← België

Arrest 249359 - Verzekeringstussenpersonen - 29/12/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.359 Rolnummer: A. 230992/XIV-38381 Zaak: Arrest 249359 - Verzekeringstussenpersonen - 29/12/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-01-11 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-20 01:50 Fiche Arrest nr 249.359 van 29 december 2020 Beroepen - Verzekeringstussenpersonen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 249.359 van 29 december 2020 in de zaak A. 230.992/XIV-38.381 In zake : 1. de bv HEKA 2. Gregory VAN HOUDENHOVE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Cor Schildermans kantoor houdend te 3900 Pelt Ursulinenlaan 46 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de AUTORITEIT VOOR FINANCIËLE DIENSTEN EN MARKTEN (FSMA) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Thomas Eyskens en Junior Geysens kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 9 juni 2020, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 26 mei 2020 van de FSMA “waarbij de FSMA de aanvraag tot inschrijving uitgaande van verzoeker in het register van de verzekeringstussenpersonen weigert daar zij van oordeel is dat verzoekers onvoldoende aantonen dat de sleutelfuncties worden ingevuld door personen dewelke voldoen aan de voorwaarden van passende deskundigheid en professionele betrouwbaarheid vereist door de artikelen 264, § 1, 266, 1e lid 2° en 267, 1e lid, 1° van de wet van 4 april 2014”. XIV-38.381-1/18 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld met toepassing van het koninklijk besluit van 15 mei 2003 ‘tot regeling van de versnelde procedure in geval van beroep bij de raad van state tegen sommige beslissingen van de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten en de Nationale Bank van België’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 december 2020, om 13.45 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Cor Schildermans, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Junior Geysens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De eerste verzoekende partij was, vóór haar schrapping op 17 maart 2020, ingeschreven in het register van verzekerings- en nevenverzekeringstussenpersonen, meer bepaald in de categorie XIV-38.381-2/18 “verzekeringsagent” (zie infra, punt 3.3). Tweede verzoeker is bestuurder van de eerste verzoekende partij onder meer op het ogenblik dat de bestreden beslissing is genomen. 3.2. Op 18 juli 2019 dient de eerste verzoekende partij een wijzigingsaanvraag (met ID 42062) in met het oog op de overdracht van inschrijvingscategorie, met name van de categorie “verzekeringsagent” naar de categorie “verzekeringsmakelaar”. Op 28 januari 2020 weigert de verwerende partij de aanvraag van de eerste verzoekende partij om te worden ingeschreven in de categorie “verzekeringsmakelaar”. De eerste verzoekende partij wordt tevens aangemaand om binnen een termijn van 30 dagen te verhelpen aan de door haar vastgestelde tekortkomingen door een ‘verantwoordelijke voor de distributie’ aan te stellen die voldoet aan de wettelijke voorwaarden. De conclusie van deze beslissing luidt: “Gelet op al de voorgaande elementen, toont HEKA BVBA geenszins aan dat de heer Gregory Van Houdenhove, als verantwoordelijke voor de distributie en effectieve leider, beschikt over de passende deskundigheid en professionele betrouwbaarheid, zoals vereist door de artikelen 264, § 1, 266, 1° tot 3° en 267, 1e lid, 1°, van de wet van 4 april 2014. HEKA BVBA toont evenmin aan dat mevrouw [S.V.T.], als verantwoordelijke voor de distributie, beschikt over de passende deskundigheid en professionele betrouwbaarheid, zoals vereist door de artikelen 264, § 1 en 266, 1° tot 3° van de wet van 4 april 2014. De FSMA kan niet anders dan vaststellen dat HEKA BVBA geenszins aantoont dat de sleutelfuncties (verantwoordelijke voor de distributie en effectieve leider die de facto verantwoordelijk is voor de activiteit van verzekeringsdistributie) worden ingevuld door personen die voldoen aan de voorwaarden van passende deskundigheid en professionele betrouwbaarheid vereist door de artikelen 264, § 1, 266, 1° tot 3° en 267, 1e lid, 1° van de wet van 4 april 2014. De FSMA besliste daarom om HEKA BVBA aan te manen om binnen een termijn van 30 dagen te verhelpen aan de vastgestelde tekortkomingen door een verantwoordelijke voor de distributie aan te stellen die voldoet aan de voorwaarden voorzien in de artikelen 264, § 1 en 266, 1° tot 3° van de wet van 4 april 2014 alsook een effectief