← België

Arrest 249332 - Overheidsopdrachten - 24/12/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.332 Rolnummer: A. 232359/XII-8998 Zaak: Arrest 249332 - Overheidsopdrachten - 24/12/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-12-28 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-20 01:50 Fiche Arrest nr 249.332 van 24 december 2020 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 249.332 van 24 december 2020 in de zaak A. 232.359/XII-8998 In zake: de NV BIOTERRA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten David D‟Hooghe en Ian Arnouts kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de OPENBARE VLAAMSE AFVALSTOFFENMAATSCHAPPIJ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Joris Wouters en Lisa Van Besouw kantoor houdend te 2600 Antwerpen-Berchem Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de NV GROND RECYCLAGE CENTRUM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bob Martens, Matthias Stinissen en Andi Zrza kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 106 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 2 december 2020, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van : “[d]e beslissing van de „Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM)‟ dd. 16 november 2020, ter kennis gebracht per e-mail en schrijven dd. 17 november 2020, inzake de overheidsopdracht „Antwerpen – Noorderlaan 1ste fase bodemsanering – fysico-chemische reiniging met XII-8998-1/25 PFAS beladen gronden‟ (BN200903), in zoverre hierin besloten wordt om de offerte van GRC nv (Haven 1025 – Scheldedijk 30, 2070 Zwijndrecht) als economisch meest voordelige offerte te beoordelen en de opdracht aldus aan GRC nv te gunnen”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Met een verzoekschrift van 10 december 2020 heeft de nv Grond Recyclage Centrum gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 december 2020, om 11.15 uur. Kamervoorzitter Dierk Verbiest heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ian Arnouts, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Lisa Van Besouw, die loco advocaat Joris Wouters verschijnt voor de verwerende partij, en advocaten Matthias Stinissen en Andi Zrza, die verschijnen voor de tussenkomende partij , zijn gehoord. Eerste auditeur Inge Vos heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. XII-8998-2/25 III. Feiten 3.
  4. De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna: OVAM) schrijft een overheidsopdracht voor diensten uit met als voorwerp „Antwerpen - Noorderlaan - eerste fase bodemsanering: fysico-chemische reiniging met PFAS beladen gronden‟. In het bijzonder behelst de opdracht “het lossen van verontreinigde grond aangevoerd per schip ter hoogte van de kade van het erkend verwerkingscentrum, het uitvoeren van de fysico-chemische grondreiniging en het laden van gereinigde grond voor afvoer per schip vanaf de kade van het erkend grondreinigingscentrum.” PFAS is een verzamelnaam en staat voor poly- en PerFluoroAlkylstoffen. Bekende voorbeelden van deze groep chemische stoffen zijn PFOA (PerFluorOctaanzuur), PFOS (PerFluorOctaanSulfonzuur) en GenX-stoffen. De opdracht wordt gegund met een openbare procedure. 3.
  5. De opdracht wordt bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen van 17 september 2020 en in het Supplement op het Publicatieblad van de Europese Unie van 22 september
  6. 3.
  7. Het op de opdracht toepasselijk bijzonder bestek BN200903 vermeldt de volgende gunningscriteria : 1) de totaalprijs, btw en milieuheffingen inbegrepen (60 punten) en 2) het plan van aanpak (40 punten). Een eerste onderdeel van het gunningscriterium „plan van aanpak‟ (20 punten) omvat de beoordeling van de duurtijd waartoe de inschrijver zich verbindt om de verwerking uit te voeren van iedere 4.000 ton verontreinigde grond die wordt aangevoerd. Een tweede onderdeel van het gunningscriterium „plan van aanpak‟ (15 punten) omvat de beoordeling van de kwaliteit van de werkwijze. Een derde onderdeel van het gunningscriterium „plan van aanpak‟ (5 punten) omvat de toekenning van punten volgens de concentratie aan PFOS in de grond waarvoor de inschrijver zich verbindt deze te reinigen. XII-8998-3/25 3.
  8. De opening van de offertes vindt plaats op 5 oktober
  9. Vier inschrijvers dienen een offerte in, waaronder de verzoekende partij en de nv Grond Recyclage Centrum (hierna: nv GRC). 3.
  10. Met een e-mailbericht van 9 oktober 2020 stelt de verwerende partij nog een aantal vragen tot verduidelijking aan de verzoekende partij, die met een aangetekend schrijven en e-mailbericht van 14 oktober 2020 door de verzoekende partij worden beantwoord. 3.
  11. In het gunningsverslag van 22 oktober 2020 worden alle offertes regelmatig bevonden. De toetsing van de offertes aan de gunningscriteria leidt tot de beste score voor de nv GRC (90,75) en de tweede beste score voor de verzoekende partij (87,17). Voorgesteld wordt om de opdracht te gunnen aan nv GRC. 3.
  12. Op 16 november 2020 beslist de verwerende partij om de opdracht overeenkomstig het gunningsverslag te gunnen aan nv GRC. Met een aangetekend schrijven en e-mailbericht van 17 november 2020 wordt aan de verzoekende partij meegedeeld dat de opdracht aan een andere inschrijver werd gegund. Als bijlage wordt een kopie gevoegd van de gunningsbeslissing en het gunningsverslag. IV. Tussenkomst
  13. De nv GRC blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing en heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg moet haar verzoek tot tussenkomst worden ingewilligd. XII-8998-4/25 V. Schorsingsvoorwaarden 5.
  14. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. 5.
