het door verzoeker ingediende bestuurlijk beroep heeft devolutieve werking bij toepassing van artikel 155, § 1, eerste lid, van het bodemdecreet. Daaruit volgt dat de minister er niet toe gehouden was de beoordeling door de OVAM dat verzoeker de verontreiniging niet zelf heeft veroorzaakt zonder meer over te nemen.
  23. Uit de tekst van voormelde artikelen 212 en 213 van Vlarebo blijkt niet dat de Vlaamse Regering heeft uitgesloten dat eventuele andere belanghebbenden zouden kunnen tussenkomen. Zoals de verwerende partij terecht VII-40.066-15/23 opmerkt heeft verzoeker zelf in zijn beroepschrift de nv Total Belgium in de zaak betrokken. Het gaat in de gegeven omstandigheden niet op de uitnodiging van laatstgenoemde om desgewenst een tussenkomende nota in te dienen als onzorgvuldig overheidshandelen te bestempelen. Of dat leidt tot voor de beoordeling van het beroep van verzoeker nuttige objectieve feitelijke gegevens of andere nuttige elementen kan pas blijken als er op de uitnodiging wordt ingegaan.
  24. Het eerste onderdeel van het tweede middel is ongegrond. Tweede middelonderdeel
  25. In de bestreden beslissing wordt gesteld dat verzoeker, aangezien hij “zowel exploitant als eigenaar is”, dient aan te tonen dat hij voldoet aan de cumulatieve voorwaarden voor vrijstelling van saneringsplicht als eigenaar overeenkomstig artikel 12, § 2 van het bodemdecreet”. De minister concludeert dat verzoeker aan de eerste en de tweede voorwaarde voldoet, maar niet aan de derde voorwaarde omdat hij op de hoogte was en behoorde te zijn van de bodemverontreiniging op het ogenblik dat hij eigenaar werd van de grond. VII-40.066-16/23
  26. Wat betreft de grief dat hij niet werd gehoord na het indienen van een tussenkomende nota door de nv Total Belgium, heeft verzoeker geen belang bij het middelonderdeel in zoverre de bestreden beslissing heeft aangenomen dat verzoeker aan de eerste en de tweede voorwaarde in artikel 12, § 2 van het bodemdecreet heeft voldaan.
  27. Verzoeker beschrijft de tussenkomst als “een eenzijdig feitenrelaas en een selectieve weergave uit stukken die niet behoren tot het administratief dossier”, maar licht dat niet verder toe, laat staan dat hij preciseert op welke verkeerde voorstelling van zaken de bestreden beslissing zou berusten, voor wat betreft de hier relevante derde voorwaarde van artikel 12, § 2, van het bodemdecreet, de voorwaarde dat de eigenaar niet op de hoogte was en niet behoorde op de hoogte te zijn van de bodemverontreiniging op het ogenblik dat hij eigenaar van de grond werd.
  28. In de bestreden beslissing vat de minister de argumentatie van de nv Total Belgium samen wat betreft het vervuld zijn van deze derde voorwaarde voor de vrijstelling van de saneringsplicht: “Overwegende dat de tussenkomende partij van mening is dat de beroeper hoe dan ook niet voldoet aan de kennisvoorwaarde uit artikel 12, §2, 3° Bodemdecreet van 27 oktober 2006; dat volgens de beleidslijn van de Vlaamse overheid de erfgenamen worden ‘geacht niet te voldoen aan de kennisvoorwaarde als de erflater voor zijn overlijden voor de betrokken bodemverontreiniging door de OVAM saneringsplichtig werd gesteld en hij hiervoor het statuut van onschuldig eigenaar niet werd toegekend’; dat in casu mevrouw REMACLE door OVAM reeds saneringsplichtig werd gesteld in 1996; dat zij werd aangemaand tot het uitvoeren van een bodemsanering en in 2000 de in situ sanering opgestart werd; dat zij nooit het statuut van onschuldig eigenaar aanvroeg en dit dus ook nooit toegekend kreeg; dat de saneringsplicht deel uitmaakte van de door de beroeper aanvaarde nalatenschap; dat bij het aanvaarden van de nalatenschap in 2004 de verontreinigde grond reeds het voorwerp uitmaakte van diverse bodemonderzoeken en actieve saneringsmaatregelen; dat op het ogenblik dat de beroeper eigenaar werd van de grond, hij dan ook ongetwijfeld kennis had van de bodemverontreiniging, hij minstens de nodige onderzoeken had kunnen doen om hier kennis van te nemen”. VII-40.066-17/23 De OVAM heeft er harerzijds de minister in dit verband op gewezen “dat de saneringsplicht bij mevrouw REMACLE rustte en ingevolge haar overlijden bij de beroeper” en heeft voor het overige verwezen naar haar door verzoeker bestreden besluit en gesteld dat zij “bij haar standpunt blijft dat beroeper niet voldoet aan art. 12, § 2 Bodemdecreet”.