leider aan te stellen die voldoet aan de voorwaarden voorzien in artikel 267, 1e lid, 1° van de wet van 4 april 2014. Bovendien moet HEKA BVBA de vermeldingen op haar website die verwijzen naar (niet-toegelaten) activiteiten van bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en kredietbemiddeling, met onmiddellijke ingang verwijderen.” XIV-38.381-3/18 3.3. Op 17 maart 2020 beslist de verwerende partij om de eerste verzoekende partij te schrappen uit het register van de verzekeringstussenpersonen op grond van de volgende beoordeling: “Noch de informatie in de e-mail van 25 februari 2020, noch de bijlage die hieraan werd toegevoegd, tonen aan dat HEKA BV heeft verholpen aan voornoemde vastgestelde tekortkomingen. In haar e-mail van 25 februari 2020 haalt HEKA BV het argument aan dat zij geen toegang heeft tot de online applicatie omwille van het verlies van de identiteitskaart van de heer Gregory Van Houdenhove. De FSMA heeft echter in haar e-mail van 20 februari 2020 alternatieven aangereikt. HEKA BV heeft daarvan geen gebruik gemaakt en heeft evenmin per post of e-mail of enerlei andere wijze aangetoond dat zij aan de vastgestelde tekortkomingen heeft verholpen. HEKA BV heeft aldus, en in ieder geval niet binnen de daartoe gestelde termijn, geen kandidaat voorgedragen voor de functies van verantwoordelijke voor de distributie en effectieve leider de facto belast met de verantwoordelijkheid voor de werkzaamheid van verzekeringsdistributie, die voldoen aan alle wettelijke voorwaarden. Noch heeft zij binnen de daartoe gestelde termijn een volledige ingevulde vragenlijst “organisatie distributie en voorkoming witwassen” bezorgd. De FSMA heeft reeds in haar aangetekende brief aan HEKA BV van 7 november 2019 en aandacht gevestigd op de vermeldingen op haar website https://www.heka-insurances.be/ die verwijzen naar (niet-toegelaten) activiteiten van bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en kredietbemiddeling. Ondanks het feit dat de FSMA, HEKA BV op 28 januari 2020 aanmaande om deze verwijzingen met onmiddellijke ingang te verwijderen, is de website tot op heden nog steeds onaangepast. HEKA BV heeft de vermeldingen op haar website, die verwijzen naar (niet-toegelaten) activiteiten van bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en kredietbemiddeling, nog niet verwijderd. In haar aanmaningsbrief van 28 januari 2020 heeft de FSMA, HEKA BV erop gewezen dat, indien na de toegekende termijn van 30 dagen de vastgestelde tekortkomingen niet zouden zijn verholpen, het directiecomité van de FSMA zich zal uitspreken over de schrapping van de inschrijving van HEKA BV in het register van de verzekerings- en de nevenverzekeringstussenpersonen, dit in toepassing van artikel 311, § 1 van de wet van 4 april 2014. De FSMA stelt vast dat HEKA BV niet aantoont dat zij binnen de gestelde termijn heeft verholpen aan de vastgestelde tekortkomingen. De FSMA heeft daarom beslist om, in toepassing van artikel 311, § 1 van de wet van 4 april 2014, de inschrijving van HEKA BV in het register van de verzekerings- en nevenverzekeringstussenpersonen te schrappen.” De verzoekende partijen vechten deze beslissing niet aan. 3.4. Op 25 maart 2020 dient de eerste verzoekende partij een aanvraag (ID 50413) tot inschrijving als verzekeringstussenpersoon in, meer bepaald als “verzekeringsmakelaar”. XIV-38.381-4/18 3.5. Op 26 mei 2020 beslist de verwerende partij om de in punt 3.4 vermelde aanvraag van de eerste verzoekende partij tot inschrijving in het register van de verzekerings- en nevenverzekeringstussenpersonen te verwerpen. Dit is de bestreden beslissing die op de volgende overwegingen berust: “[…] 2. Beoordeling In voornoemde aanvraag tot inschrijving van HEKA BV in het register van de verzekeringstussenpersonen wordt opnieuw Gregory Van Houdenhove voorgedragen als kandidaat-effectieve leider de facto verantwoordelijke voor de distributie en, nadien, ook als VVD. In dit verband wordt verwezen naar de hiervoor aangehaalde beslissingen van het directiecomité van de FSMA van 28 januari 2020 en 17 maart 2020, waarin het directiecomité heeft vastgesteld dat HEKA BV niet aantoonde dat Gregory Van Houdenhove beschikte over de passende deskundigheid en professionele betrouwbaarheid, zoals vereist door de artikelen 264, § 1, 266, 1e lid 2° en 267, 1e lid, 1° van de wet van 4 april 2014. Tegen de beslissing van 28 januari 2020 (tot weigering van de aanvraag van HEKA BV tot wijziging van haar inschrijving in het register van de verzekeringstussenpersonen