id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.384 Rolnummer: A. 232362/XII-8999 Zaak: Arrest 249384 - Overheidsopdrachten - 30/12/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-01-04 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-20 01:50 Fiche Arrest nr 249.384 van 30 december 2020 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 249.384 van 30 december 2020 in de zaak A. 232.362/XII-8999 In zake: de NV REPROSOL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jo Raes en Gaëlle De Smet kantoor houdend te 9000 Gent Koningin Fabiolalaan 56/A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sofie Logie kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering De vordering, ingesteld op 2 december 2020, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van: “- De beslissing van de verwerende partij van 29 oktober 2020 […] waarbij de offerte van de NV Reprosol als onregelmatig werd beschouwd en de opdracht voor het leveren en plaatsen van binnensignalisatie en glasfolies in Vlaanderen wordt gegund aan Studiegroep Labyrint BVBA; - alsook de impliciete beslissing om de voormelde opdracht niet aan de NV Reprosol te gunnen.” II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. XII-8999-1/16 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 december 2020, om 11.15 uur. Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht. Advocaten Jo Raes en Gaëlle De Smet, die verschijnen voor de verzoekende partij, en advocaat Sofie Logie, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht voor leveringen uit met als voorwerp een raamovereenkomst van drie jaar voor “het leveren en plaatsen van binnensignalisatie en glasfolies”. De gunningswijze is de openbare procedure. De verwerende partij treedt op als aankoopcentrale in de zin van artikel 2, 6°, van de wet van 17 juni 2016 „inzake overheidsopdrachten‟ en dit ten aanzien van de entiteiten vermeld in artikel 1.2.1 van het bestek. De opdracht is opgedeeld in 3 percelen: - perceel 1: provincies Oost- en West-Vlaanderen; - perceel 2: provincies Antwerpen en Limburg; en - perceel 3: provincie Vlaams Brabant en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. XII-8999-2/16 De maximale waarde van de drie raamovereenkomsten samen wordt bepaald op 6.523.781,25 euro, btw niet inbegrepen. 3.2. De opdracht wordt op 14 mei 2020 gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen en op 18 mei 2020 in het Supplement op het Publicatieblad van de Europese Unie. 3.3. In het toepasselijk bestek nummer 2020/HFB/OP/57963 wordt onder titel “2.5 Opmaak offerte” het volgende bepaald: “2.5.4. Bewijsstukken handtekenbevoegdheid De inschrijver voegt de nodige documenten toe waaruit de bevoegdheid of machtiging blijkt van de persoon of personen die een elektronische handtekening plaatsen, om de onderneming te verbinden. De documenten waaruit de bevoegdheid blijkt, kunnen bestaan uit uittreksels van de statuten, een volmacht, etc. In geval van een volmacht moet de inschrijver tevens de bevoegdheid van de volmachtgever aantonen. Zie 2.6.3 voor meer informatie i.v.m. de elektronische ondertekening van de offerte.” Met betrekking tot de indiening van de offerte wordt onder meer gestipuleerd: “2.6.3 Ondertekening van offertes De inschrijver wordt er op gewezen dat zijn offerte, overgelegd via e-tendering, elektronisch ondertekend moet worden met een geldige gekwalificeerde elektronische handtekening. Een gescande handtekening is onvoldoende! De elektronische handtekening dient te worden geplaatst op het indieningsrapport in e-tendering. Deze elektronische handtekening moet uitgaan van de perso(o)n(
