id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.355 Rolnummer: A. 222364/VII-40012 Zaak: Arrest 249355 - Milieuvergunningen - 29/12/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-01-14 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-20 01:50 Fiche Arrest nr 249.355 van 29 december 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 249.355 van 29 december 2020 in de zaak A. 222.364/VII-40.012 In zake :
- Fernand JANSSENS
- Malika ARZOUR
- Ann VANDEN BERGH
- Duncan VANDAEL
- Dirk VERSCHUEREN
- Raymond VANDENBROECK
- Mounir AFRAS
- Mamdou BAH bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gregory Verhelst kantoor houdend te 2600 Berchem Uitbreidingstraat 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN ANTWERPEN Tussenkomende partijen:
- de NV SLIGRO - ISPC BELGIUM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Els Empereur kantoor houdend te 2018 Antwerpen Generaal Lemanstraat 67 bij wie woonplaats wordt gekozen
- het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- VII-40.012-1/23 I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 6 juni 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 6 april 2017 waarbij de bestuurlijke beroepen ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen van 28 oktober 2016, houdende het verlenen aan de nv Sligro België van de milieuvergunning voor het exploiteren van een “distributiecentrum voor horeca”, gelegen te Antwerpen, Straatsburgdok-Zuidkaai, ongegrond worden verklaard. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 239.823 van 9 november 2017 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partijen hebben memories ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De tussenkomende partijen hebben laatste memories ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 maart
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. VII-40.012-2/23 Advocaat Gregory Verhelst, die verschijnt voor de verzoekende partijen, adviseur Mark Michiels, die verschijnt voor de verwerende partij, advocaat Olivier Drooghmans, die loco advocaat Els Empereur verschijnt voor de eerste tussenkomende partij en advocaat Veerle Huysman, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de tweede tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 5 augustus 2016 dient de nv Sligro België bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen een milieuvergunningsaanvraag in voor de exploitatie van een nieuw “distributiecentrum voor horeca”, gelegen aan het Straatsburgdok-Zuidkaai te Antwerpen. Voordien verkreeg de aanvrager een ontheffing van de verplichting tot het opstellen van een milieueffectenrapport. Volgens het geldende gewestplan Antwerpen is de inrichting gelegen in een KMO-gebied en een reservatie- en erfdienstbaarheidsgebied. 3.
- Bij besluit van 28 oktober 2016 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen de gevraagde milieuvergunning. 3.
- Tegen deze beslissing worden twee bestuurlijke beroepen ingediend bij de deputatie van de provincieraad van Antwerpen. VII-40.012-3/23 3.
- In het kader van de beroepsprocedure wordt advies uitgebracht door de afdeling Milieuvergunningen (ongunstig), de provinciaal stedenbouwkundig ambtenaar (ongunstig) en de Provinciale Milieuvergunningscommissie (gunstig). 3.
- Met het thans bestreden besluit van 6 april 2017 wijst de deputatie van de provincieraad van Antwerpen de ingediende beroepen als ongegrond af en bevestigt zij de in eerste aanleg genomen beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen, mits het toevoegen van de bijzondere voorwaarde dat de “klantenzone [...] enkel toegankelijk [mag] zijn voor professionelen uit de horeca, dit wil zeggen voor klanten met een BTW-nummer”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
- In het verzoekschrift tot nietigverklaring wordt het belang van de verzoekende partijen bij het annulatieberoep als volgt toegelicht: “[…] Verzoekende partijen zijn allen woonachtig in de onmiddellijke omgeving van het terrein waarop de exploitatie van Sligro zal plaatsvinden. De precieze ligging van de respectievelijke woonplaatsen van verzoekers wordt nader toegelicht bij de uiteenzetting van de hoogdringendheid in het kader van de vordering tot schorsing. Ook de concrete nadelen die verzoekers lijden door de komst van een vestiging van Sligro in de nabijheid van hun woningen worden daar uitgebreid toegelicht. Deze nadelen vloeien in essentie voort uit de verkeersbewegingen die met de exploitatie van Sligro gepaard zullen gaan. Het wegennet rond de geplande vestiging is vandaag reeds overbelast, wat verwerende partij overigens met zoveel woorden erkend heeft in de stedenbouwkundige vergunning dd. 19 januari 2017, en wat ook bevestigd werd in de adviezen van de PSA en van de dienst LNE voorafgaand aan de bestreden beslissing. In de stedenbouwkundige vergunning van 19 januari 2017 luidt het dat „het bedrijf [...] een aanzienlijk bijkomend verkeersbelasting [genereert] die het reeds overbelaste autoverkeer in de omgeving, en vooral het kruispunt van de Noorderlaan, nog bijkomend zal belasten. Wij dienen hierbij ook rekening te houden met toekomstige projecten in de ruime omgeving‟. Het kan dus niet betwist worden dat verzoekers, gezien de ligging van hun woonplaatsen, ernstig benadeeld zullen worden door de bestreden beslissing. VII-40.012-4/23 […] Ten overvloede wensen verzoekers 1, 2, 3, 6, 7 en 8 aan te stippen dat verwerende partij hun administratief beroep ontvankelijk heeft verklaard bij brief van 7 december 2016, hetgeen ook wordt bevestigd in de aanhef van de bestreden beslissing […]. Verwerende partij erkent in de bestreden beslissing uitdrukkelijk dat verzoekers de door artikel 49 Vlarem I vereiste hoedanigheid hebben om beroep aan te tekenen. De beroepen werden overigens ongegrond verklaard, hetgeen noodzakelijk veronderstelt dat zij eerst ontvankelijk werden bevonden. Bij gebrek aan ontvankelijk beroep is er immers geen devolutieve werking en is de deputatie niet bevoegd om uitspraak te doen over het dossier. Ten tijde van het instellen van het administratief beroep bepaalden art. 24, § 1, 5° Milieuvergunningsdecreet en art. 49, § 1, 1e lid, 4° Vlarem I dat het administratief beroep tegen een door het schepencollege verleende milieuvergunning kon ingesteld worden door „elke natuurlijke en rechtspersoon die tengevolge van de vestiging en de exploitatie van de inrichting rechtstreeks hinder kan ondervinden‟. Verwerende partij heeft dus bevestigd dat verzoekers 1, 2, 3, 6, 7 en 8 hinder kunnen ondervinden ingevolge de vergunde exploitatie. In het kader van zijn marginaal wettigheidstoezicht kan Uw Raad slechts akte nemen van die beslissing, die geenszins onzorgvuldig of onjuist voorkomt. Minstens beschikken verzoekers 1, 2, 3, 6, 7 en 8 over een voldoende procedureel belang om beroep in te stellen tegen de beslissing die hun administratief beroep ontvankelijk maar ongegrond verklaart. […] Opdat verschillende verzoekende partijen hun vorderingen met één collectief verzoekschrift aanhangig kunnen maken bij Uw Raad, is het vereist dat de belangen van de verzoekers gelijklopend zijn met deze van de eerste verzoekende partij uit het verzoekschrift (RvS 21 juni 2002, nr. 108.300, NV Urselia). Verzoekers hebben allen hetzelfde belang bij de procedure. Zij worden benadeeld door de mogelijke opstart van een vestiging van Sligro zoals vergund middels de bestreden beslissing. Gelet op deze gelijklopende belangen en omwille van de proceseconomie kiezen zij er bijgevolg voor om de vordering aanhangig te maken met één collectief verzoekschrift”.