  15. Te dezen is evenwel ook de wet van 17 juni 2013 „betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies‟ van toepassing (hierna: rechtsbeschermingswet). Krachtens artikel 15, eerste lid, van die wet kan de uitvoering worden geschorst van de thans bestreden beslissing in aanwezigheid van een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid. Overeenkomstig artikel 15, tweede lid, echter wordt de vordering tot schorsing voor de Raad van State uitsluitend ingesteld volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Er dient te dezen dan ook enkel nog te worden onderzocht of minstens één ernstig middel wordt aangevoerd, dan wel een klaarblijkelijke onwettigheid aanwezig is, die de nietigverklaring van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden. VI. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel
  16. De verzoekende partij voert in een enig middel de schending aan van artikel 81, § 1, van de wet van 17 juin 2016 „inzake overheidsopdrachten‟ (hierna: wet overheidsopdrachten 2016), van het beginsel van de gelijke XII-8998-5/25 behandeling en non-discriminatie van de inschrijvers voortvloeiend uit artikel 4 van diezelfde wet van 17 juin 2016 en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 5, 9°, van de rechtsbeschermingswet en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟ (hierna: formelemotiveringswet), van het beginsel patere legem quam ipse fecisti alsook de schending van “de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht”. In een eerste onderdeel betwist de verzoekende partij de beoordeling aan de hand van het eerste subgunningscriterium, behorend tot het gunningscriterium „plan van aanpak‟, dat betrekking heeft op de duurtijd voor de verwerking van iedere 4.000 ton verontreinigde grond. Volgens de verzoekende partij heeft de verwerende partij de door haar in haar offerte aangeboden duurtijd van 5 werkdagen ten onrechte in het gunningsverslag „gecorrigeerd‟ tot 10 werkdagen omdat beweerdelijk geen rekening zou zijn gehouden met de inkeuringsanalyse, de eerste dag van effectieve verwerking en de laatste dag van de uitkeuringsanalyses. De verzoekende partij betoogt daarbij in hoofdorde dat niet afdoende gemotiveerd wordt hoe de verwerende partij tot een termijn van 10 werkdagen komt. Er blijkt niet hoeveel dagen voor elk van de elementen – inkeuringsanalyse, eerste dag effectieve verwerking en laatste dag uitkeuringsanalyse – bijkomend worden aangerekend. Dit maakt het voor de verzoekende partij onmogelijk om zich hiertegen te kunnen verweren. Zij geeft aan dat hoewel zij een gedetailleerde planning heeft aangeleverd, de verwerende partij corrigeert zonder detaillering van de correctie. De correctie en het gebrek aan detail is volgens haar des te opmerkelijker omdat de verwerende partij in haar e-mailbericht van 9 oktober 2020 gewag maakte van een eventuele verlenging van de duurtijd tot slechts 8 werkdagen, en niet tot 10 werkdagen. In ondergeschikte orde doet de verzoekende partij gelden dat zij alle uitgangspunten van het bestek correct heeft toegepast, zodat de verwerende partij op onrechtmatige wijze de duurtijd heeft verdubbeld. XII-8998-6/25 Zo is volgens de verzoekende partij de bewering, dat zij geen rekening zou houden met inkeuringsanalyses, allerminst correct. Daarin is wel degelijk voorzien, conform de CMA 3/D methode waarnaar in het gunningsverslag verwezen wordt, zoals de verwerende partij duidelijk uit de offerte en de toelichting van 14 oktober 2020 kon afleiden en waarover zij nooit een vraag heeft gesteld. Zij geeft aan dat zij enkel beoogt deze uit te voeren in situ opdat er tijd gewonnen kan worden bij de eigenlijke fysicochemische reiniging. Noch uit het bestek noch uit de code van goede praktijk blijkt volgens haar dat deze aanpak verboden zou zijn. Wat de eerste dag van effectieve verwerking betreft, betoogt zij dat nergens uit het bestek blijkt dat op de dag van lossen nog geen eigenlijke reiniging zou mogen plaatsvinden. Zij benadrukt dat de verwerende partij in haar e-mailbericht van 9 oktober 2020 enkel heeft opgemerkt dat het begin van de verwerking op de dag van lossen “vermoedelijk enkel mogelijk is mits strikte voorwaarden rond timing van het lossen van het schip dewelke niet gegarandeerd zijn in het bestek”. De door de verzoekende partij omschreven werkmethode met voorafgaande inkeuring biedt volgens haar echter het voordeel dat zij tijdens de dag van lossen van de aanlevering van 4.000 ton ook al een eerste schijf kan behandelen. Daardoor valt deze werkdag voor het verwerken van de eerste hoeveelheden op de dag van lossen buiten de beschouwde definitie voor duurtijd zoals bepaald door het bestek. Wat de uitkeuringsanalyse betreft, is de verzoekende partij van oordeel dat – blijkens het bestek – de dag van het laden van het schip (met het oog op retour naar de werf) niet moet (en zelfs niet mag) worden meegeteld met de duurtijd. De omstandigheid dat de laatste resultaten van de uitkeuringsanalyse op dezelfde dag bekend worden, verhindert volgens haar niet dat deze dag niet meegerekend moet worden. Zij geeft daarbij ook aan dat zij de meerkost voor het steeds beschikbaar zijn van een overslagkraan voor het lossen of laden van schepen van het project heeft verrekend in haar eenheidsprijzen. Het tweede onderdeel heeft betrekking op de beoordeling aan de hand van het tweede subgunningscriterium, ook behorend tot het XII-8998-7/25 gunningscriterium „plan van aanpak‟ dat verband houdt met de kwaliteit van de werkwijze. In het gunningsverslag worden aan de gekozen inschrijver 4,5 extra punten toegekend, terwijl aan de verzoekende partij slechts 0,5 extra punt wordt toegekend. De verzoekende partij betoogt dat de verwerende partij mits een zorgvuldige analyse van de offertes en een gelijke behandeling van de inschrijvers, en respect voor de besteksbepalingen, aan haar offerte minstens evenveel en zelfs meer extra punten had moeten toekennen. Er wordt bovendien niet afdoende gemotiveerd waarom de extra punten wel aan de andere inschrijvers en niet aan de verzoekende partij worden toegekend. Zij doet daarbij in haar toelichting bij het middelonderdeel gelden dat de door haar aangeboden innovatieve werkwijze op discriminerende wijze niet positief wordt gewaardeerd, terwijl aan twee andere inschrijvers hiervoor wel extra punten werden toegekend, namelijk voor een “hybride grondwassingsconcept” en voor het “additief PFASorb”. Voorts heeft zij nog een bijkomend innovatief element voorgesteld namelijk “non-thermal plasma”. Vervolgens is de beoordeling in verband met de lozingsnorm in het gunningsverslag volgens haar foutief omdat zij – als enige van alle inschrijvers – juist geen lozing vooropstelt. Bovendien is de beoordeling discriminerend omdat zij – als enige van de inschrijvers verondersteld wordt om zich niet aan haar eigen vooropgestelde plan van aanpak te kunnen houden. Ten slotte wordt ook het dubbelgrondreinigingscentrum van de gekozen inschrijver volgens de verzoekende partij onterecht positief gewaardeerd. Beoordeling Excepties 7.
