← België

Arrest 249375 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 30/12/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.375 Rolnummer: A. 225913/X-17295 Zaak: Arrest 249375 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 30/12/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-01-15 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-20 01:50 Fiche Arrest nr 249.375 van 30 december 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 249.375 van 30 december 2020 in de zaak A. 225.913/X-17.295 In zake :

  1. Koen VAN ZELE
  2. Rudi VAN DEN LANGENBERGH bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Van Bellinghen kantoor houdend te 2140 Antwerpen Bouwensstraat 21 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENTE MALLE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luk Janssens kantoor houdend te 2560 Nijlen Bouwelsesteenweg 10/C bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het verzoekschrift, ingediend op 13 augustus 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Malle van 26 februari 2018 waarbij het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: gemeentelijk RUP) ‘Zonevreemde recreatie’ definitief wordt vastgesteld. II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld. X-17.295-1/23 Verzoekers en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 oktober
  5. Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joy Vingerhoets, die loco advocaat Jan Van Bellinghen verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Deniz Bahtijarevic, die loco advocaat Luk Janssens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten
  7. Ten noorden van de Turnhoutsebaan te Malle bevindt zich het domein “Vierwinden”. De percelen met de bestaande verblijfsgebouwen, die plaats bieden aan jeugdgroepen tot 90 personen, zijn krachtens het bij koninklijk besluit van 30 september 1977 vastgestelde gewestplan Turnhout gelegen in woongebied (hierna: de strook bestaande verblijfsgebouwen). Ten noorden van de strook bestaande verblijfsgebouwen toont hetzelfde gewestplan een meer dan 40.000 m² groot gebied voor dagrecreatie (hierna: het dagrecreatiegebied van het gewestplan), waarvan gebruik wordt gemaakt door de voornoemde jeugdgroepen. De noordzijde van het dagrecreatiegebied van het gewestplan paalt aan de Smekenstraat en in het oosten reikt dit gebied tot woonpercelen langs de Stijn Streuvelslaan, waaronder de woonpercelen van verzoekers. X-17.295-2/23 De oostelijke zijde van het dagrecreatiegebied van het gewestplan is nagenoeg over de volledige diepte bebost (hierna: de bestaande beboste strook). In de zuidwestelijke deel van het laatstgenoemde gebied bevinden er zich verspreide gebouwen en speelelementen (hierna: de strook met bestaande verspreide gebouwen en speelelementen). Ter verduidelijking volgt hierna een uittreksel uit het gewestplan waarop benaderende aanduidingen zijn aangebracht. X-17.295-3/23
  8. Begin 2017 neemt de gemeente Malle het initiatief voor een voorontwerp van gemeentelijk RUP ‘Zonevreemde recreatie’, dat betrekking heeft op drie sites, te weten “Sint Jansburg”, “KVK Westmalle” en “Vierwinden”.
  9. Op 22 februari 2017 wordt een plenaire vergadering gehouden omtrent een voorontwerp van gemeentelijk RUP ‘Zonevreemde recreatie’.
  10. Er wordt een screeningsnota opgemaakt over de mogelijke milieueffecten van het voorontwerp van gemeentelijk RUP.
  11. Op 18 mei 2017 beslist de dienst Milieueffectrapportage van het Vlaamse Gewest (hierna: de dienst Mer) dat het voorgenomen plan geen aanleiding geeft tot aanzienlijke negatieve milieugevolgen en dat de opmaak van een plan-milieueffectrapport (hierna: plan-MER) niet nodig is. 8.
  12. Op 26 juni 2017 stelt de gemeenteraad van de gemeente Malle het ontwerp van gemeentelijk RUP ‘Zonevreemde recreatie’ voorlopig vast. 8.
  13. Blijkens het bij dit ontwerp horende grafisch plan wordt – wat de jeugdverblijfplaats “Vierwinden” betreft – de bestaande beboste strook voor het overgrote deel opgenomen in een “zone voor speelbos” (artikel 2). De strook met bestaande verspreide gebouwen en speelelementen wordt herbestemd tot “zone voor openbaar nut”.
  14. Van 1 augustus tot 29 september 2017 wordt over het ontwerp van gemeentelijk RUP een openbaar onderzoek gehouden. Verzoekers dienen, samen met anderen, een gezamenlijk bezwaarschrift in.
  15. In haar zitting van 28 november 2017 bespreekt de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening van de gemeente Malle de ingediende bezwaarschriften en brengt zij een advies uit. X-17.295-4/23 11.