- De eerste tussenkomende partij merkt in de eerste plaats op dat de beoordeling van de ontvankelijkheid van een annulatieberoep niet samenvalt met de ontvankelijkheid van een bestuurlijk beroep tegen een in eerste aanleg genomen beslissing over een milieuvergunningsaanvraag. Vervolgens gaat zij afzonderlijk in op het belang van elk van de verzoekende partijen. Met betrekking tot eerste verzoeker, die in Brugge zou wonen, zet zij uiteen dat geen bewijs van woonplaats wordt bijgebracht waaruit blijkt dat zijn woonplaats effectief gevestigd is op het vermelde adres te Antwerpen, en dat enkel een huurovereenkomst voor een kantoor wordt voorgelegd, dat naderhand via een bijakte ook als woonplaats mocht worden gebruikt, doch niet als VII-40.012-5/23 hoofdverblijfplaats. Daarenboven bedroeg de initiële huurtermijn twee maanden en wordt niet aangetoond dat deze termijn werd verlengd. Op zich bewijst de huurovereenkomst volgens de eerste tussenkomende partij ook niet dat eerste verzoeker effectief ter plaatse woont. Ter zake meent zij dat er sprake is van misleiding van de Raad van State en dat eerste verzoeker niet naar behoren kan worden geïdentificeerd. Gelet op het sporadische verblijf, rekening houdende met het actieve sociale leven in Brugge, kan eerste verzoeker niet als buurtbewoner worden gekwalificeerd. Daarnaast volgt uit de concrete ligging van het gehuurde appartement dat eerste verzoeker geen verkeershinder kan ondervinden die verband houdt met de exploitatie van de vergunde inrichting. De inrichting ligt immers niet in de onmiddellijke nabijheid van het appartement. Op dit punt beperkt eerste verzoeker zich tot een algemene verwijzing naar het reeds “overbelaste wegennet” in de buurt. Bovendien kan de Noorderlaan niet rechtstreeks worden bereikt vanaf het appartement. Eerste verzoeker kan dan ook niet voorhouden dat het appartement gelegen zou zijn aan de “belangrijkste ontsluitingsweg” van het distributiecentrum. Met betrekking tot de tweede tot en met de vijfde verzoekende partij, bewoners van het Eilandje, stelt de eerste tussenkomende partij vooreerst vast dat de vierde en de vijfde verzoekende partij geen bestuurlijk beroep hebben ingesteld tegen de in eerste aanleg genomen vergunningsbeslissing, zodat het annulatieberoep ten aanzien van deze partijen om deze reden alleen onontvankelijk is. Bovendien wonen de tweede tot en met de vijfde verzoekende partij op ruime afstand van de vergunde inrichting. Zij maken niet aannemelijk dat zij verkeershinder zouden kunnen ondervinden van het vergunde distributiecentrum, laat staan dat die hinder onaanvaardbaar zou zijn. Evenmin zijn de woningen die zij betrekken gelegen langs de toegangswegen tot het distributiecentrum. De omstandigheid dat een gedeelte van het verkeer -volgens het goedgekeurd MER-ontheffingsdossier 40% van de aan het distributiecentrum gerelateerde verkeersbewegingen- via de Mexicostraat het centrum van Antwerpen zou in- of uitrijden, toont geenszins aan dat zij te maken zouden krijgen met verkeershinder. VII-40.012-6/23 Ten aanzien van de zesde tot en met de achtste verzoekende partij, die in de wijk Luchtbal wonen, werpt de eerste tussenkomende partij op dat ook zij nalaten verkeershinder aan te tonen of minstens aannemelijk te maken. Het enkele gegeven dat een gedeelte van het verkeer van en naar het distributiecentrum via de Straatsburgbrug zal rijden, betekent niet dat enige (bijkomende) verkeershinder verwacht kan worden, te meer omdat zij niet in de onmiddellijke omgeving van de vergunde inrichting wonen. De eerste tussenkomende partij betoogt voorts dat op geen enkele manier wordt aangetoond of aannemelijk gemaakt waarom het verkeer in de woonwijk waar de verzoekende partijen wonen, zou toenemen ten gevolge van de verbouwing van een bestaand distributiecentrum op een dermate grote afstand. Daarenboven, zoals uit de gemotiveerde MER-ontheffingsnota blijkt, zou slechts 60% van het totale gegenereerde verkeer zich via de Straatsburgbrug verplaatsen. De overgrote meerderheid van het verkeer via de Straatsburgbrug, zal rechtstreeks de ring van Antwerpen op- en afrijden, waardoor dit verkeer zeer ver verwijderd blijft van de woningen van de verzoekende partijen. Derhalve zal het gedeelte van het verkeer dat via de Straatsburgbrug het distributiecentrum wenst te bereiken, het kruispunt in kwestie niet aandoen. Vanaf de Straatsburgbrug is er immers de mogelijkheid om af te slaan naar de Vossenschijnstraat, de Noorderlaan op te rijden, rechtdoor de Groenendaallaan verder op te rijden of de Ring van Antwerpen op te rijden. Het gedeelte van het verkeer dat via de Straatsburgbrug richting het noorden rijdt, zal dus ook nog eens verschillende richtingen uitrijden. De woningen van de verzoekende partijen bevinden zich dan ook geenszins langs de toegangswegen van het distributiecentrum. Daarenboven halen de verzoekende partijen zelf aan dat de vermeende verkeershinder die zij beweren te lijden, zich zou voordoen tijdens de spitsuren. Tijdens deze spitsuren zou het bestaande kruispunt van de Noorderlaan met de Groenendaallaan opstoppingen veroorzaken. In het gemotiveerde MER-ontheffingsverzoek wordt echter op uitgebreide wijze de mobiliteitsimpact van het distributiecentrum besproken. Hieruit blijkt dat het drukste moment van het distributiecentrum zich buiten de spitsuren bevindt, namelijk tijdens de middaguren, tussen 11u en 15u. Het drukste moment van het distributiecentrum conflicteert derhalve niet met de spitsuren op het kruispunt van de Noorderlaan en Groenendaallaan. Evenmin is er een conflict met de mobiliteitsbewegingen rond het cinemacomplex Kinepolis, aangezien deze site VII-40.012-7/23 voornamelijk in de late namiddagen en avonden bezocht wordt. Ook al zou er zich thans tijdens de spitsuren een opstopping voordoen aan het kruispunt van de Noorderlaan met de Groenendaallaan, dan nog zijn de woningen van de verzoekende partijen hiervan voldoende ver verwijderd om hiervan ook maar enige hinder te ondervinden.
