id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.361 Rolnummer: A. 231238/VII-40871 Zaak: Arrest 249361 - Milieuvergunningen - 30/12/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-01-14 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-20 01:50 Fiche Arrest nr 249.361 van 30 december 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 249.361 van 30 december 2020 in de zaak A. 231.238/VII-40.871 In zake:
- de BV VC ENERGY
- Carlos VAN CROMBRUGGHE VAN LEERNE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Gregory Vermaercke en Daan Vandenbroucke kantoor houdend te 8200 Brugge Dirk Martensstraat 23 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bram Van den Berghe en Jürgen Vanpraet kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Claudine DE CLERCQ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Isabelle Larmuseau en Sofie De Maesschalck kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 3 september 2020, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 1 juli 2020 waarbij: - het ministerieel besluit nr. AMV/000143281/1013 van 7 november 2018 houdende uitspraak over de beroepen tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 31 juli 2014 waarbij aan de verzoekende VII-40.871-1/16 partijen de vergunning op proef wordt verleend voor het veranderen van een co-vergistingsinstallatie, gelegen aan de Moerstraat 30 te Deinze, wordt ingetrokken; - de ontvankelijk bevonden beroepen van derden-belanghebbenden tegen voormelde vergunningsbeslissing van de deputatie van 31 juli 2014, gegrond worden verklaard; - het ontvankelijk bevonden beroep van de verzoekende partijen tegen het besluit van de deputatie van 31 juli 2014 ongegrond wordt verklaard en de milieuvergunning voor het veranderen van de co-vergistingsinstallatie wordt geweigerd. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 248.063 van 16 juli 2020 zijn de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing en de vordering tot het opleggen van voorlopige maatregelen verworpen. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een nota ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 december
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Daan Vandenbroucke, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Jürgen Vanpraet, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Anthony Wauters, die loco advocaten VII-40.871-2/16 Isabelle Larmuseau en Sofie De Maesschalck verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De gegevens van de zaak werden reeds uiteengezet in arrest nr. 248.063 van 16 juli
- Er wordt naar verwezen. IV. Ontvankelijkheid van de vordering
- De verwerende partij werpt op dat de vordering gericht is op het in stand houden van een onwettige toestand en dat het belang van de verzoekende partijen bijgevolg ongeoorloofd is.
- Er bestaat geen noodzaak om over de opgeworpen exceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over de exceptie zou alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn. Hierna zal blijken dat dit niet het geval is. V. Onderzoek van de vordering
- Luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot VII-40.871-3/16 nietigverklaring en dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van het besluit prima facie kan verantwoorden. Spoedeisendheid Uiteenzetting van de verzoekende partijen
- In hun verzoekschrift zetten de verzoekende partijen het volgende uiteen over de spoedeisendheid van de vordering: “[…] Het bestreden besluit, dat op 8 juli 2020 ter kennis werd gebracht aan verzoekende partijen, heeft onmiddellijk uitvoerbare kracht. Dit brengt met zich mee dat: ▪ Niet enkel de aangevraagde handelingen geweigerd worden, Het dient benadrukt te worden dat het in deze geenszins gaat om een blote weigering van een aanvraag, maar deze weigering is het gevolg van een intrekking per direct van een bestaande/eerder definitief verleende milieuvergunning door de verwerende partij op 7 november 2018 (herstelbeslissing) en voorheen reeds vergund op 30 januari 2015 […]. ▪ Door het bestreden besluit verliezen de verzoekende partijen dus per direct en met onmiddellijke ingang een bestaande vergunning die intussen op het terrein integraal gerealiseerd is én dus in volle uitbating is (en dit sedert 30 januari 2015!). De hoogdringendheid en de schadelijke gevolgen hiervan spreken voor zich! […] Door het bestreden besluit wordt de complete inrichting van de verzoekende partijen hiermee out of the blue en per direct volledig op losse schroeven geplaatst, incl. de wettigheid van alle eerdere vergunningen die voor de exploitatie verleend zijn. Zoals reeds benadrukt in het feitelijk overzicht, zijn deze eerdere vergunningen nochtans bijzonder talrijk: De installatie is operationeel sedert 2007 en van meet af aan zijn steeds alle vergunningen verleend (aanvankelijk zelfs ook onbetwist, zeker wat betreft de verwerkingscapaciteit en de houtverbranding). Dit heeft