  17. In een eerste exceptie betoogt de tussenkomende partij dat het middel niet ontvankelijk is omdat de offerte van de verzoekende partij te dezen substantieel onregelmatig, en derhalve nietig is, waardoor de verzoekende partij XII-8998-8/25 hoe dan ook niet in aanmerking had kunnen komen om de opdracht gegund te krijgen. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om deze exceptie te onderzoeken en er uitspraak over te doen. Zulks ware enkel nodig indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat zoals hierna zal blijken niet het geval is. 7.
  18. In een tweede exceptie werpt de tussenkomende partij op dat het enig middel zich in globo niet leent tot de snelle en prima facie toetsing die in het kader van een administratief kort geding in uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verwacht, gelet op de technische aard van het middel en de omvang van het verzoekschrift, dat 40 bladzijden beslaat. Het verzoekschrift is inderdaad uitvoerig en draagt diverse technische twistpunten aan. Hierna zal de Raad van State enkel acht slaan op grieven waarvan het onderzoek en de beoordeling hem meteen duidelijk lijken. Eerste middelonderdeel
  19. Het eerste middelonderdeel heeft betrekking op de beoordeling van het eerste subgunningscriterium “de duurtijd waartoe de inschrijver zich verbindt om de verwerking uit te voeren van iedere 4.000 ton verontreinigde grond die wordt aangevoerd” van het gunningscriterium “plan van aanpak”, dat in het bestek als volgt wordt omschreven : “Een eerste deel van het gunningscriterium „plan van aanpak‟ (20 punten) omvat de beoordeling van de duurtijd waartoe de inschrijver zich verbindt om de verwerking uit te voeren van iedere 4.000 ton verontreinigde grond die wordt aangevoerd. Dit betreft de periode tussen de dag dat een hoeveelheid van 4.000 ton grond op het CGR [door de Vlaamse minister erkend centrum voor grondreiniging] werd geleverd en de dag dat 4.000 ton gereinigde grond klaar ligt na uitklaring en het CGR het laden van het schip kan uitvoeren, voor afvoer in retour naar de werf. Deze duurtijd geldt voor alle te reinigen gronden met PFOS 70 μg/kg.ds XII-8998-9/25 De duurtijd is van belang voor de vlotte voortgang van de bodemsanering en is ingegeven door de geplande herontwikkeling van de locatie (waarvoor de opdrachtgever tevens een samenwerkingsakkoord met bijhorende concrete afspraken heeft gesloten met het Havenbedrijf Antwerpen). Het spreekt voor zich dat de duurtijd bepaald moet worden met respect voor al de onder 1.3 vermelde regelgeving, de code van goede praktijk voor het werken met uitgegraven bodem en de code van goede praktijk – Opslag, bewerking en reiniging van bodemmaterialen in het bijzonder. De toekenning van de punten per inschrijver voor het eerste deel van het gunningscriterium „plan van aanpak‟ gebeurt volgens onderstaande formule: Punteninschrijver = Punten max x (duurtijd van de inschrijver met de kortste duurtijd/duurtijd inschrijver)”. De toetsing van de offertes aan de hand van dit subgunningscriterium in het gunningsverslag luidt als volgt voor de verzoekende partij: “De opgegeven duurtijd van 5 werkdagen houdt geen rekening met inkeuringsanalyses alsook niet met de eerste dag van effectieve verwerking (wegens gelijkstelling met de dag van lossen wat buiten de beschouwde definitief van duurtijd zou vallen) en de laatste dag van de uitkeuringsanalyses. Een inkeuring op de werf door middel van boringen heeft een grote impact op het reeds in uitvoering zijnde werfverloop en strookt niet met de werfafspraken en –organisatie, alsook wordt opgemerkt dat deze werkwijze niet het uitgangspunt is van de code van goede praktijk voor opslag, bewerking en reiniging van bodemmaterialen (inkeuringsanalyse op het centrum zelf zijn dit wel). Conform de code moeten er steeds stalen genomen en geanalyseerd worden van de partij die aangevoerd wordt. Het minimaal aantal stalen van de tabel 1 in de code moet dus op de locatie van de CGR genomen worden. Rekening houdend met bovenstaande en rekening houdend met de bevestiging van Bioterra dat, losstaand van oude onderzoeksgegevens en zich baserend op voortschrijdend inzicht, het CMA 3/D zal worden gehanteerd voor analyse (i.p.v. de DIN-methode), wordt de duurtijd gecorrigeerd van 5 naar 10 werkdagen.” Voor de tussenkomende partij luidt de motivering: “GRC stelt voor of te voeren naar haar 2 centra voor grondreiniging in Kallo en Zolder. Zij stellen een duurtijd van 16 werkdagen voor de verwerking van 4000 ton op een verwerkingscentrum. Hun aanname dat door de inzet van 2 centra de duurtijd wordt gehalveerd tot 8 werkdagen wordt niet aanvaard, gezien er geen zekerheid over bestaat dat 2 loten van XII-8998-10/25 4000 ton gelijktijdig zouden zijn aangevoerd. De duurtijd wordt gecorrigeerd naar 16 werkdagen. De opgegeven duurtijd van 16 werkdagen per centrum houdt rekening met inkeuringsanalyses, effectieve verwerking en uitkeuringsanalyses”.
