id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.394 Rolnummer: Zaak: Arrest 249394 - ION - Aanwerving en loopbaan - 31/12/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-01-14 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-20 01:50 Fiche Arrest nr 249.394 van 31 december 2020 Openbaar ambt - ION - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping heropening debatten Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 249.394 van 31 december 2020 in de zaken A. 219.444/IX-8877 (I) A. 223.966/IX-9195 (II) In zake: I.+II. Hendrik BUCKINX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carine Flamend kantoor houdend te 1930 Zaventem Leuvensesteenweg 510 bus 32 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: I.+II. de NV VLAAMSE WATERWEG, voorheen de nv Waterwegen en Zeekanaal bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gitte Laenen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: I.+II. Charley VALLET bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Stommels en Jan Fransen kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 220 bus 14 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de beroepen
- Het beroep in de zaak A. 219.444/IX-8877, ingesteld op 6 juni 2016, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gedelegeerd IX-8877-1/19 bestuurder van de nv Waterwegen en Zeekanaal, zoals meegedeeld bij brief van 4 april 2016, om de kandidatuur van Hendrik Buckinx voor de functie van directieadviseur bij de stafdiensten niet verder in aanmerking te nemen. In de voornoemde zaak heeft Hendrik Buckinx op 25 november 2019 een verzoek tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel ingediend.
- Het beroep in de zaak A. 223.966/IX-9195, ingesteld op 11 december 2017, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gedelegeerd bestuurder van de nv Waterwegen en Zeekanaal van 13 oktober 2017 waarbij Charley Vallet met uitwerking vanaf 22 september 2017 wordt benoemd in de graad van adviseur, alsook van de beslissing van de gedelegeerd bestuurder van 1 april 2016 waarbij Charley Vallet met ingang van 1 mei 2016 wordt toegelaten tot de proeftijd in de graad van adviseur. II. Verloop van de rechtspleging
- In beide zaken heeft de verwerende partij een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij een memorie van wederantwoord. Charley Vallet heeft in beide zaken een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikkingen van respectievelijk 9 augustus 2019 en 10 april
- De tussenkomende partij heeft in beide zaken een memorie ingediend. Auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld in de zaak A. 219.444/IX-
- Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld in de zaak A. 223.966/IX-
- IX-8877-2/19 De verzoekende partij, de verwerende partij en de tussenkomende partij hebben in beide zaken een laatste memorie ingediend. De partijen zijn in beide zaken opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 november
- Staatsraad Bert Thys heeft in beide zaken verslag uitgebracht. Advocaat Gauthier Baudts, die loco advocaat Carine Flamend verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Wouter Rubens, die loco advocaat Gitte Laenen verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Jan Fransen, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn in beide zaken gehoord. Eerste auditeur Melissa Celis heeft advies gegeven in de zaak A. 219.444/IX-
- In de zaak A. 223.966/IX-9195 heeft zij een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 4.
- In december 2015 start de verwerende partij een selectieprocedure voor de statutaire invulling van de functie van directieadviseur bij haar stafdiensten. 4.