- In hun memorie van wederantwoord dupliceren de verzoekende partijen het volgende: “[…] Het belang wordt ten onrechte betwist […] […] Eerste tussenkomende partij heeft zonder enig voorbehoud afstand gedaan van het annulatieberoep dat zij bij Uw Raad had ingesteld tegen het bestreden besluit in zoverre daarin het belang van verzoekers was aanvaard […]. Uit deze afstand zonder voorbehoud vloeit voort dat eerste tussenkomende partij moet geacht worden het belang van verzoekers bij het administratief beroep, en dus ook bij onderhavig beroep, te erkennen. […] In het inleidend verzoekschrift hebben verzoekers hun belang toegelicht met verwijzing naar de uiteenzetting omtrent de hoogdringendheid bij de vordering tot schorsing, die met hetzelfde verzoekschrift werd ingesteld, inzonderheid met betrekking tot de ligging van hun woonplaatsen en de nadelen die zij zullen lijden bij tenuitvoerlegging van de milieuvergunning. Die uiteenzetting wordt hier integraal als hernomen beschouwd. […] De bewering dat verzoekers de nadelen die zij zouden lijden onvoldoende concreet zouden toelichten, is weinig ernstig, gezien de zeer omstandige uiteenzetting uit het inleidend verzoekschrift, bovendien ondersteund door verwijzingen naar de ongunstige adviezen over de milieu- en bouwaanvraag, bepaalde passages uit de stedenbouwkundige vergunning en diverse nota‟s van studiebureaus die in opdracht van verzoekers werden opgemaakt. De uiteenzetting van het belang mag overigens redelijkerwijze korter zijn, wanneer het belang van de betrokkenen initieel aanvaard werd door de verwerende partij. In dat geval mag a.h.w. vermoed worden dat de betrokkenen getuigen van het rechtens vereiste belang. In het kader van de bestreden beslissing nam verwerende partij aan dat alle verzoekers (uitgezonderd 4e en 5e verzoekers, die geen partij waren bij het administratief beroep) voldoen aan de vereiste dat zij rechtstreeks hinder moeten ondervinden ingevolge de vestiging en de exploitatie van die inrichting. In het kader van het verweer in deze procedure wordt het belang andermaal niet in vraag gesteld door verwerende partij. […] Vierde en vijfde verzoekers waren, door de omstandigheden die reeds omstandig toegelicht werd in het inleidend verzoekschrift, geen partij bij het administratief beroep dat leidde tot de bestreden beslissing. Eerste tussenkomende partij verwijst naar een arrest van Uw Raad met VII-40.012-8/23 betrekking tot een afzetting van een directielid bij De Post (arrest nr. 217.627), waaruit zou blijken dat partijen die geen administratief beroep instelden tegen de in eerste aanleg verleende milieuvergunning, de toegang tot het beroep bij Uw Raad ontzegd moet worden. Die rechtspraak is niet relevant in deze, aangezien het inzake milieuvergunningen vaste rechtspraak is dat eenieder die een voldoende belang aantoont beroep bij de Raad kan instellen tegen een in laatste aanleg verleende milieuvergunning, ongeacht of de betrokkene zich reeds manifesteerde in de administratieve procedure. Het volstaat dus dat iemand, desnoods een andere partij, het administratief beroep heeft uitgeput, wat te dezen het geval is. […] Elke andere visie zou trouwens in strijd zijn met het Verdrag van Aarhus en het recht op toegang tot de (milieu)rechter in hoofde van de leden van het betrokken publiek. Art. 9.3 van het Verdrag van Aarhus regelt de toegang tot de rechter: „Aanvullend op en onverminderd de in het voorgaande eerste en tweede lid bedoelde herzieningsprocedures, waarborgt elke Partij dat leden van het publiek, wanneer zij voldoen aan de eventuele in haar nationale recht neergelegde criteria, toegang hebben tot bestuursrechtelijke of rechterlijke procedures om het handelen en nalaten van privé-personen en overheidsinstanties te betwisten die strijdig zijn met bepalingen van haar nationale recht betreffende het milieu‟. Art. 9, 5e lid van het Verdrag bepaalt aanvullend dat de verdragspartijen dienen te waarborgen dat de nodige informatie wordt verstrekt aan het publiek over de toegang tot de herzieningsprocedure, zulks „om de doeltreffendheid‟ van de relevante bepalingen in verband met de herzieningsprocedure te waarborgen. Het Hof van Justitie heeft reeds geoordeeld dat de interne rechters „het nationale procesrecht en de voorwaarden voor het instellen van een bestuursrechtelijk beroep of beroep bij de rechter, zo veel mogelijk in overeenstemming met zowel de doelstellingen van artikel 9, lid 3, van dat Verdrag als de effectieve rechterlijke bescherming van de door het recht van de Unie verleende rechten uit te leggen, teneinde een [lid van het betrokken publiek] in staat te stellen, bij de rechter op te komen tegen een na een bestuursrechtelijke procedure gevolgde beslissing die in strijd zou kunnen zijn met het milieurecht van de Unie‟ (HvJ nr. C-240/09, 8 maart 2011). In zoverre een lid van het betrokken publiek kan aantonen dat het hinder of nadelen kan ondervinden ingevolge de bouw of exploitatie van een inrichting, kan de toegang tot de (milieu)rechter niet ontzegd worden aan de betrokkene. In deze zaak geldt bovendien dat bij de bekendmaking van de aanvraag en de vergunning essentiële informatie werd achtergehouden, aangezien een totaal verkeerde kwalificatie werd gegeven aan het project. Voor een buurtbewoner is het relevant te weten of de aanvraag betrekking heeft op een magazijn van een zittende concessiehouder (NV Straatsburg Dok), dan wel een grootschalige winkel/groothandel van een Nederlandse beursgenoteerde onderneming die in Vlaanderen voet aan de grond wil krijgen. Artikel 6 van het Verdrag van Aarhus voorziet in een informatieverplichting om het betrokken publiek vroegtijdig in de milieubesluitvormingsprocedure te informeren over de voorgestelde VII-40.012-9/23 activiteit, zodat het recht op inspraak en het recht op het instellen van een herzieningsprocedure nuttig kunnen aangewend worden. In dit geval is er duidelijk sprake van een gebrekkige informatie aan het betrokken publiek, wat ertoe bijgedragen heeft dat bepaalde leden van het publiek hun inspraak- en verhaalsrechten niet naar behoren hebben kunnen uitoefenen. Ten overvloede wensen verzoekers in dit verband nog te verwijzen naar het bijzonder kritische advies van de Raad van State, afdeling Wetgeving, naar aanleiding van het ontwerp van de zgn. „Codextrein‟ (Decreet van 8 december 2017 houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving). In het advies worden kritische vragen gesteld bij de (grond)wettigheid van het voornemen om de toegang tot het administratief beroep te beperken tot diegenen die enkel een bezwaar hebben ingediend (Advies Raad van State, Parl. St. Vl. Parl. 2016-2017, nr. 1149/1, 416): „Door de ontworpen regeling wordt het inspraakrecht van het betrokken publiek omgevormd tot een inspraakplicht als voorwaarde om nog een toegang tot de rechter te hebben. De vraag rijst of het recht op toegang tot de rechter door de ontworpen bepaling niet op zodanige wijze wordt beperkt dat de kern ervan wordt aangetast, en de regeling derhalve niet meer zou stroken met de plicht van de Verdragsstaten om een ruime toegang tot de rechter te verschaffen. In het licht van de huidige stand van de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en