  16. Bij besluit van 26 februari 2018 stelt de gemeenteraad van de gemeente Malle het gemeentelijk RUP ‘Zonevreemde recreatie’ definitief vast. Dit is het bestreden besluit. Van dit besluit wordt melding gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 15 juni
  17. 11.
  18. Het definitief vastgestelde gemeentelijk RUP herbestemt het dagrecreatiegebied van het gewestplan voornamelijk tot “zone voor speelbos” (artikel 2) en “zone voor openbaar nut” (artikel 1). De laatstgenoemde zone wordt opgesplitst in een oostelijke deelzone waarin bebouwing is toegelaten (hierna: deelzone 1A) en een – met een gearceerde overdruk aangeduide – bouwvrije westelijke deelzone (hierna: deelzone 1B). De stedenbouwkundige voorschriften voor de “zone voor openbaar nut” stellen: “Artikel 1: Zone voor openbaar nut (categorie van gebiedsaanduiding 9: openbaar nut) 1.
  19. Bestemming 1.1.
  20. Hoofdbestemming - Gemeenschapsvoorzieningen - Gebouwen voor residentiële jeugdopvang - Speelterreinen 1.1.
  21. Nevenbestemming - Technische installaties (verlichtingsmasten, afsluitingen, …) - Technische ruimten - Groenelementen 1.
  22. Inrichting 1.2.
  23. Bebouwing Bodembezetting en afmetingen van de gebouwen a. Deelzone A (geen overdruk) - De totale bebouwbare oppervlakte bedraagt maximaal 2500m². Bij elke bouwaanvraag is een berekeningsnota m.b.t. de te bebouwen oppervlakte te voegen. De bouwhoogte bedraagt max. 8,00m, verdeeld over 2 bouwlagen. - Er wordt een minimale afstand van 15m bewaard t.o.v. de perceelgrens en 5m t.o.v. de andere grenzen van de zone voor openbaar nut. b. Deelzone B (overdruk) - Binnen deze deelzone is geen bebouwing toegelaten - Technische constructies van beperkte omvang zijn hier wel mogelijk. […]”. X-17.295-5/23 De bestaande beboste strook wordt voor het overgrote deel opgenomen in de “zone voor speelbos” en voor de rest in de bouwvrije deelzone 1B. Verder wordt de strook met bestaande verspreide gebouwen en speelelementen herbestemd tot deelzone 1A en wordt een tien meter brede bufferzone voorzien tussen de laatstgenoemde deelzone en de woonpercelen aan de Stijn Streuvelslaan. Ter verduidelijking volgt hierna een uittreksel uit het laatstgenoemde grafisch plan, waarop benaderende aanduidingen zijn aangebracht. X-17.295-6/23 IV. Onderzoek van de middelen A. Het eerste middel Het aangevoerde middel 12.
  24. Het eerste middel is genomen uit de schending van de artikelen 1.1.4, 2.1.2, §§ 2 en 3, 2.2.13, § 2, en 2.2.18 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO) en van “het standstill beginsel”, evenals van de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 12.
  25. Verzoekers voeren aan dat in de deelzone 1A van het bestreden gemeentelijk RUP gebouwen voor permanent verblijf opgericht kunnen worden. Daarmee wordt volgens verzoekers de teloorgang van schaarse groene ruimte bewerkstelligd. Dit is in strijd met de richtinggevende bepalingen van zowel het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (hierna: RSV) als van het gemeentelijke ruimtelijk structuurplan (hierna: GRS). Het RSV streeft immers naar het behoud en de ontwikkeling van stedelijke natuurelementen en randstedelijke groengebieden. In het GRS is bepaald dat een duidelijke begrenzing van bebouwing noodzakelijk is, en dat die grens op die manier dient te worden uitgewerkt dat het beeld van de open ruimte kan doordringen tot in de verkavelingen. De verzoekers vinden nergens een motivering terug die een afwijking van de richtinggevende bepalingen van het RSV en GRS kunnen verantwoorden. 12.
  26. Verder menen verzoekers dat er in de bestaande situatie gewoonweg geen sprake is van zonevreemde activiteiten in het dagrecreatiegebied van het gewestplan. Het laatstgenoemde gebied wordt immers overdag gebruikt voor de recreatieve activiteiten van de jongeren, die overnachten in de – buiten dit gebied gelegen – strook bestaande verblijfsgebouwen. Verzoekers vinden het manifest onzorgvuldig dat de verwerende partij het domein “Vierwinden” opneemt in een gemeentelijk RUP dat de bedoeling heeft om zonevreemdheid op te lossen. X-17.295-7/23
  27. In hun memorie van wederantwoord stellen verzoekers dat er groene ruimte teloorgaat en dat het veel logischer was geweest – en in overeenstemming met de structuurplannen – om de zone voor bebouwing te voorzien aan de zuidrand van het plangebied, aansluitend bij de strook bestaande verblijfsgebouwen.