naar de categorie van ‘makelaar’) werd geen beroep aangetekend waardoor zij definitief werd. HEKA BV voegt in haar aanvraag een vragenlijst ‘Kandidaten voor een gereglementeerde functie bij een tussenpersoon of kredietgever’ toe van Gregory Van Houdenhove. Bij vraag 4.1.2 bevestigt de heer Van Houdenhove dat hij nog nooit aan een fit & proper toets werd onderworpen door een toezichtshouder uit de financiële sector. Dit is evenwel onjuist, gelet op de beslissingen van de FSMA van 28 januari 2020 en 17 maart 2020. Bij vraag 4.2.3 van de vragenlijst bevestigt de heer Van Houdenhove voor hemzelf en de onderneming van wie hij banden had (zoals een bestuursmandaat) dat hij nooit het voorwerp heeft uitgemaakt van een weigering, schorsing of schrapping van vergunning, registratie of inschrijving door een toezichthouder uit de financiële sector. Deze verklaring is echter ook onjuist, gelet op de beslissingen van de FSMA van 28 januari 2020 en 17 maart 2020. Bij de vraag naar andere relevante feiten vermeldt de heer Van Houdenhove wel ‘heractivatie FSMA 26321 o.n.v. HEKA BV’. De FSMA kan vermoeden dat dit verwijst naar de schrappingsbeslissing van 17 maart 2020 en de huidige aanvraag tot herinschrijving. Dit geeft aan dat de heer Van Houdenhove de ernst van de eerdere beslissingen niet goed beseft. Een aanmaning van de toezichthouder en daarenboven een schrapping van de inschrijving, zijn bijzonder ernstige maatregelen. De schrappingsmaatregel heeft tot gevolg dat HEKA BV geen activiteiten van verzekeringsdistributie meer mag uitoefenen. Dergelijke zwaarwichtige beslissing omschrijven als ‘heractivatie’ van de inschrijving, geeft blijk van een gebrekkig begrip van de situatie, alsof het om een louter administratief probleem zou gaan, terwijl in werkelijkheid het directiecomité van de FSMA een negatief oordeel heeft geveld over de passende deskundigheid en professionele betrouwbaarheid van de heer Gregory Van Houdenhove om te functioneren als XIV-38.381-5/18 effectieve leider of verantwoordelijke voor de distributie binnen een verzekeringstussenpersoon. Dit alles werd nochtans uitgebreid toegelicht in de brief waarmee de FSMA HEKA BV informeerde over de schrapping. Daarenboven blijkt dat de website van HEKA BV nog steeds de vermeldingen bevat die aan de grondslag lagen van de initiële negatieve beoordeling van de passende deskundigheid en professionele betrouwbaarheid van de heer Gregory Van Houdenhove. Hoewel HEKA BV in haar email van 25 maart 2020 aangeeft dat de website zou zijn aangepast, is gebleken dat dit in realiteit niet het geval was. Gregory Van Houdenhove heeft dus gelogen over de aanpassing van de website. De webpagina in kwestie is immers pas sinds 19 mei 2020 niet langer toegankelijk. Daarenboven vermeldt de nog actieve homepagina van de website nog steeds activiteiten van verzekeringsdistributie. Ten overvloede wordt herhaald dat het verboden is om activiteiten van verzekeringsdistributie, kredietbemiddeling en bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten uit te oefenen of de titel te voeren met verwijzing naar de activiteit, zonder voorafgaand ingeschreven te zijn als verzekeringstussenpersoon, kredietbemiddelaar en als bemiddelaar in bank- en beleggingsdiensten. Het beoefenen van dergelijke gereglementeerde activiteiten of het voeren van de titel, zonder de vereiste inschrijving, is vatbaar voor administratieve en strafrechtelijke sancties. Voor het overige, brengt HEKA BV geen nieuwe elementen aan die zouden aantonen dat de heer Gregory Van Houdenhove wel zou beschikken over de passende deskundigheid en professionele betrouwbaarheid die wordt vereist door artikelen 264, § 1, 266, 1e lid 2° en 267, 1e lid, 1° van de wet van 4 april 2014. Gelet op het voorgaande, is FSMA niet overtuigd van de passende deskundigheid en professionele betrouwbaarheid van de heer Gregory Van Houdenhove. Dientengevolge voldoet HEKA BV niet aan de inschrijvingsvoorwaarden om ingeschreven te worden als verzekeringstussenpersoon. Conclusie De FSMA stelt vast dat HEKA BV geenszins aantoont dat de sleutelfuncties (verantwoordelijke voor de distributie en effectieve leider die de facto verantwoordelijk is voor de activiteit van verzekeringsdistributie) worden ingevuld door personen die voldoen aan de voorwaarden van passende deskundigheid en professionele betrouwbaarheid vereist door de artikel 264, § 1, 266, 1e lid 2° en 267, 1e, lid 1° van de wet van 4 april 2014. Dientengevolge heeft de FSMA beslist om de aanvraag tot inschrijving als verzekeringstussenpersoon te weigeren.” 