- Het selectiereglement voorziet in de volgende selectieprocedure: - een cv-screening; IX-8877-3/19 - een oriënterend interview, dat peilt naar de inpasbaarheid binnen de organisatie, de motivatie van de kandidaat voor de functie en diens communicatieve vaardigheden. Het toetst de wederzijdse verwachtingen, alsook de gevraagde relevante kennis en ervaring. De kandidaten krijgen een beoordeling „geschikt‟ of „niet geschikt‟. Om verder te mogen gaan in de procedure dienen zij een beoordeling „geschikt‟ te verkrijgen; - een generiek gedeelte, dat een criteriumgericht interview, een persoonlijkheidsvragenlijst, redeneerproeven en een analyse- en presentatieoefening omvat. De waardegebonden en gedragscompetenties worden gemeten, met uitzondering van „visie (conceptueel denken)‟ en „organisatiebetrokkenheid‟. De kandidaten krijgen een beoordeling „geschikt‟ of „niet geschikt‟. Om verder te mogen gaan in de procedure dienen zij wederom een beoordeling „geschikt‟ te verkrijgen. De kandidaten die slagen voor dit gedeelte, genieten een vrijstelling gedurende zeven jaar; - een functiespecifiek gedeelte, bestaande uit een jurygesprek, tijdens hetwelk de vaktechnische kennis, de inpasbaarheid binnen het team, het zelfstandig werken, de motivatie en de competenties „visie‟ en „organisatiebetrokkenheid‟ worden besproken. Kandidaten krijgen een beoordeling „geschikt‟ of „niet geschikt‟. Uit de geschikte kandidaten wordt de meest geschikte kandidaat gekozen. Deze keuze wordt gemotiveerd. Er wordt geen rangschikking opgemaakt, maar wel een wervingsreserve aangelegd. Met betrekking tot de wervingsreserve bepaalt het selectiereglement: “De geschikte kandidaten van het functiespecifieke gedeelte worden opgenomen in een wervingsreserve die 2 jaar geldig blijft, maar verlengbaar is. De datum van het proces-verbaal van het jurygesprek bepaalt de einddatum van de reserve. Op deze aangelegde reserve kan voor deze functie een beroep worden gedaan. In dit geval kunnen de geïnteresseerde kandidaten opgeroepen worden voor een bijkomend gesprek. De kandidaten behouden hun plaats in de reserve bij weigering van een aanbod.” 4.
- Verzoeker stelt zich kandidaat. IX-8877-4/19 4.
- Op 22 januari 2016 heeft het verkennend gesprek met verzoeker plaats. De senior consultant van het selectiebureau waarop een beroep wordt gedaan, oordeelt dat verzoeker “[v]oldoet om toegelaten te worden tot de volgende stap in de selectieprocedure”. 4.
- Op 10 februari 2016 neemt verzoeker deel aan het generiek gedeelte van de selectieprocedure. Daartoe vult hij de persoonlijkheidsvragenlijst in, neemt hij deel aan het criteriumgericht interview en maakt hij de analyse- en presentatieoefening. Hij legt tevens de redeneerproeven af. 4.
- In het rapport van het selectiebureau over het generiek gedeelte van de selectieprocedure luidt de eindbeoordeling van verzoeker als volgt: “Op basis van dit onderzoek vinden we de heer Buckinx niet geschikt voor deze functie als Directieadviseur bij Waterwegen & Zeekanaal, afdeling Stafdiensten. Hij weet over het geheel van de tests en oefeningen heen weliswaar te demonstreren dat hij een loyaal en betrouwbaar medewerker is, die terdege met de organisatie mee denkt qua verbetering en zich geheel inzet om voor zijn klanten de best mogelijke dienstverlening uit te bouwen, maar anderzijds te weinig voor een evenwichtige onderlinge afstemming of samenwerking zorgt en door zijn reacties op wat anderen doen spanningen kan doen escaleren. Zijn benadering van complexe uitdagingen waarbinnen hij als drijvende kracht de resultaten dient te verzekeren, behelst bovendien een aantal risico‟s wanneer hij voor het ene luik alleen obstakels ziet en voor andere zaken te weinig zelf de nodige acties ontplooit. Zijn methode om een veelheid aan informatie te structureren, steunt tot slot te weinig op onderliggende analytische vaardigheden en correcte inzichten in oorzakelijke verbanden op structureel niveau.” 4.
- Met een e-mailbericht van 16 februari 2016 deelt het selectiebureau aan verzoeker mee dat na zorgvuldige evaluatie van het assessment center werd besloten om zijn kandidatuur voor de functie van directieadviseur bij de verwerende partij niet verder in aanmerking te nemen. 4.
- Op 1 april 2016 beslist de gedelegeerd bestuurder van de verwerende partij dat de tussenkomende partij met ingang van 1 mei 2016 wordt IX-8877-5/19 toegelaten tot de proeftijd in de graad van adviseur met een duurtijd van twaalf maanden. Dit is de tweede bestreden beslissing in de zaak A. 223.966/IX-
- 4.
