← België

Arrest 249373 - Handelsvestigingen - 30/12/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.373 Rolnummer: A. 223978/X-17078 Zaak: Arrest 249373 - Handelsvestigingen - 30/12/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-01-15 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-20 01:52 Fiche Arrest nr 249.373 van 30 december 2020 Economische zaken - Handelsvestigingen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 249.373 van 30 december 2020 in de zaak A. 223.978/X-17.078 In zake : de NV PELCKMANS TURNHOUT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Floris Sebreghts en Christophe Smeyers kantoor houdend te 2600 Antwerpen - Berchem Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de STAD TURNHOUT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de NV MARECHAL BOOMKWEKERIJ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Ghysels en Jo Rams kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 13 december 2017, strekt tot de nietigverklaring van “[h]et besluit van het college van burgemeester en schepenen van de Stad Turnhout van 13 juli 2017 waarbij aan NV Marechal Boomkwekerij, gevestigd te 2300 Turnhout, Kastelein 114 een socio-economische vergunning wordt verleend voor een handelsvestiging van 9.500 m²”. X-17.078-1/15 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De nv Marechal Boomkwekerij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 22 februari 2018. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Jonas Riemslagh heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij, de tussenkomende partij en de verzoekende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 november 2020. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Auditeur Jonas Riemslagh heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten 3.1. De verzoekende partij exploiteert sinds 2010 aan de Parklaan 2 te Turnhout een vijver- en tuincentrum. De tussenkomende partij baat sedert 1988 een “boomkwekerij” uit aan de Kastelein 114 te Turnhout. X-17.078-2/15 De vestiging van de tussenkomende partij is volgens het bij koninklijk besluit van 30 september 1977 vastgesteld gewestplan Turnhout gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. 3.2. Op 29 januari 2001 verleent het het college van burgemeester en schepenen van de stad Turnhout aan de tussenkomende partij een stedenbouwkundige vergunning met het nummer 294/00 voor het bouwen van een serre met kantoorruimte als uitbreiding van wat oorspronkelijk een boomkwekerij was. De vergunning wordt verleend, onder meer onder de voorwaarde dat “[e]nkel een beperkte verkoop aan particulieren van het plantgoed uit eigen kweek kan worden toegestaan”, aangezien de “uitbouw van het bedrijf tot een kleinhandel waar in detail aan de tuin- en landbouwsector aanverwante produkten worden verkocht […] vanuit stedenbouwkundig oogpunt onaanvaardbaar” is. 3.3. Op 29 augustus 2005 verleent het college van burgemeester en schepenen aan de tussenkomende partij een sociaal-economische vergunning voor haar voormelde vestiging op voorwaarde: “- dat Maréchal zich houdt aan de gestelde voorwaarden uit de stedenbouwkundige vergunning nummer 294/00; - dat er dus enkel een verkoop mag zijn van planten en onmiddellijke aanverwanten zoals potgrond, meststoffen, bestrijdingsmiddelen. Andere producten zoals tuinbenodigdheden: kruiwagens, tuingerief, tuinhuisjes, omheiningen, decoratiemateriaal, tuinmeubelen, … worden niet toegestaan voor de verkoop.” 3.4. Bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen, afdeling Turnhout, van 23 januari 2015 wordt aan de tussenkomende partij onder verbeurte van een dwangsom een stakingsbevel opgelegd, waarbij de strijdigheid van haar activiteiten met de agrarische bestemming en met de haar verleende stedenbouwkundige en sociaal-economische vergunningen wordt vastgesteld. X-17.078-3/15 3.5. Op 11 september 2015 dient de tussenkomende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Turnhout een aanvraag in tot regularisatie en beperkte uitbreiding van het assortiment in haar inrichting. Het nationaal sociaal-economisch comité voor de distributie (hierna: het NSECD) verleent op 30 september 2015 een gunstig advies over de voormelde aanvraag. Met een besluit van 12 november 2015 verleent het college van burgemeester en schepenen de gevraagde sociaal-economische vergunning. 