3.6. Bij besluit van de buitengewone algemene vergadering van 18 juni 2020 dat in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad van 8 juli 2020 is bekend gemaakt, wordt het ontslag van de tweede verzoeker als bestuurder door de eerste verzoekende partij aanvaard en wordt [S.V.T] met onmiddellijke ingang als nieuwe bestuurder aangesteld. XIV-38.381-6/18 De algemene vergadering bevestigt en bekrachtigt op 8 september 2020 de benoeming van [S.V.T.] (B.S. (bijlagen), 16 september 2020). 3.7. Op 7 oktober 2020 heeft bv HEKA op elektronische wijze via het online-systeem van de verwerende partij een aanvraag (ID 55561) ingediend tot inschrijving als “verzekeringstussenpersoon”. De (raadsman van

  1. de)verwerende partij duidt in een brief van 15 oktober 2020 de belangrijkste gegevens van deze aanvraag aan: “[…] - HEKA BV vraagt een inschrijving aan als verzekeringstussenpersoon, in de categorie makelaar, voor alle types van verzekeringen. - In deze aanvraag wordt mevrouw [S.V.T.] aangeduid als enige kandidaat voor de functie van ‘effectieve leider’ en ‘verantwoordelijke voor de distributie’. - De heer Gregory VAN HOUDENHOVE wordt niet opgegeven als kandidaat ‘effectieve leider’ noch ‘verantwoordelijke voor de distributie’. - De aanvraag vermeldt dat er 0 PCP’sz werkzaam zullen zijn binnen HEKA BV. […]”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep 4. De verwerende partij voert twee excepties aan. Standpunt van de partijen 5. In een eerste exceptie betwist de verwerende partij de ontvankelijkheid van het voorliggende beroep omwille van het gebrek van hoedanigheid in hoofde van tweede verzoeker. Zij zet uiteen dat krachtens artikel 122, 19°, van de wet van 2 augustus 2002 ‘ betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten’ (hierna: de wet van 2 augustus 2002) bij de Raad van State, volgens een versnelde procedure, beroep kan worden ingesteld “door de verzekerings-, nevenverzekerings- of herverzekeringstussenpersonen, tegen de beslissingen tot inschrijving of tot weigering van inschrijving in een categorie van het register van de verzekerings- en nevenverzekeringstussenpersonen of van het register van de XIV-38.381-7/18 herverzekeringstussenpersonen, tot schrapping, tot verbod van activiteiten, tot schorsing, tot wijziging van de inschrijving en tot waarschuwing, alsook tegen de beslissingen tot gevolg hebbende het verlies van rechtswege van inschrijving, die [de verwerende partij] heeft genomen krachtens de artikelen 259, 268 en 311 van de […] wet van 4 april 2014 [‘betreffende de verzekeringen’]”. Met verwijzing naar rechtspraak stelt de verwerende partij dat het bepaalde in artikel 122, 19°, aansluit bij de algemene hoedanigheidsvereiste bij het annulatieberoep zodat enkel diegene van wie de inschrijving in het register van verzekeringstussenpersonen wordt geschrapt, over de vereiste hoedanigheid beschikt om een annulatieberoep in te stellen tegen de schrappingsbeslissing van de verwerende partij. De zaakvoerder-natuurlijke persoon van de vennootschap die uit het betrokken register wordt geschrapt, beschikt derhalve niet over de vereiste hoedanigheid om een annulatieberoep in te stellen. Hetzelfde geldt in geval van weigering van inschrijving. Te dezen wordt het voorliggende beroep mede ingediend door tweede verzoeker die op het ogenblik van het instellen van het beroep de bestuurder was van de eerste verzoekende partij. Daargelaten dat tweede verzoeker inmiddels geen bestuurder meer is van de eerste verzoekende partij, is de vaststelling dat enkel de eerste verzoekende partij een aanvraag tot inschrijving in het register van de verzekerings- en nevenverzekeringstussenpersonen heeft ingediend. Bijgevolg is ook enkel de eerste verzoekende partij de rechtsgeadresseerde van de bestreden beslissing waaruit volgt dat het beroep niet ontvankelijk is in hoofde van tweede verzoeker. Bij een tweede exceptie werpt de verwerende partij op dat het voorliggende beroep niet-ontvankelijk is in hoofde van de eerste verzoekende partij. Zij zet uiteen dat zij vaststelt dat tweede verzoeker per 18 juni 2020 niet langer bestuurder is van de eerste verzoekende partij en dat [S.V.T.] met onmiddellijke ingang is aangesteld als nieuwe bestuurder, wat gevolgen heeft voor de ontvankelijkheid van het beroep. Het belang waarvan een verzoekende partij blijk moet geven, bestaat er niet alleen in dat deze een nadeel moet aantonen maar tevens ervan blijk moet geven dat zij met de vernietiging van de bestreden beslissing