- en)die bevoegd of gemachtigd is/zijn om de inschrijver te verbinden. De inschrijver voegt tevens de nodige documenten toe waaruit de bevoegdheid blijkt om de onderneming te verbinden (zie 2.5.4). […].” 3.4. Blijkens het proces-verbaal van opening van de offertes van 25 juni 2020 worden voor de drie percelen zes offertes ingediend, waaronder die van de verzoekende partij, wiens offerte werd ondertekend door Lieve De Buyserie, “zaakvoerder Reprosol NV”. XII-8999-3/16 De verzoekende partij voegt bij haar offerte, wat de handtekeningsbevoegdheid voor de nv Reprosol betreft, de publicatie in de bijlage bij het Belgisch Staatsblad van 8 mei 2019 van een beslissing van de bijzondere algemene vergadering van de verzoekende partij van 1 april 2019 houdende het ontslag van twee bestuurders en de gedelegeerd bestuurder en de benoeming als bestuurder van Joke Raman en Lieve De Buyserie (stuk 5 bij haar offerte). 3.5. Met een e-mailbericht van 7 juli 2020 vraagt de verwerende partij aan de verzoekende partij de “statuten te bezorgen waaruit blijkt dat de ondertekenaar ook de bevoegdheid heeft om deze offerte te ondertekenen[.] Dit zijn de statuten waaruit de externe vertegenwoordigingsbevoegdheid blijkt”. Met een e-mailbericht van dezelfde dag antwoordt Lieve De Buyserie : “Jo Raman en ikzelf namen de firma Reprosol NV over vorig jaar, en zijn dus allebei voor 50% aandeelhouder, allebei zaakvoerders en bestuurders en hebben allebei de bevoegdheid om te ondertekenen.” Bij dit e-mailbericht voegt de verzoekende partij de statuten onder de vorm van de oprichtingsakte van 4 november 1994. De verwerende partij vraagt vervolgens opnieuw toelichting aan de verzoekende partij: “Echter hebben we nog een bijkomend document nodig waaruit blijkt dat een bestuurder die alleen optreedt, de bevoegdheid heeft om de onderneming ten aanzien van derden te vertegenwoordigen. Normaal staat dit in het oprichtingsbesluit of in de gecoördineerde statuten.” De verzoekende partij antwoordt hierop als volgt: “Zoals daarnet gevraagd kan je hierbij het originele oprichtingsbesluit vinden. Op pagina 4 artikel 11 kan je zien dat we allebei als bestuurder alleen kunnen ondertekenen.” Zij voegt hierbij opnieuw de oprichtingsakte. XII-8999-4/16 3.6. Per perceel wordt op 29 oktober 2020 een gunningsverslag opgesteld. In elk van de gunningsverslagen wordt de offerte van de verzoekende partij substantieel onregelmatig verklaard. Ook de offertes van de nv Actual Sign, de bv De Vries Projekt Design en de bvba Dantasy Foils worden als substantieel onregelmatig beschouwd en niet verder onderzocht. Enkel de offertes van de bvba Studiegroep Labyrint en de nv Sign & Display komen voor verdere beoordeling in aanmerking. Nadat de beide offertes in functie van de gunningscriteria worden vergeleken, wordt voorgesteld om de drie percelen te gunnen aan de bvba Studiegroep Labyrint als zijnde de inschrijver die de regelmatige meest economische offerte indiende. 3.7. Op 13 november 2020 beslist de verwerende partij om de gunningsverslagen voor de drie percelen goed te keuren en om de drie percelen te gunnen aan de bvba Studiegroep Labyrint. Het betreft de bestreden gunningsbeslissingen. IV. Ontvankelijkheid van de vordering 4. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om uitspraak te doen over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie ten aanzien van de impliciete beslissing om de opdracht niet te gunnen aan de verzoekende partij. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zou alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Schorsingsvoorwaarden 5.1. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende XII-8999-5/16 noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. 5.2. Te dezen is evenwel ook de wet van 17 juni 2013 „betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies‟ van toepassing. Krachtens artikel 15, eerste lid, van die wet kan de uitvoering worden geschorst van de thans bestreden beslissing in aanwezigheid van een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid. Overeenkomstig artikel 15, tweede lid, echter wordt de vordering tot schorsing voor de Raad van State uitsluitend ingesteld volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Er dient te dezen dan ook enkel nog te worden onderzocht of minstens één ernstig middel wordt aangevoerd, dan wel een klaarblijkelijke onwettigheid aanwezig is, die de nietigverklaring van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden. VI. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel 6. In een enig middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 2.6.3 van het bestek, de artikelen 7:93, 7:94 en 7:108 WVV, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟, het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het transparantiebeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het beginsel patere legem quam ipse fecisti en het materiëlemotiveringsbeginsel. XII-8999-6/16 Zij betoogt dat haar offerte overeenkomstig de voorwaarden van het bestek en het koninklijk besluit van 18 april 2017 „plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren‟ (hierna: koninklijk besluit plaatsing 2017) regelmatig werd ingediend en werd ondertekend door een bestuurder die over de bevoegdheid beschikt om de verzoekende partij te verbinden. Door (voor het eerst) in de bestreden beslissing te verwijzen naar de artikelen 42 tot 44 van het koninklijk besluit plaatsing 2017 en de daarin vermelde vereisten inzake de ondertekening van de offerte te toetsen, heeft de verwerende partij volgens de verzoekende partij voorwaarden toegevoegd aan de voorwaarden die waren opgenomen in het bestek met betrekking tot de geldige indiening van een offerte. Volgens de verzoekende partij motiveert de verwerende partij evenmin waarom de vermeende onregelmatigheid moet leiden tot de onregelmatigheid van de offerte van de verzoekende partij. Zij meent dat de offerte die een substantiële onregelmatigheid bevat, overeenkomstig artikel 76, §§ 1 tot 3, van het koninklijk besluit plaatsing 2017, slechts kan worden nietig verklaard wanneer de offerte van aard is de inschrijver een discriminerend voordeel te bieden, tot concurrentievervalsing aanleiding geeft, de beoordeling van de offerte van de inschrijver of de vergelijking ervan met de andere offertes verhindert of de verbintenis van de inschrijver om de opdracht onder de gestelde voorwaarden uit te voeren onbestaande, onvolledig of onzeker maakt. Dit zou volgens de verzoekende partij te dezen niet het geval zijn. Indien er al sprake zou zijn van een onregelmatigheid, verduidelijkt de verwerende partij niet waarom zij meende dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid zoals bepaald in artikel 11 van de statuten van de verzoekende partij inmiddels nog niet zou zijn herroepen of gedelegeerd. Uit de samenhang van artikel 11, laatste lid, van de statuten, de actuele bestuurders en de afwezigheid van een gedelegeerd bestuurder, en de invoering van het nieuwe WVV, diende de verwerende partij op ernstige wijze de voormelde handtekeningsbevoegdheid na te gaan. Volgens de verzoekende partij kon de verwerende partij niet op redelijke wijze besluiten haar offerte onregelmatig te verklaren, minstens diende zij dit enigszins te motiveren. Daarbij handelde de verwerende partij volgens haar XII-8999-7/16 evenmin op transparante en proportionele wijze, en met schending van het zuinigheidsbeginsel. In de toelichting verduidelijkt de verzoekende partij dat Lieve De Buyserie en Joke Raman sinds een beslissing van de algemene vergadering van 1 april 2019 elk beschikken over 50 % van de aandelen en als enige bestuurders zijn benoemd, terwijl de gedelegeerd bestuurder werd ontslagen. Deze beslissing van de algemene vergadering zou volgens haar indruisen tegen haar statuten aangezien daarin wordt bepaald dat de raad van bestuur uit ten minste drie leden bestaat. De beide bestuurders zouden de bedoeling gehad hebben om na hun benoeming de statuten aan te passen aan de gewijzigde situatie en de nieuwe wetgeving inzake vennootschappen. Door de Covid19-crisis hadden zij hier nog niet de nodige aandacht aan kunnen schenken en nog geen juridisch deskundige kunnen consulteren. In tussentijd zou artikel 11 van de statuten onzinnig geworden zijn aangezien dit geen verbetering inhoudt ten aanzien van de geldende wetgeving om de vennootschap geldig te verbinden. Vervolgens citeert de verzoekende partij uitvoerig een aantal theoretische uiteenzettingen