  28. In hun laatste memorie benadrukken verzoekers dat het bestreden gemeentelijk RUP residentiële activiteiten mogelijk maakt in het open landschap achter verzoekers’ woningen. Beoordeling 15.
  29. Het uitgangspunt van de in randnummer 12.2 weergegeven argumentatie is dat door het bestreden gemeentelijk RUP “de teloorgang van […] groene ruimte [wordt] bewerkstelligd”. 15.
  30. Onder vigeur van het gewestplan gold er in het dagrecreatiegebied van het gewestplan noch enige beperking inzake de bebouwbare oppervlakte, noch enige verplichting tot het behoud van bestaande groenelementen. Krachtens het bestreden gemeentelijk RUP mag van het laatstgenoemde gebied voortaan maximaal 2.500 m² – dit is ongeveer 6 % van de totale oppervlakte van het plangebied “Vierwinden” – bebouwd zijn. De bebouwing moet gebeuren binnen de deelzone 1A, die grotendeels samenvalt met de strook met bestaande verspreide gebouwen en speelelementen. Verder neemt dit RUP de bestaande beboste strook voor het overgrote deel op in de “zone voor speelbos” en voor de rest in de bouwvrije deelzone 1B. 15.
  31. Achter verzoekers’ woonpercelen bevindt zich de strook met bestaande verspreide gebouwen en speelelementen. Anders dan verzoekers laten uitschijnen, blijkt niet dat deze strook enige bijzondere landschappelijke waarde of natuurwaarde zou hebben. De in het administratief dossier opgenomen foto’s X-17.295-8/23 wijzen uit dat deze strook noch als een groengebied, noch als een open landschap kan worden gekwalificeerd. 15.
  32. Er moet worden vastgesteld dat verzoekers er niet in slagen om hun uitgangspunt aannemelijk te maken als zou het bestreden gemeentelijk RUP de teloorgang van een natuurelement of een groengebied bewerkstelligen. Aan die vaststelling wordt geen afbreuk gedaan door de bewering van verzoekers dat het “veel logischer” zou zijn geweest om de zone voor bebouwing te voorzien aan de zuidrand van het plangebied. De in randnummer 12.2 weergegeven argumentatie overtuigt niet, daar ze steunt op een uitgangspunt waarvan de juistheid niet blijkt.
  33. Verder blijkt dat het bestreden gemeentelijk RUP, zoals is uiteengezet in de toelichtingsnota, de zonevreemdheid van een toekomstige activiteit op de site “Vierwinden” – meer bepaald de residentiële jeugdopvang in het dagrecreatiegebied van het gewestplan – oplost en om die reden mee opgenomen is in een uitvoeringsplan met als opschrift “Zonevreemde recreatie”. Uit hetgeen verzoekers aanvoeren blijkt niet dat de verwerende partij aldus onzorgvuldig zou hebben gehandeld, of de aangevoerde rechtsregels anderszins zou hebben geschonden.
  34. Het eerste middel wordt verworpen. B. Het tweede middel Uiteenzetting van het middel 18.
  35. Het tweede middel is genomen uit de schending van het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, evenals van de materiëlemotiveringsplicht. 18.
  36. Verzoekers menen dat de ingeroepen beginselen geschonden zijn omdat de strook bestaande verblijfsgebouwen niet in het plangebied van het X-17.295-9/23 bestreden gemeentelijk RUP werd opgenomen. Nochtans is dit deel van het domein “Vierwinden” reeds jaar en dag aanwezig, zodat er geen twijfel kan bestaan over het feit dat deze strook eveneens deel uitmaakt van de betrokken site en aldus diende opgenomen te worden in het plangebied. Verzoekers voegen er aan toe dat de gebouwen in de strook bestaande verblijfsgebouwen bij uitstek geschikt zijn voor residentiële jeugdopvang. De plannende overheid heeft gekozen voor de meest hinderlijke inrichting door residentiële jeugdopvang mogelijk te maken in het open landschap achter verzoekers’ woningen. Verzoekers vervolgen dat de verwerende partij perfect gebruik had kunnen maken van het zogenaamde nulalternatief. Ook zonder wijziging van het gewestplan kunnen jongeren overnachten in de strook bestaande verblijfsgebouwen en overdag het dagrecreatiegebied van het gewestplan gebruiken.
  37. In hun memorie van wederantwoord verduidelijken verzoekers dat door het opnemen van de strook bestaande verblijfsgebouwen in het plangebied er geen nood zou zijn aan bebouwing tegen hun achtertuinen.
