← België

Arrest 249302 - Voedselveiligheid (FAVV) - 22/12/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.302 Rolnummer: A. 231589/VII-40904 Zaak: Arrest 249302 - Voedselveiligheid (FAVV) - 22/12/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-01-07 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-20 01:50 Fiche Arrest nr 249.302 van 22 december 2020 Sociale zaken en volksgezondheid - Voedselveiligheid (FAVV) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 249.302 van 22 december 2020 in de zaak A. 231.589/VII-40.904 In zake: SHARDA CROPCHEM ESPANA S.L. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joris Van Maele kantoor houdend te 8310 St. Kruis Brugge Malehoeklaan 70, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Middenstand, Zelfstandigen, KMO‟s en Landbouw, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Willy Van der Gucht en Franky De Mil kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 34 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 13 augustus 2020, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging en de nietigverklaring van: “de ongedateerde beslissing, gekend onder referte 41.154/20/289505 waarbij in toepassing van artikel 29, § 3 van het Koninklijk Besluit van. 28 februari 1994, de erkenningen vanwege [de verzoekende partij] inzake de producten N28664 - SCAB 80 WG (10587P/B); N30248-PROFCAPTA (10825P/B); N90249 SHARCAPTA (10826P/B) werden ingetrokken”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. VII-40.904-1/8 Eerste auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 december
  3. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Lawrence Taillaert, die loco advocaat Joris Van Maele verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Franky De Mil, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verzoekende partij is een agrochemische onderneming gevestigd in Spanje, die in België erkend is om volgende gewasbeschermingsmiddelen op de markt te brengen: - Het product “Scab 80 WG” gekend onder nummer 10587 P/B - Het product “profcapta” gekend onder nummer 10825P/B - Het product “Sharcapta”, gekend onder nummer 10826P/B 3.
  6. Het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen (hierna: FAVV) nam op 16 juli 2019 een monster van gewasbeschermingsmiddelen bij een klant van de verzoekende partij. Op 26 september 2019 deelde het FAVV mee dat het analyseresultaat van het monster niet conform is. VII-40.904-2/8 3.
  7. De tegenanalyse leverde eveneens een niet conform resultaat op, maar de waarden liggen beduidend lager. 3.
  8. Het FAVV ging over tot de inbeslagname van partijen Technische Captan,verkocht aan een Belgisch bedrijf. 3.
  9. Er werden verschillende analyses uitgevoerd waaruit volgens de verzoekende partij blijkt dat de testing van het FAVV niet representatief is en dat er wel degelijk conforme partijen zijn. 3.
  10. De verzoekende partij ontving vanwege de FOD Volksgezondheid en Veiligheid van de Voedselketen bericht van 16 maart 2020 dat er een niet-conformiteit was inzake voornoemde producten. Daarbij werd verwezen naar het gegeven dat de producten een bron hadden die niet vermeld was in de documenten aangaande erkenning, hetgeen niet toegelaten zou zijn. 3.
  11. Vanaf 16 maart 2020 werden de verkoop en het gebruik van de gewasbeschermingsmiddelen SCAB 80 WG (10587P/B - 80% captan), PROFCAPTA (10825P/B - 80% captan) en SHARCAPTA (10826P/B - 80% captan) geschorst. 3.
