id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.356 Rolnummer: A. 231554/VII-40899 Zaak: Arrest 249356 - Natuurbehoud - Vergunningen - 29/12/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-01-14 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-20 01:50 Fiche Arrest nr 249.356 van 29 december 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 249.356 van 29 december 2020 in de zaak A. 231.554/VII-40.899 In zake:
- Frans DERBOVEN
- Elleke VERSCHOREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Kris Lens en Evert Vervaet kantoor houdend te 2800 Mechelen Grote Nieuwedijkstraat 417 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Willem Slosse en Stijn Brusselmans kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 64, bus 201 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 14 augustus 2020, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 17 juni 2020 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos van 6 maart 2020 houdende het opleggen van bestuurlijke maatregelen strekkende tot de herbebossing van een perceel gelegen te Haacht, ongegrond wordt verklaard en de bestuurlijke maatregelen worden bevestigd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. VII-40.899-1/9 Adjunct-auditeur Benny De Sutter heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 december
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Evert Vervaet, die verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Daisy Daniels, die loco advocaten Willem Slosse en Stijn Brusselmans verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoekende partijen zijn eigenaar, respectievelijk gebruiker, van een perceel grond gelegen aan de Wespelaarsesteenweg te Haacht, kadastraal bekend als afdeling 1, sectie D, nr. 137A. Het perceel is volgens het gewestplan Leuven gelegen in bosgebied. 3.
- Op 20 januari 2020 begeeft een toezichthouder van het Agentschap voor Natuur en Bos zich ter plaatse. In een proces-verbaal van 6 maart 2020 beschrijft hij de volgende vaststellingen: “[…] Via een losweg, die van aan de Wespelaarsesteenweg aan de westelijke kant langs de woning met huisnummer 102 en vervolgens langs het daar achter gelegen grasland loopt, rijden we in zuidelijke richting tot aan de achterliggende percelen waar we van op de Wespelaarsesteenweg een bos en daarbij gevelde bomen hebben opgemerkt. Dichterbij gekomen zien we dat op de oostelijke rand van het bos een rij bomen werd geveld. VII-40.899-2/9 Wanneer we uit het dienstvoertuig stappen worden we onmiddellijk benaderd door een manspersoon. Op de plaats waar deze persoon zich bevond bij onze aankomst merken we tussen de gevelde bomen een kettingzaag op. We maken ons kenbaar in onze functies als Natuurinspecteur van Agentschap voor Natuur en Bos en vragen de persoon of hij eigenaar van het perceel is. De persoon stelt zich voor als Willy DEWIT en zegt ons eigenaar te zijn van het aanpalende perceel bos. Hij zegt de bomen op de rand van het aanpalende perceel te hebben geveld in opdracht van de grondgebruiker, die woonachtig is in het nabijgelegen huis dat ons wordt aangewezen. Hij zegt dat men hem daartoe de opdracht gegeven heeft omdat er op het betrokken perceel, dat in gebruik is als graasweide, een jaar eerder een paard is gestorven door het eten van esdoornscheuten en dat de gevelde bomen op de rand van het betrokken perceel allen esdoorns zijn. Hij