tot gevolg dat de vergunningstoestand van verzoekende partijen plotsklaps op losse schroeven komt te staan. Verzoekende partijen hadden immers reeds sinds 30 januari 2015 de vergunning bekomen, hetgeen herbevestigd werd op 7 november 2018 […] en dit na wederom uitsluitend gunstige en zeer onderbouwde adviezen van zowel de GMVC als het Departement Ruimte […], toch dé instantie om de ruimtelijke verenigbaarheid te beoordelen! […] Het kan daarenboven aan verzoekende partijen geenszins worden verweten dat zij de vergunning, in laatste aanleg verleend door de verwerende partij op 30 januari 2015, zijn beginnen uitvoeren. Niet alleen is dit volkomen conform de vigerende regelgeving (de vergunning is uitvoerbaar), maar daarenboven werd geen enkele VII-40.871-4/16 schorsingsprocedure ingesteld bij uw Raad tegen dit besluit. Er was voor verzoekende partijen dan ook geen enkele reden om terughoudend te zijn. Ook wanneer verwerende partij in navolging van het vernietigingsarrest van Uw Raad d.d. 7 juni 2018, een herstelbeslissing nam d.d. 7 november 2018, konden verzoekende partijen verder uitvoering geven aan hun vergunning. Ook nu werd de beslissing immers niet geschorst. Een verzoek schorsing bij UDN namens een omwonende werd op 17 december 2018 immers door uw Raad afgewezen […]. […] De plotse intrekking en weigering van de milieuvergunning waarop de exploitatie van verzoekende partijen deels steunt, heeft uiteraard gevolgen. Hoewel het niet voor betwisting vatbaar is dat verzoekende partijen volledig rechtsgeldig kunnen blijven exploiteren, steunend op hun definitief verkregen (en nooit aangevochten) basisvergunningen, dreigt de bestreden beslissing op zeer korte termijn toch zeer verstrekkende gevolgen voor de werking van de exploitatie met zich mee te brengen. […] HOUDING MILIEU-INSPECTIE […] Verzoekende partijen wenst Uw Zetel daarenboven te wijzen op de houding die de milieu-inspectiediensten van verwerende partij op basis van de bestreden beslissing hebben ingenomen en verder zullen innemen t.a.v de exploitatie van verzoekster. […] Mede door de onuitputtelijke klachtenstroom namens de bepaalde omwonenden én het veelvuldige vergunningentraject waarin de inrichting van de verzoekende partijen zich bevond, vormt deze inrichting de meest gecontroleerde inrichting in Vlaanderen. De ongeziene opvolging door de Afdeling Milieu-inspectie kent binnen Vlaanderen zijn gelijke niet. Tot op heden is de inrichting van de verzoekende partijen al méér dan 300 keer bezocht/onderzocht geweest door de Afdeling Milieu-inspectie (hetgeen ronduit hallucinant te noemen is), […]. De bezoeken van klassieke politiediensten en/of andere instanties zijn hierbij nog niet meegerekend! De verzoekende partijen hebben dan ook de zeer terechte en gegronde vrees dat de Afdeling Milieu-inspectie -wellicht onder druk van de verdere klachten van omwonenden, ingegeven door het bestreden besluit- op zeer korte termijn verdere initiatieven tot drastische beperking -of zelfs sluiting- van de inrichting zal nemen, initiatieven die veel verder dreigen te gaan dan de eigenlijke draagwijdte van de bestreden beslissing. Het bovenstaande geldt des te meer gelet op het feit dat de initiële vergunningsaanvraag eind 2013 werd ingesteld louter en alleen om de milieu-inspectie hierop had aangedrongen […]. Het hoeft weinig betoog dat de situatie voor verzoekende partijen uiterst precair is. […] Dat deze vrees geenszins uit de lucht gegrepen is, blijkt alleszins al uit de acties die milieu-inspectie genomen heeft sedert de bestreden beslissing ter kennis werd gebracht. Op maandag 13 juli 2020, nog geen week na de kennisgeving van de bestreden beslissing, -én op dat moment in de wetenschap dat reeds een verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid aanhangig was bij Uw Raad- stuurde de Afdeling Milieu-inspectie volgend mailbericht naar de verzoekende partijen […]: „Geachte heer Van Crombrugge VII-40.871-5/16 We hebben kennis genomen van bijgaande beslissingen van de minister Demir van 1 juli
- Gelieve aan mijn afdeling door te geven welke maatregelen er reeds genomen zijn en zullen genomen worden in functie van de weigering van verschillende rubrieken en stedenbouwkundige handelingen van de globale inrichting. Is de shutdownprocedure van de vergistingsinstallatie al opgestart en indien het geval, in welke fase bevindt deze zich? Met vriendelijke groet, Greta De Maesschalck Handhavingsmanager‟ Ondanks de lopende procedures, stuurt de afdeling Milieu-Inspectie hiermee zeer duidelijk aan op een stillegging van de activiteiten van verzoekende partijen. Het gebruik van het woord „shutdownprocedure‟ laat hierbij niets aan de verbeelding over. Deze zogenaamde „shutdown van de vergistingsinstallatie‟ kan immers helemaal niet op basis van het bestreden besluit, daar de vergistingsinstallatie duidelijk steunt op haar onbetwiste basisvergunning(en). […] Het is zeer duidelijk dat de afdeling