  29. Er kan niet spontaan worden begrepen hoe de hiervoor aangehaalde beoordeling in de bestreden beslissing van het niet vervuld zijn van de derde voorwaarde in artikel 12, § 2 van het bodemdecreet, zou zijn aangetast door misleidende beweringen in de tussenkomende nota van de nv Total Belgium.
  30. Ook het tweede onderdeel is ongegrond.
  31. Het tweede middel wordt verworpen. C. Derde middel Standpunten van de partijen
  32. Verzoeker voert de schending aan van artikel 144 van de Grondwet, artikelen 12, § 2 en 23, § 2 van het bodemdecreet, artikel 50 van Vlarebo, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, alsook machtsoverschrijding en de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag “Doordat, eerste onderdeel, het bestreden besluit werd genomen op basis van de veronderstelling dat ‘de saneringsplicht deel uitmaakte van de nalatenschap’ (bestreden besluit p. 17.) en verwerende partij als administratief bestuursorgaan de artikelen 711 BW, 718 BW, 777 BW en 778 BW uitdrukkelijk bespreekt in het bestreden besluit (p. 12-13) en daar gevolgen aan koppelt in het raam van een administratieve beroepsprocedure tegen een beslissing van de OVAM, Terwijl, middels het bestreden besluit uitspraak wordt gedaan over burgerlijke rechten, waarvoor verwerende partij - net zoals de OVAM - in de verste verte niet bevoegd is, nu artikel 144 Gw geschillen omtrent burgerlijke rechten uitsluiten voorbehoudt aan de hoven en rechtbanken, En terwijl, Uw Raad reeds oordeelde dat artikel 144 Gw de geschillen betreft over burgerlijke rechten die hun neerslag vinden in het Burgerlijk Wetboek VII-40.066-18/23 en de aanvullende wetten, (RvS 7 september 2012, nr. 220.524) En terwijl, de artikelen 711 BW, 718 BW, 777 BW en 778 BW (uitdrukkelijk opgesomd op p. 12-13 bestreden besluit) onmiskenbaar burgerlijke rechten betreffen waaraan middels het bestreden besluit gevolgen worden gekoppeld, des te meer nu verwerende partij komt te stellen dat de ‘saneringsplicht deel uitmaakte van de nalatenschap’, En doordat, tweede onderdeel, het bestreden besluit oordeelt dat de ‘saneringsplicht deel uitmaakte van de nalatenschap’ en zich baseert op de beleidslijn van de Vlaamse overheid ‘vrijstelling saneringsplicht: beoordeling kennisvoorwaarde bij erfgenamen’ waarin een ‘weerlegbaar vermoeden’ ten nadele van de erfgenaam aan wiens erflater niet het statuut van onschuldig eigenaar werd toegekend, Terwijl, middels een beleidslijn hoe dan ook geen voorwaarden toegevoegd kunnen worden, inzonderheid een ‘weerlegbaar vermoeden’, nu het bodemdecreet, noch het VLAREBO bij de beoordeling van de kennisvereiste in dergelijk weerlegbaar vermoeden voorzien, En terwijl, Uw Raad reeds oordeelde dat de beleidslijn met betrekking