- Met een brief van 4 april 2016 deelt de gedelegeerd bestuurder van de verwerende partij aan verzoeker mee: “Wij danken u voor uw deelname aan de externe wervingsprocedure voor de functie van directieadviseur binnen de stafdiensten van Waterwegen en Zeekanaal nv. Helaas kunnen wij u op basis van uw resultaten van het assessment niet verder weerhouden in deze procedure. Deze beslissing betreft enkel de hierboven vermelde functie. Wij stellen uw intrinsieke capaciteiten zeker niet in vraag, vandaar dat wij bereid blijven uw kandidatuur bij volgende gelegenheden opnieuw in overweging te nemen. U kunt feedback vragen over uw testresultaten, indien u dit wenst [...]. Feedback kan aangevraagd worden tot maximaal zes maanden na afloop van de procedure.” Verzoeker leest hierin de beslissing die hij tot voorwerp maakt van zijn beroep in de zaak A. 219.444/IX-
- 4.
- Op 13 oktober 2017 beslist de gedelegeerd bestuurder van de verwerende partij om de tussenkomende partij te benoemen in de graad van adviseur met uitwerking vanaf 22 september
- Dit is de eerste bestreden beslissing in de zaak A. 223.966/IX-
- IV. Verzoek tot uitbreiding van het voorwerp van het beroep in de zaak A. 219.444/IX-8877
- In zijn memorie van wederantwoord in de zaak A. 219.444/IX- 8877 vraagt verzoeker de uitbreiding van het voorwerp van zijn beroep tot de IX-8877-6/19 beslissing van de gedelegeerd bestuurder van de verwerende partij van 1 april 2016 waarbij de tussenkomende partij met ingang van 1 mei 2016 wordt toegelaten tot de proeftijd in de graad van adviseur. Zoals hiervóór sub 4.8 vermeld, is die beslissing tevens het tweede voorwerp van zijn beroep in de zaak A. 223.966/IX-
- Of de vraag van verzoeker tot uitbreiding van het voorwerp van zijn beroep in de zaak A. 219.444/IX-8877 tijdig is gesteld, zal hierna worden onderzocht bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van zijn beroepen. V. Samenvoeging van de zaken
- Alleen al uit de zo-even gegeven uiteenzetting van de feitelijke gegevens van de beide zaken blijkt dat de zaken verknocht zijn – verzoeker bestrijdt in beide zaken onder meer dezelfde beslissing tot benoeming van de tussenkomende partij op proef in de graad van adviseur – zodat het aangewezen is dat ze met toepassing van artikel 60 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟ worden samengevoegd. VI. Ontvankelijkheid van de beroepen A. Ontvankelijkheid ratione temporis van het verzoek tot uitbreiding van het voorwerp van het beroep in de zaak A. 219.444/IX-8877 Standpunt van verzoeker
- Verzoeker betoogt in zijn memorie van wederantwoord in de zaak A. 219.444/IX-8877 dat de termijn om een beroep tot nietigverklaring in te stellen tegen de beslissing van de gedelegeerd bestuurder van 1 april 2016 om de tussenkomende partij met ingang van 1 mei 2016 toe te laten tot de proeftijd in de IX-8877-7/19 graad van adviseur, is beginnen te lopen vanaf de dag dat hij van die beslissing kennis heeft genomen, namelijk vanaf 6 september 2016 toen hij de memorie van antwoord van de verwerende partij heeft ontvangen. Voorheen wist hij alleen dat “[de tussenkomende partij] (tijdelijk) de taken van directieadviseur op zich had genomen” en had hij de indruk dat betrokkene dat deed als externe medewerker. Verzoeker stelt dat hij de mededeling daarover op het intranet niet heeft gezien en dat redelijkerwijze ook niet anders van hem kan worden verwacht. De verwerende partij weet volgens hem heel goed dat de mededelingen op het intranet niet worden opgevolgd door haar personeel. Belangrijke aankondigingen worden ook per brief opgestuurd, maar de benoeming van de tussenkomende partij is hem niet ter kennis gebracht. Ook heeft de verwerende partij hem niet in kennis gesteld van de mogelijkheid om een klacht in te dienen of een beroep bij de Raad van State in te stellen. Verzoeker betoogt voorts dat “hij de situatie