een voordeel kan doen. Voor de eerste verzoekende partij houdt dit in XIV-38.381-8/18 dat zij uitzicht moet krijgen op een nieuwe, gunstiger beslissing omtrent haar aanvraag tot inschrijving in het register van de verzekerings- en (neven)verzekeringstussenpersonen. Te dezen heeft de eventuele vernietiging van de bestreden beslissing niet tot gevolg dat de eerste verzoekende partij is ingeschreven of moet worden ingeschreven. Haar aanvraag moet opnieuw worden beoordeeld met inachtneming van de overwegingen van het vernietigingsarrest. Eén van de wettelijke inschrijvingsvoorwaarden voor kandidaat-verzekeringstussenpersonen is dat de tussenpersoon, de verantwoordelijken voor de distributie evenals de personen in contact met het publiek over de voor de uitoefening van hun functie passende deskundigheid en vereiste professionele betrouwbaarheid moeten beschikken. Voor rechtspersonen zoals de eerste verzoekende partij geldt deze voorwaarde tevens ten aanzien van de personen die met de effectieve leiding worden belast. Uiterlijk op het ogenblik van de aanduiding van de verantwoordelijke voor de distributie moet de verzekeringstussenpersoon aan de verwerende partij de identiteit van de betrokken persoon bezorgen, vergezeld van de documenten die aantonen dat hij voldoet aan de bepalingen van artikel 266, 1° tot 3°, van de wet van 4 april 2014, waaronder het beschikken over een passende deskundigheid en professionele betrouwbaarheid. In de aanvraag tot inschrijving van de verzoekende partij in het register van de verzekerings- en nevenverzekeringstussenpersonen, die aanleiding heeft gegeven tot de bestreden beslissing, wordt tweede verzoeker aangeduid als kandidaat ‘effectieve leider’ en kandidaat voor de functie van ‘verantwoordelijke voor de distributie’. Omdat betrokkene evenwel niet langer bestuurder is van de eerste verzoekende partij, moet in beginsel worden vastgesteld dat de eerste verzoekende partij niet langer een kandidaat ‘effectieve leider’ noch ‘verantwoordelijke voor de distributie’ heeft aangeduid. De verwerende partij zal, na een eventuele vernietiging, in principe niet anders kunnen dan vaststellen dat er niet langer een kandidaat is aangeduid voor de sleutelposities van ‘verantwoordelijke voor de distributie’ en ‘effectieve leider’ binnen de betrokken vennootschap. De verwerende partij voegt toe dat zij de woorden “in principe” hanteert omdat de functie van ‘effectieve leider’ of ‘verantwoordelijke voor de distributie’ in de feiten “zo goed als steeds wordt uitgeoefend door een bestuurder van de XIV-38.381-9/18 vennootschap”, ook al geldt de hoedanigheid van bestuurder strikt genomen niet. Na een vernietiging rijst de vraag of tweede verzoeker, gelet op het verlies van hoedanigheid van bestuurder, nog wel als ‘effectieve leider’ of ‘verantwoordelijke voor de distributie’ wordt gehandhaafd door de vennootschap. Omdat zulks in de feiten uitzonderlijk is, komt het de eerste verzoekende partij thans toe om hierover op een onbetwistbare wijze uitsluitsel te geven. Doet zij dit niet, dan moet worden besloten dat een herstelbeslissing per hypothese moet leiden tot een weigering van inschrijving, zodat de eerste verzoekende partij belang ontbeert bij het voorliggende beroep. Zelfs in zoverre de beoordeling omtrent de passende deskundigheid en vereiste professionele betrouwbaarheid van tweede verzoeker onwettig zou worden bevonden, kan de verwerende partij in beginsel niet anders dan vaststellen dat tweede verzoeker niet langer is aangeduid als ‘effectieve leider’ noch als ‘verantwoordelijke voor de distributie’. Anders gezegd, na een eventuele vernietiging bevat het initiële aanvraagdossier op grond waarvan een herstelbeslissing moet worden genomen, niet de gegevens die de verwerende partij zouden toelaten om de eerste verwerende partij in te schrijven in het genoemde register. Zoals de verwerende partij heeft meegedeeld in haar e-mail van 10 juni 2020, zal de eerste verzoekende partij in het geval dat tweede verzoeker ontslag zou nemen als bestuurder – wat inmiddels is gebeurd –, een nieuwe aanvraag moeten indienen, met aanduiding van de personen die voldoen aan de wettelijke inschrijvingsvoorwaarden waarbij moet worden aangetoond dat de persoon of personen die worden aangeduid als ‘effectieve leider’ of ‘verantwoordelijke voor de distributie’ beschikken over de passende deskundigheid en professionele betrouwbaarheid. Dit is uitgesloten binnen het initiële aanvraagdossier, zoals dit thans voorligt. Een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing strekt de eerste verzoekende partij dan ook niet (meer) tot voordeel en ontbeert bijgevolg het rechtens vereiste belang. Met een brief van 15 oktober 2020 deelt de verwerende partij aan de Raad van State mee dat de eerste verzoekende partij inmiddels een nieuwe aanvraag heeft ingediend (zie supra, punt 3.7) 6. Door het auditoraat om hun eventuele standpunt omtrent deze excepties verzocht, repliceren de verzoekende partijen met een brief van XIV-38.381-10/18 14 oktober 2020. Zij stellen dat zowel de vennootschap als tweede verzoeker “wel degelijk een voldoende belang hebben bij het ingestelde rechtsmiddel.” Wat betreft de eerste verzoekende partij is het zo dat deze inmiddels inderdaad een nieuwe aanvraag heeft gedaan, aldus gebruik makend van “de toepassing die door de FSMA ter beschikking wordt gesteld”. Deze aanvraag is geregistreerd onder het nummer 55561, en is actueel in onderzoek. Deze aanvraag strekt ertoe opnieuw geregistreerd te worden als verzekeringstussenpersoon, met haar actuele zaakvoerder (S.V.T.) als leidinggevende, en als verantwoordelijke voor de distributie. Daarnaast is ook het beroep namens tweede verzoeker ontvankelijk omdat deze alle belang heeft bij de vernietiging van de negatieve beslissing. Bij het beoordelen van de professionele geschiktheid van tweede verzoeker om in de toekomst nog tussen te komen als hetzij verzekeringspersoon in eigen naam, hetzij namens een rechtspersoon als leidinggevende, hetzij als verantwoordelijke voor de distributie of anderszins wordt door de verwerende partij immers mede rekening gehouden met haar eerdere beoordelingen omtrent de professionele geschiktheid. Evenmin mag uit het oog worden verloren dat tweede verzoeker ook nog de zaakvoerder is van een vennootschap die 90% van de aandelen in de eerste verzoekende partij aanhoudt. De verzoekende partijen besluiten dat de door de verwerende partij opgeworpen excepties “niet langer relevant zijn” wat volgens hen wordt aangetoond eensdeels door het bestaan van de aanvraag, en anderdeels omwille van het eigen belang van tweede verzoeker bij het rechtsmiddel dat hij heeft uitgeoefend. Beoordeling Eerste exceptie: gebrek aan belang en hoedanigheid in hoofde van de tweede verzoeker 7. Een verzoekende partij dient te beschikken over de vereiste hoedanigheid om het beroep tot nietigverklaring in te stellen. De vereiste van hoedanigheid – procesbevoegdheid of kwaliteit – heeft betrekking op de band XIV-38.381-11/18 tussen de procespartij en de handeling die zij voor de administratieve rechter bestrijdt. Tweede verzoeker heeft een beroep ingediend volgens de versnelde procedure als bedoeld in artikel 122, 19°, van de wet van 2 augustus 2002 ‘betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten’ (hierna: de wet van 2 augsustus 2002). Het genoemde artikel 122, 19° bepaalt dat “[b]ij de Raad van State, volgens een versnelde procedure zoals vastgesteld door de Koning, beroep [kan] worden ingesteld: […] door de verzekerings-, nevenverzekerings- of herverzekeringstussenpersonen tegen de beslissingen tot inschrijving of tot weigering van inschrijving in een categorie van het register van de verzekerings- en nevenverzekeringstussenpersonen of van het register van de herverzekeringstussenpersonen […] die de FSMA heeft genomen krachtens artikelen 259, 268 en 311 van voormelde wet van 4 april 2014”. Artikel 122 van de wet van 2 augustus 2002 wijst aldus uitdrukkelijk, voor elk van de in dat artikel limitatief opgesomde aanvechtbare beslissingen, de belanghebbenden aan die een versneld beroep ertegen bij de Raad van State kunnen inleiden. Niet elke belanghebbende of persoon die doet blijken van een belang heeft aldus toegang tot de versnelde procedure. In de parlementaire voorbereiding bij die bepaling kan immers worden gelezen dat de wetgever “het voordeel van de versnelde procedure voor de Raad van State [reserveert aan] de ‘voornaamste’ belanghebbenden”, namelijk “deze waarvan de toestand onmiddellijk bedreigd wordt door de betwiste handeling van de [verwerende partij]” (Parl.St. Kamer 2001-2002, 50-1842/001 en 50-1843/001, 293). In de parlementaire voorbereiding wordt nog verduidelijkt dat “[a]ndere eventuele belanghebbenden, zoals personeelsleden of leden van de markt” tegen de beslissingen van de FSMA evenzo een vernietigingsberoep kunnen instellen doch dat dient dan te gebeuren “volgens de procedure en de voorwaarden van het gemeen recht inzake de annulatie van de handelingen van administratieve XIV-38.381-12/18 overheden” (Parl.St. Kamer 