zegt ons dus eerst alle esdoorns te willen vellen en dan vervolgens van plan is de stronken te verwijderen en deze te begraven in een nog te graven kuil. We zeggen dat voor het uitvoeren van kappingen in bosverband een kapmachtiging vereist is en dat het wijzigen of verwijderen van kleine landschapselementen enkel mag worden uitgevoerd indien daar een omgevingsvergunning voor is afgeleverd. Dhr. DEWIT zegt ons dat de bomen geen deel uitmaken van het bos. Hij toont ons aan de zuidelijke perceelsgrens een grenspaal die de grens van het perceel bos in zijn eigendom aangeeft met het aanpalende perceel dat in gebruik is als graasweide waar rij esdoorns gekapt werden. Hij zegt enkel een bomenrij bestaande uit esdoorns en tussen de bomen groeiende struiken, voornamelijk Amerikaanse vogelkers te hebben gekapt ten oosten van de perceelsgrens. We begeven ons naar de woning met huisnummer 106 waar volgens dhr. DEWIT de opdrachtgever van de werken, mevr. Elleke VERSCHOREN, woonachtig is. Aan de poort op de oprit van de woning komt een vrouw ons tegemoet die ons zegt de moeder van Elleke VERSCHOREN te zijn. Ze zegt ons dat mevr. Elleke momenteel niet thuis is. We overhandigen ons visitekaartje en vragen haar dit te willen overhandigen aan mevr. Elleke VERSCHOREN met het verzoek ons te contacteren aangaande onze vaststellingen. We begeven ons hierna terug naar het betrokken perceel om onze vaststellingen af te ronden. Onder de gevelde bomen langs de westelijke en zuidelijke perceelsrand tellen we in totaal 9 hoogstammige bomen. (Noot opsteller, als hoogstammige bomen worden beschouwd bomen die een stamomtrek hebben van 1 m of meer, gemeten op 1 m boven grondniveau) Verder zijn er ook een 18-tal esdoorns afgezaagd die nog niet als hoogstammig te beschouwen zijn, dus zijnde jongere bomen die nog geen 1 m van stamomtrek bereikt hebben. Aan de zuidelijke kant van het perceel is nog 1 hoogstammige esdoorn overeind blijven staan. Aan de basis van de stam werd een tak afgezaagd en vlak naast de stam werd een niet-hoogstammig exemplaar geveld. In het midden van het perceel merken we dwars op de westelijke perceelsgrens een rij bestaande uit 11 stronken op van bomen die, afgaande VII-40.899-3/9 op het reeds licht verkleurde zaagvlak, op een eerder tijdstip werden geveld. Eén van deze stronken heeft een omtrek van 103cm. Bij het ten burele nakijken van kaartgegevens en luchtfoto’s van de jaren 1990-2007 is te zien dat het perceel # 137/a, dat momenteel gebruikt wordt door mevr. Elleke VERSCHOREN en waar de esdoorns werden geveld, voordien bebost was. Op de luchtfoto van het jaar 2003 zien we dat het merendeel van de bomen die op het betrokken perceel aanwezig waren gekapt werden. Op daaropvolgende luchtfoto’s genomen in de periode 2005-2007 en op 08/04/2007 is te zien dat waar de bomen werden gekapt in 2003 er terug (spontane-) bebossing op het perceel aanwezig is. Op de luchtfoto’s genomen in de periode 2008-2011 en op 01/08/2009 is zichtbaar dat de nieuwe bebossing werd verwijderd en dat het grondgebruik op het perceel gewijzigd werd naar graasweide. Het kwestieuze perceel is gelegen in een zone met code 800 (bosgebieden) als bestemming op het gewestplan. De bestemming Bosgebied is derhalve ruimtelijk kwetsbaar gebied. Bij navraag aan de gemeentelijke dienst geeft men ons te kennen dat de eigenaar van het perceel dhr. Frans DERBOVEN is”. 3.