3.6. Bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 25 juni 2015 wordt het onder randnummer 3.4 vermelde vonnis bevestigd. Bij arrest van 30 juni 2016 wordt het cassatieberoep tegen het arrest van 25 juni 2015 door het Hof van Cassatie verworpen. 3.7. Op 9 mei 2017 dient de tussenkomende partij een aanvraag in voor een nieuwe sociaal-economische vergunning, waarbij de netto handelsoppervlakte wordt verminderd van 13.000 m² naar 9.500 m² en ook een assortimentswijziging wordt vooropgesteld. De tussenkomende partij geeft aan niet langer “aangekochte planten […] direct terug te verkopen”. Het NSECD verleent op 31 mei 2017 een gunstig advies. Met een besluit van 13 juli 2017 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Turnhout de gevraagde sociaal- economische vergunning. Dit is de bestreden beslissing. 3.8. Bij arrest nr. 240.470 van 16 januari 2018 vernietigt de Raad van State de onder randnummer 3.5 vermelde sociaal-economische vergunning van 12 november 2015. X-17.078-4/15 3.9. Op 29 januari 2018 verleent de gemeenteraad van de stad Turnhout aan de tussenkomende partij het door haar op 10 mei 2017 aangevraagde planologisch attest. 3.10. Bij beslissing van 12 september 2019 verleent het college van burgemeester en schepenen van de verwerende partij aan de tussenkomende partij een anticipatieve omgevingsvergunning ter realisatie van de kortetermijndoelstellingen van het haar op 29 januari 2018 verleende planologisch attest. Op 30 oktober 2019 verwerpt de deputatie van de provincieraad van de provincie Antwerpen het administratief beroep van onder andere de verzoekende partij tegen de voormelde beslissing van 12 september 2019. Onder anderen de verzoekende partij dient op 17 december 2019 tegen de beslissing van de deputatie van 30 oktober 2019 een beroep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen 4.1. De verzoekende partij verwijst met betrekking tot haar belang in de eerste plaats naar de potentieel nadelige invloed op haar markt- en concurrentiepositie. Zij wijst erop dat de tussenkomende partij in dezelfde stad is gevestigd en dat zij deels hetzelfde assortiment verkoopt. Zij verwijst tevens naar de stakingsprocedure die zij tegen de tussenkomende partij heeft gevoerd en naar het beroep tot nietigverklaring dat zij tegen de sociaal-economische vergunning van 12 november 2015 heeft ingesteld. Volgens de verzoekende partij strekt de bestreden beslissing ertoe een “als oneerlijke marktpraktijk gekwalificeerde handelswijze te legaliseren” en heeft zij er belang bij dat deze uit de rechtsorde verdwijnt. Onder randnummer 20 van haar verzoekschrift stelt zij: “Vruchteloos zou worden opgeworpen dat verzoekende partij en de aanvrager geen concurrenten zijn van elkaar. Vooreerst dient in dit kader te worden benadrukt dat zowel verzoekende partij als de aanvrager op het grondgebied van dezelfde stad – namelijk Turnhout – een tuincentrum exploiteren en dus hetzelfde afzetgebied bestrijken. Verder bieden X-17.078-5/15 verzoekende partij en tussenkomende partij een assortiment van producten aan dat minstens deels overlapt. In die optiek verwijst verzoekende partij naar zowel naar haar statuten als naar haar webstek. Dat de aanvrager hetzelfde assortiment van producten – lees: verschillende soorten planten - zowel eigen gekweekte als elders aangekochte planten – aanbiedt, blijkt uit de webstek van Marechal zelf. Wanneer men de beide webpagina’s vergelijkt dan blijkt namelijk duidelijk dat de door verzoekende partij en de aanvrager aangeboden assortimenten elkaar deels overlappen. Zo bieden zowel verzoekende [partij] als de aanvrager/begunstigde van het bestreden besluit verschillende soorten planten – azalea’s en rhododendrons, coniferen, bodembedekkers, haagplanten,… – aan.” 4.2. De tussenkomende partij betwist in haar memorie het belang van de verzoekende partij. 