  20. In de mate dat de verzoekende partij in het eerste onderdeel van haar middel in hoofdorde betoogt dat niet afdoende gemotiveerd wordt hoe de verwerende partij tot een termijn van 10 werkdagen komt, lijkt zij niet te kunnen worden bijgevallen. Op het eerste gezicht dient de motivering in het gunningsverslag immers te worden samen gelezen met de bepalingen van het bestek, de vraag tot verduidelijking vanwege de verwerende partij van 9 oktober 2020, evenals het antwoord daarop van de verzoekende partij van 14 oktober 2020, waarvan de inhoud de verzoekende partij welbekend is. Zoals ook door de verzoekende partij wordt erkend in haar verzoekschrift, geeft de motivering in het gunningsverslag duidelijk drie elementen aan, waarmee volgens de verwerende partij in de door de verzoekende partij opgegeven duurtijd van 5 werkdagen geen rekening werd gehouden: de inkeuringsanalyse, de eerste dag van effectieve verwerking en de laatste dag van de uitkeuringsanalyse. Tevens blijkt uit de tabel dat de duurtijd voor haar offerte door de verwerende partij werd gecorrigeerd naar 10 werkdagen. Een eenvoudige rekensom volstaat prima facie dan ook om vast te stellen dat, naast de toevoeging van de eerste dag van effectieve verwerking en een dag voor de uitkeuringsanalyse, voor de inkeuringsanalyse drie werkdagen werden gerekend. Op het eerste gezicht betreft de verwijzing naar een duurtijd van 8 werkdagen in het schrijven van 9 oktober 2020 ook louter een vraag naar de interpretatie van de offerte van de verzoekende partij. In de mate dat de verzoekende partij in het eerste middelonderdeel een schending aanvoert van de formelemotiveringsplicht die zij afleidt uit de rechtsbeschermingswet en de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet is het middel dan ook niet ernstig. XII-8998-11/25
  21. In ondergeschikte orde betoogt de verzoekende partij in het eerste onderdeel dat zij de uitgangspunten van het bestek respecteerde zodat een correctie door de verwerende partij niet verantwoord was. Daarbij valt op te merken dat het in de eerste plaats aan de aanbestedende overheid en niet aan de Raad van State toekomt om te beoordelen of een offerte al dan niet de uitgangspunten van het bestek respecteert. Bovendien lijkt de beoordeling van deze vraag een interpretatie te vereisen van technische besteksbepalingen en van de betrokken codes van goede praktijk, evenals een onderzoek van bepaalde technische aannames in de offerte en verduidelijking van de verzoekende partij. Het onderzoek naar de ernst van die grieven leent zich, gelet op hun technische aard, niet tot en aan een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid verbonden prima facie beoordeling.
  22. De beoordeling van de verwerende partij steunt op drie motieven, die verband houden met de inkeuringsanalyse, de eerste dag van effectieve verwerking en de laatste dag uitkeuringsanalyse. 11.
  23. Wat de inkeuringsanalyse betreft, valt op te merken dat de duurtijd in het bestek wordt omschreven als “de periode tussen de dag dat een hoeveelheid van 4.000 ton grond op het CGR werd geleverd en de dag dat 4.000 ton gereinigde grond klaar ligt na uitklaring en het CGR het laden van het schip kan uitvoeren, voor afvoer in retour naar de werf.” Ook wordt in het bestek benadrukt dat het voor zich spreekt dat “de duurtijd bepaald moet worden met respect voor al de onder 1.3 vermelde regelgeving, de code van goede praktijk voor het werken met uitgegraven bodem en de code van goede praktijk – opslag, bewerking en reiniging van bodemmaterialen in het bijzonder.” Deze laatste code bepaalt onder titel „3.2.1 Inkeuring‟ onder meer: “De exploitant voert op de aangevoerde partij een inkeuring uit. Pas nadat de resultaten van de inkeuring bekend zijn, zijn de bodemmaterialen aanvaard op de TOP, CGR of CSV.” Tevens wordt gesteld: “De uiteindelijke inkeuring gebeurt aan de hand van de informatie omtrent de herkomst van de partij, met behulp van XII-8998-12/25 chemische analysen die beschikbaar zijn bij aanlevering, en aan de hand van analysen van één of meerdere representatieve mengstalen.” Daargelaten de vraag of het bestek te dezen tot op zekere hoogte een inkeuring op de werf (in situ) zou toelaten, zoals de verzoekende partij bepleit, lijkt prima facie met de verwerende partij en de tussenkomende partij te moeten worden vastgesteld dat er een minimaal representatief aantal stalen moet worden genomen op locatie van het centrum voor grondreiniging zelf. Dit lijkt op het eerste gezicht overigens ook te worden bevestigd door de Grondbank in het antwoord dat de verzoekende partij voorlegt, namelijk “de in situ analyses kunnen dus zeker mee in rekening genomen worden, bijkomend is minstens één representatief mengstaal per productiebatch nodig als inkeuring op het reinigingscentrum. Het totaal aantal mengmonsters voor inkeuring moet minstens in overeenstemming zijn met tabel 3.2.3.1 „Staalname voor inkeuring van te reinigen partijen‟ van de CvGP”. De verzoekende partij lijkt dit eveneens in haar verzoekschrift te erkennen waar zij stelt dat er “weliswaar […] (minstens) één representatief mengstaal per productiebatch nodig [is] als inkeuring op het reinigingscentrum”. Op het eerste gezicht lijkt een loutere in situ inkeuring dan ook niet mogelijk te zijn. De verzoekende partij blijkt voorts in haar schrijven van 14 oktober 2020 zelf te hebben bevestigd dat inkeuringsanalyses conform de CMA 3/D methode “gerapporteerd [worden] op maximaal 3 werkdagen”. De verzoekende partij verwijst nog naar een e-mailbericht van de Grondbank van 15 december 2020, waaruit zou blijken dat de reiniging reeds kan aanvangen zonder dat de analyseresultaten van de inkeuring op locatie van het centrum voor grondreiniging zelf dienen te worden afgewacht. De neerlegging van dit nieuwe stuk in de namiddag, daags voor de zitting, lijkt echter moeilijk verenigbaar met de eisen van een behoorlijk onderzoek door het auditoraat en van een deugdelijk contradictoir debat. Bovendien blijkt dat het laatste e-mailbericht al dateert van ‟s ochtends daags voordien. Het lijkt ook geen nieuw feit te zijn. XII-8998-13/25 Hoe dan ook is ter terechtzitting debat daarover gevoerd. Het valt in elk geval op te merken dat dit schrijven dateert van na de aanname van de bestreden beslissing en de inhoud ervan alvast prima facie niet duidelijk blijkt uit de volgens het bestek toepasselijk verklaarde code van goede praktijk. Zoals vermeld onder het hierboven aangehaalde punt 3.2.1 „Inkeuring‟ van de voormelde code van de goede praktijk, namelijk “De exploitant voert op de aangevoerde partij een inkeuring uit. Pas nadat de resultaten van de inkeuring bekend zijn, zijn de bodemmaterialen aanvaard op de TOP, CGR of CSV”, blijkt dat een inkeuring derhalve ingepast moet worden in de aan te bieden duurtijd. Het voornoemde schrijven gaat ook niet uit van de OVAM zelf , maar betreft op het eerste gezicht een interpretatie van één medewerkster, de verantwoordelijke TOP/CRG van de vzw Grondbank. Voorts dient te worden vastgesteld dat ook in dit schrijven nog een aantal voorwaarden worden gesteld (“Indien de verontreiniging op de werf voldoende is afgeperkt en de selectieve uitgraving correct gebeurt”), waarvan de Raad op het eerste gezicht niet bij machte is om in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid te oordelen of daaraan is of zou kunnen worden voldaan. 11.