Milieu-inspectie zonder enig aantoonbare reden (bv. onder de vorm van milieuhinder […]) geenszins van plan is om af te wachten in functie van de lopende procedures. Reeds op donderdag 16 juli 2020 om 12u52 -i.e. op het moment dat de UDN-procedure bij de Raad van State zelfs nog behandeld diende te worden- volgde al een verder bericht namens de verwerende partij […]. In dit bericht werden de verzoekende partijen al aangemaand -hetgeen dus in taalgebruik en daadkracht al stijgend is- om zich onmiddellijk te schikken naar de tussengekomen besluiten + tegen uiterlijk 20 juni as (oftewel amper 3 dagen later) een volledige impactanalyse te bezorgen van de besluiten op de installatie van de verzoekende partijen. Bij gebreke hieraan te voldoen zou een proces-verbaal opgemaakt worden, hetgeen dus niets aan de verbeelding overlaat inzake de intenties van de verwerende partij. […] Inmiddels nam de Milieu-Inspectie reeds een derde stap, middels een aanvankelijk proces-verbaal d.d. 30 juli 2020 […] met voornemen tot bestuurlijke maatregel d.d. 3 augustus 2020 […]. Het proces-verbaal is treffend voor de houding van Milieu-inspectie. Er wordt enerzijds vastgesteld dat een aantal zaken op het bedrijf niet in werking zijn (oa. de indampers) en dat er geen opslag van OBA is, maar toch meent men om onduidelijke redenen een inbreuk te weerhouden op de milieuwetgeving. Begrijpe wie begrijpen kan… Het expliciete voornemen van de inspectie om een bestuurlijke maatregel op te leggen aan verzoekende partijen doet alvast het ergste verhopen. […] Ten slotte wensen verzoekende partijen te vermelden dat ze de Milieu-inspectiediensten op 22 juli 2020 hebben gedagvaard in kort geding […]. Hoewel verwerende partij in de UDN-procedure voor Uw Zetel middels haar nota met opmerkingen van 14 juli 2020 maar bleef stellen dat geen doorwerkingen zouden gaan plaatsvinden […], stelden verzoekende partijen in de feiten vast dat deze beweringen van verwerende partij VII-40.871-6/16 geenszins overeenstemmen met de actuele situatie, waarbij koste wat kost een weg wordt gezocht om de bestreden beslissing toch maximaal te laten doorwerken […]. Ook ná de dagvaarding blijft de houding van de Afdeling Milieu-Inspectie overigens ongewijzigd, gelet op het proces-verbaal d.d. 30 juli 2020 met voornemen tot bestuurlijke maatregel d.d. 3 augustus
- […] DOORWERKINGEN […] Zoals reeds benadrukt verliezen de verzoekende partijen door het bestreden besluit per direct en met onmiddellijke ingang een bestaande vergunning die intussen op het terrein integraal gerealiseerd is én dus in volle uitbating is (en dit sedert 30 januari 2015!). Dit leidt ertoe dat de vergunningstoestand van de exploitatie op heden uiterst precair is. Verzoekende partijen hebben dan ook de zeer gegronde vrees dat het bestreden besluit een zeer grote doorwerking zal hebben in tal van andere lopende procedures en discussies, in die mate zelfs dat een verzoek tot vernietiging zonder voorwerp dreigt te vallen. […] Zoals hierna zal blijken, komt de vrees van de verzoekende partijen geenszins uit de lucht gevallen en heeft er zich intussen al twee zgn. doorwerkingen veruitwendigd: ▪ Alsof het bestreden besluit nog niet voldoende was, heeft de verwerende partij immers nog een tweede besluit genomen op 1 juli 2020 (ter kennis gebracht op 6 juli 2020 […]), waarmee zij -voortbordurend op het bestreden besluit- een aangevraagde omgevingsvergunning, in eerste aanleg verleend door de Deputatie, in tegenspraak met alle gunstige adviezen en het jarenlange consequente vergunningsbeleid, plotsklaps weigert, en dit door te stellen dat de exploitatie zonevreemd zou zijn. Hoewel de verzoekende partijen deze démarche fundamenteel betwisten (en deze beslissing ook middels een schorsings- en vernietigingsprocedure bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen zullen aanvechten), is dit reeds het eerste vergunningsdossier waarop de bestreden beslissing doorwerking heeft. ▪ Op 13 juli 2020 heeft de verwerende partij (!) de -in eerste aanleg verleende- omgevingsvergunning aan de verzoekende partijen voor wat betreft IIOA-grondwaterwinning geweigerd […]. Hoewel de Deputatie Oost-Vlaanderen de vergunning had verleend en expliciet besliste dat de exploitatie in overeenstemming is met de planologische bestemming […], oordeelde verwerende partij, verwijzend naar de bestreden beslissing, dat de zonevreemdheid ook hier het obstakel vormt om de grondwaterwinning te weigeren. Dit ondanks het feit dat het aspect water zelf expliciet geen probleem vormde. […] Alsof 2 zeer pertinente negatieve doorwerkingen niet voldoende zouden zijn voor verzoekende partijen, vallen (indien de bestreden beslissing niet geschorst wordt) nog een aantal doorwerkingen te verwachten. ▪ Er lopen een aantal vernietigingsprocedures bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, ingesteld door de verzoekende partijen, inzake de door de Deputatie geweigerde