van het Grondwettelijk Hof met betrekking tot artikel 9 van het Verdrag van Aarhus kan deze vraag niet eenduidig worden beantwoord. In de memorie van toelichting wordt gewezen op het gegeven dat artikel 9, lid 3, van het Verdrag van Aarhus naar het recht van de Unie geen rechtstreekse werking heeft. Wat evenwel vergunningen betreft die binnen de werkingssfeer vallen van richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 „betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten‟[…], dient te worden gewezen op volgende overwegingen uit het arrest van het Europees Hof van Justitie van 15 oktober 2009 in de zaak C-263/08 betreffende een prejudiciële vraag over artikel 10bis van richtlijn 85/337/EG14: „[…] Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 10bis van richtlijn 85/337 inhoudt dat leden van het betrokken publiek de beslissing van een instantie die deel uitmaakt van de rechterlijke organisatie van een lidstaat, over een vergunningaanvraag voor een project kunnen aanvechten, hoewel zij de mogelijkheid tot inspraak bij de behandeling van die aanvraag hebben gehad door aan de procedure voor die instantie deel te nemen en hun standpunt daarbij kenbaar te maken. […] Na de wijzigingen die zijn ingevoerd bij richtlijn 2003/35 waarmee wordt beoogd uitvoering te geven aan het Verdrag van Aarhus, voorziet artikel 10bis van richtlijn 85/337 voor leden van het betrokken publiek die aan bepaalde voorwaarden voldoen, in de mogelijkheid om in beroep te gaan bij een rechtbank of een ander onafhankelijk orgaan om de materiële of formele rechtmatigheid aan te vechten van enig besluit, handelen of nalaten dat binnen de werkingssfeer ervan valt. […] Volgens de tekst van deze bepaling moeten leden van het betrokken publiek die een voldoende belang hebben dan wel, indien de nationale VII-40.012-10/23 wetgeving zulks vereist, stellen dat een van de in richtlijn 85/337 bedoelde werkzaamheden inbreuk maakt op hun rechten, derhalve een dergelijk beroep kunnen instellen. […] Uit dezelfde tekst volgt ook, dat een niet-gouvernementele organisatie die zich voor milieubescherming inzet en voldoet aan de eisen van nationaal recht, de in artikel 1, lid 2, van richtlijn 85/337 in samenhang met artikel 10bis daarvan gestelde criteria vervult van betrokken publiek dat in beroep kan gaan. […] Verder wordt het betrokken publiek in artikel 6, lid 4, van richtlijn 85/337 in het bijzonder een reële inspraak in de milieubesluitvormingsprocedure gewaarborgd met betrekking tot de projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben. […] Het feit dat een vergunning voor een project tot aanleg van ondergrondse hoogspanningskabels en tot afvoer van grondwater als aan de orde in het hoofdgeding, die een beslissing in de zin van artikel 10bis van richtlijn 85/337 is, door een rechterlijke instantie in het kader van haar administratieve bevoegdheden is verleend, kan er niet aan in de weg staan dat een vereniging die voldoet aan de in punt 35 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte voorwaarden, volgens de modaliteiten van het nationale recht haar recht uitoefent om tegen voornoemde beslissing in beroep te gaan. […] Om te beginnen geldt het recht om in beroep te gaan in de zin van artikel 10bis van richtlijn 85/337 namelijk ongeacht of het een administratieve autoriteit dan wel een rechterlijke instantie is die de beslissing of de bestreden handeling heeft vastgesteld. Verder onderscheidt de inspraak in de milieubesluitvormingsprocedure onder de voorwaarden van de artikelen 2, lid 2, en 6, lid 4, van richtlijn 85/337 zich van het beroep in rechte en heeft zij een ander doel, aangezien laatstgenoemd beroep in voorkomend geval kan worden ingesteld tegen de beslissing die na afloop van die procedure is genomen. Die inspraak heeft derhalve geen invloed op de voorwaarden om in beroep te kunnen gaan. […] Bijgevolg moet op de tweede vraag worden geantwoord dat leden van het betrokken publiek in de zin van de artikelen 1, lid 2, en 10bis van richtlijn 85/337 de beslissing van een instantie die behoort tot de rechterlijke organisatie van een lidstaat, over een vergunningaanvraag voor een project moeten kunnen aanvechten, ongeacht de rol die zij bij de behandeling van die aanvraag hebben kunnen spelen door aan de procedure voor die instantie deel te nemen en hun standpunt aldaar kenbaar te maken‟. Er valt niet in te zien waarom een beperking van de toegang tot de milieurechter tot diegenen die een administratief beroep instelden, meer genade zou vinden in het licht van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus. Het Hof van Justitie oordeelde in het eerder aangehaalde arrest terecht dat het betrokken publiek een vergunningsbeslissing dient te kunnen aanvechten, ongeacht of al dan niet een (ontvankelijk) administratief beroep was ingesteld. […] Uit de uiteenzetting van het belang en de middelen blijkt dat er een duidelijke poging tot misleiding van de buurtbewoners is geweest. Van een belanghebbende kan redelijkerwijze niet verwacht worden dat hij bij een openbaar onderzoek voor een distributiecentrum van een havenconcessionaris spontaan veronderstelt dat er in werkelijkheid sprake VII-40.012-11/23 zou van een grootschalige winkel („groothandel‟) die duizenden bezoekers per week zal aantrekken. Die stelling is minstens in strijd met de in het verzoekschrift aangehaalde bepalingen van het Verdrag van Aarhus, die ook een informatieverplichting inhouden ten overstaan van het betrokken publiek. […] Bij de betwisting van het belang van verzoekers, weidt eerste tussenkomende partij een lange passage aan de kwalificatie van de nieuwe vestiging als „handel‟ dan wel „distributie‟. Die kwalificatie is op zich niet relevant om het belang van verzoekers bij de procedure te beoordelen. In het verzoekschrift wordt de kwalificatie als zgn. „distributiecentrum‟ weliswaar betwist, en wordt tevens met verwijzing naar de nota‟s van MAVA en Eveline Staelens en naar de adviezen en het besluit inzake de stedenbouwkundige vergunning aangetoond dat het aantal verkeersbewegingen onderschat wordt, maar de eenzijdige cijfers uit de ontheffingsnota van de aanvrager worden niettemin als uitgangspunt genomen om het aantal verkeersbewegingen in te schatten. Daarnaast wordt verwezen naar de problemen van verkeerscongestie die vandaag reeds bestaan, in het bijzonder ter hoogte van de Noorderlaan en de Groenendallaan, waarlangs 60% van het verkeer van en naar de vestiging van Sligro zal lopen. De overige 40% verloopt via de Cadixwijk, waar 2e tot en met 5e verzoekende partijen wonen. Zelfs indien de vergunde vestiging daadwerkelijk (planologisch) beschouwd zou kunnen worden als een distributiecentrum (quod non), en zelfs indien blind vertrouwd zou kunnen worden op de eenzijdige cijfers van de aanvrager in het kader van de MER-ontheffing (quod non), zal er nog steeds sprake zijn van een aanzienlijke toename van de verkeersbewegingen. De stelling van de deputatie dat er alleen verkeershinder zou zijn wanneer het hier zou gaan om een echte groothandel, wordt op geen enkele manier ondersteund door enig advies of enige technische nota in het dossier. Ook de impact van de zeer