2001-2002, 50-1842/001 en 50-1843/001, 145-146), wat tweede verzoeker te dezen niet heeft gedaan. Deze wettelijke bepaling sluit aan bij het algemene hoedanigheidsvereiste bij het annulatieberoep. De rechtsvordering waarvan het specifieke opzet erin bestaat om de weigering uit het register van verzekeringstussenpersonen van de eerste verzoekende partij ongedaan te maken, kan alleen worden ingesteld door diegene wiens inschrijving werd geweigerd. Alleen in hoofde van die persoon kan immers de weigering ongedaan worden gemaakt. Een verzoekende partij zoals tweede verzoeker kan derhalve op grond van het genoemde artikel 122, 19°, geen vordering instellen die erop is gericht een inschrijving van een andere partij alsnog gerealiseerd te zien worden. Te dezen beschikt tweede verzoeker niet over de vereiste hoedanigheid om het beroep tot nietigverklaring volgens de versnelde procedure in te stellen. Enkel de rechtspersoon waarvan de inschrijving in het register van verzekeringstussenpersonen werd geweigerd, dit is te dezen de eerste verzoekende partij, kan de vernietiging van die weigering benaarstigen. De motivering in de weigeringsbeslissing dat de tweede verzoekende partij niet beantwoordt aan de voorwaarden van de vereiste geschiktheid en professionele betrouwbaarheid om de functies te kunnen uitoefenen van effectief leider en verantwoordelijke voor de distributie doet hieraan niet af. 8. De exceptie is gegrond. Tweede exceptie: gebrek aan belang in hoofde van de eerste verzoekende partij 9. Luidens artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan een annulatieberoep zoals bedoeld in artikel 14, § 1, van XIV-38.381-13/18 deze wetten, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang. Een verzoeker beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: zij dient door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden en de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling moet hem een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook. Het belang waarvan een verzoeker blijk moet geven, dient te bestaan op het ogenblik van het indienen van het annulatieberoep en hij moet dat belang behouden tot aan de uitspraak. De aard van het belang kan weliswaar evolueren, maar een verzoeker moet minstens aannemelijk maken dat de vernietiging hem een concreet voordeel oplevert. Het staat aan de Raad van State te oordelen of een verzoeker die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij zijn beroep. De Raad van State dient er evenwel over te waken dat de belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast. Wanneer er twijfel rijst omtrent verzoekers belang, komt het verzoeker toe aan de Raad van State alle nuttige gegevens ter beoordeling voor te leggen die kunnen aantonen dat hij in de concrete omstandigheden van de zaak een belang bij de nietigverklaring heeft. 10. Het belang waarvan een verzoeker blijk moet geven, bestaat er niet alleen in dat hij een nadeel moet aantonen, maar ook moet blijken dat hij zich met de vernietiging van de bestreden beslissing een voordeel kan doen. De eerste verzoekende partij dient aldus in de eerste plaats aan te tonen dat zij met een vernietiging van de bestreden beslissing uitzicht krijgt op een XIV-38.381-14/18 nieuwe beslissing over haar aanvraag tot inschrijving in het register van verzekeringstussenpersonen na een gebeurlijke nietigverklaring van die beslissing. In de aanvraag tot inschrijving als verzekeringstussenpersoon die de eerste verzoekende partij heeft ingediend en die heeft geleid tot de bestreden beslissing, is tweede verzoeker voorgedragen als kandidaat ‘effectieve leider’, de facto verantwoordelijke voor de distributie, wat luidens de te dezen toepasselijke regelgeving een essentieel element uitmaakt bij de beoordeling van die aanvraag. 11. Immers, artikel 266, eerste lid, 2°, van de wet van 4 april 2014 bepaalt dat “[o]m in het register van de verzekerings- en nevenverzekeringstussenpersonen of in het register van herverzekeringstussenpersonen te worden ingeschreven en die inschrijving te behouden, […] de volgende voorwaarden blijvend [moeten] zijn vervuld: […] de tussenpersoon, de verantwoordelijken voor de distributie en de personen in contact met het publiek moeten over de voor de uitoefening van hun functie passende deskundigheid en vereiste professionele betrouwbaarheid beschikken”. Artikel 264, § 1, eerste lid, van diezelfde wet bepaalt dat “[d]e verzekerings-, nevenverzekerings- en herverzekeringstussenpersonen […] een of meer natuurlijke