- Het Agentschap voor Natuur en Bos beslist op 6 maart 2020 om aan de verzoekende partijen de volgende bestuurlijke maatregelen op te leggen: “Het perceel kadastraal gelegen te Haacht, 1e afdeling, sectie D, nummer 137/a, gelegen in de gewesplanbestemming Bosgebied, dient te worden herbebost. Het grondperceel is benaderend 0,35 ha groot. Herbebossing dient te worden uitgevoerd door aanplanting met inheemse, standplaatsgeschikte boomsoorten, en in bijmenging enige struiksoorten. Het aanplanting dient te worden gezet in een plantverband van 2 m x 2 m. Daartoe zijn benodigd 800 exemplaren plantsoenen. Als boom- en struiksoorten dienen te worden gebruikt: - 200 exemplaren Zomereik (Quercus robur) - 200 exemplaren Ruwe Berk (Betula pendula) - 100 exemplaren Haagbeuk (Carpinus betulus) - 100 exemplaren Beuk (Fagus sylvatica) - 100 exemplaren Boskerselaar (Prunus avium) - 50 exemplaren hazelaar (Corylus avellana) - 50 exemplaren Sporkenhout (Rhamnus frangula). De soorten aan te schaffen, in de maat ‘bosplantsoen’ met afmetingen 80 à 150 cm, bij een professionele boomkwekerij. De aanplanting dient te geschieden ‘volgens de regels van de kunst’, met de planten goed rechtop gezet en met onbeschadigde topscheuten zodanig dat een rechtopgaande groei mogelijk zal zijn. - De aanplanting dient dan tijdens de eerst 3 à 5 jaar na planting te worden nagekeken voor ‘jongwasverpleging’ om, voor zover als nodig, een VII-40.899-4/9 mechanische vrijstelling tegen eventuele hinderende vegetatie te verrichten. - Indien exemplaren niet gunstig zouden aanpakken of zouden afsterven, dienen ze te worden vervangen door nieuwe gezonde exemplaren van dezelfde plantsoensoort”. 3.
- Tegen voormelde beslissing stellen de verzoekende partijen bestuurlijk beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister. 3.
- Op 22 mei 2020 vindt een hoorzitting plaats. Naar aanleiding van die hoorzitting leggen de verzoekende partijen bijkomende stukken neer. 3.
- De afdeling Handhaving adviseert op 28 mei 2020 om het beroep ongegrond te verklaren. Op 12 juni 2020 vragen de verzoekende partijen, in het kader van de openbaarheid van bestuur, dit advies op. Het wordt hen diezelfde dag nog bezorgd. 3.
- Met het thans bestreden besluit van 17 juni 2020 wordt het bestuurlijk beroep ongegrond verklaard en worden de bestuurlijke maatregelen bevestigd. IV. Onderzoek van de vordering
- Luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van het besluit prima facie kan verantwoorden. V. Spoedeisendheid Uiteenzetting van de verzoekende partijen VII-40.899-5/9
- In hun verzoekschrift zetten de verzoekende partijen het volgende uiteen over de spoedeisendheid van de vordering: “Ingevolge de bevestiging van het besluit houdende bestuurlijke maatregelen van de toezichthoudende ambtenaar dient het perceel 137A als bos te worden hersteld (of beter gesteld) door middel van (her)aanplantingen, te verrichten tussen 15 november 2020 en 15 maart 2021, waarbij, volgens dat besluit, de aanplanting van de struiken dient te zijn uitgevoerd voor 31 maart
- In het artikel 3 van het besluit van de toezichthoudende ambtenaar wordt gesteld dat bij het niet naleven of het niet tijdig naleven van de opgelegde bestuurlijke maatregelen, een bestuurlijke dwangsom wordt opgelegd met toepassing van artikel 16.4.