onduidelijke vergunningsvoorwaarde die de toegang beperkt tot „professionelen uit de horeca, dit wil zeggen [...] klanten met een BTW-nummer‟ is totaal niet nader bekeken, en in het verzoekschrift wordt de afdwingbaarheid van dergelijke voorwaarde trouwens bekritiseerd. Het BTW-nummer is niet te onderscheiden van het ondernemingsnummer, en het aantal verenigingen, vennootschappen, enz... die over dergelijk nummer beschikken is bijzonder groot (ruim over het miljoen, cf. supra), dus in alle redelijkheid kan niet gesteld worden dat dergelijke voorwaarde een ernstige impact zou hebben op het aantal verkeersbewegingen. Eerste tussenkomende partij stelt dat verzoekers in essentie aanklagen dat zij haar vergunningen niet zou naleven door over te gaan tot de uitbating van een groothandel in een gebouw dat vergund werd als distributiecentrum, hetgeen een aspect van handhaving zou zijn dat niet raakt aan de wettigheid van de vergunning. Uw Raad zou dus bij de beoordeling dus moeten aannemen dat het hier gaat om een distributiecentrum met beperkte effecten inzake mobiliteit, al was het maar omdat de winkel vergund werd onder dat „etiket‟. Dit is natuurlijk niet ernstig, al was het maar omdat de aanvraag en de MER-ontheffingsnota geen betrouwbare gegevens bevatten omtrent het aantal verkeersbewegingen dat zou samengaan met de exploitatie van een VII-40.012-12/23 distributiecentrum van deze grootteorde. De term „distributiecentrum‟ is een etiket dat eerste tussenkomende partij op de aanvraag gekleefd heeft om vergunning te kunnen bekomen in overeenstemming met de stedenbouwkundige voorschriften. Dat etiket staat trouwens haaks op de Vlarem-rubrieken die aangevraagd worden, waaronder rubriek 45.4.d), „verkoopspunten van vlees, vis en gevogelte‟, die dus duidelijk ook verkoopsactiviteiten toelaten. Belangrijker is wat de effectief voorgenomen activiteiten zijn, hetgeen afgeleid moet worden uit het geheel van de aanvraag en in het bijzonder de plannen. De plannen tonen de activiteiten en inrichtingen zoals ze effectief gerealiseerd kunnen worden. De op de plannen aangeduide activiteiten en inrichtingen maken deel uit van de vergunning, en zijn het enige wat achteraf effectief afdwingbaar is ten aanzien de vergunninghouder. Op dit punt is het dossier (minstens) bijzonder dubbelzinnig. Men benadrukt weliswaar steeds het aspect „distributie‟, hoewel uit de MER-ontheffingsnota blijkt dat er geen noemenswaardige distributieactiviteit zal zijn gelet op het lage aantal vrachtwagenbewegingen, maar terzelfdertijd zijn in de „distributiehal‟ kassa‟s aanwezig en is deze hal toegankelijk voor het cliënteel. In de toelichtende memorie van eerste tussenkomende partij geeft men bv. aan dat de klanten kunnen „binnenspringen‟ om hun voorraad aan te vullen, of om producten te komen bekijken enz... De totale inrichting van het pand, met een zeer aanzienlijk aantal parkeerplaatsen voor cliënteel, kassa‟s, een zeer laag aantal laadkades, een tussenverdieping met roltrappen in het midden van de „distributiehal‟, maken dat de vergunde gebouwen evengoed en zelfs veel meer geschikt zijn voor een verkoopsactiviteit. Die activiteit valt ook binnen de aangevraagde rubrieken. Om Uw Raad nog meer zicht te bieden op de concrete inrichting van de vestiging, worden de bouwplannen die opgevraagd werden via de griffie van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (en waar verzoekers anders dus geen kopie van konden krijgen) voorgelegd als stuk C
- Die plannen laten geen ruimte voor twijfel. Wars van het etiket dat op de aanvraag en op de vergunning kleeft, zijn de gebouwen enkel geschikt voor een grootschalige winkelactiviteit. Voor de vraag naar de kwalificatie van de winkel als „distributiecentrum‟ dan wel „groothandel‟, verwijzen verzoekers verder naar de bijkomende toelichting in het feitenrelaas omtrent de nieuwe aanvraag van eerste tussenkomende partij met betrekking tot een vestiging in Brugge, die in dit verband bijzonder leerrijk blijkt. Wat de zones voor „opslag, verwerking en conditionering van food- en non-food-producten betreft‟, dient vastgesteld dat het gebouw een kleine zone voor goederenverwerking en opslag voorziet, en dat de rest van het gebouw toegankelijk is voor klanten. In die klantentoegankelijke zones wordt, zoals in alle Sligro-vestigingen, inderdaad een stand voorzien voor vlees, vis, groenten en fruit, en een bakkerij. Men kan niet ernstig voorhouden dat die standjes, die gebruikelijk zijn in alle supermarkten, aan het gebouw een industrieel of ambachtelijk karakter zouden geven. Het gaat om zuivere aanhorigheden bij de verkoopsactiviteit. […] Aangaande de kritiek met betrekking tot de beoordeling van de mobiliteitsproblemen, tracht eerste tussenkomende partij een paar VII-40.012-13/23 relativerende kanttekeningen te maken. De meeste argumenten die aangehaald worden, zijn makkelijk weerlegbaar. De zogenaamd deskundige analyse van de dienst MER werd hierboven reeds op de korrel genomen bij de aanvulling van het feitenrelaas, en in de middelen wordt de onwettigheid van die beslissing aangevoerd. De summiere motivering van de ontheffingsbeslissing voegt niets toe en blijkt hoe dan ook niet gesteund op een zorgvuldige beoordeling. Eerste tussenkomende partij stelt nu plots in haar toelichtende memorie dat de prognoses inzake mobiliteitsgeneratie afkomstig zijn van een Nederlandse vestiging van Sligro, met name van een „grote‟ vestiging van Sligro die wel een groothandel zou zijn, „en dus vanuit een worst case scenario‟. Hoger, bij de aanvulling van het feitenrelaas, werden hierover reeds de nodige kritische bedenkingen geuit. Wat de cijfers van „vergelijkbare vestigingen‟ betreft, heeft de dienst MER geen enkele kritische vraag gesteld, hoewel de NV Staatsburg Dok als initiatiefnemer geen „vergelijkbare vestigingen‟ heeft, en hoewel de herkomst en de betrouwbaarheid van deze cijfers zeer twijfelachtig was. De dienst milieuvergunning, ook onderdeel van het Vlaamse gewest en in deze blijkbaar beter uitgeslapen, heeft dit ook vastgesteld in het advies over de milieuvergunningsaanvraag. Het is tot op vandaag volkomen onduidelijk welke Nederlandse vestiging als vergelijkingspunt werd genomen, en evenmin wordt enige verantwoording of verduidelijking gegeven omtrent de correctiefactor 0,75 die volgens de ontheffingsnota werd gebruikt […]. Uit de vergelijking met het Brugse project-MER zou men kunnen afleiden dat de Nederlandse vestiging in Vlissingen als vergelijkingspunt werd gebruikt, minstens wat de vrachtwagenbewegingen betreft, in welk geval er sprake is van een evidente onderschatting van het aantal verkeersbewegingen. De winkel in Vlissingen heeft een oppervlakte van slechts 8.000 m², wat hier 16.000 m² is (waarvan 13.055 m² toegankelijk voor de klanten), het bevolkingsaantal van Vlissingen bedraagt nog geen 45.000 inwoners (wat voor de stad Antwerpen minstens een tienvoud bedraagt, nog geen rekening gehouden met de aangrenzende gemeenten die binnen het grootstedelijk gebied vallen), en bovendien is in Nederland een relatief dicht netwerk aan Sligro-vestigingen aanwezig, wat in Antwerpen volledig ontbreekt. Het is hoe dan ook onbegrijpelijk dat de Vlaamse dienst MER in dit dossier