uit de rechtsleer met betrekking tot het bestuur van vennootschappen. Statutaire beperkingen op de bestuursbevoegdheden van bestuurders en bestuursorganen, werden volgens haar in de rechtsleer steeds beschouwd als een interne aangelegenheid die niet aan derden kan worden tegengeworpen. Te dezen dient, volgens de verzoekende partij, de statutaire meerhandtekeningsclausule die niet bepaalt dat ze de algemene vertegenwoordiging betreft, terwijl de algemene vertegenwoordiging een grondvoorwaarde voor de geldigheid van dergelijke clausule betreft, als ongeldig te worden beschouwd. De raad van bestuur kan ook bepaalde machten overdragen aan één of meerdere personen van zijn keuze en deze machten herroepen. Op geen enkele wijze wordt in de statuten bepaald op welke wijze de raad van bestuur deze machten kan overdragen of herroepen. De beide bestuurders besturen de vennootschap te dezen gezamenlijk en bereiden alle handelingen van de vennootschap in overleg voor. Zij zouden reeds geruime tijd overeengekomen zijn XII-8999-8/16 dat de handtekening van één van de bestuurders voortaan volstaat om de vennootschap te binden. Ten slotte zet de verzoekende partij ook nog de nieuwe ontwikkelingen inzake het dagelijks bestuur van de vennootschap uiteen. Uit deze rechtsleer meent de verzoekende partij te mogen afleiden dat de wetgever uitdrukkelijk zou hebben willen voorzien in de mogelijkheid voor een bestuurder om de naamloze vennootschap te verbinden. Zij wijst ook op de inwerkingtreding van het nieuwe WVV waarvan de dwingende bepalingen vanaf 1 januari 2020 van toepassing zijn ook al hebben de bestaande vennootschappen en verenigingen hun statuten nog niet aangepast. Statutaire bepalingen die in strijd zijn met de dwingende bepalingen, worden vanaf die dag voor niet geschreven gehouden. De aanvullende bepalingen van het nieuwe wetboek zijn slechts van toepassing in zoverre zij niet door statuten worden uitgesloten. Dit alles leidt er volgens de verzoekende partij ook toe dat de verwerende partij als zorgvuldige overheid in het bestek toelichting had dienen te geven bij de wijze waarop gedateerde statuten zouden worden beoordeeld. Beoordeling 7. De artikelen 43 en 44 van het koninklijk besluit plaatsing 2017 – koninklijk besluit dat op de in het geding zijnde overheidsopdracht van toepassing is en dat overigens in het bestek uitdrukkelijk van toepassing is verklaard – luiden: “Art. 43. § 1. Behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten, moet het in artikel 42 bedoelde indieningsrapport ondertekend worden door middel van een gekwalificeerde elektronische handtekening. Art. 44. §1. De in artikel 43 bedoelde handtekeningen worden afgeleverd door de perso(o)n(
- en)die bevoegd of gemachtigd is/zijn om de inschrijver te verbinden. […] § 2. Als de ondertekening van het indieningsrapport gebeurt door een gemachtigde, vermeldt hij duidelijk zijn volmachtgever of volmachtgevers. De gemachtigde voegt de elektronische authentieke of onderhandse akte toe waaruit zijn bevoegdheid blijkt of een scan van het afschrift van zijn volmacht. […].” XII-8999-9/16 Dit wordt ook uitdrukkelijk opgenomen in de artikelen 2.5.4 en 2.6.3 van het bestek, zoals weergegeven sub randnummer 3.3. Artikel 76, § 1, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 bepaalt: “De aanbestedende overheid gaat na of de offertes regelmatig zijn. De offerte kan substantieel of niet substantieel onregelmatig zijn. Een offerte is substantieel onregelmatig wanneer ze van aard is de inschrijver een discriminerend voordeel te bieden, tot concurrentie- vervalsing te leiden, de beoordeling van de offerte van de inschrijver of de vergelijking ervan met de andere offertes te verhinderen, of de verbintenis van de inschrijver om de opdracht onder de gestelde voorwaarden uit te voeren onbestaande, onvolledig of onzeker te maken. De volgende onregelmatigheden worden met name als substantieel beschouwd : 1° de niet-naleving van het milieu-, sociaal of arbeidsrecht, voor zover deze niet-naleving strafrechtelijk