omgevingsvergunningen voor ophogingswerken d.d 28 maart 2019 en 19 september 2019 […] (gekend bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen onder de rolnummers 1819-RvVb-0758-A, 1819-RvVb-0747-A, 1819-RvVb-0195-A). VII-40.871-7/16 Ook in deze dossiers speelt de overeenstemming met de agrarische bestemming van de betreffende percelen een determinerende rol. Gezien de Deputatie de ophogingen als principieel in overeenstemming met de agrarische bestemming had verklaard […], vormt ook dit element een twistpunt in de lopende vernietigingsprocedures waar eveneens een aantal omwonenden zijn in tussengekomen om de beweerde zonevreemdheid te verdedigen […]. De vernietigingsberoepen inzake de ophogingsdossiers zijn gepleit voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen op 30 juli 2020 […]. Verzoekende partijen zijn in afwachting van de arresten. Het spreekt voor zich dat het bestreden besluit ook in deze procedure zijn doorwerking zal kennen. ▪ Er loopt een procedure bij de Deputatie Oost-Vlaanderen inzake een aangevraagde stedenbouwkundige vergunning betreffende as built regularisatie en procesoptimalisatie. De Deputatie dient in deze procedure een herstelbeslissing te nemen nadat de Raad voor Vergunningsbetwistingen haar eerder verleende vergunning middels arrest van 22 oktober 2019 wegens een motiveringsgebrek had vernietigd […]. De hoorzitting bij de Deputatie Oost-Vlaanderen inzake de herstelbeslissing i.v.m. de aangevraagde stedenbouwkundige vergunning betreffende as built regularisatie en procesoptimalisatie vond reeds plaats op 18 februari 2020 […]. Het is duidelijk dat de Deputatie in deze na de hoorzitting een afwachtende houding heeft aangenomen zodat eerst de verwerende partij een beslissing kon nemen om nadien zelf te kunnen beslissen (waarbij het in alle redelijkheid verwacht mag worden dat men zich zal aansluiten bij hetgeen de verwerende partij heeft beslist). Vermits de verwerende partij nu het bestreden besluit heeft genomen, valt het te verwachten dat nu ook de Deputatie snel een beslissing ter zake zal nemen tot weigering van de gevraagde vergunning (en het zal alleszins geen maanden meer duren). Ook hier moet men dus geen helderziende zijn om te zien dat het bestreden besluit ook hier zijn doorwerking zal kennen. Een weigering door de Deputatie van de gevraagde vergunning zal op zijn beurt dan ook weer een doorwerking hebben op de hieraan gekoppelde milieuvergunning dd. 23 augustus 2017 die door de verwerende partij werd verleend […]. ▪ Eveneens en niet in het minst loopt er momenteel een strafrechtelijke procedure tegen de verzoekende partijen, ingeleid op basis van een rechtstreekse dagvaarding door een aantal omwonenden d.d. 14 oktober 2018 […]. Deze strafrechtelijke procedure heeft geenszins uitsluitend betrekking op feiten uit het verleden, maar bovendien wordt in deze strafprocedure aangedrongen -zowel door de burgerlijke partijen als door het OM- op een toekomstige maar alleszins zeer drastische veiligheidsmaatregel, nl. de sluiting van de inrichting van de verzoekende partijen […]. Ook in deze procedure en in het kader van de genoemde veiligheidsmaatregel ontspint zich een hele discussie omtrent de al dan niet planologische conformiteit van de inrichting van de verzoekende partijen. VII-40.871-8/16 De eerste rechter is hier ten onrechte en gedeeltelijk in meegegaan, waarbij hij de milieuvergunning dd. 7 november 2018 onwettig verklaard heeft en aansluitend de volgende veiligheidsmaatregel heeft opgelegd […]: „VEILIGHEIDSMAATREGEL Legt VCENERGY BVBA en Carlos Edouard Joseph VAN CROMBRUGGHE VAN LEERNE het verbod op om de hinderlijke inrichting aan de Moerstraat 30 te Deinze te exploiteren, zolang zij niet over de wettelijk vereiste milieuvergunning beschikken en zolang zij niet de vereiste maatregelen hebben genomen om alle voorwaarden na te leven en milieuschade en hinder te voorkomen. Veroordeelt VCENERGY BVBA en Carlos Edouard Joseph VAN CROMBRUGGHE VAN LEERNE tot het betalen aan het openbaar ministerie en aan elk der burgerlijke partijen van een dwangsom van 5.000 euro per dag dat dit verbod wordt overtreden‟. De verzoekende partijen hebben tegen deze uitspraak integraal hoger beroep aangetekend, zowel op strafrechtelijk als op burgerrechtelijk vlak. De uitspraak van de eerste rechter is momenteel dan ook integraal opgeschort, maar het spreekt voor zich dat deze discussie zich dus ook in graad van beroep ontspint en zal gevoerd moeten worden. De burgerlijke partijen hebben inmiddels hun schriftelijke besluiten neergelegd op 20 juli 2020 […], en gaan uitgebreid in op de vermeende zonevreemdheid, gesterkt door het bestreden besluit. Gezien ze zeer goed beseffen dat ze geenszins concrete hinder kunnen aantonen (bij gebreke eraan), bouwen ze hun nota burgerlijke partijstelling integraal rond de recente weigeringsbeslissingen van verwerende partij, om hieruit te concluderen dat de gehele