enigszins opvolgde en de nodige opzoekingen had gedaan over [de tussenkomende partij]”. Uit de eigen website van de tussenkomende partij bleek dat zij werkzaam was als advocaat en “hier en daar” als externe medewerker. Hij heeft deze website midden mei 2016 nog geconsulteerd en toen stond de tussenkomende partij nog vermeld als advocaat en extern consultant, terwijl zij reeds aan haar proefperiode was begonnen. Thans is die website offline, maar ze was nog minstens tot 17 mei 2016 consulteerbaar. Het is daarenboven een courante praktijk van de verwerende partij om een beroep te doen op externe medewerkers, zodat hij rechtmatig ervan mocht uitgaan dat de tussenkomende partij als externe consultant werkte. Tijdens zijn diverse gesprekken en e-mails met de verwerende partij over de selectieprocedure is bovendien nooit vermeld dat er iemand anders benoemd zou zijn geweest, zo voegt verzoeker er nog aan toe. IX-8877-8/19 Hij besluit dat hij in tempore non suspecto wel degelijk initiatieven heeft genomen om uit te zoeken wat zijn juridische positie en mogelijkheden waren om alsnog in aanmerking te komen voor de vacante betrekking, dat hij pas op 6 september 2016 kennis kreeg van de beslissing tot benoeming van de tussenkomende partij en dat het tegen deze beslissing gerichte beroep in zijn memorie van wederantwoord tijdig is.
- In zijn laatste memorie verwijst verzoeker ter staving van zijn standpunt dat het intranet “nauwelijks wordt gebruikt door de werknemers” naar “de fusieflash inzake de resultaten van een seminarie over de fusie van verwerende partij, die op 27 januari 2017 werd gepubliceerd op het intranet van verwerende partij”, terwijl gelijktijdig naar elke medewerker een e-mail werd verzonden met dezelfde tekst. Hij ziet hierin een bevestiging “dat het intranet door verwerende partij zelf niet ernstig genomen wordt als communicatiemiddel”. Voorts stelt hij dat van de verwerende partij mag worden verwacht dat zij op een loyale wijze communiceert, maar dat zij hem in deze selectieprocedure systematisch cruciale informatie heeft onthouden. Zo heeft hij pas op 5 april 2016, na meerdere e-mails, formeel kennis gekregen van zijn niet-selectie, met vermelding van de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State en werd hij pas op 25 april 2016 geïnformeerd over de interne klachtenmogelijkheid. Volgens verzoeker heeft de verwerende partij “haar beleid van systematisch onthouden van informatie” ook na april 2016 voortgezet. Standpunt van de verwerende partij en van de tussenkomende partij
- In navolging van het auditoraatsverslag, waarvan de conclusies ook door de tussenkomende partij worden bijgevallen, werpt de verwerende partij in haar laatste memorie onder meer op dat verzoeker “enkel gerechtigd zou zijn te verzoeken om deze (bijkomende-) vernietiging binnen de termijn die gesteld is om een beroep tot nietigverklaring in te stellen”, maar dat hij dit in zijn memorie van wederantwoord laattijdig doet. IX-8877-9/19 Zij argumenteert dat verzoeker uiterlijk sinds 2 mei 2016 op de hoogte was van de beslissing om de tussenkomende partij op proef tot adviseur te benoemen of minstens daarvan op de hoogte diende te zijn, gelet op de bekendmaking ervan op het intranet. Verzoekers bewering dat hij slechts op 6 september 2016 kennis heeft genomen van de bijkomend bestreden beslissing is volgens de verwerende partij ongeloofwaardig, aangezien de tussenkomende partij al van bij de aanvang van haar proeftijd op de werkvloer aanwezig was en in die hoedanigheid ook met verzoeker samenwerkte. Zo werd minstens op 2 mei 2016 tussen verzoeker en de tussenkomende partij e-mailcorrespondentie gevoerd waarin laatstgenoemde zich op een niet mis te verstane wijze liet kennen als directieadviseur. De tussenkomende partij heeft bovendien vanaf haar indiensttreding een voorstellings- en informatieronde gehouden onder de