- juncto 16.4.18bis DABM. Derhalve kan Verzoekende partij allesbehalve het resultaat van de gewone vernietigingsprocedure afwachten op het gevaar af dat inmiddels de termijn voor het uitvoeren van de bestuurlijke maatregel is verstreken en de toezichthoudende ambtenaar overgaat tot het opleggen van een bestuurlijke dwangsom, waardoor Verzoekende partij zich in een situatie bevindt met onherroepelijke schadelijke gevolgen. Deze schadelijke gevolgen zullen zich in die zin manifesteren dat Verzoekende partij het genot van diens perceel zal verliezen. Dit perceel wordt gebruikt als graasweide voor de paarden van de tweede verzoekende partij, die kortbij woonachtig is en daar ook een paardenstalling heeft voorzien. Men verwacht nu dat er op een locatie, waar er nooit sprake is geweest van een bos, maar enkel van natte graslanden en weiden, bomen worden geplant op 2 à 2,5 m van elkaar. Het spreekt ook voor zich dat, van zodra er op de percelen van de Verzoekende partij een bos wordt voorzien, en Uw Raad gebeurlijk de bestreden beslissing zou vernietigen, Verzoekende partij verplicht is om een stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing aan te vragen, vergezeld met een concreet ontheffingsdossier waarover het ANB, nota bene, haar bindend advies zal moeten formuleren. Echter, kan er geen ontheffing op het verbod tot ontbossen worden toegestaan, gelet op het artikel 90bis van het Bosdecreet. Minstens zal in het kader van een omgevingsvergunningsaanvraag voor het vellen van hoogstammige bomen, het verkrijgen van een gunstig advies van het ANB geen sinecure zijn… Bovendien moet er op worden gewezen dat, ondanks het feit dat er -theoretisch gezien- evenzeer een administratief beroep kan worden ingesteld tegen een besluit tot het uitvaardigen van een bestuurlijke dwangsom, het evident is dat de toezichthoudende ambtenaar, het resultaat van de huidige procedure niet zal afwachten aangezien een verzoek tot nietigverklaring geen schorsende werking heeft. Teneinde elke mogelijke, onherroepelijke schade, van enige omvang te vermijden, dient de Verzoekende partij derhalve over te gaan tot het indienen van de huidige vordering tot schorsing. VII-40.899-6/9 Tot slot verwijst Verzoekende partij naar een gelijkaardige zaak waarin Uw Raad de hoogdringendheid heeft aanvaard[…]”. Beoordeling
- Een zaak is spoedeisend, en dus vatbaar voor beoordeling in kort geding, zodra de vrees voor schade van enig belang, of zelfs voor ernstige nadelen, een onmiddellijke beslissing wenselijk maakt. Het doel is dan ook het kort geding te hanteren wanneer het geschil niet met de gewone procedure binnen de gewenste tijdspanne opgelost kan worden. Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State. Het komt er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak spoedeisend is op aan om van die urgentie te overtuigen. Zij dient daartoe aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, gelet op de nadelige gevolgen die een -voortdurende- tenuitvoerlegging van het bestreden besluit voor haar persoonlijk veroorzaakt.
- Uit wat voorafgaat, volgt dat het niet volstaat te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht. Om die reden kunnen de verzoekende partijen niet met goed gevolg verwijzen naar het feit dat de bestreden bestuurlijke maatregelen uiterlijk tegen 31 maart 2021 moeten worden uitgevoerd.
- Waar in hun uiteenzetting gewag wordt gemaakt van de kans dat in de toekomst mogelijk bestuurlijke dwangsommen zullen worden opgelegd, gaat het over een op dit ogenblik louter hypothetische veronderstelling die de VII-40.899-7/9 spoedeisendheid van de zaak evenmin kan verantwoorden. In dit verband kan er overigens aan herinnerd worden dat, overeenkomstig artikel 17, § 2, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een nieuwe vordering tot schorsing kan worden ingediend als deze steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van de vordering rechtvaardigen.
- Uit het betoog van de verzoekende partijen, dat eerder in algemene bewoordingen is gesteld en niet gestaafd wordt met concrete gegevens, kan bovendien niet op aannemelijke wijze worden afgeleid dat de bestreden beslissing voor hen onomkeerbare en onherstelbare financiële gevolgen met zich zal meebrengen. Het beweerde verlies van het betrokken perceel als graasweide voor paarden, lijkt helemaal geen onherstelbaar karakter te hebben. Hetzelfde geldt voor de bewering dat zij, in het kader van een toekomstige omgevingsvergunningsaanvraag, mogelijkerwijze geen ontheffing van het verbod op ontbossing zouden kunnen verkrijgen.
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. VII-40.899-8/9 BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig december tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Peter Sourbron VII-40.899-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.356 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.349 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div