tot de overerfbaarheid van het statuut van onschuldig eigenaar of bezitter indruist tegen de gelijkluidende bepaling van het toenmalige bodemsaneringsdecreet omtrent de kennisvereiste bij de beoordeling van een vrijstelling, (RvS 5 juli 2010, nr. 206.402.) En terwijl, a fortiori een beleidslijn niet kan voorzien in de overerfbaarheid van het niet beschikken over het statuut van onschuldig eigenaar of bezitter, des te meer nu zulks eenvoudigweg het gevolg kan zijn van het feit dat dergelijk statuut door de erflater nooit werd aangevraagd, En terwijl, de ‘hoedanigheid’ van de eigenaar bedoeld in artikel 50, eerste lid, 3° VLAREBO weliswaar toelaat dat er rekening wordt gehouden met zijn hoedanigheid van erfgenaam bij de beoordeling door verwerende partij, hetgeen echter geen (rechts)grond vormt om een weerlegbaar vermoeden in te voeren waarbij de erfgenamen worden ‘geacht niet te voldoen aan de kennisvoorwaarde als de erflater voor zijn overlijden voor de betrokken bodemverontreiniging door de OVAM saneringsplichtig werd gesteld en hij hiervoor het statuut van onschuldig eigenaar niet werd toegekend’, Zodat, het bestreden besluit de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen schendt, nu het gebaseerd is op de veronderstelling dat de saneringsplicht deel uitmaakte van de nalatenschap, ofschoon het de administratieve overheid niet toekomt enige uitspraak te doen over wat al dan niet behoort tot een nalatenschap, en al zeker niet wanneer het bodemdecreet, noch het VLAREBO voorzien in een regeling omtrent erfgenamen”.
  33. De verwerende partij antwoordt wat betreft het eerste middelonderdeel dat het weinig ernstig is om uit het gegeven dat de minister enkele bepalingen uit het burgerlijk wetboek heeft geciteerd te besluiten dat zij uitspraak heeft gedaan over verzoekers burgerlijke rechten. Verzoeker heeft nooit betwist erfgenaam te zijn van zijn moeder, en de minister heeft enkel dit feitelijk VII-40.066-19/23 gegeven vastgesteld en mee in overweging genomen. Verzoeker diende als erfgenaam en gelet op “de omkaderende feiten die uitgebreid in het besluit werden toegelicht” op de hoogte te zijn “van het feit dat de grond die in de nalatenschap zat, verontreinigd was”. De minister doet door deze stellingname geen uitspraak over de burgerlijke rechten van verzoeker noch put zij deze uit. Zij stelt enkel vast dat verzoeker de erfenis aanvaardde en conform de wettelijke bepalingen erfgenaam is. Met betrekking tot het tweede middelonderdeel wijst zij er op dat niet de minister maar verzoeker zelf naar de betreffende beleidslijn heeft verwezen. In de bestreden beslissing wordt niet uitgegaan van een vermoeden, maar van de concrete omstandigheden van de zaak, zoals blijkt uit de motivering.