gesanctioneerd wordt; 2° de niet-naleving van de vereisten bedoeld in de artikelen 38, 42, 43, § 1, 44, 48, § 2, eerste lid, 54, § 2, 55, 83 en 92 van dit besluit en in artikel 14 van de wet, voor zover zij verplichtingen bevatten ten aanzien van de inschrijvers; 3° de niet-naleving van de minimale eisen en de vereisten die als substantieel worden aangemerkt in de opdrachtdocumenten.” Overeenkomstig artikel 76, § 3, van hetzelfde besluit verklaart de aanbestedende overheid, wanneer wordt gebruikgemaakt van een openbare procedure, zoals te dezen, de substantieel onregelmatige offerte nietig. Anders dan de verzoekende partij het lijkt te zien, dient zij daarbij niet te onderzoeken of de offerte van aard is de inschrijver een discriminerend voordeel te bieden, tot concurrentievervalsing aanleiding geeft, de beoordeling van de offerte van de inschrijver of de vergelijking ervan met de andere offertes verhindert, of de verbintenis van de inschrijver om de opdracht uit te voeren onder de gestelde voorwaarden onbestaande, onvolledig of onzeker zou maken. Integendeel, wanneer een offerte behept is met een onregelmatigheid zoals bedoeld in het voormelde artikel 76, § 1, beschikt de aanbestedende overheid over geen enkele beoordelingsruimte en is zij verplicht deze offerte nietig te verklaren. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij betoogt, heeft de verwerende partij aldus geen voorwaarden toegevoegd die niet in de XII-8999-10/16 opdrachtdocumenten werden vermeld, door met toepassing van de artikelen 42 tot 44 van het koninklijk besluit plaatsing 2017 te onderzoeken of het indieningsrapport werd ondertekend door de persoon die bevoegd is om de inschrijver te verbinden. Er wordt aldus geen schending aangetoond van artikel 2.6.3 van het bestek, noch van het beginsel patere legem quam ipse fecisti, noch van het rechtszekerheidsbeginsel of het transparantiebeginsel. 8. Uit de oprichtingsakte en de statuten van 4 november 1994 blijkt dat de verzoekende partij werd opgericht als een rechtspersoon onder de vorm van een naamloze vennootschap. Zowel op grond van het oude Wetboek van Vennootschappen als op grond van het nieuwe WVV, wordt een naamloze vennootschap in beginsel ten aanzien van derden vertegenwoordigd door de raad van bestuur, die daarbij optreedt als een collegiaal orgaan. De statuten kunnen echter aan een of meer bestuurders de bevoegdheid verlenen om de vennootschap alleen of gezamenlijk te vertegenwoordigen. Een dergelijke vertegenwoordigingsclausule kan aan derden worden tegengeworpen wanneer de formaliteiten daartoe zijn vervuld. Artikel 11 van de voornoemde statuten, waar ook de verzoekende partij in haar e-mailbericht van 7 juli 2020 aan de verwerende partij uitdrukkelijk naar verwijst, luidt: “Artikel elf: externe vertegenwoordiging Elke akte, die de vennootschap verbindt, en elke volmacht moeten om geldig te zijn, ondertekend worden door de gedelegeerde bestuurder alleen of door twee bestuurders. De gedelegeerde bestuurder, alleen handelend, of twee bestuurders, gezamenlijk handelend, zijn derhalve bevoegd om de vennootschap in en buiten rechte te vertegenwoordigen en dienen ten opzichte van derden geen bewijs van voorafgaande machtiging uitgaande van de raad van bestuur te leveren. Bovendien is ze op geldige wijze vertegenwoordigd door bijzondere mandatarissen binnen de perken van hun mandaat. De raad van bestuur benoemt een gedelegeerde bestuurder. Hij bepaalt de bezoldiging van de gedelegeerde bestuurder die ten laste komt van de algemene kosten. De raad van bestuur kan bepaalde machten overdragen aan één of meer personen van zijn keuze en deze machten herroepen.” XII-8999-11/16 In deze statuten is bijgevolg een één- en meerhandtekeningsclausule opgenomen waaruit volgt dat de vennootschap geldig wordt vertegenwoordigd door de gedelegeerd bestuurder die alleen handelt of door twee bestuurders die gezamenlijk handelen. Volgens de benoemingsakte van 1 april 2019, die de verzoekende partij bij haar offerte voegde, werd Lieve De Buyserie benoemd