  24. Wat de eerste dag van effectieve verwerking betreft, betoogt de verzoekende partij dat nergens uit het bestek blijkt dat op de dag van lossen nog geen eigenlijke reiniging zou mogen plaatsvinden. Daarbij lijkt zij in de eerste plaats opnieuw voorbij te gaan aan de voormelde problematiek aangaande de inkeuringsanalyse. Dat de duurtijd pas aanvangt de dag nadat de 4.000 ton is gelost en geleverd, zoals de verwerende partij het bestek leest, lijkt voorts op het eerste gezicht de meest voor de hand liggende interpretatie van de voormelde besteksomschrijving aangaande de duurtijd. Voorts lijkt de argumentatie van de verzoekende partij geen repliek te bieden op hetgeen door de verwerende partij reeds gesteld werd in haar schrijven van 9 oktober 2020, waar geopperd werd dat het begin van verwerking op de dag van lossen “vermoedelijk enkel mogelijk is mits strikte voorwaarden rond timing van het lossen van het schip dewelke niet gegarandeerd zijn in het XII-8998-14/25 bestek”. Ook het gebrek aan waarborg omtrent de timing van het lossen van het schip, lijkt te verhinderen dat bij de opgave van de duurtijd zonder meer wordt uitgegaan van de reiniging van een welbepaald volume op de dag van lossen. 11.
  25. Wat de uitkeuringsanalyse betreft, erkent de verzoekende partij dat – blijkens het bestek – de dag van het laden van het schip, met het oog op retour naar de werf, niet mag worden meegeteld met de duurtijd. Ook lijkt de verzoekende partij niet te betwisten dat een uitkeuringsanalyse eveneens drie werkdagen omvat. Op zicht van de planning van de verzoekende partij, zoals gevoegd bij haar schrijven van 14 oktober 2020 kan evenwel worden vastgesteld dat de laatste dag voor de uitkeuringsanalyse samenvalt met de dag waarop het schip opnieuw wordt geladen voor retour naar de werf. Dat de dag van het laden van het schip zelf niet dient meegerekend te worden in de duurtijd, betekent op het eerste gezicht echter niet dat de resultaten van de uitkeuringsanalyse, niet zouden moeten worden inbegrepen in de “duurtijd”. Uit de voormelde omschrijving van het begrip duurtijd in het bestek blijkt prima facie dat deze tevens de uitkeuringsanalyse omvat. Ook uit de technische bepalingen van het bestek blijkt dat “de nodige analyseresultaten [dienen] te worden voorgelegd vóór aanvang van het retourtransport” , zodat op het eerste gezicht ook met de volledige maximale duurtijd van drie werkdagen dat zulks in beslag kan nemen, rekening dient te worden gehouden. 11.
  26. Aldus lijkt de beoordeling van de verwerende partij, dat de opgegeven duurtijd van 5 werkdagen geen rekening houdt met de vereiste inkeuringsanalyses, die niet in situ lijken te kunnen gebeuren en drie werkdagen in beslag lijken te nemen, en evenmin met de eerste dag van effectieve verwerking, die niet lijkt te kunnen samenvallen met de dag van lossen noch met de laatste dag van de uitkeringsanalyses, ook drie dagen, in het licht van het voorgaande, de grenzen van een zorgvuldige beoordeling dan ook niet te buiten te gaan. XII-8998-15/25
  27. Besloten dient dan ook te worden dat het uitgangspunt van het eerste onderdeel van het middel dat de verzoekende partij de uitgangspunten van het bestek respecteert, op het eerste gezicht faalt. Het eerste onderdeel van het enig middel is niet ernstig. Tweede middelonderdeel
  28. Het tweede middelonderdeel heeft betrekking op de beoordeling aan de hand van het tweede subgunningscriterium “de kwaliteit van de werkwijze”, vervat in het gunningscriterium “plan van aanpak”, dat in het bestek als volgt wordt omschreven: “Een tweede deel van het gunningscriterium „plan van aanpak‟ (15 punten) omvat de beoordeling van de kwaliteit van de werkwijze aan de hand van:  De toelichting van de werkwijze voor de fysico-chemisch te reinigen partij (PFOS 70 μg/kg.ds aantal analyses) in functie van retour naar de werf (min. 90 % reinigingsrendement en eindconcentraties PFOS  De toelichting van de werkwijze waarmee wordt omgegaan met PFAS die door reiniging naar de waterfase worden gebracht. Hierbij wordt gevraagd om de performantie van de waterzuivering te verduidelijken voor PFAS alsook de gehanteerde lozingsnormen en de controle hierop. De opdrachtgever vraagt om in dit kader minstens een meetreeks voor te leggen van effluentcontroles gedurende de fysico-chemische reiniging alsook nog enige tijd doorlopend na de fysico-chemische behandeling van met PFAS verontreinigde gronden in de installatie (periode i.f.v. performantie van de WZI).  De toelichting van de afvoer en verwerking van de met PFAS-beladen resterende slibfractie.  De bespreking van de indeling in deelstromen/loten op het CGR en de werkwijze bij inkeuring (incl. aantal analyses). Onderdeel hiervan is de grootte van de deelpartijen die afzonderlijk zullen ingekeurd worden. In het kader van de opdracht wordt geëist om de volumes per lot minstens te beperken tot maximaal 4.000 ton.  De toelichting van de werkwijze waarmee wordt verzekerd dat de aangevoerde gronden afzonderlijk van andere gronden worden behandeld; dit ten einde dezelfde partij grond na reiniging terug naar de werf te kunnen afvoeren ter aanvulling. Aan innovatieve werkwijzen die een meerwaarde kunnen betekenen worden meer punten toegekend. XII-8998-16/25 Een afschrift van het bijkomend onderzoek uitgevoerd in opdracht van de OVAM om de reinigbaarheid van met PFAS/PFOS verontreinigde gronden te evalueren is in bijlage 16 terug te vinden.”