zomaar aanvaardt dat de beoordeling van de mobiliteitseffecten gebeurt op basis van eenzijdige en oncontroleerbare cijfers van de aanvrager (waarvan men de identiteit zelfs niet kent). Eerste tussenkomende partij tracht het gebruik van volkomen verouderde telgegevens in de ontheffingsaanvraag te verantwoorden door te stellen dat het DMKA - tijdshorizon 2020 model zou uitgaan van een aantal premissen die niet meer vervuld zijn, terwijl recente tellingen niet representatief zouden zijn omwille van een aantal werven in uitvoering. Die stellingname is in strijd met het MER-richtlijnenboek dat stelt dat verkeerstellingen maximaal 3 jaar oud mogen zijn, en dat men anders moet motiveren waarom oudere telgegevens toch nog representatief zouden zijn […]. Nergens wordt gemotiveerd waarom telgegevens die meer dan een decennium oud zijn toch nog representatief zouden zijn, zelfs indien het zo zou zijn dat de buurt volop in evolutie is waardoor nieuwe tellingen praktische problemen zouden oproepen. In de omgeving zijn in de voorbije VII-40.012-14/23 jaren nieuwe woontorens gebouwd, een nieuw ziekenhuis, een nieuwe hoofdzetel voor het havenbestuur (het nieuwe Havenhuis op ca. 200m van de beoogde vestiging van Sligro). Het is niet ernstig te beweren dat telgegevens die dateren van vóór al deze nieuwe evoluties nog steeds representatief zouden zijn. Het is overigens evenmin ernstig dat men zou uitgaan van een hypothese waarbij in de buurt de komende jaren geen werken uitgevoerd zouden worden, wanneer blijkt dat een aantal grote werven het straatbeeld zullen bepalen voor de voorzienbare toekomst. Men moet uitgaan van een realistische hypothese voor de komende jaren, en vooralsnog is het DMKA - tijdshorizon 2020 model (dat rekening houdt met deze geplande werven, zelfs indien de timing ervan onzeker zou zijn) realistischer dan tellingen die verouderd zijn en die geen weergave inhouden van de actuele toestand. Anders dan eerste tussenkomende partij stelt, is de deskundige van verzoekers niet automatisch uitgegaan van de kencijfers voor supermarkten. Er werd vertrokken van een eigen databank, die bv. terecht aan het licht bracht dat het aantal vrachtwagenbewegingen bijzonder laag is voor een distributiecentrum […]. Er werd slechts aanvullend verwezen naar de kencijfers voor een supermarkt. […] […] Het belang van eerste verzoeker […] Met betrekking tot het belang van eerste verzoeker, dient benadrukt dat er nooit sprake is geweest van de minste misleiding van eender welke overheid of rechtscollege. Eerste verzoeker heeft in het verzoekschrift verduidelijkt dat zijn opgegeven woonplaats een huurappartement betreft waar verzoeker verblijft „in de periodes dat verzoeker om zakelijke of persoonlijke redenen in Antwerpen dient te zijn‟ […]. Eerste verzoeker heeft ook bij de uiteenzetting van zijn belang en in het kader van de administratieve beroepen tegen de milieuvergunning en de stedenbouwkundige vergunning zijn belang voldoende aangetoond, zonder dat er sprake was van enige misleiding. Hij heeft zijn woonplaats in Antwerpen aangeduid in overeenstemming met de werkelijkheid, hetgeen naderhand -bij betwisting- werd aangetoond met een huurovereenkomst en -ten overvloede- met bewijzen van betaling van zijn huurgelden […]. Omwille van het (onterechte) verwijt van misleiding heeft hij, nog voor eender welke rechterlijke uitspraak over het dossier en zonder daartoe „gedwongen‟ te zijn, zoals geïnsinueerd wordt, gepreciseerd dat hij in Antwerpen in huurappartement heeft, maar inderdaad ingeschreven is in het bevolkingsregister met hoofdverblijfplaats in Brugge. Dat wijzigt evenwel niets aan de realiteit van de nadelen en de hinder die van in het aanvankelijk administratief beroepschrift werd opgeworpen. Ook verwerende partij heeft met kennis van zaken beslist, want in de nota‟s van eerste tussenkomende partij werd omstandig aangevoerd dat eerste verzoeker zogezegd niet ter plaatse woonachtig zou zijn. […] Het belang van eerste verzoeker dient alleszins aangenomen te worden. Eerste verzoeker huurt een appartement in het appartementsgebouw gelegen te 2030 Antwerpen aan de Noorderlaan
- De huurovereenkomst voor dat appartement met de firma W. Houthoff & Zoon BVBA wordt VII-40.012-15/23 voorgelegd. Die huur is niet fictief. De bewijzen van betaling van de huurgelden worden eveneens bijgebracht […]. De huur werd afgesloten in augustus
- Eerste verzoeker is slechts naderhand betrokken bij de bezwaren en beroepen tegen het project, op het ogenblik dat een aantal kennissen, woonachtig in de buurt op het Eilandje, inzage hadden kunnen nemen van de bouwplannen, om tot de ontdekking te komen dat wat werd aangekondigd als een distributiecentrum, in werkelijkheid een grootschalige winkel was met een bruto-oppervlakte van ca. 16.000m². Het is correct dat eerste verzoeker een restaurant heeft in Brugge, en dat hij daar ook een vriendenkring heeft. Dat neemt niet weg dat eerste verzoeker regelmatig in Antwerpen verblijft om persoonlijke -relationele- redenen, en dat hij tevens plannen heeft om in het Antwerpse een tweede restaurant op te starten. De zoektocht naar een geschikte locatie is evenwel niet vlot gelopen en een aantal factoren maken dat die plannen vertraging opgelopen hebben. De omstandigheden die maken dat eerste verzoeker in Antwerpen een tweede woonst gezocht heeft -en die dus te situeren zijn in de relationele en zakelijke sfeer-, hoeft eerste verzoeker niet nader toe te lichten want die behoren tot zijn privéleven. […] Eerste verzoeker is niet ingeschreven in het bevolkingsregister in Antwerpen, maar dat heeft hij ook nooit beweerd. Hij heeft enkel geschreven dat hij een woonplaats heeft te Antwerpen aan de Noorderlaan 98 bus 32, waar hij een appartement huurt. De inschrijving in het bevolkingsregister is geenszins vereist om te kunnen spreken van een woonst. Een „woning‟ wordt in art. 4.1.1, 16° VCRO gedefinieerd als het „goed, vermeld in artikel 2, § 1, eerste lid, 31°, van de Vlaamse Wooncode‟. In de Vlaamse Wooncode wordt een onderscheid gemaakt tussen een „woning‟ (in art. 2, §1, 1e lid, 31° Vlaamse Wooncode omschreven als „elk onroerend goed of het deel ervan dat hoofdzakelijk bestemd is voor de huisvesting van een gezin of alleenstaande‟) en een „hoofdverblijfplaats‟ („de woning waar een gezin of een alleenstaande effectief en gewoonlijk verblijft‟). De inschrijving in het bevolkingsregister duidt op de plaats waar de betrokkene het centrum van zijn belangen heeft, maar die inschrijving impliceert geenszins dat hij enkel op de plaats van zijn inschrijving woonachtig zou kunnen zijn. Het is perfect toelaatbaar en geenszins uitzonderlijk dat een enkele persoon meerdere woonplaatsen heeft. Zelfs een langdurige afwezigheid op de plaats van inschrijving in het bevolkingsregister impliceert niet noodzakelijk dat de hoofdverblijfplaats daardoor gewijzigd zou moeten worden. Er kunnen immers bijzondere redenen zijn die maken dat een persoon langdurig op een andere plaats verblijft. Wanneer die bijzondere redenen ophouden te bestaan, wordt men verondersteld terug te keren naar het gezin of de haardstede (RvS 13 november 2013, nr. 125.305). Zo zullen personen die om professionele redenen of