personeelsleden, waarbij zij met verzoeker gesprekken heeft aangeknoopt over de overdracht van een dossier. De verwerende partij leidt uit “al deze omstandigheden” af dat verzoeker niet geredelijk kan betwisten dat hij kort na de indiensttreding van de tussenkomende partij kennis had of diende te hebben van haar toelating tot de proeftijd. Indien het zo zou zijn dat verzoeker pas op 6 september 2016 kennis heeft genomen van de beslissing van de gedelegeerd bestuurder van 1 april 2016 om de tussenkomende partij op proef te benoemen tot adviseur, dan is dit volgens haar “te wijten aan een – wetens én willens – gebrek aan eigen waakzaamheid”. Het feit dat verzoeker de beslissing van 1 april 2016 bij de Raad van State heeft bestreden met een afzonderlijk verzoekschrift doet geen afbreuk aan “deze vastgestelde laattijdigheid”, aangezien dat verzoekschrift van nog latere datum is dan zijn vraag tot uitbreiding van het voorwerp van het beroep in de zaak A. 219.444/IX-
- IX-8877-10/19 Beoordeling
- Verzoeker vraagt in zijn inleidend verzoekschrift in de zaak A. 219.444/IX-8877 de nietigverklaring van de beslissing van de gedelegeerd bestuurder van de verwerende partij, zoals meegedeeld bij brief van 4 april 2016, om zijn kandidatuur voor de functie van directieadviseur bij de stafdiensten niet verder in aanmerking te nemen in de selectieprocedure. Hij vermag wanneer hij in de loop van de procedure voor de Raad van State kennis krijgt van de eindbeslissing van de complexe administratieve verrichting, waarvan de voormelde beslissing om zijn kandidatuur niet verder in aanmerking te nemen deel uitmaakt, de uitbreiding te vragen van het voorwerp van zijn beroep tot die eindbeslissing, in dit geval de beslissing van de gedelegeerd bestuurder van 1 april 2016 waarbij de tussenkomende partij met ingang van 1 mei 2016 tot de proeftijd in de graad van adviseur wordt toegelaten. Verzoeker moet evenwel, opdat zijn vraag ontvankelijk zou zijn, de uitbreiding van het voorwerp van zijn beroep vragen binnen de beroepstermijn die voor hem daartoe openstaat.
- Overeenkomstig artikel 4, § 1, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟ verjaren de beroepen tot nietigverklaring zestig dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen werden bekendgemaakt of betekend. Indien ze noch bekendgemaakt, noch betekend dienen te worden, gaat de termijn in met de dag waarop de verzoekende partij er kennis van heeft gehad.
- De verwerende partij voert aan dat de beslissing van de gedelegeerd bestuurder van 1 april 2016 waarbij de tussenkomende partij wordt toegelaten tot de proeftijd in de graad van adviseur, op 2 mei 2016 werd bekendgemaakt op haar intranet. Zij wijst evenwel geen normatieve bepaling aan die haar tot een dergelijke bekendmaking verplicht, noch toont zij aan dat er bij IX-8877-11/19 haar een vast gebruik bestaat om dergelijke beslissingen op een voor haar personeel genoegzaam bekende en voldoende toegankelijke wijze op het intranet bekend te maken. Er kan dan ook niet zonder meer worden aangenomen dat het personeel van die bekendmaking kennis diende te hebben en dat, in dit geval, de bekendmaking van de voormelde beslissing van de gedelegeerd bestuurder van 1 april 2016 op het intranet voor verzoeker de beroepstermijn om daartegen een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State in te stellen, heeft doen ingaan. De voormelde beslissing diende aan verzoeker ook niet te worden betekend. Er moet dan ook worden besloten dat de beroepstermijn voor verzoeker begon te lopen vanaf het ogenblik dat hij feitelijk kennis had van de beslissing of hij minstens, in alle redelijkheid, geacht moet worden er feitelijke kennis van te hebben gehad. De regeling van artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, betreffende het uitstel van de aanvang van de verjaringstermijn, is dan niet van toepassing.