  38. In hun laatste memorie schrijven verzoekers dat er geen noodzaak was om het domein “Vierwinden” op te nemen in het bestreden gemeentelijk RUP, “en al zeker niet” zonder de strook bestaande verblijfsgebouwen. Beoordeling
  39. De beoordeling van opportuniteitskritiek behoort niet tot de bevoegdheid van de Raad van State, die een wettigheidsrechter is. In de uitoefening van zijn wettigheidscontrole mag de Raad van State zich niet in de plaats stellen van de plannende overheid, die bij het vaststellen van een ruimtelijk uitvoeringsplan beschikt over een ruime discretionaire bevoegdheid. De Raad van X-17.295-10/23 State is als rechter van de wettigheid wel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of de plannende overheid is uitgegaan van werkelijk bestaande en relevante feitelijke gegevens die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld, of hij die correct en met een zorgvuldige afweging van alle in het geding betrokken belangen heeft beoordeeld en of hij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot zijn besluit is kunnen komen.
  40. Zoals vermeld (randnr. 15.3), blijkt niet dat de achter verzoekers’ woonpercelen gelegen strook met bestaande verspreide gebouwen en speelelementen gekwalificeerd zou kunnen worden als een groengebied of een open landschap. Het bestreden gemeentelijk RUP voorziet een tien meter brede bufferzone tussen de laatstgenoemde strook en de woonpercelen aan de Stijn Streuvelslaan.
  41. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de verwerende partij geoordeeld heeft dat het wenselijk is de accommodatie voor jeugdgroepen tot 90 personen binnen de strook bestaande verblijfsgebouwen te behouden en om bijkomende residentiële jeugdopvang mogelijk te maken in de strook met bestaande verspreide gebouwen en speelelementen. De plannende overheid heeft – met de woorden van het bestreden besluit – de strook bestaande verblijfsgebouwen “weloverwogen” uit het plangebied weggelaten om volgende reden: “Hoewel het wenselijk is de jeugdverblijfsaccommodatie op deze locatie nog lange tijd in stand te houden, kan op termijn wel overwogen worden een deel van de strook voor andere doeleinden (bv. wonen) te gebruiken”.
  42. Zowel de keuze om de strook bestaande verblijfsgebouwen niet in het plangebied op te nemen, als de keuze om bebouwing toe te laten in de strook met bestaande verspreide gebouwen en speelelementen, blijken te steunen op relevante feitelijke gegevens, waarvan niet blijkt dat ze niet met de vereiste zorgvuldigheid zouden zijn vastgesteld. X-17.295-11/23 Verzoekers kunnen er niet van overtuigen dat de voornoemde keuzes de grenzen van de redelijkheid te buiten zouden gaan. De schending van de aangevoerde beginselen wordt niet aannemelijk gemaakt.
  43. Het tweede middel wordt verworpen. C. Het derde tot vijfde middel Uiteenzetting van de middelen 26.
  44. Het derde, vierde en vijfde middel zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 4.1.4, 4.2.1 en 4.2.3 van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’, van artikel 1 van de richtlijn 2001/42/EG van 27 juni 2001 van het Europees Parlement en de Raad ‘betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s’ en van artikel 8, §§ 1 en 2, van het decreet van 18 juli 2003 ‘betreffende het integraal waterbeleid’, evenals van de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 26.
  45. Verzoekers voeren aan dat er, in tegenstelling tot wat in de toelichtingsnota wordt gesteld, van het bestreden gemeentelijk RUP wel degelijk aanzienlijke milieugevolgen te verwachten zijn. Deze effecten werden in geen geval zorgvuldig onderzocht. Een screening van de milieueffecten volstond niet, maar er diende een volwaardig plan-MER te worden opgesteld. 26.
  46. Volgens verzoekers had de verwerende partij een mobiliteitseffectrapport moeten opmaken, daar de ontsluiting via de Stijn Streuvelslaan bijkomende hinder genereert voor de woonwijk aldaar. Verzoekers stellen dat het een raadsel is waarom er niet geopteerd werd voor een ontsluiting van de site via de Turnhoutsebaan of via de Smekenstraat. Deze mogelijkheden werden gewoonweg niet onderzocht. Nochtans zijn deze ontsluitingswegen een X-17.295-12/23 logische keuze. De nieuwe parking geeft immers uit op de Smekenstraat en de activiteiten van de jeugdaccomodatie situeren zich aan de Turnhoutsebaan. Het voorzien van de nieuwe ontsluitingsweg langs de Stijn Streuvelslaan is dan ook geheel onlogisch en het meest hinderlijk. Verzoekers vervolgen dat het aan de Smekenstraat palende deel van de zone voor parking eigendom van de provincie is. Er is volgens verzoekers geen enkele garantie dat de provincie toelating zou verlenen om via haar parking de parking van het domein “Vierwinden” te bereiken. 26.