exploitatie zonevreemd zou zijn. Namens de verzoekende partijen dient alleszins een laatste maal standpunt ingenomen te worden uiterlijk 11 september 2020 […]. De beroepsprocedure voor het Hof van Beroep te Gent is ingeleid in februari 2020 en staat voor effectieve behandeling op de zitting van 18 september 2020 […]. Ook hier moet men dus geen helderziende zijn om te zien dat het bestreden besluit zijn doorwerking zal kennen, minstens een enorme invloed zal uitoefenen op het oordeel van het Hof. ▪ Er lopen twee vernietigingsprocedures bij Uw Raad tegen een beslissing van verwerende partij d.d. 23 augustus 2017 waarin eveneens een milieuvergunning werd verleend voor beperkte wijzigingen aan de exploitatie […]. Ook in deze procedures (twee verschillende maar tegen hetzelfde besluit, ingesteld door verschillende omwonenden) wordt door de beroepsindieners sterk de nadruk gelegd op de vermeende zonevreemdheid van de exploitatie […]. De annulatieberoepen voor Uw Raad werden reeds ingesteld op 27 oktober 2017 […], wat betekent dat ook hier spoedig de eindfase van de procedure zal worden bereikt. Alle memories zijn uitgewisseld en partijen zijn momenteel in afwachting van een verslag van de Auditeur. Het spreekt voor zich dat het bestreden besluit ook in deze procedure zijn doorwerking zal kennen. […] Ten slotte dient te worden benadrukt dat deze zeer pertinente doorwerkingen geenszins te wijten zijn aan het gedrag van verzoekende partijen zelf, om volgende redenen: VII-40.871-9/16 ▪ De verzoekende partijen hebben voor hun inrichting steeds de nodige vergunningen aangevraagd en verkregen, ook én bij herhaling van de verwerende partij. De co-vergistingsinstallatie (incl. houtverbrandingsinstallatie) is hierdoor vergund tot 11 juli
- […] ▪ De milieuvergunning die het voorwerp uitmaakt van het bestreden besluit, werd een eerste maal in laatste aanleg verleend door verwerende partij op 30 januari
- Dit is inmiddels bijna 6 jaar geleden! Bovendien volgde op 7 november 2018 een herbevestiging door verwerende partij. Er kan in alle redelijkheid toch niet worden verweten aan verzoekende partij dat ze een uitvoerbare vergunning uitvoeren? ▪ De doorwerkingen zijn ook des te pertinent omdat verzoekende partijen koud zijn gepakt door de timing van de bestreden beslissing. Er lag geen negatief auditoraatsverslag voor, er waren geen nieuwe feitelijke nieuwigheden, er was spreekwoordelijk geen vuiltje aan de lucht. Plotsklaps worden verzoekende partijen door de bestreden beslissing in een wel zeer precaire situatie geplaatst. Enkel een schorsing van de beslissing kan ervoor zorgen dat de exploitatie op gedegen wijze kan „overleven‟, minstens tot een definitief arrest van uw Raad voorligt waarin de legaliteit van de beslissing werd onderzocht. […] DE SCHADELIJKE GEVOLGEN […] Hoewel bovenstaande uiteenzetting ontegensprekelijk aantoont dat de schorsing van de bestreden beslissing noodzakelijk is, gezien de gewone procedure tot nietigverklaring de verzoekende partijen niet toelaat een arrest te krijgen alvorens het bestreden besluit ten volle uitwerking gekregen zal hebben, wijzen de verzoekende partijen evenzeer op de schadelijke gevolgen die de uitvoering van het bestreden besluit met zich meebrengt. Hoewel het geenszins vereist is dat de verzoekende partijen dienen aan te tonen dat de schade onherroepelijk is, is de kans in voorliggend geval wel bijzonder reëel dat het deze richting uitgaat. Minstens is sprake van bijzonder aanzienlijke ongemakken hetgeen op zich ook al volstaat om tot schorsing over te gaan […]. Zoals blijkt uit de hierna verstrekte toelichting, staat onomstotelijk vast dat de nadelige gevolgen in oorzakelijk verband staan met de bestreden beslissing. […] Het spreekt voor zich dat het bestreden besluit een zeer drastische impact heeft op de inrichting van de verzoekende partijen, waarvan de werking fundamenteel verstoord wordt door het bestreden besluit. Per direct en in strijd met een houding die ook de verwerende partij zich nu al 13 jaar onafgebroken heeft aangemeten, ontneemt het bestreden besluit elke bestaanszekerheid aan de inrichting van de verzoekende partijen door deze plotsklaps in een zeer precaire vergunningssituatie te plaatsen. Er is echter nog meer! Zoals reeds benadrukt verliezen de verzoekende partijen door het bestreden besluit per direct en met onmiddellijke ingang een bestaande vergunning die intussen op het terrein integraal gerealiseerd is én dus in volle uitbating is (en dit sedert 30 januari 2015!). De hoogdringendheid en de schadelijke gevolgen hiervan spreken voor zich! Out of the blue, zonder enige indicatie en volledig in strijd met alle adviezen en voorgaanden wordt een vergunning voor verzoekende partijen, die per definitie essentieel is én waar de verzoekende partijen reeds sinds VII-40.871-10/16 30 januari 2015 (dit is ruim 5 jaar!) hun uitbating op steunen, ingetrokken én geweigerd. […] Het spreekt evenzeer voor zich dat de betreden beslissing een absolute game changer is voor alle lopende dossiers van de verzoekende partijen […]. In elk van deze procedures is hét twistpunt telkens de conformiteit met de bestemming en het staat in de sterren geschreven dat het bestreden besluit in al deze beslissingen rechtstreeks zal doorwerken waardoor elke exploitatie compleet gefnuikt wordt, hetgeen bij een gebeurlijke latere nietigverklaring niet hersteld zal kunnen worden. Dat dit geenszins als hypothetisch afgedaan kan worden, blijkt afdoende uit de vaststelling dat het bestreden besluit intussen al in twee (!) procedures rechtstreeks haar doorwerking gekend heeft (met dramatische gevolgen, nl. twee weigeringen zonder enige weerga!). Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is toegelicht, gaat het in deze niet om 1 of 2…. maar wel om maar liefst 8 (!) andere procedures die spoedig hun beslag zullen kennen. Hierbij moeten de verzoekende partijen dan nog uitdrukkelijk voorbehoud formuleren omtrent de houding van de toezichthoudende inspectiediensten, maar de verzoekende partijen vrezen -op basis van de huidige contacten- alleszins terecht en met rede het ergste. Binnen dit amalgaam aan procedures zit bovendien ook een bijzonder omvangrijk strafdossier, waarvan de uitkomst voor de verzoekende partijen primordiaal is voor het al dan niet verder bestaan van haar inrichting. Het gaat dus geenszins om loutere feiten uit het verleden, maar zoals reeds toegelicht wordt in deze procedure ook aangestuurd op de sluiting van de exploitatie (als veiligheidsmaatregel) net omwille van het beweerd zonevreemde karakter van de inrichting. Dat deze nadelige gevolgen verre van irreëel zijn, blijkt afdoende uit de uitspraak door de eerste rechter waarbij deze veiligheidsmaatregel effectief ook opgelegd is geweest (hetgeen door het hangende hoger beroep wel opgeschort is). […] Een eerlijke en correcte afhandeling van de lopende procedures is in die omstandigheden ronduit onmogelijk, minstens wordt dit dermate zwaar ernstig bemoeilijkt/in het gedrang gebracht waardoor de verzoekende partijen fundamenteel in hun rechten geschaad worden in strijd met o.a. artikel 6 EVRM en het beginsel van de wapengelijkheid. Artikel 6 EVRM bepaalt dat: „Bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak‟. Welnu, in geval van zonevreemdheid heeft een vergunningsdossier van verzoekende partij ab initio al geen slaagkansen meer. Het beginsel van de wapengelijkheid („equality of arms‟ principe) impliceert dat elke partij in het geding een redelijke kans moet krijgen om haar zaak voor de rechter uiteen te zetten, in omstandigheden die haar niet in een nadelige positie plaatsen t.o.v. de tegenpartij […]. […] De verzoekende partijen dreigen door het bestreden besluit dan ook terecht te komen niet alleen in een cascade van negatieve vergunningsbesluiten, maar bovendien in tal verdere procedureslagen hetgeen de nu reeds talloze procedures zowaar nog meer zal beladen en complexer maken dan het al allemaal is. Dit zou ronduit een moeras aan procedures met zich brengen, dewelke allemaal op elkaar interfereren hetgeen bijzonder veel tijd, energie en VII-40.871-11/16 kosten met zich brengt die nog nauwelijks te overzien zijn. Om nog maar te zwijgen van de morele schade in hoofde van de heer van Crombrugghe, die nu al ettelijke jaren aan een stuk zijn bedrijf met hand en tand moet verdedigen wegens beweerde klachten van omwonenden. Een tussenkomst van uw Raad middels een schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit zou alvast ter zake duidelijkheid kunnen scheppen -minstens richting geven- over de juridische onzekerheden naar aanleiding van het bestreden besluit. Een tussenkomst van uw Raad zou in die zin aan de verzoekende partijen op zijn minst toelaten om met kennis van zaken verdere (belangrijke) beslissingen te nemen omtrent de toekomst van de inrichting […]. Het risico is verre van denkbeeldig dat de inrichting van de verzoekende partijen zelfs tot sluiting genoodzaakt zou worden -al dan niet in het kader van de strafprocedure en/of op instructie van de toezichthoudende milieu-inspectie- hetgeen al helemaal niet meer hersteld zal kunnen worden bij een latere nietigverklaring. Een effectieve sluiting van de exploitatie, betekent niet alleen het faillissement van VC Energy maar brengt bovendien met zich mee dat de heer van Crombrugghe zelf al zijn persoonlijke middelen (circa € 6.000.000) teloor ziet gaan. Dit spreekt voor zich en volstaat meer dan afdoende ter verantwoording van de gevraagde schorsing. Wanneer een administratieve beslissing de levensvatbaarheid van een onderneming in het gedrang brengt […], haar naar de rand van het faillissement voert […], haar in de onmogelijkheid brengt het bestaande cliënteel te dienen […] of de beëindiging van de economische activiteit in het verschiet brengt […], dan wordt in de rechtspraak van de Raad van State alvast