← België

Cassatiebeschikking 13644 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 28/01/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 28 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.644 Rolnummer: A. 229733/XIV-38215 Zaak: Cassatiebeschikking 13644 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 28/01/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-02-12 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-26 01:12 Fiche Beschikking nr 13.644 van 28 januari 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.644 van 28 januari 2020 in de zaak A. 229.733/XIV-38.215 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alexander Loobuyck kantoor houdend te 8000 Brugge Langestraat 46/1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 6 december 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 228.249 van 30 oktober 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 17 december 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Naar luid van artikel 48/7 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) is het feit dat een asielzoeker in het verleden reeds werd vervolgd, of reeds ernstige schade heeft ondergaan, of reeds rechtstreeks is bedreigd met dergelijke vervolging of met dergelijke schade, een duidelijke aanwijzing dat XIV-38.215-1/3 de vrees voor vervolging gegrond is en het risico op ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. Deze bepaling houdt een omkering van de bewijslast in, in die zin dat bij reeds ondergane vervolging of ernstige schade of bij ondergane bedreiging daarmee, de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, en na eventueel beroep de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met hervormingsbevoegdheid, het tegenbewijs dient te leveren dat bestaat uit “goede redenen” om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. Volgens verzoekster wordt in het bestreden arrest “geheel onbegrijpelijk” gesteld “dat de verzoekende partij zou zijn tekortgeschoten in de op haar rustende bewijslast” en wordt haar “verweten te weinig elementen te hebben aangereikt ten einde te kunnen geloven dat zij bij terugkeer dreigt herbesneden te worden”. Verzoeksters kritiek berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Daarin wordt immers niet (negatief) geoordeeld dat verzoekster niet bewijst een gegronde vrees voor herbesnijdenis te koesteren bij terugkeer naar Somalië maar er wordt (positief) overwogen dat uit verzoeksters verklaringen net wel blijkt dat zij zich niet in een situatie bevindt waarin zij gevaar loopt een herbesnijdenis te moeten ondergaan. Er wordt ook verwezen naar andere elementen uit de aanvankelijk bestreden beslissing, zoals de ongeloofwaardigheid van haar voorgehouden gedwongen huwelijk met een Al Shabaabstrijder die, volgens verzoeksters verklaringen, haar omwille van haar desinfibulatie als “een hoer” zou beschouwen, en naar de COI Focus “Somalië: Defibulatie en herinfibulatie bij geïnfibuleerde vrouwen in Zuid- en Centraal Somalië”. Op grond van het voorgaande vermocht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op wettige wijze te oordelen dat er goede gronden zijn in de zin van artikel 48/7 van de vreemdelingenwet om aan te nemen dat de bedoelde vervolging zich niet opnieuw zal voordoen. Die feitelijke beoordeling behoort verder tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
  2. Het behoort eveneens tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen om te oordelen of al dan niet essentiële elementen ontbreken die inhouden dat hij niet kan komen tot een bevestiging of hervorming van de XIV-38.215-2/3 aanvankelijk bestreden beslissing zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen zoals voorzien in artikel 39/2, § 1, tweede lid, van de vreemdelingenwet.
  3. Verzoekster maakt derhalve evenmin een schending van de artikelen 48/3 en 48/4 van de vreemdelingenwet aannemelijk doordat haar de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus werden geweigerd op de supra aangehaalde gronden. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  4. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  5. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op achtentwintig januari tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.215-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.644 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.