← België

Cassatiebeschikking 13614 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 10/01/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 10 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.614 Rolnummer: A. 229686/XIV-38209 Zaak: Cassatiebeschikking 13614 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 10/01/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-02-04 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-25 22:46 Fiche Beschikking nr 13.614 van 10 januari 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.614 van 10 januari 2020 in de zaak A. 229.686/XIV-38.209 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kati Verstrepen kantoor houdend te 2060 Antwerpen Rotterdamstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 3 december 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 228.272 van 30 oktober 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 12 december 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Verzoeker voert in essentie aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, ondanks de verwijzing door verzoeker naar een aantal rapporten waaruit zou blijken dat hij niet de nodige gezondheidszorg kan krijgen in het UNRWA-mandaatgebied, is voorbijgegaan aan de vraag of het gebrek aan de nodige medische zorgen een praktische hindernis uitmaakt die een terugkeer naar dat mandaatgebied XIV-38.209-1/4 verhindert. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zou er slechts op hebben gewezen dat verzoeker een aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ kan indienen. In het bestreden arrest wordt ingegaan op de door verzoeker aangehaalde budgettaire problemen van het United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East (hierna: het UNRWA). Anders dan verzoeker thans voorhoudt, is de motivering van het bestreden arrest geenszins beperkt tot een verwijzing naar artikel 9ter van de vreemdelingenwet. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt immers dat uit de door de beide partijen bijgebrachte informatie niet blijkt dat deze financiële strubbelingen tot gevolg hebben dat het UNRWA niet langer bijstand levert in Libanon of er zijn opdracht niet kan vervullen. Hij haalt onder meer aan dat uit de COI Focus “UNRWA financial crisis and impact on its programmes” van 23 november 2018 onder andere blijkt dat het UNRWA in Libanon zorgt voor gratis primair en secundair onderwijs voor meer dan 38.000 leerlingen in 68 scholen en dat de organisatie 27 klinieken in het land heeft waar meer dan 160.000 mensen behandeld worden. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt op dat het agentschap ook financieel helpt met de gedeeltelijke dekking van de kosten van secundaire en tertiaire gezondheidszorg. Wat verzoekers gezondheidssituatie betreft, is de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van oordeel dat verzoeker met zijn algemene verwijzing naar de budgettaire tekorten van het UNRWA en zijn algemene argumentatie over de gebrekkige financiering van en toegang tot de medische verzorging, niet aantoont dat hij geen of onvoldoende beroep kan doen op de medische bijstand door het UNRWA in Libanon. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onderstreept daarbij dat verzoeker in het kader van zijn eerste verzoek om internationale bescherming erkende dat het inperken van de hulp van het UNRWA geen grote impact op hem had en dat zijn familie erin slaagde om bijvoorbeeld zelf medicatie te betalen. Op grond van dit alles ziet de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen reden om aan te nemen dat verzoeker in geval van terugkeer naar Libanon zou verstoken blijven van bijstand door het UNRWA indien hij hieraan nood heeft. Aan het voorgaande wordt geen afbreuk gedaan door de overweging dat de als dusdanig niet betwiste medische problemen an sich niet onder de in de artikelen 48/3 en 48/4 van de vreemdelingenwet bepaalde criteria ressorteren en dat XIV-38.209-2/4 verzoeker voor de beoordeling van die problemen een aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter van de vreemdelingenwet moet indienen. Verzoeker toont derhalve geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet vervatte motiveringsplicht noch van artikel 39/2, § 1, tweede lid, 2°, van de vreemdelingenwet.
  2. Verzoeker zet niet uiteen op welke wijze de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met het bestreden arrest zijn recht van verdediging zou hebben geschonden. Een voorgehouden gebrek in de motivering houdt alleszins geen verband met het recht van verdediging.
  3. Verzoeker toont niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stukken uit het dossier zou hebben miskend. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, die te dezen als feitenrechter met hervormingsbevoegdheid uitspraak heeft gedaan, oordeelt soeverein over de bewijswaarde van stukken en het komt de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toe die beoordeling over te doen.
  4. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  5. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  6. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.209-3/4 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op tien januari tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.209-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.614 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.