aangenomen dat dit hoogdringend is. […] Zoals reeds toegelicht is de kans zeer reëel dat dit aanleiding geeft tot een gehele sluiting van de inrichting op zeer korte termijn, hetgeen het regelrechte faillissement met zich brengt voor de verzoekende partijen. Een sluiting van de inrichting heeft alleszins tot gevolg dat alle inkomsten van de inrichting wegvallen en dus tot 0 herleid worden. Anderzijds hebben de verzoekende partijen op korte termijn wel volgende openstaande schulden te voldoen […]: ▪ Een overbruggingskrediet bij ING ten belope van € 150.000 (terug te betalen tegen september 2020) […] ▪ Leveranciersschulden ten belope van € 658.613,42 (waarvan € 574.000 vervallen): onmiddellijk te betalen ▪ Financiering Rabobank ten belope van € 2.136.397,42, waarvoor momenteel € 75.000/maand terugbetaald moet worden […]. In geval van een sluiting kunnen deze korte termijnverplichtingen dus geenszins voldaan worden en mogen de verzoekende partijen onherroepelijk hun boeken neerleggen. Hierbij wordt dan nog eens benadrukt dat ook de heer van Crombrugghe zelf al zijn persoonlijke tegoeden -maar liefst circa € 6.000.000- integraal verliest […]! Dit is ronduit een persoonlijk drama en zelfs mensonterend in het licht van de historiek van dit dossier, waardoor de heer van Crombrugghe alvast zijn levenswerk per direct ziet verdwijnen. […] Het is duidelijk dat een gewone schorsingsprocedure ruimschoots te laat zou komen voor verzoekster, die reeds langdurig en definitief geschaad VII-40.871-12/16 zal zijn door beslissingen en arresten van diverse instanties, beïnvloed door de bestreden beslissing van verwerende partij”. Beoordeling
- Bij arrest nr. 248.063 van 16 juli 2020 is de door de verzoekende partijen ingestelde vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid tegen het bestreden besluit afgewezen op grond van de volgende motieven: “[…] De aangevoerde „grove onwettigheid‟ in de bestreden beslissing kan op zichzelf niet volstaan om ervan te overtuigen dat de vordering uiterst dringend is. De schorsingsvoorwaarde van het uiterst dringende karakter van de vordering is immers een op zichzelf staande voorwaarde, die moet worden onderzocht los van de andere schorsingsvoorwaarde, namelijk dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan verantwoorden. […] In casu is de bestreden vergunningsbeslissing van 7 november 2018 ingetrokken en werd de milieuvergunningsaanvraag van de verzoekende partijen voor het veranderen van voormelde co-vergistingsinstallatie geweigerd. De weigering enkel heeft betrekking op de aangevraagde wijziging (vervanging voorhakselaar, stopzetting lozing bedrijfsafvalwater, vermindering van 4 transformatoren, verplaatsing wasplaats, schrapping 3 WKK-motoren) en uitbreiding (voorhakselaar met twee motoren, opslag OBA, een hamermolen van 30 kW, opslag, behandeling en verbranding van ongevaarlijk verontreinigd behandeld houtafval, biologische behandeling van OBA, voorbehandeling en verbranding afvalhout, uitbreiding met een transformator, de productie van biogas, opslag H2, calciumoxiden mest, verduidelijking vermogens gasmotoren, stookinstallatie) en toevoeging van percelen. De verzoekende partijen gaan hieraan in hun uiteenzetting van deze schorsingsvoorwaarde geheel voorbij door eenvoudig voor te houden dat „de vergunningstoestand‟ van de inrichting „op losse schroeven‟ zou komen te staan. Zij maken dan ook niet aannemelijk dat „de vergunningstoestand‟ van de inrichting „op losse schroeven‟ is komen te staan. Het feit dat deze wijzigingen en uitbreidingen intussen door de verzoekende partijen gerealiseerd werden, is een risico dat zij zelf hebben genomen ondanks de beroepen die tegen de vergunningen hiervoor werden ingediend. […] Het feit dat de bestreden beslissing de integrale inrichting zonevreemd zou verklaren, bewijst op zichzelf nog niet dat de vordering uiterst dringend is. Evenmin toont de door de verzoekende partijen gevreesde „doorwerking‟ van de bestreden beslissing in de door hen aangehaalde hangende procedures op zichzelf aan dat de gewone schorsingsprocedure onherroepelijk te laat zou komen. Overigens indien er gesproken moet worden in termen van doorwerking, dan gaat het veeleer om de doorwerking van de door de verzoekende partijen aangehaalde vernietigingsarresten zoals voormeld arrest nr. 241.727 van 7 juni 2018 van VII-40.871-13/16 de Raad van State dat de verwerende partij heeft gebracht tot de bestreden beslissing van 7 november 2018 en de thans bestreden intrekking van deze beslissing en de weigering van de aangevraagde verandering van de co-vergistingsinstallatie. […] Ook de door de verzoekende partijen ingeroepen schade die zij zouden lijden door het bestreden besluit en die onherroepelijk zou zijn of minstens tot bijzonder aanzienlijke ongemakken zou leiden, kan de Raad van State er niet van overtuigen dat aan de schorsingsvoorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid zou