  29. De in het gunningsverslag opgenomen beoordeling van de offertes van de verzoekende partij, de tussenkomende partij en de nv Envisan, wat dit subgunningscriterium betreft, luidt als volgt: “Bioterra nv De werkwijze van de fysico-chemische reiniging is voldoende toegelicht. Gebruik van een afgescheiden overdekte stockage en de toelichting van de werkwijze van de cleaning van schepen en verwerking van de spoelwateren is een positief element ten opzichte van de andere inschrijvers (+0,5 punt). De duurtijd van de reiniging is toegelicht (voor de impact van de gedane aanname in functie van berekenen van de duurtijd worden hier geen minpunten in rekening gebracht gezien dit reeds vervat zit in het hanteren van de gecorrigeerde duurtijd). De werkwijze hoe wordt omgegaan met PFAS in de waterfase is voldoende toegelicht. Er kan worden afgeleid dat het gehalte PFAS in de waterstroom zal worden gemonitord, echter een specifiek monitoringsplan voor PFAS is niet toegelicht en de lozingsnorm die zal worden gehanteerd bij eventuele lozing is niet opgegeven (hoewel op heden niet geloosd wordt, bestaat deze mogelijkheid wel). De indeling in loten werd toegelicht. De omvang (volume) van een uit te keuren deelstroom is niet verduidelijkt. De afvoer en verwerking van de met PFAS-beladen resterende slibfracties werd toegelicht. De traceerbaarheid van de gronden werd gegarandeerd. Envisan nv De werkwijze van de fysico-chemische reiniging is voldoende toegelicht. Er is hierbij sprake van een innovatief element specifiek in functie van de reiniging van de PFAS-gronden: gebruik van het additief PFASocb. Deze innovatieve werkwijze heeft een duidelijke meerwaarde naar exploitatie van de reinigingsinstallatie. (+2 punten voor dit innovatief element) De duurtijd van de reiniging is toegelicht. XII-8998-17/25 De werkwijze hoe wordt omgegaan met PFAS in de waterfase is voldoende toegelicht. Er werd tevens een monitoringsprogramma opgegeven en de lozingsnorm werd verduidelijkt. (+0,5 punt voor toelichting monitoring PFAS in de waterfase en toelichting gehanteerde norm) De indeling in deelstromen/loten werd toegelicht. De inkeuring gebeurt op deelpartijen die nog samengesteld kunnen worden tot een productie batch. De omvang (volume) van een productiebatch is niet verduidelijkt. De afvoer en verwerking van de met PFAS-beladen resterende slibfracties werd toegelicht. De traceerbaarheid van de gronden werd gegarandeerd. GRC nv De werkwijze van de fysico-chemische reiniging is voldoende toegelicht. Er is hierbij sprake van een innovatief element specifiek in functie van de reiniging van de PFASgronden: het hybride grondwassingsconcept. Deze innovatieve werkwijze heeft een duidelijke meerwaarde naar exploitatie van de reinigingsinstallatie (+2 punten voor dit innovatief element). De duurtijd van de grondreiniging is toegelicht. Een cruciaal aspect in het plan van aanpak is het werken met 2 centra voor reiniging waardoor de totale duurtijd van verwerking best-case wordt gehalveerd. De mogelijkheid van het werken met 2 centra biedt een meerwaarde voor het snel retourneren van alle gronden. (+ 2 punten voor reduceren totale duurtijd via inzetten van 2 centra). De werkwijze hoe wordt omgegaan met PFAS in de waterfase is voldoende toegelicht. Er werd tevens een monitoringsprogramma opgegeven en de lozingsnorm werd verduidelijkt (+ 0,5 punten voor toelichting monitoring PFAS in de waterfase en toelichting gehanteerde norm) De indeling in deelstromen/loten werd toegelicht. Het is niet duidelijk of de uitkeuring zal gebeuren op deelstromen of telkens op een partij van 4.000 ton. De afvoer en verwerking van de met PFAS-beladen resterende slibfracties werd toegelicht. De traceerbaarheid van de gronden werd gegarandeerd”.
  30. Op het eerste gezicht dient ook hier te worden vastgesteld dat op grond van de formele motieven zoals opgenomen in de bestreden gunningsbeslissing en het gunningsverslag het voor de verzoekende partij mogelijk was om met voldoende inzicht de toegekende puntenscores te begrijpen XII-8998-18/25 Dit blijkt ook uit het verzoekschrift zelf waarin deze motieven uitvoerig worden betwist. Op het eerste gezicht lijkt met de verwerende partij voorts te kunnen worden aanvaard dat de details van de door de inschrijvers aangeboden innovatieve werkwijzen onder het zakengeheim vallen. Dat de verwerende partij om die reden de formulering in het verslag van nazicht met opzet algemeen heeft gehouden, lijkt op het eerste gezicht de verzoekende partij evenmin onmogelijk te hebben gemaakt met voldoende kennis van zaken te oordelen of het zin heeft zich tegen de bestreden beslissing te verweren.