als bestuurder in de vennootschap, niet als gedelegeerd bestuurder. Op grond van de voornoemde statutaire bepaling kan zij de vennootschap bijgevolg alleen optredend niet vertegenwoordigen. In elk van de gunningsverslagen per perceel, die integraal deel uitmaken van de bestreden gunningsbeslissingen, wordt de offerte van de verzoekende partij substantieel onregelmatig verklaard als volgt: “Het indieningsrapport werd niet ondertekend door de hiervoor bevoegde personen. Volgens de statuten kan de inschrijver enkel rechtsgeldig ten aanzien van derden verbonden worden door middel van een gedelegeerd bestuurder die alleen optreedt of twee bestuurders die gezamenlijk optreden. In dit geval ondertekende slechts één bestuurder het indieningsrapport. Derhalve is de offerte substantieel onregelmatig overeenkomstig art. 76, §1, lid 4, 2° KB Plaatsing.” Aldus wordt in de bestreden beslissingen uiteengezet waarom de verwerende partij heeft geoordeeld dat het indieningsrapport niet werd ondertekend door de bevoegde persoon en hoe dit op grond van de toepasselijke regelgeving leidt tot de nietigheid van de offerte. Deze veruitwendigde motieven lijken op het eerste gezicht de beslissing afdoende te dragen, zowel in feite als in rechte. De verzoekende partij toont op het eerste gezicht bijgevolg geen schending aan van de formelemotiveringsplicht, noch van het materieelmotiveringsbeginsel, het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel. 9. Voor zover de verzoekende partij eveneens de schending aanvoert van de in het middel aangehaalde beginselen en de artikelen 7:93, 7:94 en XII-8999-12/16 7:108 WVV, en daarbij uitvoerig verwijst naar rechtsleer betreffende vennootschapsrechtelijke kwesties, lijkt dit middel zich op het eerste gezicht niet te lenen tot een onderzoek in het kader van een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Het hierna volgende onderzoek is dan ook beperkt tot wat zich in het betoog van de verzoekende partij prima facie als duidelijke grieven aandient. Ook het respect voor de rechten van de verdediging vereist dat de vaak onsamenhangende uiteenzetting van de verzoekende partij begrepen wordt zoals de aangevoerde grieven op het eerste gezicht in hun essentie kunnen worden begrepen en zoals de verwerende partij ze heeft kunnen begrijpen. Zoals de verwerende partij terecht aanvoert, komt het aan de verzoekende partij toe om de vennootschapswetgeving na te leven. Indien zij dit niet doet, dan kan zij niet aan de verwerende partij ten kwade duiden dat deze heeft geoordeeld op grond van de documenten die de verzoekende partij zélf voorlegde. In de mate dat de verzoekende partij van oordeel was dat Lieve De Buyserie bevoegd was om als bestuurder alleen te tekenen, in weerwil van de meerhandtekeningsclausule zoals geformuleerd in haar statutaire bepalingen en omwille van de redenen die ze nu aanhaalt in haar verzoekschrift, stond het aan de verzoekende partij als zorgvuldige inschrijver om dit toe te lichten aan de verwerende partij en de nodige documenten ter ondersteuning van deze vermeende ondertekeningsbevoegdheid bij haar offerte te voegen. Bijgevolg lijkt de verzoekende partij op het eerste gezicht niet de onrechtmatigheid van de bestreden beslissing te kunnen aanvoeren op grond van het feit dat haar eigen statuten niet (meer) zouden voldoen aan de vennootschapswetgeving. 10. Bovendien lijkt de uiteenzetting van de verzoekende partij waarbij zij aanvoert dat uit artikel 11, laatste lid, van de statuten en de invoering van het nieuwe WVV zou volgen dat de statutaire meerhandtekeningsclausule ongeldig zou zijn, op het eerste gezicht juridisch niet correct. De statuten van 4 november 1994 van de verzoekende partij lijken immers, wat de vertegenwoordigingsbevoegdheid betreft, op het eerste gezicht eveneens aan het nieuwe WVV te voldoen. XII-8999-13/16 Artikel 7:85 WVV bepaalt dat de raad van bestuur in beginsel optreedt als een collegiaal orgaan, dat overeenkomstig artikel 7:93, § 2, WVV bevoegd is om de vennootschap te vertegenwoordigen