- Met de verwerende partij moet worden vastgesteld dat de tussenkomende partij vanaf 2 mei 2016 effectief werkt als directieadviseur. Verzoeker heeft dit overigens opgemerkt, zoals hij in zijn memorie van wederantwoord toegeeft. Volgens hem had hij evenwel de indruk dat de tussenkomende partij slechts tijdelijk die taken op zich nam als externe medewerker. Hoe hij tot die “indruk” kwam, verduidelijkt hij ternauwernood. Verzoekers bewering dat hij dit zou hebben afgeleid uit de website van de tussenkomende partij kan alleszins niet overtuigen. Het moest voor verzoeker immers in de rede liggen dat de tewerkstelling van de tussenkomende partij het resultaat was van de selectieprocedure die zopas had plaatsgevonden en waaruit zijn eigen kandidatuur was geweerd. Indien verzoeker daarover twijfel zou hebben gehad, dan lag het op zijn weg om waakzaam te zijn en uitsluitsel IX-8877-12/19 daarover te vragen aan de verwerende partij. Het blijkt evenwel niet dat hij daartoe enig initiatief heeft genomen. Nochtans mag diegene die het bestaan van een beslissing kent of redelijkerwijze moet kennen niet naar eigen goeddunken het verkrijgen van de kennis ervan uitstellen en op die manier door eigen toedoen de aanvang van de beroepstermijn bij de Raad van State vertragen. Zulks zou immers niet te verenigen zijn met het karakter van openbare orde van de beroepstermijn en met de vereiste van elementaire stabiliteit en zekerheid in de rechtsverhoudingen die aan dat karakter ten grondslag ligt. Een dergelijke ongeoorloofde vertraging moet aan verzoeker worden toegeschreven wanneer hij pas in zijn memorie van wederantwoord van 3 november 2016 – en dus zes maanden na zijn kennismaking met de indiensttreding van de tussenkomende partij bij de verwerende partij, de beslissing van de gedelegeerd bestuurder om de tussenkomende partij toe te laten tot de proeftijd in de graad van adviseur heeft aangevochten. Verzoekers vraag om het voorwerp van zijn beroep in de zaak A. 219.444/IX-8877 uit te breiden tot die beslissing is dan ook laattijdig en bijgevolg onontvankelijk. B. Ontvankelijkheid ratione temporis van het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 223.966/IX-9195
- In de zaak A. 223.966/IX-9195 vordert verzoeker eveneens de nietigverklaring van de beslissing van de gedelegeerd bestuurder van de verwerende partij van 1 april 2016 waarbij de tussenkomende partij met ingang van 1 mei 2016 wordt toegelaten tot de proeftijd in de graad van adviseur. Om dezelfde redenen als hiervóór sub 14 uiteengezet, is de door de verwerende partij en de tussenkomende partij ook in die zaak opgeworpen exceptie van onontvankelijkheid ratione temporis van het beroep voor zover het tegen de voormelde beslissing van de gedelegeerd bestuurder gericht is, gegrond. IX-8877-13/19
- Het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 223.966/IX-9195, dat pas op 11 december 2017 werd ingesteld – meer dan anderhalf jaar na de bestreden toelating tot de proeftijd van de tussenkomende partij – is in zoverre niet ontvankelijk en dient in zoverre te worden verworpen. C. Ontvankelijkheid ratione personae van het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 223.966/IX-9195 Exceptie
- De tussenkomende partij werpt in haar memorie in de zaak A. 223.966/IX-9195 onder meer op dat verzoeker geen voordeel kan halen uit zijn beroep in die zaak, omdat hij dit beroep laattijdig heeft ingesteld tegen de beslissing van de gedelegeerd bestuurder van 1 april 2016 waarbij zij wordt toegelaten tot de proeftijd, zodat “er een geldige toelating tot de proeftijd […] in hoofde van tussenkomende partij [blijft bestaan]”. Standpunt van verzoeker
- Verzoeker repliceert in zijn laatste memorie dat “[d]e vernietiging van de bestreden beslissingen, zelfs van enkel de eerste bestreden beslissing, m.n. de benoeming, die volgt op de nietigverklaring van de beslissing om [hem] niet te weerhouden [versta: niet in aanmerking te nemen] in de selectie (eerste procedure), […] als inherent gevolg [heeft] dat [hij] alsnog kan benoemd worden”. Beoordeling
