id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 20 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.626 Rolnummer: A. 229699/XIV-38212 Zaak: Cassatiebeschikking 13626 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 20/01/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-02-10 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-26 00:12 Fiche Beschikking nr 13.626 van 20 januari 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.626 van 20 januari 2020 in de zaak A. 229.699/XIV-38.212 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Oriane Todts kantoor houdend te 1000 Brussel Kolenmarkt 83 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 5 december 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 228.247 van 30 oktober 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 17 december 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen doet in zaken zoals te dezen uitspraak met hervormingsbevoegdheid en hij is daarbij niet gebonden door de motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing. Het recht van verdediging houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn voorgenomen beoordeling van de kritiek XIV-38.212-1/3 van een verzoeker op een motief van de aanvankelijk bestreden beslissing zou moeten voorleggen aan die verzoeker alvorens er uitspraak over te doen.
- Te dezen wordt in het bestreden arrest vastgesteld dat de aanvankelijk bestreden beslissing onder meer was gesteund op het motief dat verzoeker “geen enkele activiteit ondernam voor de Cabindese onafhankelijkheidsstrijd na zijn vertrek uit Angola, hoewel hij zelf verklaarde dat overtuigde Cabindezen naar het buitenland moeten trekken om hun zeg te doen”. Volgens het bestreden arrest heeft verzoeker tegen dat motief aangevoerd “dat de activiteiten van het FLEC zich voornamelijk bevinden in Frankrijk” en hij “hieraan niet [kan] deelnemen omdat hij als verzoeker om internationale bescherming in België het land niet mag verlaten”, dat “hij wel geïnformeerd is over de politieke situatie en onderhandelingen inzake de erkenning van Cabinda en hierover kan vertellen, zoals blijkt uit de notities van het persoonlijk onderhoud” en dat hij “hierover ook veel krantenartikelen [heeft] neergelegd”. In antwoord op die kritiek overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen: “De Raad wijst erop dat verzoeker hiermee vooreerst niet aantoont dat hij in België geen politieke activiteiten inzake het FLEC zou kunnen ontplooien en dat bovendien door middel van moderne communicatiemiddelen het voor verzoeker weldegelijk mogelijk is om deel te nemen aan de activiteiten van het FLEC in Frankrijk. Bovendien wijst de Raad erop dat uit zijn verklaringen blijkt dat hij evenmin op de hoogte is van de actuele situatie inzake de Cabindese onafhankelijkheidsstrijd (Notities van het persoonlijk onderhoud, stuk 7, p. 14). Verzoekers verweer dat hij wel informatie heeft gegeven over de politieke situatie en krantenartikelen heeft neergelegd kan hieraan geen afbreuk doen. De bestreden beslissing oordeelde dan ook terecht dat ‘Uw stelling dat overtuigde Cabindezen in Cabinda (en Angola) hun zeg niet kunnen doen, maar dan naar het buitenland trekken om daar hun zeg te doen, past u dus alvast zelf niet toe.’ Dergelijk gebrek aan interesse ondergraaft dan ook de geloofaardigheid van verzoekers engagement voor het FLEC.”
- Met de verwijzing naar de mogelijkheid van het gebruik van moderne communicatiemiddelen tussen België en Frankrijk, beantwoordt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen slechts een argument van verzoeker en haalt hij een feit van algemene bekendheid aan dat hij niet vooraf aan verzoeker diende voor te leggen. Verzoeker gaat verder niet in op de motieven dat hij niet aantoont geen activiteiten voor het FLEC in België te kunnen ontplooien, dat hij niet op de hoogte blijkt te zijn van de actuele situatie van de Cabindese onafhankelijkheidsstrijd en dat zijn gebrek aan interesse de geloofwaardigheid van zijn voorgehouden engagement ondergraaft. XIV-38.212-2/3 Verzoeker toont wat dat betreft geen schending aan van het recht van verdediging, noch van één van de in het opschrift van het middel aangehaalde bepalingen, daargelaten de vraag of de schending van al die aangehaalde bepalingen te dezen op ontvankelijke wijze is opgeworpen.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twintig januari tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.212-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.626 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div