  12. Op 16 april 2020 formuleerde de verzoekende partij een repliek. 3.
  13. De verwerende partij nam daarna de beslissing tot intrekking van de voornoemde producten. De bestreden beslissing is als volgt gemotiveerd (beëdigde vertaling): “De informatie opgenomen in uw beroepschrift, ingediend op 16/04/2020 door Eric Neumans Consulting BVBA, werd op 28/04/2020 geëvalueerd door het Erkenningscomité voor bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik. Deze informatie werd voorgelegd ingevolge het schrijven van 19/03/2020 van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en Leefmilieu ter betekening van de schorsing van de vergunningen voor de in rubriek vermelde producten. De redenen die tot VII-40.904-3/8 deze schorsing hebben geleid, werden u uiteengezet in desbetreffend schrijven van 19/03/2020; het betreft, ter herinnering, het gebruik van een niet-goedgekeurde bron van captan en de aanwezigheid van een onzuiverheid (CCI4) aan een onaanvaardbaar gehalte. Deze ongelijkvormigheid werd aangetoond bij controles die werden uitgevoerd door het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen (FAVV). In uw beroepschrift noemt u 2 bronnen van captan die door CropChem Espana BV worden gebruikt voor haar producten die bestemd zijn voor de lidstaten van de Europese Unie : de bron Yingde Greatchem Chemical Co. Ltd (Road Guangzhou City, P.R. China) en de bron India Pesticide Limited (Chinat, Lucknow, India). Enkel de eerste bron is geautoriseerd voor uw producten in België. In uw beroepschrift vermeldt u de afwezigheid van een analytische C1PAC-methode om de onzuiverheid aan CCI4 te kwantiseren, hetgeen de laboratoria ertoe zou noodzaken hun eigen analysemethode te gebruiken. Dit zou volgens u leiden tot verschillende analytische resultaten. Tot op heden baseerde u zich op de analyseresultaten die werden gegeven door uw fabrikant van werkzame stoffen. Als corrigerende maatregel stelt u in uw beroepschrift voor om uw eigen kwaliteitscontroleprogramma op te stellen teneinde het gehalte aan alle relevante onzuiverheden na te gaan, met inbegrip van CCI4, en niet langer af te gaan op de resultaten van de fabrikant van het technische captan. Het Erkenningscomité heeft deze argumenten onderzocht en: het blijkt dat er een geldige analysemethode bestaat voor de bepaling van de onzuiverheid aan CCI4 en dat de validatiegegevens voldoen aan de vereisten van het document SANC0/3030/99 rev.
  14. Deze methode werd geëvalueerd en goedgekeurd tijdens het onderzoek van de vergunningsaanvraag voor het product SCAB 80 WG in België. Bij de eerste controle werd de methode gebruikt die beschikbaar is in het dossier SCAB 80 WG en heeft deze methode gewezen op een niet-gelijkvormig gehalte aan CCI4-onzuiverheid. Bij de tegenanalyse heeft het laboratorium verschillende- extractiemiddelen (waarin captan oplosbaar is aan een concentratie gebruikt in de monsteroplossing) en detectoren gebruikt. De bekomen resultaten zijn gelijkaardig en hebben steeds gewezen op een ongelijkvormigheid van het gehalte aan CCI4 onzuiverheid. De specificatie van de goedgekeurde bron voor de producten in België (Yingde Greatchem Chemical Co. Ltd) bedraagt 0,1 g CCI4/kg captan en is aanvaardbaar. Bovendien beschikt deze captanfabrikant over een adequate analysemethode om de inhoud aan CCI4 in het technisch materiaal te bepalen : de gemeten gehaltes in zijn analyses zouden aldus betrouwbaar moeten zijn. Dientengevolge zou het niet mogelijk mogen zijn een hoger CCI4-gehalte in uw producten te bekomen. De analyse van de CCI4-onzuiverheid in uw formulering heeft een hoger resultaat getoond, 10 keer hoger dan de op Europees niveau bepaalde norm, hetgeen heeft geleid tot de ongelijkvormigheid van uw producten. Aangezien er een gevalideerde methode bestaat om het gehalte aan CCI4-onzuiverheid in het technische captan te bepalen en dat uw fabrikant over deze analysemethode beschikt, heeft het Erkenningscomité uw uitleg over het niet-conform CCI4 gehalte in uw producten niet aanvaard. De VII-40.904-4/8 ongelijkvormige loten zouden moeten kunnen worden uitgesloten en niet in uw producten mogen worden gebruikt. In uw beroepschrift stelt u voor om de goedgekeurde bronnen in de verschillende lidstaten op elkaar af te stemmen omwille van transparantie- en logistieke redenen. U vraagt aldus de bron India Pesticide Limited voor uw producten op basis van captan in België toe te voegen. Dit verzoek wijzigt het voorwerp van het aanvankelijk verzoek en moet bijgevolg ais een nieuw verzoek worden beschouwd dat als onontvankelijk dient te worden afgewezen. Bovendien brengt dit verzoek geen oplossing naar voor, voor de producten die zich momenteel op de Belgische markt bevinden. Het Erkenningscomité is van mening dat de informatie voorgelegd in uw