- Een eventuele vernietiging van de beslissing van de gedelegeerd bestuurder van 13 oktober 2017 waarbij de tussenkomende partij vast wordt benoemd tot adviseur bij de stafdiensten van de verwerende partij, zou voor verzoeker niet de mogelijkheid doen ontstaan om zelf, in de plaats van de IX-8877-14/19 tussenkomende partij, tot adviseur bij de stafdiensten van de verwerende partij te worden benoemd. De tussenkomende partij zou dan immers terugkeren naar de situatie waarin zij, in statutair verband, op proef is benoemd tot adviseur. Zoals hiervóór vastgesteld, is die benoeming door verzoeker laattijdig bestreden en derhalve definitief geworden. Verzoeker zou dan ook geen enkel voordeel halen uit een vernietiging van de vaste benoeming van de tussenkomende partij. Bijgevolg beschikt verzoeker niet over het rechtens vereiste belang bij de nietigverklaring van de voormelde beslissing van de gedelegeerd bestuurder. Het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 223.966/IX-9195 is ook in zoverre niet ontvankelijk en dient ook in zoverre te worden verworpen. D. Ontvankelijkheid ratione personae van het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 219.444/IX-8877 Exceptie
- In haar memorie van antwoord in de zaak A. 219.444/IX-8877 werpt de verwerende partij op dat verzoeker geen belang heeft bij zijn beroep gericht tegen de beslissing van de gedelegeerd bestuurder om zijn kandidatuur voor de functie van directieadviseur bij haar stafdiensten niet in aanmerking te nemen, omdat bij beslissing van 1 april 2016 iemand anders – de tussenkomende partij – is toegelaten tot de proeftijd in de functie van directieadviseur en verzoeker heeft nagelaten om die beslissing aan te vechten, waardoor ze definitief is geworden. Een vernietiging van de bestreden beslissing zou verzoeker geen voordeel meer kunnen opleveren, aangezien hij zelf niet meer tot de proeftijd zou kunnen worden toegelaten. Een vernietiging zou slechts een symbolische betekenis hebben en verzoeker geen voordeel verschaffen. IX-8877-15/19 Repliek van verzoeker
- Verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord in diezelfde zaak dat zijn belang bij de vernietiging van de bestreden beslissing evident is. Hij wijst erop dat hij de uitbreiding vraagt van het voorwerp van zijn beroep tot de benoeming van de tussenkomende partij op proef in de graad van adviseur. Zelfs indien die vraag tot uitbreiding van het voorwerp van zijn beroep niet ontvankelijk zou zijn, dan behoudt hij zijn belang bij het beroep, zo stelt verzoeker. Hij argumenteert vooreerst dat het door de verwerende partij georganiseerde assessment in het geval van een geschiktheidsverklaring met zich zou meebrengen dat hij gedurende zeven jaar een vrijstelling zou genieten voor de generieke competenties. Bovendien zou hij, indien hij wel geslaagd zou zijn voor het generiek gedeelte, kunnen deelnemen aan het verdere verloop van de selectieprocedure, wat ertoe zou kunnen leiden dat hij wordt opgenomen in de verlengbare wervingsreserve van twee jaar. Indien de geambieerde betrekking binnen die termijn terug vacant zou worden, dan zou de verwerende partij uit die reserve moeten putten. Volgens verzoeker is dat “zeer reëel” aangezien de tussenkomende partij slechts werd toegelaten tot een proefperiode en het daarenboven niet ondenkbaar is dat hij zelf een einde stelt aan zijn job. Bovendien, zo vervolgt verzoeker, heeft hij ook een moreel belang bij zijn beroep, nu hij „ongeschikt‟ werd verklaard en er aan de hand van “onzorgvuldige testen en zonder rekening te houden met zijn specifieke beperking zoals dyscalculie” werd geoordeeld dat hij niet beschikt over bepaalde competenties. Deze negatieve evaluatie, aldus verzoeker, berokkent schade aan zijn morele integriteit, faam en eer ten aanzien van zijn werkgever en collega‟s. Beoordeling
