← België

Cassatiebeschikking 13630 - Varia (onderwijs en cultuur) - 21/01/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 21 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.630 Rolnummer: A. 229863/IX-9663 Zaak: Cassatiebeschikking 13630 - Varia (onderwijs en cultuur) - 21/01/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-02-07 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-26 00:31 Fiche Beschikking nr 13.630 van 21 januari 2020 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING INZAKE DE TOELAATBAARHEID VAN EEN CASSATIEBEROEP nr. 13.630 van 21 januari 2020 in de zaak G/A 229.863/IX-9663 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kenneth GIJSEL kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 34 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de HOGESCHOOL GENT -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 13 december 2019, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. 5.414 van 13 november 2019 van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is onderworpen aan de procedure tot toelating, bedoeld bij artikel 20, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en bij de artikelen 7 tot 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Het dossier van de zaak is door de griffie ontvangen op 16 januari
  3. IX-9663-1/6 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. De toelaatbaarheid
  5. Verzoeker voert een enig middel aan, dat luidt: “Schending van de motiveringsverplichting ex. art. 149 van de Grondwet en ex. artikelen II.292, § 1,1° en II.307, derde lid van het Besluit van de Vlaamse Regering van 11 oktober 2013 tot codificatie van de decretale bepalingen van het hoger onderwijs.”
  6. Van bladzijde 10 tot bladzijde 17 van het verzoekschrift volgt dan een toelichting bij dit middel, waarbij verzoeker uitvoerig en in een doorlopende tekst commentaar geeft op de overwegingen die de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen ertoe hebben gebracht om elk van de drie voor hem aangevoerde middelen en bijgevolg het beroep ongegrond te verklaren. Verzoeker is het met die overwegingen duidelijk niet eens. Hij steunt daarbij op zijn eerdere stukken in de administratieve procedure. Hij herhaalt zijn beroepsargumenten. Hij zet uiteen dat de eerste rechter aan bepaalde argumenten voorbijgaat of er niet het juiste gewicht aan geeft. Zo heeft de beroepscommissie louter verwezen naar het eenzijdige, subjectieve en vooringenomen antwoord van het conservatorium en niet blijk gegeven van een eigen appreciatie. De eerste rechter citeert de zogenaamde ECTS-fiches maar laat na te onderzoeken of het bedoelde opleidingsonderdeel en het examen beantwoorden aan die fiches. Verzoeker weerspreekt opnieuw bepaalde argumenten die hem door de administratieve beroepsinstantie zijn tegengeworpen. Volgens verzoeker vinden sommige motieven “geen steun in de feiten”. IX-9663-2/6 De beslissing is ook “tegenstrijdig gemotiveerd” omdat ze in strijd komt met wat moet blijken uit “een eenvoudige lezing van de cursus psychologie”. De inhoud van het vak waarover de betwisting gaat beantwoordt niet aan “het toetredingscontract”. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen heeft niet gedaan wat moest binnen zijn “marginale toetsing” van de ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de beroepscommissie.
  7. Met die toelichting geeft verzoeker blijk van een misvatting omtrent de opdracht van de Raad van State als cassatierechter en, vooral, de grenzen van die opdracht. Als administratieve cassatierechter mag de Raad van State niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van het lagere rechtscollege overdoen maar mag hij enkel nagaan of het hem voorgelegde arrest van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen overeenkomstig de wet is genomen. Luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State treedt de afdeling Bestuursrechtspraak in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaak zelf”. Voor zover verzoeker met het aangevoerde middel de Raad van State uitnodigt om de beoordeling van de zaak over te doen, gaat hij uit van het tegendeel en faalt het middel kennelijk naar recht. 6.
  8. De jurisdictionele motiveringsplicht heeft voorts het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al ware die redengeving verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Bij de beoordeling of de jurisdictionele motiveringsplicht is nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er daarbij dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is; alleen een gemis aan motivering – of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven – IX-9663-3/6 maakt een schending uit van de jurisdictionele motiveringsplicht. 6.
  9. Verzoeker heeft op elk van de drie door hem aangevoerde middelen van de bodemrechter een antwoord gekregen. Dat hij het met dit antwoord niet eens is, toont geen schending aan van de jurisdictionele motiveringsplicht. Zo het al zou zijn dat het antwoord de iure verkeerd is, dan heeft de eerste rechter niet de jurisdictionele motiveringsplicht geschonden, maar andere wettelijke regels, waarvan verzoeker in het middel niet de schending aanvoert. 6.
  10. Verzoeker gaat uit van een andere, verkeerde opvatting over de jurisdictionele motiveringsplicht. Ook in die mate faalt het middel kennelijk naar recht.
  11. De jurisdictionele motiveringsplicht houdt eveneens in dat het rechtscollege moet antwoorden op de middelen van de betrokkene, op zijn minst wanneer die middelen de strekking van zijn beslissing kunnen beïnvloeden doch worden afgewezen. De motiveringsplicht moet de partijen en de Raad van State toelaten zich ervan te vergewissen of het rechtscollege de voorgelegde gegevens heeft onderzocht en daadwerkelijk op de middelen heeft geantwoord. Een middel waarin evenwel als motiveringstekort zo een gebrek aan antwoord op de aan de bodemrechter voorgelegde argumentatie wordt opgeworpen, is onontvankelijk wanneer het nalaat te vermelden op welk argument niet werd geantwoord. Voor zover verzoeker dit nalaat met de minimaal nodige precisie aan te geven, is het middel kennelijk onontvankelijk.
  12. Een arrest is niet “tegenstrijdig gemotiveerd” – wat een interne tegenstrijdigheid vereist – indien het niet strookt met een cursus psychologie. In zoverre faalt het middel kennelijk naar recht. IX-9663-4/6
  13. Verzoeker put ten slotte ten onrechte een grief uit de vaststelling, in het bestreden arrest, dat hij geen schending van de formelemotiveringsplicht heeft aangevoerd. De stukken waarop de Raad van State acht mag slaan doen er immers van blijken dat verzoeker in zijn verzoekschrift bij het derde middel, waarover de eerste rechter die vaststelling doet – en overigens ook bij het tweede middel – de schending heeft aangevoerd van “het materiële motiveringsbeginsel”. In die mate is het middel kennelijk ongegrond.
  14. Uit het onderzoek van het cassatieberoep blijkt dat het niet voldoet aan de vereisten voor de toelaatbaarheid ervan, bepaald in artikel 20, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. IV. Anonimisering
  15. Met toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 ‘betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid van de Raad van State’ vraagt de verzoekende partij dat bij de publicatie van de beschikking haar identiteit niet wordt opgenomen. B E S L I S S I N G:
  16. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
  17. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro.
  18. Bij de publicatie van deze beschikking door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-9663-5/6 Aldus te Brussel verleend, op eenentwintig januari 2020, door: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9663-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.630 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.