  31. Wat de grond van de kritiek betreft, mag in de eerste plaats worden opgemerkt dat van een gespecialiseerde overheidsinstantie, zoals de OVAM, mag worden verwacht dat deze deskundig is inzake bodemsanering en reinigingsmethoden. Haar geschiktheid om tot een in feite correct oordeel te komen bij het onderzoek van technische specificaties van de door de inschrijvers toegepaste methodes en bij de technische beoordeling van de al dan niet gelijkwaardigheid van door verschillende inschrijvers aangeboden methodes mag dan ook in principe worden verondersteld. Het komt bijgevolg aan de verzoekende partij toe om afdoende aannemelijk te maken dat het onderzoek van de offertes toch op onrechtmatige wijze zou zijn verricht.
  32. De verzoekende partij betoogt dat “OVAM bij een zorgvuldige analyse van de offerte van Bioterra [zou] hebben moeten vaststellen dat Bioterra evenzeer de elementen aanbiedt waarvoor bij Envisan en GRC extra punten worden toegekend. En [zij] biedt zelfs nog meer innovatieve elementen aan, die door OVAM klaarblijkelijk genegeerd worden.” 17.
  33. Aan de offerte van de nv Envisan worden 2 extra punten toegekend inzake de werkwijze van de fysico-chemische reiniging. Er is volgens het gunningsverslag sprake van een innovatief element specifiek in functie van de reiniging van de PFAS-gronden: gebruik van het additief PFASorb, welke innovatieve werkwijze een duidelijke meerwaarde heeft naar exploitatie van de reinigingsinstallatie. XII-8998-19/25 Het loutere gegeven dat uit de offerte van de verzoekende partij blijkt dat eveneens gebruik gemaakt wordt van een mogelijk zelfde additief in het reinigingsproces, toont op het eerste gezicht niet meteen aan dat het gebruik dat beide inschrijvers van dergelijk additief in het reinigingsproces maken hetzelfde is. Wat het additief PFASorb betreft, is het volgens de verwerende partij ook voornamelijk de wijze van gebruik door de inschrijver nv Envisan die als innovatief werd beschouwd. Prima facie blijkt uit de offertes, die worden neergelegd als vertrouwelijke stukken van het administratief dossier, doch waar de Raad acht op mag slaan, dat het PFASorb door de nv Envisan inderdaad op een andere wijze wordt gebruikt dan in de aanpak van de verzoekende partij. Op dit punt lijkt, prima facie en in een context van een door de Raad van State moeilijk decisief te beoordelen techniciteit, alvast geen discriminerende beoordeling te kunnen worden vastgesteld. 17.
  34. Aan de offerte van de tussenkomende partij worden 2 extra punten toegekend inzake de werkwijze van de fysico-chemische reiniging. Er is volgens het gunningsverslag sprake van een innovatief element specifiek in functie van de reiniging van de PFAS-gronden: het hybride grondwassingsconcept, welke innovatieve werkwijze een duidelijke meerwaarde heeft naar exploitatie van de reinigingsinstallatie. Volgens de verwerende partij zit het onderscheid met het aangeboden concept van de verzoekende partij in de wijze waarop het “hybride grondwassingsconcept” wordt toegepast. Volgens de tussenkomende partij is deze werkwijze erg innovatief, omdat er na de eerste wassing ook een tweede nazuivering gebeurt. Uit de stukken van het administratief dossier, meer bepaald de offerte van de tussenkomende partij, blijkt alvast op het eerste gezicht dat het een specifieke werkwijze betreft die door deze inschrijver recent werd ontwikkeld en die, evenals het innovatief karakter ervan, ook in de offerte uitvoerig wordt omschreven. De publiek beschikbare informatie waarnaar de verzoekende partij verwijst, vermeldt op het eerste gezicht weliswaar de ontwikkeling van een hybride XII-8998-20/25 grondwassingsproces en het resultaat dat er mee kan worden bereikt, maar geeft geen details over de precieze wijze van toepassing, die in de betrokken offerte zelf wel aan bod lijken te komen. De verzoekende partij maakt aldus op het eerste gezicht niet aannemelijk dat het innovatief karakter van haar werkwijze op dit punt op even duidelijke wijze blijkt uit de toelichting in haar offerte, voor zover al zou kunnen worden aangenomen dat het grondwassingsconcept dat zij heeft aangeboden in haar offerte hiermee zonder meer kan worden gelijkgesteld. Dit laatste zou een onderzoek vergen dat de perken van een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid te buiten gaat. 17.
  35. Voorts lijkt de verwerende partij op het eerste gezicht evenmin te zijn voorbij gegaan aan de verwerking van de spoelwateren in de offerte van de verzoekende partij, nu dit in het gunningsverslag wel degelijk werd aangemerkt als een positief element. 17.
  36. In de mate dat de verzoekende partij voorts nog aanvoert dat zij aangegeven heeft om de veelbelovende waterzuiveringstechniek met “non-thermal plasma” toe te passen, dient op het eerste gezicht te worden vastgesteld dat zij deze techniek alvast niet ter sprake lijkt te hebben gebracht in het onderdeel van haar offerte dat betrekking heeft op de gunningscriteria, en aldus evenmin onder “Deel 2.2 (15 punten) : beoordeling van de kwaliteit van de werkwijze”, dat specifiek betrekking lijkt te hebben op het tweede subgunningscriterium in het kader waarvan aan innovatieve werkwijzen luidens het bestek meer punten worden toegekend. Wel blijkt zij in haar offerte in het kader van de gevraagde technische bekwaamheid bij de selectiecriteria onder meer te hebben opgemerkt: “Met Tectero bekijken we dan weer de mogelijkheid […] om een laboproef middels Niet Thermisch Plasma (NTP) op te schalen naar een pilootinstallatie van 1m³/u op afvalwater van onze site”. Daarnaast blijkt in een afzonderlijke nota gevoegd bij de offerte te worden verwezen naar een “proefopzet” van Tectero in verband met deze techniek en “een intentie van Tectero om samen met Bioterra een grootschaliger proef op te zetten”. Nu de verzoekende partij in haar offerte slechts naar deze techniek blijkt te hebben verwezen in het kader van de kwalitatieve selectie en een afzonderlijke nota, en overigens ook enkel als het “bekijken van een mogelijkheid” XII-8998-21/25 of “intentie”, blijkt op het eerste gezicht niet dat de verwerende partij hiermee bij de beoordeling van het tweede subgunningscriterium “kwaliteit van de werkwijze” van het gunningscriterium “plan van aanpak” rekening diende te houden.