omwille van een studie langdurig buiten hun „hoofdverblijfplaats‟ verblijven niettemin hun inschrijving in het bevolkingsregister behouden. […] In het kader van de schorsingsprocedures hebben de NV Straatsburgdok en de NV Sligro België private en persoonlijke informatie in verband met verzoekende partij op het internet opzocht (bv. in VII-40.012-16/23 verband met een „netlogprofiel‟ en het lidmaatschap van een bowlingclub) om deze in de procedure te gebruiken. Het debat gaat blijkbaar niet meer over de problematiek van bedrijven die vergunningen krijgen waarvan eenieder die niet ziende blind is op het eerste gezicht kan vaststellen dat zij niet op regelmatige wijze tot stand gekomen zijn, maar wel over de persoon en het privéleven van eerste verzoeker. Er is geen enkel precedent in de rechtspraak of in de administratieve praktijk waarbij aan een beroeper zou worden gevraagd om gedetailleerd de persoonlijke redenen op te geven waarom hij gedurende bepaalde periodes niet verblijft op de plaats waar hij ingeschreven is in het bevolkingsregister. Voor zover de betrokkene de bewijsstukken in verband met zijn tweede woonplaats voorlegt, en een indicatie geeft omtrent de belangen die hij aldaar heeft, moet dit volstaan om het belang te aanvaarden. De rechtspraak in die zin is eensluidend en terecht in die zin gevestigd. […] Eerste verzoeker beschikt over een geschreven huurovereenkomst met betrekking tot zijn appartement aan de Noorderlaan met de firma W. Houthoff & Zoon BVBA. Die huurovereenkomst is een consensueel contract, waarvan huurder en verhuurder de bepalingen vastgelegd hebben in volledige vrijheid, en waarvan zij vervolgens naar goeddunken kunnen afwijken bij de uitvoering van de overeenkomst. In het kader van de procedures die eerste verzoeker heeft gevoerd, werd opgeworpen dat het slechts ging om een kortlopende huurovereenkomst met betrekking tot een kantoor. Het ging inderdaad initieel om een kortlopende overeenkomst, maar partijen hebben in onderling akkoord besloten de overeenkomst te verlengen voor onbepaalde duur. Daaromtrent werd een bijakte ondertekend. Aangezien het appartement mede wordt gehuurd om professionele redenen, werd in de overeenkomst vastgelegd dat het appartement niet gebruikt mag worden als hoofdverblijfplaats. Naderhand werd in een bijakte tevens verduidelijkt dat eerste verzoeker wel degelijk mag verblijven in zijn huurappartement, wat verhuurder en huurder trouwens ab initio zo waren overeengekomen en het geval is geweest. […] Rekening houdend met de vaste rechtspraak van Uw Raad kan de feitelijke bewoning van een huurappartement aanvaard worden als voldoende belang bij het administratief beroep. Zelfs het hebben van een zakelijk of persoonlijk recht volstaat reeds, zonder bewoning. Uw Raad bevestigde in een arrest van 22 juni 2017 dat bij de beoordeling van het belang het „niet relevant is te weten of [partijen] hun eigendommen ook effectief bewonen‟ (RvS 22 juni 2017, nr. 238.598, Kervyn d‟Oud Mooreghem e.a.). […] De bewering van eerste tussenkomende partij dat verzoeker geen hinder zou kunnen ondervinden omdat het appartementsgebouw waar hij een huurappartement heeft gescheiden zou worden van de Noorderlaan door een bedding voor het openbaar vervoer, is totaal naast de kwestie. Het appartement van eerste verzoeker is enkel bereikbaar vanaf de Antwerpse ring via de Groenendallaan. Om de stad te bereiken, neemt verzoeker de Noorderlaan, via het kruispunt met de Groenendallaan. Hij zal dus wel degelijk zwaar gehinderd worden door het bijkomend verkeer afkomstig van de vergunde inrichting. […] Het belang van de overige verzoekers VII-40.012-17/23 […] Verzoekers stellen vast dat eerste tussenkomende partij hun belang in twijfel trekt omdat hun woonplaatsen te ver zouden gelegen zijn van de vergunde inrichting. […] In het verzoekschrift werd voor elke verzoekende partij een exacte situering gegeven van diens woonplaats, en werd tevens met verwijzing naar de stukken van het dossier en een omgevingsverslag van een eigen deskundige aangetoond dat er zware verkeershinder zal optreden door het bijkomend verkeer afkomstig van de vergunde inrichting. […] De vaststellingen uit het verzoekschrift en het omgevingsverslag van verzoekers worden inhoudelijk niet ernstig tegengesproken. […] De woningen van tweede, derde en vijfde verzoekers zijn gelegen vlakbij het concessieterrein waarop de vestiging wordt voorzien, tegen de zuidelijke ontsluitingsweg. Aangezien 40% van de honderden verkeersbewegingen per dag via de ontsluiting verlopen, is de hinder evident. Bovendien werd in het kader van de advisering door de PSA ook vastgesteld dat de zuidelijke toegang van het concessieterrein bemoeilijkt wordt door de aanwezigheid van een ophaalbrug, die het verkeer op piekmomenten doet stokken. Eerste tussenkomende partij stelt dat het verkeer van en naar de winkel zich voornamelijk buiten de spits zou bevinden, maar deze stelling uit de ontheffingsaanvraag blijkt andermaal gebaseerd op totaal onbetrouwbare en alleszins niet verifieerbare eenzijdige gegevens die door „de initiatiefnemer‟ werden bijgebracht. Hoe dan ook valt het op dat in de tabel met de verdeling van de bezoekersaantallen per uur van de dag beweerd wordt dat van het aantal verplaatsingen op vrijdag gemiddeld slechts 4 à 5% zich zou afspelen in de uren na 17u, terwijl men nochtans aangeeft dat de laatavondopening op vrijdag gemiddeld 540 bezoekers zou aantrekken, wat net geen 20% van het totaal aantal bezoekers per week is. Het is een raadsel hoe beide stellingen, telkens gebaseerd op eenzijdige gegevens van „de initiatiefnemer‟ met elkaar verenigbaar zijn […]. Minstens in de vrijdagavondspits zal er een bijzonder zware belasting zijn wanneer het cliënteel van de winkel massaal vanuit de stad naar de winkel rijdt en terug, hetgeen precies overlapt met de reeds zware spits ingevolge het woon-werkverkeer en het verkeer van en naar het recreatief complex rond Kinepolis. […] De woningen van 6e, 7e en 8e verzoekers zijn gelegen langs de wijk Luchtbal. Zij gebruiken de Noorderlaan om de stad te bereiken, en (langs het kruispunt met de Groenendallaan) om toegang te nemen tot het hogere wegennet via de ring. De woonwijk waar verzoekers wonen, Luchtbal, is een ideale sluipweg voor het verkeer dat de Noorderlaan poogt te ontvluchten en dat een snellere doorgang zoekt […]. In het verzoekschrift en het bijgevoegde omgevingsverslag wordt voldoende aannemelijk gemaakt dat zij, door de schaalgrootte van de winkel (die vergelijkbaar is met een Ikea-vestiging in oppervlakte) wel degelijk zwaar gehinderd zullen worden. Eerste tussenkomende partij poogt deze hinder te nuanceren door de grotere afstand ten opzichte van het concessieterrein, maar die afstand is op zichzelf niet relevant. De bijkomende verkeersbewegingen van en naar de winkel van eerste tussenkomende partij zullen een aanmerkelijke impact hebben op de verkeerscongestie die er vandaag reeds is. De wegen zijn oververzadigd. In de ontheffingsaanvraag werd overigens geen seconde VII-40.012-18/23 stilgestaan bij de impact op de Groenendallaan/Noorderlaan, omwille van de kunstmatige beperking van het studiegebied tot het dichtstbijzijnde kruispunt (!)”.