personen als verantwoordelijken voor de distributie aan[duiden]. Het tweede lid van datzelfde artikel 264, § 1, voegt eraan toe dat “[u]iterlijk op het ogenblik dat hij de verantwoordelijke voor de distributie aanduidt, […] de betrokken verzekerings-, nevenverzekerings- en herverzekeringstussenpersoon de FSMA de identiteit van de betrokken persoon en de documenten [bezorgt] die aantonen dat hij voldoet aan de bepalingen van artikel 266, 1° tot 3°. De verantwoordelijken voor de distributie worden door de FSMA opgenomen in het inschrijvingsdossier van de verzekerings-, nevenverzekerings- of herverzekeringstussenpersoon die hen aanduidt.” Krachtens artikel 267, eerste lid, 1° en 2°, van diezelfde wet van 4 april 2014 wordt “[d]e verzekerings- nevenverzekerings- en herverzekeringstussenpersonen met de hoedanigheid van rechtspersoon slechts ingeschreven, en hun inschrijving […] slechts gehandhaafd, op voorwaarde dat, eensdeels, “al de personen die met de effectieve leiding worden XIV-38.381-15/18 belast, zich niet bevinden in één van de gevallen die zijn opgesomd in artikel 20 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen, en over de voor de uitoefening van hun functie passende deskundigheid en vereiste professionele betrouwbaarheid beschikken” en, anderdeels, “de personen belast met de effectieve leiding die de facto de verantwoordelijkheid hebben over de werkzaamheid van verzekerings- of herverzekeringsdistributie, bovendien de beroepskennis en vakbekwaamheid bezitten als bedoeld in artikel 266, eerste lid, 1° […].” Artikel 268, § 1, vierde lid, bepaalt tot slot dat “[d]e aanvrager zijn aanvraag moet staven met de nodige documenten die aantonen dat alle inschrijvingsvoorwaarden vervuld zijn.” 12. De Raad van State stelt te dezen vast dat de eerste verzoekende partij het ontslag van tweede verzoeker als bestuurder heeft aanvaard en dat [S.V.T.], bestuurder, in de aanvraag (ID 55561) van 7 oktober 2020 als enige kandidaat is aangeduid voor de functie van ‘effectieve leider’ en ‘verantwoordelijke voor de distributie’ (zie supra, punten 3.6 en 3.7), wat niet zonder impact kan blijven op het belang van de eerste verzoekende partij bij het te dezen ingestelde beroep. Weliswaar werd tweede verzoeker in de aanvraag tot inschrijving als verzekeringstussenpersoon die tot de bestreden beslissing heeft geleid, voorgedragen als kandidaat “effectieve leider”, de facto verantwoordelijk voor de distributie doch uit de nieuwe aanvraag (ID 55561) die de eerste verzoekende partij inmiddels op 7 oktober 2020 bij de verwerende partij heeft ingediend blijkt dat [S.V.T.] die functie(
  2. s)zal uitoefenen zodat de initiële aanvraag is achterhaald. Tweede verzoeker wordt niet opgegeven als kandidaat ‘effectieve leider’ noch als ‘verantwoordelijke voor de distributie’. Verder vermeldt de aanvraag dat er geen (“0”) personen in contact met het publiek (PCP) werkzaam zullen zijn binnen de eerste verzoekende partij. Zelfs indien de bestreden beslissing zou worden vernietigd, kan de verwerende partij niet anders, gelet op de toepasselijke regelgeving, dan de inschrijvingsaanvraag die tot de bestreden beslissing heeft geleid, te verwerpen. In die omstandigheden kan een gebeurlijke XIV-38.381-16/18 vernietiging van de bestreden weigeringsbeslissing de eerste verzoekende partij bijgevolg het door haar nagestreefde voordeel niet opleveren. In ieder geval moet worden vastgesteld dat de eerste verzoekende partij nalaat om op gepaste wijze deze exceptie te ontkrachten. Het valt immers toe aan een verzoeker die zich geconfronteerd ziet met een omstandig uiteengezette exceptie, om de concrete bevindingen aangaande het gebrek aan actueel belang te weerleggen. Hij dient aan te tonen dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing hem nog een direct en persoonlijk voordeel kan verschaffen, argumentatie die te dezen ontbreekt. De eerste verzoekende partij verzuimt uiteen te zetten waarin haar actueel belang nog zou zijn gelegen, nu tweede verzoeker ontslag heeft genomen, dit ontslag is aanvaard en er nieuwe aanvraag is ingediend waarbij de nieuwe bestuurder [S.V.T.] als leidinggevende, en verantwoordelijke voor de distributie is aangeduid. 13. Ook deze exceptie is gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XIV-38.381-17/18 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig december tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.381-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.359 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.