beroepschrift, niet toelaat de schorsing van uw vergunningen op te heffen en stelt dat er niet langer wordt voldaan aan het artikel 29 §110 en 2° van het koninklijk besluit van 28 februari 1994 betreffende het bewaren, het op de markt brengen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik. De herkomst van uw producten die op de Belgische markt aanwezig zijn, stemt niet overeen met de voor deze producten aangegeven en goedgekeurde herkomst. Bovendien kan een probleem voor de volksgezondheid, te wijten aan deze herkomst, niet worden uitgesloten. Ik laat u weten dat ik heb besloten om het voorstel van het Erkenningscomité te volgen en dat ik aldus heb beslist de vergunningen voor uw in rubriek vermelde producten in te trekken overeenkomstig het artikel 29 §3 van het KB van 28 februari
  15. Deze producten mogen niet langer op de Belgische markt worden gebracht noch in België worden gebruikt en moeten worden teruggetrokken. Deze beslissing gaat in op de dag van onderhavige betekening”. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  16. Luidens artikel 17, §1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de beslissing prima facie kan verantwoorden. Er kan alleen rekening worden gehouden met hetgeen daarover in het verzoekschrift werd uiteengezet en gestaafd. De Raad van State kan geen acht slaan op hetgeen in later ingediende geschriften of ter terechtzitting nog door de verzoekende partij wordt bijgebracht. De verwerende partij kan daarop immers VII-40.904-5/8 niet meer schriftelijk repliceren en de auditeur kan daarover niet op een deugdelijke wijze advies verlenen in een procedure die op grond van artikel 22 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State essentieel schriftelijk is. V. Spoedeisendheid Uiteenzetting van de verzoekende partij
  17. De verzoekende partij zet het volgende uiteen: “Het hoeft geen betoog dat de Bestreden Beslissing van de bevoegde Minister, waarbij in toepassing van artikel 29, §4 van het koninklijk besluit van 28 februari 1194 de intrekking per direct werd bevolen, voor schade zorgt in hoofde van verzoekster, die haar producten niet meer op de markt kan verhandelen. Dit gaat gepaard met aanzienlijk financiële repercussies, niet in het minst nu verzoekster geconfronteerd wordt met

(1)verlies van klanten,
(2)hoge stockagekosten,
(3)de FAVV die de verplichting oplegt om de inbeslag genomen partijen te vernietigen,
(4)verzoekster aangesproken wordt door klanten (productaansprakelijkheid). Waar in toepassing van art. 29, §4 KB 28.02.1994 de intrekking slechts gevolgen ressorteert vanaf 6 maanden na de beslissing, werd in huidige bestreden Beslissing de erkenning per direct ingetrokken, zodoende voor tonnen aan gewasbeschermingsmiddelen „bevroren‟ zijn, met aanzienlijke schade in hoofde van verzoekster tot gevolg”. Beoordeling
  1. Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift een uiteenzetting van de feiten bevatten die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State. Dit houdt in dat het aan een verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak VII-40.904-6/8 spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een -voortdurende- tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. De spoedeisendheid zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 13). Het volstaat niet te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.
  2. De verzoekende partij toont niet aan dat door de bestreden beslissing haar voortbestaan als onderneming in het gedrang komt of dat dit financieel nadeel een zodanige impact heeft dat zij dit niet kan lijden tot uitspraak over het annulatieberoep is gedaan. Zij brengt geen concrete gegevens of cijfers aan en het volstaat evenmin te stellen, zoals de verzoekende partij doet, dat die intrekking gepaard gaat met aanzienlijke “financiële repercussies” met verwijzing naar het verlies van klanten, hoge opslagkosten, vernietiging van in beslag genomen goederen en productaansprakelijkheid van de verzoekende partij. Zij draagt daartoe geen stukken noch cijfergegevens bij. De beweringen met betrekking tot de aanzienlijke schade en de aanzienlijke financiële repercussies volstaan op zich niet. Er worden geen stukken, concrete gegevens of cijfers voorgelegd.
  3. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. Dit volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen zonder dat het nodig is de opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie te onderzoeken, VII-40.904-7/8 BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig december tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.904-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.302 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.727 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.