  47. Verzoekers wijzen er op dat het plangebied van het bestreden gemeentelijk RUP gelegen is in infiltratiegevoelig gebied, dat paalt aan een gebied dat zeer gevoelig is aan grondwaterstromingen, en dat de toename van bebouwing een negatieve invloed kan hebben op de lokale waterhuishouding. Het is voor verzoekers een raadsel waar het afvalwater naartoe zal geloosd worden. Vervolgens stellen verzoekers dat de nieuw op te richten bebouwing in het dagrecreatiegebied van het gewestplan een negatieve invloed kan hebben op de bodem. Verzoekers stellen zich ernstige vragen bij de stabiliteit van de ondergrond. Verzoekers wijzen er op dat de residentiële jeugdopvang binnen het plangebied een aanzienlijke verhoging van het geluid zal meebrengen. Tot slot herhalen verzoekers dat de plannende overheid gekozen heeft voor de meest hinderlijke inrichting door achter hun woningen residentiële jeugdopvang mogelijk te maken.
  48. In hun memorie van wederantwoord stellen verzoekers dat inzake mobiliteit hun situatie sterk achteruit zal gaan door het ontbreken van een realistisch mobiliteitsplan.
  49. In hun laatste memorie stellen verzoekers dat niet werd onderzocht om de nieuwe bebouwing te voorzien aan de zuidrand van het X-17.295-13/23 plangebied, aansluitend bij de strook bestaande verblijfsgebouwen, in de plaats van achter hun tuinen. Beoordeling
  50. De Raad van State is niet bevoegd om in de plaats van de dienst Mer te oordelen of het voorgenomen plan al dan niet aanleiding geeft tot aanzienlijke negatieve milieugevolgen of om zelf een onderzoek naar de milieueffecten te doen. In de uitoefening van de hem opgedragen wettigheidscontrole is hij wel bevoegd om na te gaan of op grond van juiste feitelijke gegevens, in redelijkheid tot de conclusie kon worden gekomen dat het voorgenomen plan geen aanleiding geeft tot aanzienlijke negatieve milieugevolgen.
  51. Bij de milieueffectscreening van een RUP moet voor elke zone van het plan de vergelijking worden gemaakt tussen de verordenende voorschriften van het bestaande plan en die van het voorgenomen plan (hierna: de planologische toets). De huidige feitelijke bestemming van het gebied is bij deze planologische toets niet relevant. Wanneer uit de voornoemde planologische toets blijkt dat er zich inzake milieueffecten een relevante wijziging voordoet, moet deze wijziging bij het onderzoek worden betrokken. Voor het uitvoeren van een volledig en zorgvuldig effectenonderzoek kan de voornoemde planologische toets echter niet volstaan wanneer de betrokken percelen zich vanuit milieuoogpunt in een bijzondere feitelijke situatie bevinden, zoals bij de vastgestelde aanwezigheid van waardevolle natuurelementen. In dat geval moet ook worden nagegaan of er, gelet op die bestaande feitelijke toestand, milieueffecten kunnen zijn bij de realisatie van het voorgenomen plan.
  52. Verzoekers gaan er aan voorbij dat de Smekenstraat de ontsluitingsweg is voor de auto’s van de gebruikers en bezoekers van de infrastructuur binnen het plangebied. Zulks wordt bevestigd in de als volgt luidende toelichtingsnota bij het bestreden gemeentelijk RUP: X-17.295-14/23 “Ontsluiting van de site zal gebeuren op 3 verschillende manieren. De bestaande jeugdverblijven langs de Turnhoutsebaan behouden hun toegang langs deze gewestweg. Gezien de jeugdverblijven voornamelijk voor jeugdweekends en jeugdkampen gebruikt worden is het aantal gegenereerde vervoersbewegingen hier zeer laag. Omwille van de drukte, het verkeersregime (70km/u) en de reeds overdadige aanwezigheid van in- en uitritten langs de Turnhoutsebaan is het niet opportuun de nieuwe ontwikkelingen i.v.m. bijzondere jeugdzorg rechtstreeks via deze weg te ontsluiten. Bovendien wordt de parking van de nieuwe ontwikkelingen aansluitend op de reeds bestaande parking van het provinciaal vormingscentrum voorzien. Dit biedt een meerwaarde voor beide centra en vermindert de parkeerdruk in de omgeving, maar maakt een rechtstreekse ontsluiting naar de Turnhoutsebaan onmogelijk. De ontsluiting van het centrum voor bijzondere jeugdzorg wordt voorzien langs de Smekenstraat en de Talondreef. Voor personeel en technische diensten (bv. brandweer) wordt een extra toegang voorzien langs het doodlopende stuk van de Stijn Streuvelslaan.” Verder blijkt niet dat het ten onrechte is dat de verwerende partij overwogen heeft dat de verwachte verkeerstoename door het gebruik dat het personeel en de technische diensten zullen maken van de Stijn Streuvelsstraat “ruimschoots binnen de lokale draagkracht valt”.