4.2.1. In de eerste plaats voert zij aan dat de verzoekende partij haar belang put uit het gegeven dat de bestreden beslissing ertoe zou strekken oneerlijke concurrentie te legaliseren, maar dat zij het bestaan van oneerlijke concurrentie niet aannemelijk maakt. De tussenkomende partij wijst erop dat zij haar bedrijfsactiviteiten “minstens sinds 1 maart 2017” in overeenstemming met de haar verleende vergunningen organiseert en verwijst ter ondersteuning van die stelling naar (

  1. a)een proces-verbaal van vaststelling opgemaakt door een gerechtsdeurwaarder op 21 maart 2017 , (
  2. b)naar twee arresten van het hof van beroep van Antwerpen en (
  3. c)naar het besluit van de gemeenteraad van de stad Turnhout van 29 januari 2018 waarbij aan de tussenkomende partij een voorwaardelijk planologisch attest is verleend en waarin wordt overwogen dat zij een hoofdzakelijk vergund bedrijf is. Aangezien de verzoekende partij enige oneerlijke concurrentie niet aannemelijk maakt, heeft zij haar belang bij het beroep omschreven op grond van feitelijk onjuiste motieven. Zij toont niet aan welke potentieel nadelige invloed zij dreigt te lijden door de bestreden beslissing en beschikt bijgevolg niet over het vereiste belang. 4.2.2. Verder merkt de tussenkomende partij op dat het loutere feit dat zij en de verzoekende partij concurrenten zijn, niet betekent dat deze laatste over het vereiste belang beschikt. Zij wijst erop dat de sociaal-economische vergunning van 29 augustus 2005, die op haar beurt verwijst naar de voorwaarden van de stedenbouwkundige vergunning nummer 294/00, haar X-17.078-6/15 toelaat om “op een totale netto-handelsoppervlakte van 13.000 m² eigen gekweekte bomen en planten te verkopen, evenals producten die aan de landbouw aanverwant en er op afgestemd zijn”. Naar aanleiding van de herschikking van haar bedrijfsactiviteiten heeft zij weliswaar in mei 2017 een sociaal-economische vergunning aangevraagd voor een handelsvestiging van 9.500 m², maar dat betreft volgens haar “identieke activiteiten” als deze waarvoor zij in 2005 een sociaal-economische vergunning verkreeg. Het enige verschil is dat de vergunde netto handelsoppervlakte met 3.500 m² wordt ingeperkt. De verzoekende partij maakt niet duidelijk hoe zij daardoor kan worden benadeeld. De tussenkomende partij merkt op dat de bestreden beslissing, waarbij de verkoop van planten “voornamelijk [uit] eigen kweek, of minstens op de eigen site doorgekweekt of geconditioneerd” wordt vergund, niet ruimer is dan de sociaal-economische vergunning van 29 augustus 2005, op grond waarvan enkel de verkoop van eigen gekweekte planten wordt toegelaten. Onder “eigen kweek”, dat in de vergunningen niet wordt gedefinieerd, moet volgens haar ook doorkweek van ingekocht plantgoed worden verstaan. Volgens haar is niet de “herkomst van een (halffabricaat) boom of plant” cruciaal, maar zijn de “landbouwproductieve handelingen” dat wel. 4.3. In haar laatste memorie doet de tussenkomende partij nog gelden dat een concurrent de door hem gevreesde hinder of nadelen duidelijk dient te adstrueren. Door de feiten “doelbewust foutief” aan de Raad van State voor te stellen, tracht de verzoekende partij “zich alsnog het recht te verschaffen om zich in te mengen in [de] socio-economische vergunningsproblematiek van een concurrent”, zonder dat zij daaruit het door haar beoogde voordeel kan halen. De verzoekende partij heeft volgens de tussenkomende partij “op geen enkel ogenblik over het door haar vereiste belang beschikt”. De tussenkomende partij benadrukt dat zij “inderdaad van oordeel was baat te hebben bij de nieuwe vergunningsaanvraag die tot de bestreden beslissing heeft geleid”, teneinde het Hof van Beroep te Antwerpen te overtuigen dat zij geen “onwillige stedenbouwovertreder is” en zij “haar vergunningen in overeenstemming zou brengen met de in de feiten bestaande situatie”. Zij voert in verband met het niet X-17.078-7/15 bestrijden van de socio-economische vergunning van 29 augustus 2005 door de verzoekende partij aan dat deze laatste partij “zich beklaagt over een situatie die voor haar minder nadelig is terwijl zij een voor haar meer nadelige situatie niet heeft aangevochten”. Zij merkt ten slotte ook op nooit te hebben verzocht om “datgene wat louter geconditioneerd werd” te mogen verkopen. 