- De voornaamste betrachting van iemand die, zoals verzoeker, voor de Raad van State de rechtshandeling aanvecht waarbij zijn IX-8877-16/19 kandidaatstelling voor de geambieerde functie wordt afgewezen, is om door de nietigverklaring ervan te verkrijgen dat hij opnieuw de kans krijgt om zelf in die functie te worden benoemd en om ze daadwerkelijk uit te oefenen. Die kans kan zich voor verzoeker aandienen indien hij met succes de benoeming van de tussenkomende partij in die functie bestrijdt. Zoals hiervóór uiteengezet, heeft verzoeker daartegen evenwel geen tijdig verzoek tot nietigverklaring bij de Raad van State ingesteld. Langs die weg zou een eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing van de gedelegeerd bestuurder om verzoekers kandidaatstelling niet verder in aanmerking te nemen, hem dan ook geen voordeel kunnen opleveren. Echter moet met verzoeker worden vastgesteld dat hij desgevallend langs een andere weg nog genoegdoening kan verkrijgen. Hij wijst er namelijk terecht op dat het selectiereglement voor directieadviseurs voorziet in de samenstelling van een wervingsreserve van de „geschikt‟ bevonden kandidaten. Die wervingsreserve is bovendien verlengbaar. Niettegenstaande de definitieve benoeming van de tussenkomende partij in de functie van directieadviseur, heeft verzoeker belang erbij in de wervingsreserve te worden opgenomen, opdat in het geval van een opnieuw vacant worden van de betrekking die aan de tussenkomende partij is toegewezen, hij alsnog een benoeming in die betrekking zou kunnen verkrijgen. Het rechtsherstel waartoe de verwerende partij gehouden zou zijn na een eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing van de gedelegeerd bestuurder om verzoekers kandidatuur niet verder in aanmerking te nemen, zou daartoe kunnen leiden. Deze vaststelling volstaat om aan te nemen dat verzoeker over het rechtens vereiste belang beschikt bij zijn beroep tot nietigverklaring van de voormelde beslissing van de gedelegeerd bestuurder. Aldus mag buiten beschouwing blijven of verzoeker ook nog een belang bij zijn beroep kan putten IX-8877-17/19 uit de mogelijkheid van een geschiktheidsverklaring voor de generieke competenties die voor zeven jaar zou gelden of uit de door hem aangevoerde beschadiging van zijn morele integriteit, faam en eer. VII. Slotsom
- Uit wat voorafgaat volgt dat het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 223.966/IX-9195, wat geen van zijn beide voorwerpen betreft, ontvankelijk is en bijgevolg dient te worden verworpen. Aangezien het onderzoek van het auditoraat in de zaak A. 219.444/IX-8877 beperkt is tot de excepties van onontvankelijkheid ratione temporis en ratione personae van het beroep, is er aanleiding om een aanvullend onderzoek van de zaak te bevelen, althans voor zover het beroep tot nietigverklaring in die zaak gericht is tegen de beslissing van de gedelegeerd bestuurder van de verwerende partij om de kandidatuur van verzoeker voor de functie van directieadviseur niet verder in aanmerking te nemen. BESLISSING
- De zaken A. 219.444/IX-8877 en A. 223.966/IX-9195 worden samengevoegd.
- De Raad van State verwerpt het beroep in de zaak A. 223.966/IX-
- De Raad van State heropent het debat in de zaak A. 219.444/IX-8877 en beveelt in deze zaak een aanvullend onderzoek door het lid van het auditoraat dat daartoe door de auditeur-generaal wordt aangewezen.
- In de zaak A. 223.966/IX-9195 wordt de verzoekende partij verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. IX-8877-18/19 De tussenkomende partij in de zaak A. 223.966/IX-9195 wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenendertig december tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-8877-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.394 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div