jegens derden met inbegrip van de vertegenwoordiging in rechte. De statuten kunnen aan een of meer bestuurders de bevoegdheid verlenen om de vennootschap alleen of gezamenlijk te vertegenwoordigen. Artikel 7:94 WVV bepaalt dat de vennootschap is verbonden door de handelingen van de raad van bestuur, van de bestuurders en van de personen aan wie het dagelijks bestuur is opgedragen die overeenkomstig artikel 7:93, § 2, de bevoegdheid hebben om haar te vertegenwoordigen, zelfs indien die handelingen buiten haar voorwerp liggen, tenzij de vennootschap bewijst dat de derde daarvan op de hoogte was of er, gezien de omstandigheden, niet onkundig van kon zijn. Dat de clausule in artikel 11 van de statuten waarbij de vertegenwoordigingsbevoegdheid middels de één- en meerhandtekeningsclausule wordt toevertrouwd aan de gedelegeerd bestuurder alleen optredend of aan twee bestuurders gezamenlijk optredend, momenteel geen verbetering zou inhouden en dus geen nuttige afwijking zou vormen ten opzichte van de wettelijke regeling, lijkt niets af te doen aan de geldigheid van deze clausule, evenmin als de omstandigheid dat het bestuur van de verzoekende partij momenteel niet in overeenstemming met de statuten zou zijn samengesteld. Dat de verzoekende partij de intentie had om haar statuten te wijzigen en dat de bestuurders dit al “onderling overeengekomen” zouden zijn, doet uiteraard niets af aan de geldigheid van de statutaire bepalingen zoals deze volgens de geëigende procedure zijn vastgesteld en bekendgemaakt. 11. De theoretische beschouwingen in het verzoekschrift over de ontwikkeling en de codificatie van het begrip “dagelijks bestuur” in het nieuwe wetboek lijken op het eerste gezicht evenmin relevant. De verzoekende partij betwist niet dat Lieve De Buyserie, die het indieningsrapport ondertekende, werd benoemd als bestuurder en niet als gedelegeerd bestuurder. Bijgevolg beschikt zij alleen handelend niet over de bevoegdheid om de vennootschap te vertegenwoordigen ten aanzien van derden en XII-8999-14/16 is de vennootschap in toepassing van artikel 7:94 WVV niet verbonden door handelingen die Lieve De Buyserie alleen handelend stelde. Ten slotte valt niet onmiddellijk in te zien waarom het gegeven dat in de meerhandtekeningsclausule van artikel 11 van de statuten niet uitdrukkelijk wordt vermeld dat een algemene vertegenwoordigingsbevoegdheid wordt toegekend aan twee bestuurders die gezamenlijk optreden, deze meerhandtekeningsclausule onwettig zou maken. Voorts, aangezien Lieve De Buyserie alleen handelend niet over de bevoegdheid beschikt om de vennootschap te vertegenwoordigen ten aanzien van derden, lijkt op het eerste gezicht evenmin het argument dat statutaire beperkingen aan de bevoegdheden van de twee bestuurders niet aan derden zouden kunnen worden tegengeworpen, te dezen relevant. In ieder geval lijkt de verzoekende partij op het eerste gezicht geen belang te hebben bij een vermeende onwettigheid van de statutaire meerhandtekeningsclausule. Deze onwettigheid lijkt er immers op het eerste gezicht toe te moeten leiden dat alsdan de wettelijke vertegenwoordigingsbevoegdheid van de raad van bestuur als collegiaal orgaan geldt en niet dat Lieve De Buyserie als bestuurder de vennootschap alleen kan vertegenwoordigen ten aanzien van derden. 12. Gelet op de voornoemde overwegingen, moet worden geoordeeld dat geen schending van de in het middel ingeroepen bepalingen en beginselen aannemelijk is gemaakt. Het enig middel is niet ernstig. VII. Besluit 13. Het enig middel is niet ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dient dan ook te worden verworpen. XII-8999-15/16 BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt de vordering. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig december tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Patricia De Somere, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Patricia De Somere XII-8999-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.384 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div