  34. In de laatste memorie stelt verzoeker dat hij “niet volledige eigenaar [werd] door toedoen van de nalatenschap gelet op het gegeven dat zijn moeder hem heeft onterfd. Beroeper werd slechts eigenaar inzake de overdracht door de legatarissen bij akte van 8 mei 2006”. Beoordeling
  35. In de bestreden beslissing wordt in essentie overwogen: - dat het al dan niet kennis hebben of behoren te hebben van de verontreiniging dient te worden beoordeeld op het tijdstip van de verwerving van de grond, te dezen 5 maart 2004; - dat de kennisvoorwaarde dient te worden gekoppeld aan de zorgvuldigheidsplicht; dat opdat van een eigenaar van een grond kan worden verwacht dat hij op het tijdstip van de verwerving kennis had en behoorde te hebben van de verontreiniging, er aanwijzingen nodig zijn die de eigenaar er konden op wijzen dat er mogelijk verontreiniging aanwezig is op de grond; - dat op het ogenblik dat verzoeker de grond verworven heeft, de bodemverontreiniging reeds gekend was en in kaart gebracht; dat in februari 1996 een druktest uitgevoerd werd op een ondergrondse benzinetank; dat daaruit bleek dat de tank lek was; dat als gevolg hiervan een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd werd; dat vervolgens in 1998 een beschrijvend bodemonderzoek werd VII-40.066-20/23 opgesteld; dat vervolgens in opdracht van de moeder van verzoeker een bodemsaneringsproject werd opgesteld; dat de saneringswerken in 2000 aangevat werden; dat eerder al beheersmaatregelen uitgevoerd werden; dat de saneringswerken op het ogenblik dat verzoeker eigenaar werd op 5 maart 2004, nog bezig waren; dat op dat moment duidelijk was dat er nog restverontreiniging aanwezig was op de grond; dat er reeds van op het ogenblik dat duidelijk werd in februari 1996 dat er een tank lek was, ook een rechtszaak ingespannen werd over de aansprakelijkheid voor de bodemverontreiniging waarin de moeder van verzoeker was; - dat bovendien aangezien de moeder van verzoeker voor haar overlijden voor de betrokken bodemverontreiniging saneringsplichtig werd gesteld en dienaangaande geen vrijstelling van saneringsplicht heeft bekomen, de saneringsplicht deel uitmaakte van haar nalatenschap; - dat derhalve dient gesteld te worden dat verzoeker op de hoogte was en behoorde te zijn van de bodemverontreiniging op het ogenblik dat hij eigenaar werd van de grond.
  36. Het derde middel berust op een moedwillige lezing of minstens een verkeerd begrip van deze motivering in de bestreden beslissing. Men kan niet in alle ernst voorhouden dat daaruit blijkt dat de minister eenvoudig stelt dat verzoeker de saneringsplicht heeft geërfd van zijn moeder. De frase dat de saneringsplicht deel uitmaakte van de nalatenschap staat niet los van de overwegingen over de zorgvuldigheidsplicht, over de voorgaande onderzoeken, beheersmaatregelen en saneringswerken, over de vastgestelde restverontreiniging en over de rechtszaak betreffende de aansprakelijkheid. Het is uit dat onderzoek waartoe de minister is genoopt ingevolge artikel 12, § 2, eerste lid, 3° van het bodemdecreet, dat zij concludeert dat verzoeker “op de hoogte was en behoorde te zijn van de bodemverontreiniging op het ogenblik dat hij eigenaar werd van de grond”.
  37. Er is geen beleidslijn die een weerlegbaar vermoeden zou instellen om in redelijkheid tot dergelijke conclusie te kunnen komen. Daarbij moet eraan worden herinnerd dat verzoeker aanvankelijk heeft nagelaten om VII-40.066-21/23 binnen de termijn nadat hij op zijn saneringsplicht als eigenaar was gewezen tijdig te vragen om van die saneringsplicht te worden vrijgesteld, en dat hij pas anderhalf jaar later om vrijstelling als exploitant heeft gevraagd. Hij heeft zo verzuimd aan te tonen dat hij niet op de hoogte was en niet behoorde op de hoogte te zijn van de bodemverontreiniging op het ogenblik dat hij -deels- eigenaar van de grond werd. In plaats daarvan heeft hij enkel contra legem geargumenteerd dat de saneringsplicht van het bodemdecreet niet zou gelden “in het geval dat er onmiddellijk duidelijkheid is over de identiteit van de vervuiler”.
  38. Het derde middel berust op een incorrecte voorstelling of lezing van de relevante motieven van de bestreden beslissing.
  39. Het middel wordt verworpen. BESLISSING
  40. De Raad van State verwerpt het beroep.
  41. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-40.066-22/23 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig december tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.066-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.297 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.