zijn voldaan. De fundamentele verstoring van de werking van de inrichting is er immers niet in gelegen in het feit dat de verwerende partij de bestreden beslissing heeft genomen maar in het feit dat de verzoekende partijen de eerder vergunde wijzigingen en uitbreidingen intussen hebben gerealiseerd ondanks de beroepen die tegen die vergunningen hiervoor werden ingediend. De verzoekende partijen maken niet aannemelijk dat door de bestreden weigering van de gevraagde wijzigingen en uitbreidingen elke bestaanszekerheid van de inrichting wordt ontnomen te meer omdat de inrichting enkel voor de geweigerde wijzigingen en uitbreidingen niet meer vergund is. De volgens de verzoekende partijen zeer reële kans op een gehele sluiting van de inrichting op zeer korte termijn met een faillissement en financiële nadelen voor de verzoekende partijen tot gevolg, is een hypothese die overigens niet kan worden toegeschreven aan de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit maar wel aan de wijze waarop de inrichting wordt geëxploiteerd door de verzoekende partijen”.
- Luidens artikel 17, § 2, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan een nieuwe vordering tot schorsing slechts worden ingesteld “indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen”. In het auditoraatsverslag over voorliggende (gewone) vordering tot schorsing wordt besloten dat de uiteenzetting van de verzoekende partijen over de spoedeisendheid “voor wat relevant is niet [verschilt] van de uiteenzetting die werd aangebracht in de eerdere procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid” en dat in die uiteenzetting “geen nieuwe elementen terug te vinden [zijn] die thans wel de spoedeisendheid zouden kunnen aantonen”. Dit standpunt moet worden bijgevallen omdat de verzoekende partijen in hun verzoekschrift noch ter terechtzitting gewag maken van feiten of elementen die niet kenbaar of voorzienbaar waren op het ogenblik dat de initiële vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid werd ingesteld. VII-40.871-14/16
- Uit wat voorafgaat volgt dat de Raad van State, gelet op het bepaalde in artikel 17, § 2, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de huidige vordering dient af te wijzen wegens het ontbreken van nieuwe elementen die de spoedeisendheid rechtvaardigen. VI. Verzoek tot het opleggen van een verbod tot het instellen van een nieuwe vordering Standpunt van de verwerende partij
- In haar nota vraagt de verwerende partij dat de Raad van State “aan verzoekers tot op datum van arrest in de vernietigingsprocedure het verbod [zou opleggen] om een nieuwe vordering tot schorsing (al dan niet bij uiterst dringende noodzakelijkheid) in te stellen waarin het enige nieuwe ingeroepen element bestaat uit het verloop van de tijd”. De verwerende partij onderbouwt haar verzoek door te wijzen op “de uiterst assertieve proceshouding van de verzoekers die op het tergende en roekeloze af gaat”. In dit verband verwijst zij onder meer naar het feit dat de verzoekende partijen amper zes dagen na de verwerping van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid bij arrest nr. 248.063 van 16 juli 2020 voor de justitiële rechter een kort geding hebben ingeleid waarbij andermaal de “opschorting” van de bestreden beslissing wordt gevorderd. De verwerende partij meent dat “[d]eze proceshouding getuigt van een volledig misprijzen van Uw Raad en het arrest van 16 juli 2020 in het bijzonder”. Beoordeling
- Artikel 17, § 2, derde lid, tweede zin, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, bepaalt dat de afdeling bestuursrechtspraak een termijn kan bepalen “waarin geen enkele nieuwe vordering tot schorsing of voorlopige maatregelen kan worden ingediend indien het enige nieuw ingeroepen element bestaat uit het verloop van de tijd”. VII-40.871-15/16 Bij de toepassing van voormelde bepaling kan enkel acht worden geslagen op de vorderingen die bij de Raad van State zijn ingesteld. In dit geval wordt vastgesteld dat de verzoekende partijen tegen de bestreden beslissing in eerste instantie een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid hebben ingesteld die werd verworpen bij arrest nr. 248.063 van 16 juli 2020 en dat vervolgens op 3 september 2020 een gewone vordering tot schorsing werd ingediend. Het komt de Raad van State voor dat het achtereenvolgend aanwenden van voormelde rechtsmiddelen niet noopt tot het opleggen van een verbod op grond van artikel 17, § 2, derde lid, tweede zin, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
- Het verzoek wordt verworpen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig december tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Peter Sourbron VII-40.871-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.361 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.063 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.587 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div