- In hun laatste memorie voegen de verzoekende partijen nog toe dat arrest RvVb-A-1819-0265 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 6 november 2018 door de Raad van State werd vernietigd bij arrest nr. 245.880 van 24 oktober 2019, zodat uit het vernietigde arrest “geen enkele gevolgtrekking [kan] gedaan worden” over het belang van de verzoekende partijen bij voorliggend annulatieberoep. Voorts gaan zij, onder meer aan de hand van een nota van een door hen aangestelde MER-deskundige mobiliteit, dieper in op het aantal verkeersbewegingen dat met de exploitatie van de vergunde inrichting gepaard zal gaan en op de globale mobiliteitsproblematiek in de (ruimere) omgeving. Beoordeling
- Overeenkomstig artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kunnen de annulatieberoepen voor de afdeling bestuursrechtspraak worden gebracht door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang. De verzoekende partij moet doen blijken van het rechtens vereiste, rechtstreeks, persoonlijk, zeker en actueel belang bij de gevraagde vernietiging.
- Om belang te hebben bij het bestrijden van de aan de eerste tussenkomende partij verleende milieuvergunning moeten de verzoekende partijen derhalve aantonen of minstens aannemelijk maken dat zij hinder of nadeel kunnen ondervinden door de vergunde exploitatie. De afstand tussen de woon- of verblijfplaats van de omwonende en de plaats waar de hinder zijn oorsprong vindt, geldt daarbij als een belangrijk objectief criterium. De weging van het objectief gegeven van de afstand tussen de vergunde inrichting en de woonomgeving van de verzoekende partijen hangt af van de concrete gegevens van de zaak, inzonderheid van de aard en de kenmerken van de vergunde inrichting. VII-40.012-19/23 Het staat aan de Raad van State te oordelen of een verzoeker die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij zijn beroep. De Raad van State dient er evenwel over te waken dat de belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, punt B.4.3).
- De omstandigheid dat het bestuurlijk beroep van sommige verzoekende partijen tegen de in eerste aanleg genomen vergunningsbeslissing ontvankelijk werd bevonden, is niet relevant voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het annulatieberoep omdat de respectievelijke ontvankelijkheidsvoorwaarden niet dezelfde zijn en omdat de Raad van State in zijn beoordeling niet kan worden beperkt door een eerdere beslissing van een administratieve overheid.
- Bij de beoordeling van de opgeworpen belangexceptie wordt in de eerste plaats vastgesteld dat geen enkele van de verzoekende partijen in de onmiddellijke omgeving van de vergunde inrichting woont. Uit de in het verzoekschrift bijgebrachte gegevens blijkt dat:
(1)eerste verzoeker een “woonplaats” opgeeft die gelegen is op een afstand via de weg van circa 2 km,
(2)de woningen van de tweede tot en met de vijfde verzoekende partij, ten zuiden van de vergunde inrichting, gelegen zijn op een afstand in vogelvlucht van “ca. 550 m tot ca. 950 m”, en
(3)de zesde tot en met de achtste verzoekende partij woonachtig zijn in de noordelijk gelegen wijk „Luchtbal‟ op een afstand in vogelvlucht “ca. 650 m tot ca. 1.800 m”. De verzoekende partijen voeren niet aan dat zij directe exploitatiehinder, dit is hinder die ontstaat op de vestigingsplaats van het distributiecentrum, zullen ondervinden. Allen beroepen zij zich op hinder of nadelen die in hun leef- en woonomgeving teweeggebracht worden door het bijkomende (vracht)verkeer dat het project in de ruime omgeving van de vestigingsplaats zal genereren. Specifiek ten aanzien van eerste verzoeker wordt bijkomend opgemerkt dat hij niet gedomicilieerd blijkt te zijn op de overeenkomstig artikel 2, § 1, 2°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟ op te VII-40.012-20/23 geven “woonplaats”, maar dat de in het verzoekschrift tot nietigverklaring vermelde “woonplaats” op het adres Noorderlaan 98 bus 32 te 2030 Antwerpen, in werkelijkheid bestaat uit een gehuurd appartement dat hij, naar eigen zeggen, enkel gebruikt als occasioneel verblijf op de momenten dat hij “om zakelijke of persoonlijke redenen in Antwerpen dient te zijn”. In zijn memorie van wederantwoord geeft eerste verzoeker trouwens voor het eerst aan dat hij “gedomicilieerd [is] te 8000 Brugge, Sint-Gillisdorpstraat 16, met verblijfplaats te 2030 Antwerpen, Noorderlaan 98 bus 32”. Door de uiteenzetting in het verzoekschrift hebben de verzoekende partijen zelf aangegeven binnen welke contouren hun belang bij het vernietigingsberoep moet worden beoordeeld.
- Tot staving van hun belang verklaren de verzoekende partijen in het bijzonder dat het wegennet “rond de geplande vestiging [...] vandaag reeds overbelast [is]”. Eerste verzoeker stelt in zijn laatste memorie dat het “reeds overbelaste wegennet” ter hoogte van zijn “woning […] verder zal belast worden”. Ook de overige verzoekende partijen spreken van “reeds oververzadigde wegen in de omgeving [die] nog verder belast [zullen] worden” en van een “verkeerscongestie die er vandaag reeds is”. In het kader van voorliggende annulatieprocedure maken de verzoekende partijen niet aannemelijk dat die problematische toestand een rechtstreekse oorzaak vindt in de bestreden vergunningsbeslissing. Evenmin maken zij aannemelijk dat de aan de vergunde inrichting verbonden verkeersbewegingen, een tastbaar bijkomend negatief effect zullen hebben op de verkeershinder die zij reeds menen te ondervinden. De Raad van State is dan ook van oordeel dat de door de verzoekende partijen beweerde toename van de mobiliteitshinder ter hoogte van hun woon- of verblijfplaatsen beschouwd moet worden als een verwaarloosbaar effect dat door hen onmogelijk kan worden ervaren als een ongemak dat specifiek verbonden is met de exploitatie van de door de bestreden beslissing vergunde inrichting. Een dergelijk verwaterd of uitgeloogd effect, dat niet duidelijk VII-40.012-21/23 geïdentificeerd kan worden, volstaat niet om het belang bij de vernietiging van de bestreden milieuvergunning te staven. Uit wat voorafgaat volgt dat de verzoekende partijen niet doen blijken van het in rechte vereiste belang. Het beroep is niet ontvankelijk.
- Voormelde beoordeling vormt geen belemmering voor het recht op toegang tot de Raad van State dat de wetgever met artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State voor ogen had, en schendt zodoende artikel 9.3 van het verdrag van Aarhus dat luidens artikel 1 tot doel heeft bij te dragen aan de bescherming van het recht van elke persoon van de huidige en toekomstige generaties om te leven in een milieu dat passend is voor zijn of haar gezondheid en welzijn, en met dat doel bepaalt dat “elke Partij” het recht waarborgt op onder meer “inspraak in de besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag” niet. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 3.200 euro, elk voor een achtste. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomsten, begroot op 300 euro, elk voor de helft. VII-40.012-22/23 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig december tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.012-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.355 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.823 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div