← België

Arrest 249338 - Erkenningen – Accreditaties (economische zaken) - 24/12/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.338 Rolnummer: A. 231264/XIV-38417 Zaak: Arrest 249338 - Erkenningen – Accreditaties (economische zaken) - 24/12/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-01-07 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-20 01:50 Fiche Arrest nr 249.338 van 24 december 2020 Economische zaken - Erkenningen – Accreditaties (economische zaken) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 249.338 van 24 december 2020 in de zaak A. 231.264 /XIV-38.417 In zake: SRL JUST WORK MANPOWER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dana Dobrin kantoor houdend te 2660 Antwerpen Catharina Lundenhof 9 bus 13 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk De Greef kantoor houdend te 1700 Dilbeek Eikelenberg 20 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 20 augustus 2020, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de secretaris-generaal namens de Vlaamse minister bevoegd voor Tewerkstellingsbeleid van 30 april 2020 „houdende de intrekking van de erkenning als uitzendbureau algemeen, uitzendbureau in de bouwsector en uitzendbureau in de artistieke sector in het Vlaamse Gewest‟. XIV-38.417-1/8 II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 248.066 van 17 juli 2020 is een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing verworpen. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 december
  3. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Nathalie Malanda, die loco advocaat Dana Dobrin verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Dirk De Greef, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Inge Vos heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. De feiten zijn weergegeven in het tussenarrest nr. 248.066 van 17 juli
  6. Er wordt naar verwezen. XIV-38.417-2/8 IV. Ontvankelijkheid van het beroep
  7. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Schorsingsvoorwaarden
  8. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VI. Spoedeisendheid Uiteenzetting
  9. Onder het kopje “Moeilijk te herstellen nadeel” zet de verzoekende partij uiteen dat de bestreden beslissing het uitvoeren voor de verzoekende partij van haar activiteiten onmogelijk maakt wat zowel moeilijk te herstellen materiële en morele schade betreft. Zij voert nog aan dat de bestreden beslissing genomen werd terwijl er geen redenen meer voor een intrekking aanwezig waren en nadat de verwerende partij bevestigd had “dat alles opgelost was”. Vervolgens, onder het kopje “Vijfde middel - moeilijk te herstellen, nadeel - de intrekking van de erkenning veroorzaakt aanzienlijke materiële en morele schade” stelt de verzoekende partij dat het geleden nadeel onherstelbaar is omdat: XIV-38.417-3/8 “Verzoeker is een Roemeense vennootschap met erkenningen als interimkantoor in Roemenië, Italië en Wallonië. Echter betreft de omzet dat verzoekster met haar onderneming in Vlaanderen maakt zo een 20% van haar totale omzet (stuk 11). Dit betekent dat verzoekster momenteel 20% van haar omzet verliest wat echter een zeer grote schade betreft. Daarbij heeft verzoekster momenteel contacten gelegd met verschillende ondernemingen die cliënten wensen te worden van JWM en personeel willen rekruteren via verzoekster (stuk 12). Bovendien heeft verzoekster gedurende de jarenlange activiteit een zeer goede reputatie en vele zakenrelaties die verzoekster door de onterechte intrekking van haar erkenning nu kwijt is. Niet alleen betreft dit morele schade, maar verzoekster zal deze reputatie en de zakelijke relaties opnieuw van nul moeten opbouwen.” Beoordeling
  10. Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december
  11. Dit houdt in dat het aan de verzoekende partij toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties te willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van XIV-38.417-4/8 toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.
  12. Luidens artikel 17, § 2, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State mag, “[w]anneer de afdeling bestuursrechtspraak een vordering tot schorsing […] verwerpt wegens het gebrek aan spoedeisendheid”, een nieuwe vordering tot schorsing slechts worden ingesteld, “indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen”. In de voorliggende zaak is een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing verworpen bij arrest nr. 248.066 van 17 juli 2020 waarin wordt overwogen: “
  13. Het volstaat niet in de rechtbank te proclameren dat een beslissing „aanzienlijk schadelijk‟ is; zaak is de rechter daarvan te overtuigen aan de hand van concrete op de situatie van de verzoekende partij toegeschreven argumenten die onderbouwd worden met overtuigingsstukken. Bovendien moet een verzoekende partij niet enkel aantonen dat die schade „aanzienlijk‟ is, maar ook dat ze niet meer adequaat hersteld kan worden tenzij met uiterste spoed wordt opgetreden middels de gevraagde schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing.
  14. De zo-even aangehaalde uiteenzetting van verzoekster geeft evenwel niet het minste inzicht in haar huidige financiële toestand en al evenmin in de activiteiten die zij ontplooit - als rechtspersoon met zetel in Roemenië en op het eerste gezicht ook actief buiten het Vlaamse Gewest - en het aandeel van de „Vlaamse‟ activiteiten in het geheel van haar omzet en winst. Verzoekster stelt de Raad van State in het geheel niet in staat om na te gaan waarom zij onmogelijk een behandeling van haar beroep ten gronde of minstens een gewone schorsingsprocedure kan afwachten. Een financieel nadeel verantwoordt in de regel nochtans niet de spoedeisendheid - laat staan de uiterst dringende noodzakelijkheid - tenzij de verzoekende partij concreet kan aantonen in een zodanige penurie te zitten dat zij de normale afloop van de procedure niet kan afwachten; bewijs dat verzoekster in deze zaak alvast niet eens poogt te leveren.