  53. Wat betreft de te dezen uit te voeren planologische toets, moet het in randnummer 15.2 gestelde in herinnering worden gebracht. Planologisch impliceert het bestreden gemeentelijk RUP geen toename van bebouwing of teloorgang van groene ruimte.
  54. Wat de in voorkomend geval uit te voeren feitelijke toets betreft, moet worden vastgesteld dat verzoekers niet aannemelijk maken dat de strook met bestaande verspreide gebouwen en speelelementen zich vanuit milieuoogpunt in een bijzondere feitelijke situatie zou bevinden.
  55. Uit hetgeen verzoekers aanvoeren blijkt niet dat er bij de watertoets onterecht is aangenomen dat er na de realisatie van het bestreden gemeentelijk RUP – met de woorden van de toelichtingsnota – “voldoende open ruimte [zal zijn] om afvloeiend regenwater te laten infiltreren”.
  56. Voor het overige formuleren verzoekers een aantal bedenkingen inzake het eigendomsrecht van een deel van de “zone voor parking”, de afvoer van X-17.295-15/23 afvalwater, de bodem, de (geluids)hinder en de inplantingsplaats van de bouwzone, zonder concreet aannemelijk te maken dat het zou gaan om relevante negatieve effecten waaraan de plannende overheid onvoldoende aandacht zou hebben besteed. In het licht van het voorgaande, overtuigt deze – zeer algemeen geformuleerde – kritiek er niet van dat de aangevoerde rechtsregels geschonden zijn.
  57. De conclusie is dat verzoekers niet aannemelijk maken dat de plannende overheid, dan wel de dienst Mer zich gesteund zouden hebben op onjuiste feitelijke gegevens of dat niet in redelijkheid tot de conclusie kon worden gekomen dat het voorgenomen plan geen aanleiding geeft tot aanzienlijke negatieve milieugevolgen, zodat met een milieueffectscreening kon worden volstaan.
  58. Het derde, het vierde en het vijfde middel worden verworpen. D. Het zesde middel Uiteenzetting van het middel 38.
  59. In het zesde middel voeren verzoekers de schending aan van artikel 2.2.5, § 1, 3°, VCRO, evenals van het rechtzekerheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel. 38.
  60. Volgens verzoekers zijn de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP niet in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekere bewoordingen gesteld. 38.
  61. In een eerste middelonderdeel wijzen verzoekers er vooreerst op dat nergens is aangegeven hoeveel gebouwen er opgericht kunnen worden en waar ze exact zullen worden ingeplant. X-17.295-16/23 Verzoekers vervolgen dat het bestreden gemeentelijk RUP geen duidelijke voorschriften over de dakvorm bevat, aangezien die vrij kan worden ingevuld. 38.4.
  62. In een tweede middelonderdeel wordt aangeklaagd dat er geen stedenbouwkundige voorschriften zijn inzake de ontsluiting van het betrokken terrein voor het autoverkeer. Verzoekers hebben er het raden naar waar de ontsluiting zal worden aangelegd. 38.4.
  63. Bovendien werd er noch een plan-MER noch een mobiliteitseffectrapport opgemaakt om de nieuwe ontsluiting en de impact ervan op de omgeving te onderzoeken. 38.
  64. In het derde middelonderdeel wordt aangevoerd dat het bestreden gemeentelijk RUP geen enkele duidelijkheid verschaft over de aankoppeling van de nieuwe residentiële gebouwen aan de riolering en over de voor deze gebouwen aan te leggen nutsleidingen. Het is voor verzoekers geheel onduidelijk langs waar de bijkomende lozing van het afvalwater van de gebouwen zal verlopen.
  65. In hun memorie van wederantwoord wijzen verzoekers er op dat er geen formele overeenkomst bestaat waarin het provinciaal vormingscentrum toelating geeft om via zijn parking toegang te nemen tot het domein “Vierwinden”.