4.4. De verzoekende partij repliceert in haar laatste memorie dat zij haar belang in het verzoekschrift geenszins heeft beperkt tot de oneerlijke marktpraktijken van de tussenkomende partij, maar dat zij daarin duidelijk heeft aangetoond dat zij ingevolge het aangevraagde een potentiële nadelige invloed op haar markt- en concurrentiepositie kan ondervinden. Zij stelt dat de tussenkomende partij deze gegevens overigens niet betwist. Beoordeling 5.1. De verzoekende partij heeft de omschrijving van haar belang, anders dan de tussenkomende partij voorhoudt, gebaseerd op het gegeven dat zij elkaars concurrenten zijn. Een potentiële nadelige invloed op de eigen markt- en concurrentiepositie vormt een voldoende en geldig belang om een aan een concurrent verleende socio-economische vergunning in rechte te bestrijden. Met ’s Raads arrest nr. 240.470 van 16 januari 2018 werd reeds geoordeeld dat de verzoekende partij en de tussenkomende partij “[…] actief [zijn] in hetzelfde handelssegment van de tuincentra, en dit op het grondgebied van dezelfde stad, en in elkaars commerciële invloedssfeer – de beide vestigingen zijn via de weg slechts 5 kilometer van elkaar verwijderd” en dat “[d]aaraan […] geen afbreuk [wordt] gedaan door […] de omstandigheid dat er zekere verschillen zijn in het handelsaanbod van de verzoekende partij en de tussenkomende partij”. De Raad van State ziet dit te dezen niet anders. X-17.078-8/15 5.2. De tussenkomende partij werpt ook op dat het de verzoekende partij aan belang bij haar beroep ontbreekt omdat zij geen voordeel uit de gebeurlijke vernietiging van de bestreden beslissing haalt, nu de tussenkomende partij in dat geval op de sociaal-economische vergunning van 29 augustus 2005 kan terugvallen, die op een grotere verkoopsoppervlakte betrekking heeft en die volgens haar de verkoop van minstens hetzelfde assortiment als de bestreden beslissing toelaat. Vooreerst moet worden vastgesteld dat de tussenkomende partij de bestreden sociaal-economische vergunning zelf heeft nagestreefd en dat zij bijgevolg zelf van oordeel was dat zij haar een bijkomende baat verschaft. Anders dan de tussenkomende partij aanvoert, kan bovendien niet zonder meer worden aangenomen dat het voorwerp van de bestreden beslissing niet ruimer is dan dat van de sociaal-economische vergunning van 29 augustus 2005. De bestreden beslissing bevat onder meer de voorwaarde dat de “planten […] voornamelijk eigen kweek, of minstens op de eigen site doorgekweekt of geconditioneerd” zijn. De sociaal-economische vergunning van 29 augustus 2005 bevat onder meer de voorwaarde “dat Maréchal zich houdt aan de gestelde voorwaarden uit de stedenbouwkundige vergunning nummer 294/00”, waarin is bepaald dat “[e]nkel een beperkte verkoop aan particulieren van plantgoed uit eigen kweek kan worden toegestaan”. Waar de tussenkomende partij aanvoert dat het begrip “eigen kweek” in de stedenbouwkundige vergunning nummer 294/00 ook het “door-kweken van jonge (halffabricaat) planten” omvat, lijkt niet bij voorbaat vast te staan dat elk concreet geval van doorkweek of conditionering ook als “eigen kweek” moet worden beschouwd. 