id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 20 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.627 Rolnummer: A. 229616/XIV-38201 Zaak: Cassatiebeschikking 13627 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 20/01/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-02-04 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-26 00:12 Fiche Beschikking nr 13.627 van 20 januari 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.627 van 20 januari 2020 in de zaak A. 229.616/XIV-38.201 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sonila Tuci kantoor houdend te 1050 Brussel Gulden Vlieslaan 21 bus 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 25 november 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 227.647 van 21 oktober 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 17 december 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Verzoekster citeert enkele passages, volgens haar uit het bestreden arrest, doch uit eenvoudige lezing blijkt dat deze niet uit het bestreden arrest komen. Met de algemene verwijzing naar “nieuwe elementen en middelen die in het verzoekschrift d.d. 18.02.16 aangevoerd werden” geeft verzoekster niet aan welke XIV-38.201-1/4 kritiek of welke stukken op onwettige wijze buiten beschouwing zouden zijn gelaten in het bestreden arrest. Verzoekster haalt vervolgens concreet aan dat “het attest van de vredesmissionarissen die eveneens tijdens het verhoor werd neergelegd […] niet eens [werd] betwist door het CGVS”. Verzoekster heeft bij het verzoekschrift tot beroep als stuk 3 een door haar “attest verzoeningscommissie” genoemd stuk gevoegd, dat is opgesteld in een vreemde taal en dat is gedateerd op 28 mei
- Vermits de aanvankelijk bestreden beslissing reeds dateert van 17 mei 2019, valt niet in te zien hoe verzoekster in het verzoekschrift tot cassatie kan voorhouden dat dit attest “niet eens werd betwist door het CGVS”. Bovendien dienen naar luid van artikel 8 van het koninklijk besluit van 21 december 2006 ‘houdende rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen’ de stukken waarvan een partij gebruik wil maken, “indien zij in een andere taal zijn opgesteld dan deze van de rechtspleging, vergezeld te zijn van een voor eensluidend verklaarde vertaling”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermocht derhalve op wettige wijze een stuk dat niet aan deze voldoet aan deze bepaling buiten beschouwing te laten. Voor zover verzoekster het attest van de verzoeningscommissie van 28 december 2018 zou bedoelen, werd in de aanvankelijk bestreden beslissing reeds opgemerkt dat dit document de vaststellingen over verzoeksters gedrag, vage verklaringen mogelijkheden tot het verkrijgen van bescherming door de Albanese autoriteiten niet wegneemt, dat “de bewijswaarde van dergelijke documenten bijzonder relatief” is, en dat uit de toegevoegde informatie blijkt dat “Gjin Marku de auteur van het attest van verzoeningscommissie beschuldigd wordt van het opstellen van frauduleuze attesten”. Verzoekster kan derhalve niet ernstig voorhouden dat dit stuk “niet eens werd betwist door het CGVS”. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
- Verzoekster voert aan dat de motivering van het bestreden arrest wat de corruptie in Albanië betreft “in strijd met de algemeen bekende info is” en dat het XIV-38.201-2/4 bestreden arrest “onvoldoende gemotiveerd is”. Zij haalt aan “dat zij geen klacht kan neerleggen omdat de zoon van [S. G.] op politiecommissariaat nr. 3 werkt”. In de aanvankelijk bestreden beslissing wordt uitgebreid ingegaan op de strijd tegen corruptie in Albanië, hoewel verzoeksters asielrelaas ongeloofwaardig is bevonden. Wat de zoon van S. G. betreft die op een politiecommissariaat zou werken, wordt in die beslissing vastgesteld dat verzoekster niet eens de naam van die zoon kent, dat verzoekster niet weet hoe lang hij al agent is en dat verzoekster bij een tweede onderhoud op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft verklaard dat niet de zoon van S. G. maar van P. G. bij de politie werkt, hoewel zij eraan twijfelt. In het bestreden arrest wordt naar die motivering verwezen en wordt overwogen dat verzoekster in haar verzoekschrift “blijft steken in loutere vergoelijkingen, het herhalen van (één versie van) reeds afgelegde verklaringen, het opwerpen van losse beweringen, en het tegenspreken van de gevolgtrekking van het Commissariaat-generaal, maar dit zonder één element van de bestreden beslissing afdoende en concreet te weerleggen”. En dat “dergelijk verweer […] niet dienstig [is] om de vaststellingen van de bestreden beslissing te weerleggen”. Verzoekster geeft niet aan welke kritiek met die overweging ten onrechte niet zou zijn beantwoord. Verder komt het de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toe zich uit te spreken over de zaak zelf, te dezen wat (de strijd tegen) de corruptie in Albanië betreft. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.201-3/4 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twintig januari tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.201-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.627 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div