  66. In hun laatste memorie stellen verzoekers dat het van cruciaal belang is te weten waar de voor hen hinderlijke gebouwen precies zullen worden ingeplant. Beoordeling
  67. Het vereiste van voorspelbaarheid en nauwkeurigheid van stedenbouwkundige voorschriften verhindert niet dat deze voorschriften flexibel kunnen worden opgevat, noch dat deze binnen redelijke grenzen een bepaalde discretionaire bevoegdheid kunnen verlenen aan de vergunningverlenende X-17.295-17/23 overheden bij het beoordelen van een concrete aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning.
  68. Wat het eerste middelonderdeel betreft, moet vooreerst worden vastgesteld dat het bestreden gemeentelijk RUP de – in de deelzone 1A in te planten – bebouwing beperkt tot maximaal 2.500 m², dit is ongeveer 6 % van de oppervlakte van het plangebied “Vierwinden”. Bovendien schrijven de stedenbouwkundige voorschriften voor dat binnen deelzone 1A “een minimale afstand van 15m bewaard [wordt] t.o.v. de perceelsgrens” en is langs deze perceelsgrens een tien meter brede bufferstrook ingetekend. De enkele omstandigheid dat verzoekers de infrastructuur voor residentiële jeugdopvang hinderlijk vinden impliceert niet dat de voornoemde stedenbouwkundige voorschriften rechtsonzeker zouden zijn. Er wordt ook geen enkele onwettigheid aangetoond door het enkele feit dat – wat de dakvorm betreft – de stedenbouwkundige voorschriften er zich toe beperken voor te schrijven dat bij hellende daken “de dakhelling max. 60 graden” bedraagt en dat platte daken moeten bedekt worden met zonnepanelen of een groendak. Verzoekers overtuigen er niet van dat de uitgewerkte stedenbouwkundige voorschriften de aangevoerde rechtsregels zouden schenden. 43.
  69. Wat het tweede middelonderdeel betreft gaan verzoekers er, zoals vermeld (randnr. 31), aan voorbij dat de Smekenstraat de ontsluitingsweg is voor de auto’s van de gebruikers en bezoekers van de infrastructuur binnen het plangebied. Voor deze auto’s bevinden de in- en uitrit zich ter hoogte van de aan de Smekenstraat palende “zone voor parking”. De voorschriften voor deze zone bepalen onder meer het volgende: “3.1.
  70. Hoofdbestemming - Parking voor personenwagen […] 3.
  71. Inrichting In deze zone zijn alle werken toegelaten voor het inrichten van een parking. X-17.295-18/23 […] 3.2.
  72. Aanleg van de zone De delen van het terrein ingericht als toegang en oprit kunnen worden verhard. De verharding wordt tot een minimum beperkt. De bestaande, niet waterdoorlatende verharding op de parking kan als dusdanig behouden worden. De parkeerplaatsen worden in waterdoorlatende materialen aangelegd. Hemelwater moet kunnen infiltreren naast waterdichte verhardingen. Het niet-verharde deel van het terrein dient als een kwalitatief geheel van groene ruimte te worden aangelegd en als dusdanig gehandhaafd. Per 5 parkeerplaatsen wordt minimum 1 boom aangeplant. Minstens 10% van de terreinoppervlakte van deze zone wordt voorbehouden voor groen. Bij de inrichting van de parking wordt rekening gehouden met mogelijkheden voor een occasioneel multifunctioneel gebruik”. Wanneer het hiervoor geciteerde voorschrift – zoals het hoort – wordt gelezen in samenhang met het grafisch plan van het bestreden gemeentelijk RUP, bestaat er, anders dan verzoekers menen, geen rechtsonzekerheid inzake de ontsluiting voor het autoverkeer. Aan de voorgaande vaststelling wordt geen afbreuk gedaan door de louter op de toekomstige realisatie betrekking hebbende omstandigheid dat het provinciaal vormingscentrum – dat blijkbaar eigenaar is van een deel van de “zone voor parking” – nog geen toelating zou hebben verleend om gebruik te maken van haar terrein. 43.
  73. Wat betreft de in randnummer 38.4.2 aangehaalde argumentatie – die een herhaling is van onderdelen van het derde tot vijfde middel – wordt verwezen naar de beoordeling in de randnummers 29 tot 36 hiervoor.
  74. In hun derde middelonderdeel maken verzoekers geenszins aannemelijk dat de aangevoerde rechtsregels zouden meebrengen dat in het bestreden gemeentelijk RUP bepalingen zouden moeten worden opgenomen in verband met de aansluiting van de gebouwen op de riolering en andere nutsleidingen.