  15. Welke morele schade verzoekster lijdt wordt al evenmin gepreciseerd, noch wordt verduidelijkt waarom het later tussen te komen vernietigingsarrest niet kan volstaan om die vermeende morele schade te herstellen. XIV-38.417-5/8
  16. Aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid moet ten slotte zijn voldaan in hoofde van de verzoekende partij zelf. Gevolgen voor derden, zoals de cliënten of werknemers van verzoekster kunnen door haar aldus niet nuttig ter adstructie van deze voorwaarde worden aangevoerd.”
  17. Ook al betreft het genoemde arrest een uitspraak over een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, dan blijkt niettemin uit de overwegingen ervan dat de argumenten die de verzoekende partij in de voorliggende (gewone) vordering tot schorsing opwerpt, reeds aan de basis hebben gelegen van de afwijzing van haar eerdere vordering wegens het gebrek aan spoedeisendheid die ook voor de gewone schorsingsprocedure is vereist.
  18. Vooraf moet worden opgemerkt dat elementen die niet in een eerder verzoekschrift waarbij een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid werd gevorderd (uitdrukkelijk) werden verwoord, ipso facto zouden zijn op te vatten als “nieuwe elementen” in de zin van artikel 17, § 2, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. In de mate de verzoekende partij te dezen in haar voorliggende verzoekschrift aanvoert dat haar activiteiten in Vlaanderen zo een 20% van haar totale omzet vertegenwoordigen, poogt zij tegemoet te komen aan de tekortkomingen waarop in het tussenarrest nr. 248.066 van 17 juli 2020 is gewezen en waarin is geoordeeld dat de verzoekende partij heeft nagelaten aan te tonen dat zij in een dermate moeilijke financiële positie dreigt te komen dat zij de normale afwikkeling van de procedure niet kan afwachten en dat de beweerde geleden morele schade niet wordt geconcretiseerd, noch afgezet tegen de herstelbaarheid ervan door een later tussen te komen vernietigingsarrest. Dat de verzoekende partij thans een stuk 11 (lees: stuk 12) bijbrengt waaruit moet blijken dat haar activiteiten in Vlaanderen instaan voor zo een 20% van haar totale omzet, maakt van dat feit nog geen “nieuw element” want dat gegeven refereert aan de toestand zoals die bestond vóór de bestreden intrekkingsbeslissing ten gevolge waarvan zij haar activiteiten in het Vlaamse XIV-38.417-6/8 Gewest heeft moeten stopzetten en dat de verzoekende partij dus op het ogenblik van haar initiële vordering tot schorsing (bij uiterst dringende noodzakelijkheid) ook al kende of moest kennen. Nog los daarvan, slaagt de verzoekende partij er niet in aan te tonen waarom het retroactief effect van een nietigverklaring niet zou volstaan om dit financieel nadeel te herstellen. Hetzelfde geldt voor wat de ingeroepen reputatieschade en de bijgebrachte verklaring met betrekking tot potentiële zakenrelaties betreft. Niet alleen verduidelijkt de verzoekende partij nog steeds niet waarom het later tussen te komen vernietigingsarrest niet kan volstaan om die vermeende morele schade te herstellen; evenzo laat zij na om het beweerde financiële en morele probleem zodanig uit te werken dat met concrete gegevens aannemelijk wordt gemaakt dat de beweerde spoedeisendheid zou zijn verantwoord en het normale verloop van de vernietigingsprocedure niet kan worden afgewacht. Haar uiteenzetting blijft beperkt tot algemeenheden of stukken zonder toelichting. Bovendien strekt stuk 11 er niet toe het percentage aan te tonen die de gerealiseerde omzet in Vlaanderen vertegenwoordigt maar gaat het om een aantal pagina‟s uitgeprint, zonder meer, van gegevens vervat in de Kruispuntbank van Ondernemingen waaruit dan zou moeten blijken dat de daarop vermelde bedrijven “potentiële cliënten” zouden zijn, wat niet redelijkerwijze aannemelijk wordt gemaakt. Enkel stuk 12 dat een interne verklaring van de wettige vertegenwoordiger van de verzoekende partij van 20 augustus 2020 betreft, geeft aan welke omzetcijfers de verzoekende partij heeft behaald tussen december 2016 en 2020 “op het grondgebied van België”, zonder toelichting, zonder duiding, zonder specifieke cijfers per regio (in het bijzonder Vlaanderen), laat staan dat de regionale cijfers zouden worden afgezet tegen de globale bedrijfsomzet. Het komt een verzoekende partij toe aan de hand van concrete feitelijke gegevens aan te tonen dat spoedeisendheid aan de orde is. Het valt niet de Raad van State te beurt om zelf samen te puzzelen, noch om zelf uit te puzzelen waarom het beweerde nadeel van die aard zou zijn dat de gewone vernietigingsprocedure niet kan worden afgewacht. Bovendien, als er uit het bijgebrachte stuk 12 al iets valt af te leiden, dan is het dat, wat het Belgische grondgebied betreft, er een significant verschil in omzet is tussen eensdeels 2017 (7.713.304, 27 euro) en 2018 (5.372.649, 13 euro) en, anderdeels, 2019 waar het omzetcijfer in België plots terugvalt naar XIV-38.417-7/8 178.395,20 euro maar die vaststelling lijkt bezwaarlijk te kunnen worden verklaard door de bestreden beslissing van 30 april
  19. De behaalde omzet in België in 2020 overtreft zelfs die van 2019 (299.644,00 euro).
  20. Aan het vereiste van de spoedeisendheid is niet voldaan. VII. Conclusie
  21. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig december tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samenge- steld uit: Kaat Leus, wnd. kamervoorzitter, staatsraad bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Kaat Leus XIV-38.417-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.338 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.066 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.350 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.