5.3. De ontvankelijkheidsexceptie is ongegrond. X-17.078-9/15 V. Onderzoek van het derde middel Standpunt van de partijen 6.1. De verzoekende partij voert in haar derde middel de schending aan van “artikel 7.4.4. VCRO, artikel 11.4.1 en 15.4.6.1 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en toepassing van de ontwerp-gewestplannen [hierna: het inrichtingsbesluit], het gewestplan Turnhout zoals goedgekeurd bij K.B. van 30 september 1977, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur”. Zij voert aan dat de verwerende partij geen afdoende planologische toets van de vergunningsaanvraag heeft uitgevoerd, aangezien de esthetische toets ontbreekt, terwijl in een landschappelijk waardevol gebied ook moet worden nagegaan of de schoonheidswaarde van het landschap niet in het gedrang wordt gebracht. Een dergelijke beoordeling blijkt niet uit de bestreden beslissing. 6.2. De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord dat zij wel degelijk een planologische toets heeft doorgevoerd en dat zij terecht heeft geoordeeld dat de betrokken activiteiten in een landschappelijk waardvol agrarisch gebied passen. Specifiek met betrekking tot de esthetische toets meent zij dat die wel degelijk werd uitgevoerd, wat uit de bestreden beslissing ook blijkt, aangezien daarin wordt overwogen dat “er uitsluitend producten uit de agrarische activiteitensfeer worden aangeboden, en het tuincentrum nood heeft aan grote oppervlakten en een groene omgeving”. Zij stelt verder dat er geen sprake is van een nieuwe constructie die in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied wordt opgericht, maar dat louter een inkrimping van de netto handelsoppervlakte werd aangevraagd, waarvan niet kan worden ingezien hoe deze op de schoonheidswaarde van het gebied een impact zou kunnen hebben. Bijgevolg vermocht de esthetische toets minder extensief te zijn. X-17.078-10/15 6.3. In haar memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij dat uit geen enkele passage van de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij bij de esthetische toets heeft stilgestaan. De in de memorie van antwoord van de verwerende partij aangehaalde passage kan niet als een dergelijke toets worden beschouwd. De stelling van de verwerende partij dat niet kan worden ingezien wat de impact op de schoonheidswaarde van het voorwerp van de bestreden beslissing is, vormt volgens haar een loutere a posteriori motivering. 6.4. De tussenkomende partij betoogt in haar memorie dat de verwerende partij bij de beoordeling van haar aanvraag tot sociaal-economische vergunning wel degelijk met alle relevante gegevens rekening heeft gehouden. Verder wijst zij op de eigen finaliteit van de sociaal-economische vergunning, die zich onderscheidt van de beoordeling van de goede plaatselijke ordening, en brengt zij enkele passages uit de motivering van de bestreden beslissing in herinnering. Zij wijst erop dat het voorwerp van de aanvraag een inkrimping van de bestaande netto handelsoppervlakte betreft en dat uit de bestreden beslissing blijkt dat het gevraagde wel degelijk planologisch inpasbaar is, onder meer door de verwijzing naar de nood aan grote oppervlakten en een groene omgeving. 6.5. In haar laatste memorie betwist de verwerende partij “in rechte de draagwijdte van de esthetische toets als te beoordelen criterium”, wanneer “enkel een reductie van de netto handelsoppervlakte het voorwerp uitmaakt van de socio-economische vergunningsaanvraag”. Beoordeling 7.1. De verwerende partij was ertoe gehouden de verenigbaarheid van het gevraagde met de geldende planvoorschriften te beoordelen. 7.2. De partijen betwisten niet dat het kwestieuze perceel overeenkomstig het gewestplan in landschappelijk waardevol agrarisch gebied gelegen is. X-17.078-11/15 7.3. Artikel 11, 4.1, van het inrichtingsbesluit bepaalt : “De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para- agrarische bedrijven. Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht worden op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft [...].” Artikel 15, 4.6.1, van hetzelfde besluit bepaalt : “De landschappelijke waardevolle gebieden zijn gebieden waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen. In deze gebieden mogen alle handelingen en werken worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen.” 7.4. Uit de artikelen 11, 4.1, en 15, 4.6.1, volgt dat de planologische toets in landschappelijk waardevol agrarisch gebied op grond van een tweevoudig criterium moet worden uitgevoerd: 1) een planologisch, hetwelk veronderstelt dat de overheid nagaat of het gevraagde in overeenstemming is met de bestemming agrarisch gebied en 2) een esthetisch, hetwelk inhoudt dat de overheid nagaat of het gevraagde in overeenstemming is met de eisen ter vrijwaring van de schoonheidswaarde van het landschap. 7.5. De passages waarnaar de verwerende en de tussenkomende partij verwijzen kunnen niet als een beoordeling van het esthetisch criterium worden beschouwd. De overweging dat de vergunde verkoop een para-agrarische activiteit uitmaakt die verenigbaar is met de bestemming agrarisch gebied, betreft louter het planologisch criterium dat volgt uit artikel 11, 4.1, van het inrichtingsbesluit. Hetzelfde geldt voor de overweging dat de “activiteit van Maréchal past in landschappelijk waardevol agrarisch gebied aangezien er uitsluitend producten uit de agrarische activiteitensfeer aangeboden worden” onder de hoofding “Bescherming van het stedelijk milieu”. Ook de X-17.078-12/15 daaropvolgende zin, dat “het tuincentrum nood [heeft] aan grote oppervlakten en een groene omgeving”, kan niet worden beschouwd als een beoordeling van de voorwaarde dat de “handelingen en werken […] de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen”, zoals vereist door artikel 15, 4.6.1, van het inrichtingsbesluit. In het bestreden besluit ontbreekt dan ook eens te meer elke toetsing aan het esthetisch criterium, ofschoon dit een volwaardig toetsingscriterium uitmaakt. 7.6. Dat volgens de verwerende partij “enkel een reductie van de netto handelsoppervlakte het voorwerp uitmaakt van de socio-economische vergunningsaanvraag”, laat nog niet toe om aan het esthetisch criterium volledig voorbij te gaan, temeer daar in het bestreden besluit zelf wordt gesteld dat het tuincentrum nood heeft aan grote oppervlakten. 7.7. Overigens bevat het advies van het NSECD van 31 mei 2017 evenmin een beoordeling van het esthetisch criterium. 8. Het derde middel is gegrond. VI. Vraag tot toepassing van artikel 36, § 1, RvS-wet 9.1. De tussenkomende partij vraagt in haar laatste memorie ondergeschikt om de toepassing van artikel 36, § 1, RvS-wet. Meer bepaald verzoekt zij op grond van deze bepaling om de verwerende partij te bevelen een nieuwe beslissing te nemen waarbij met de door de Raad van State vastgestelde onwettigheden rekening wordt gehouden. 9.2. Huidig vernietigingsarrest brengt hoe dan ook met zich mee dat de verwerende partij, te rekenen vanaf de betekening van dit arrest, opnieuw binnen de termijn van 70 dagen waarin artikel 8, § 2, van de wet van 13 augustus 2004 ‘betreffende de vergunning van handelsvestigingen’ voorziet over de X-17.078-13/15 kwestieuze aanvraag zal moeten beslissen. De tussenkomende partij overtuigt er niet van dat de verwerende partij, die voor de kwestieuze site reeds meerdere vergunningen, waaronder socio-economische vergunningen, heeft verleend, te dezen zou nalaten om tijdig een beslissing over de kwestieuze vergunningsaanvraag te nemen. 9.3. Het verzoek wordt niet ingewilligd. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de Stad Turnhout van 13 juli 2017 waarbij aan de nv Marechal Boomkwekerij, Kastelein 114 te 2300 Turnhout, een socio- economische vergunning voor een handelsvestiging van 9.500 m² wordt verleend. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, en op een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de verzoekende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. X-17.078-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig december tweeduizend twintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.078-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.373 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.