  75. Het zesde middel wordt verworpen. X-17.295-19/23 E. Het zevende middel Uiteenzetting van het middel 46.
  76. In het zevende middel voeren verzoekers de schending aan van artikel 1.1.4 VCRO, van het op 25 februari 2013 vastgestelde gemeentelijk RUP ‘gebied voor eengezinswoningen’ van de gemeente Malle (hierna: het gemeentelijk RUP van 2013), en van het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 46.
  77. Verzoekers betogen dat onterecht is afgeweken van het gemeentelijk RUP van
  78. Het bestreden gemeentelijk RUP laat immers – meer bepaald in de deelzone 1A – gebouwen voor residentiële jeugdopvang toe. De laatstgenoemde deelzone is evenwel gelegen in een zone waarbinnen het gemeentelijk RUP van 2013 meergezinswoningen verbiedt (hierna: de verbodszone van het gemeentelijk RUP van 2013). Beoordeling
  79. Het uitgangspunt van het middel is dat de deelzone 1A van het bestreden gemeentelijk RUP gelegen zou zijn in de verbodszone van het gemeentelijk RUP van
  80. Zoals is vastgesteld in het auditoraatsverslag – wat verzoekers in hun laatste memorie niet tegenspreken – is dit uitgangspunt onjuist. Het ingeroepen gemeentelijk RUP van 2013 is te dezen niet toepasselijk.
  81. Het zevende middel wordt verworpen. X-17.295-20/23 F. Het achtste middel Uiteenzetting van het middel 49.
  82. In het achtste middel voeren verzoekers de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet, evenals van het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 49.
  83. Verzoekers stellen dat hun tijdens het openbaar onderzoek ingediend bezwaarschrift niet afdoende is weerlegd. In hun bezwaarschrift hebben zij gewezen op de te verwachten hinder, de verkeers- en ontsluitingsproblematiek, de waterproblematiek en het overbodige karakter van de opname van het domein “Vierwinden” in het gemeentelijk RUP. Beoordeling
  84. In zoverre verzoekers in het achtste middel andere middelen herhalen, wordt verwezen naar de verwerping van die middelen hiervoor.
  85. Zoals is vastgesteld in het auditoraatsverslag – en wat verzoekers in hun laatste memorie niet tegenspreken – heeft de verwerende partij alle in verzoekers’ bezwaarschrift vervatte kritiek uitdrukkelijk beantwoord. Zo werd het bezwaar inzake de te verwachten hinder als volgt weerlegd: “De gemeenteraad stelt [vast] dat bebouwing wordt toegelaten op minimum 15 meter van de perceelsgrens, wat een gangbare afstand is. Tussen de zone voor openbaar nut en de percelen langs de Stijn Streuvelslaan wordt een groenbuffer met breedte van 10,00 meter voorzien die eventuele inkijk dient te vermijden. Deze groenbufferstrook van 10,00 meter lijkt deugdzaam inzake hinderaspecten, een groenbuffer kan op een strook van 10,00 meter voldoende kwalitatief gerealiseerd worden. Dit zeker omdat het RUP geen bovenmatig of uitzonderlijk hinderlijke activiteit beoogt op de site van Vierwinden. Het betreft een functie van openbaar nut voor de opvang voor jongeren met als doel hen een zinvolle dagbesteding en begeleiding te geven die verenigbaar is met een woonomgeving.” X-17.295-21/23 Verzoekers betrekken deze weerlegging niet bij hun middel, dat aldus gebrekkig geadstrueerd is. Uit hetgeen verzoekers aanvoeren blijkt niet dat hun bezwaarschrift niet afdoende beantwoord zou zijn.
  86. Het achtste middel wordt verworpen. V. Conclusie
  87. Gelet op de verwerping van alle middelen hiervoor, moet het beroep hoe dan ook worden verworpen. VI. Kosten
  88. Bij arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof de woorden “per verzoekende partij” vernietigd in artikel 4, § 4, eerste en derde lid, van de wet van 19 maart 2017 ‘tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand’, zoals het is ingevoegd bij de wet van 26 april
  89. Dit betekent dat de bijdrage, bedoeld in voormeld artikel slechts éénmaal is verschuldigd per verzoekschrift, ongeacht het aantal partijen. Bijgevolg is er aanleiding om de terugbetaling te bevelen van de onterecht betaalde bijdrage. BESLISSING
  90. De Raad van State verwerpt het beroep.
  91. Verzoekers worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van X-17.295-22/23 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De onterecht betaalde bijdrage ten bedrage van 20 euro dient te worden terugbetaald. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig december tweeduizend twintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.295-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.375 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.