  37. De verzoekende partij lijkt voorts evenmin te kunnen worden bijgevallen waar zij betoogt dat ook de beoordeling in verband met de lozingsnorm in het gunningsverslag foutief en discriminerend zou zijn omdat zij – als enige van alle inschrijvers – geen lozing vooropstelt. Hoewel dit aldus uitdrukkelijk gevraagd was in de omschrijving van de gunningscriteria in het bestek, lijkt de verzoekende partij, anders dan de drie andere inschrijvers, geen specifiek monitoringsprogramma voor PFAS te hebben opgegeven en geen lozingsnorm te hebben verduidelijkt, om welke reden de offerte van de verzoekende partij, anders dan de andere inschrijvers hiervoor geen extra 0,5 punt behaald heeft. Waar de verzoekende partij nog betoogt dat deze beoordeling foutief is omdat zij zelf geen lozing vooropstelt, lijkt zij bovendien ook voorbij te gaan aan het belang van een monitoringsplan ook bij continu hergebruik van het proceswater, evenals aan de opmerking in het gunningsverslag waar gesteld wordt: “hoewel op heden niet geloosd wordt, bestaat deze mogelijkheid wel.” Prima facie wordt deze laatste vaststelling niet tegengesproken door de offerte van de verzoekende partij zelf nu hierin onder meer gesteld wordt: “Mede door de nood aan water ter uitvoering van de fysisch-chemische reiniging, de steeds groter wordende druk op grond- en oppervlaktewater en de kosten inzake lozing op riool- en oppervlaktewater, hebben we geïnvesteerd in een volledige heraanleg van het watermanagement incl. een stockagemogelijkheid van 3500m³. Deze aanpassingen zijn doorgevoerd en in gebruik genomen op 1/6/
  38. We wensen te benadrukken dat we sindsdien alle intern water hebben hergebruikt en dus niets meer hebben geloosd. Bioterra draagt vandaag niet het statuut „nullozer‟, maar pretendeert dit wel te zijn. Hiervoor is echter een langere aanéénsluitende periode zonder lozing nodig om deze stap te zetten.” XII-8998-22/25
  39. Rest ten slotte nog de grief, dat het dubbel grondreinigingscentrum van de gekozen inschrijver ten onrechte werd gewaardeerd. Aangezien de overige grieven niet ernstig werden bevonden, lijkt de verzoekende partij geen belang meer te hebben bij deze grief nu deze, op zichzelf genomen, immers niet van aard lijkt om de rangschikking tussen de offertes nog te kunnen beïnvloeden. Ook indien aan de offerte van de gekozen inschrijver geen meerwaarde van 2 punten zou zijn toegekend voor het dubbel grondreinigingscentrum, zou zij op het eerste gezicht met een totaalscore van 87,75 punten immers nog voor de verzoekende partij (87,17 punten) gerangschikt staan. Op het eerste gezicht gaat het overigens de grenzen van een zorgvuldige beoordeling en het bestek ook niet te buiten dat de verwerende partij het door de gekozen inschrijver aangeboden dubbel grondreinigingscentrum positief heeft gewaardeerd bij de beoordeling van het tweede subgunningscriterium “kwaliteit van de werkwijze” van het gunningscriterium “plan van aanpak” aangezien in de omschrijving van het eerste beoordelingselement voor dit criterium in het bestek ook expliciet wordt gevraagd de duur van de reiniging op te geven. Voorts lijkt deze beoordeling evenmin in strijd met de gelijke behandeling van de inschrijvers. Bij de beoordeling van dit subgunningscriterium wordt immers gewezen op het feit dat ingevolge het werken met twee centra de totale duurtijd van verwerking best-case wordt gehalveerd én de meerwaarde die dit kan bieden voor het snel retourneren van alle gronden. Reeds in de offerte van de gekozen inschrijver blijkt te zijn opgemerkt dat dit niet enkel de duurtijd van het project significant kan verkorten maar ook het risico op vertraging door operationele problemen of stilstanden vermindert. Indien iets misloopt in het ene verwerkingscentrum kan nog steeds gebruik worden gemaakt van het ander verwerkingscentrum. Dit laatste voordeel biedt de offerte van de verzoekende partij op het eerste gezicht niet. XII-8998-23/25 De beoordeling lijkt voorts niet tegenstrijdig met het eerste subgunningscriterium, dat immers betrekking heeft op de beoordeling van de duurtijd waartoe de inschrijver zich verbindt om de verwerking uit te voeren van iedere 4000 ton verontreinigde grond die wordt aangevoerd, noch met de beoordeling ervan. Het is op het eerste gezicht niet omdat de verwerende partij de halvering van de duurtijd niet aanvaardt in het kader van de beoordeling van de duurtijd waartoe de inschrijver zich verbindt, gezien er geen zekerheid over bestaat dat 2 loten van 4000 ton gelijktijdig zouden worden aangevoerd, dat dit voordeel niet positief kan worden gewaardeerd bij de beoordeling van het tweede subgunningscriterium aangaande de kwaliteit van de werkwijze. Uit de offerte van de gekozen inschrijver blijkt voorts op het eerste gezicht ook dat het hybride grondwassingsconcept in de beide grondreinigingscentra zal worden gehanteerd.
  40. Het tweede onderdeel van het enig middel is evenmin ernstig.
  41. In het licht van al het voorgaande lijkt aldus niet aangetoond dat de opdracht overeenkomstig artikel 81, § 1, van de wet overheidsopdrachten 2016 niet zou zijn gegund aan de inschrijver met de economisch meest voordelige offerte. VII. Besluit
  42. Het enig middel is niet ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dient dan ook te worden verworpen. BESLISSING
  43. Het verzoek van de nv Grond Recyclage Centrum tot tussenkomst wordt ingewilligd.
  44. De Raad van verwerpt de vordering. XII-8998-24/25 3.De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op een rolrecht van 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig december tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-8998-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.332 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.