← België

Cassatiebeschikking 13645 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 28/01/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 28 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.645 Rolnummer: A. 229820/XIV-38226 Zaak: Cassatiebeschikking 13645 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 28/01/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-02-13 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-26 01:13 Fiche Beschikking nr 13.645 van 28 januari 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.645 van 28 januari 2020 in de zaak A. 229.820/XIV-38.226 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Vancraeynest kantoor houdend te 5530 Yvoir Avenue de Fidevoye 9 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 19 december 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 228.810 van 18 november 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 7 januari 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen XIV-38.226-1/4 wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. Verzoekster heeft voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevoerd dat zij aanvankelijk op 7 augustus 2019 werd opgeroepen voor een persoonlijk onderhoud op het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, dat de verwerende partij dit onderhoud heeft geannuleerd omwille van een administratieve wijziging en dat vervolgens haar verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk werd verklaard, zonder te motiveren waarom verzoekster niet opnieuw werd opgeroepen voor een persoonlijk onderhoud. In het bestreden arrest wordt deze kritiek als volgt beantwoord: “Wat betreft de opmerking van verzoekende partij dat zij aanvankelijk op 7 augustus 2019 werd opgeroepen voor een persoonlijk onderhoud op het Commissariaat-generaal, doch dat dit persoonlijk onderhoud door verwerende partij werd geannuleerd omwille van een administratieve wijziging (zie bijlage 17 van het verzoekschrift), en dat vervolgens, zonder te motiveren waarom verzoekende partij niet opnieuw opgeroepen werd voor een persoonlijk onderhoud, haar verzoek om internationale bescherming onontvankelijk werd verklaard, wijst de Raad er evenwel op dat de beslissing om de verzoeker die een volgend verzoek indient al dan niet persoonlijk te horen, tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de commissaris- generaal behoort. In het geval van een volgend verzoek om internationale bescherming is de commissaris-generaal immers niet verplicht om een persoonlijk onderhoud te organiseren, in overeenstemming met artikel 57/5ter, § 2, 3° van de Vreemdelingenwet. Tijdens het persoonlijk onderhoud op de Dienst Vreemdelingenzaken in het kader van haar huidige verzoek werd aan verzoekende partij verduidelijkt dat het Commissariaat-generaal op grond van haar verklaringen aldaar na zou gaan of haar aanvraag al dan niet in overweging diende te worden genomen, en dat het Commissariaat-generaal niet verplicht was om verzoekende partij voorafgaand nog op te roepen voor een persoonlijk onderhoud. Verzoekende partij werd hierbij uitdrukkelijk gewezen op het feit dat het essentieel was om alle nieuwe elementen ter staving van haar verzoek reeds op de Dienst Vreemdelingenzaken aan te brengen (administratief dossier, stuk 11, ‘verklaring volgend verzoek’). Verzoekende partij was bijgevolg op de hoogte van de procedure en het belang van haar verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken. Uit haar verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt verder dat verzoekende partij in de gelegenheid gesteld werd nieuwe verklaringen af te leggen en nieuwe documenten neer te leggen en deze ook verder toe te lichten (administratief dossier, stuk 11, ‘verklaringvolgend verzoek’). Deze verklaringen werd[en] vervolgens overgezonden aan de commissaris-generaal voorde vluchtelingen en de staatlozen, die de bestreden beslissing heeft genomen na een inhoudelijk onderzoek van de elementen die door verzoekende partij aan de Dienst Vreemdelingenzaken werden meegedeeld. Hieruit blijkt dat verzoekende partij wel degelijk werd gehoord en dat zij haar nieuwe elementen in het kader van haar volgend verzoek op nuttige wijze naar voor kon brengen. Waar zij in haar verzoekschrift dan ook stelt dat zij de WhatsApp-berichten wenste bij te brengen tijdens haar persoonlijk onderhoud, ziet de Raad niet in waarom verzoekende partij deze berichten niet eerder bijbracht, nu zij er immers uitdrukkelijk op werd gewezen dat zij niet noodzakelijk zou worden opgeroepen voor een persoonlijk onderhoud op het Commissariaat-generaal.” XIV-38.226-2/4 Met de voorgaande motivering geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk aan waarom hij artikel 57/5ter, § 2, 3°, van de vreemdelingenwet niet geschonden acht doordat de verwerende partij verzoekster niet opnieuw heeft opgeroepen alvorens de aanvankelijk bestreden beslissing te nemen. Verzoekster toont wat dat betreft geen schending aan van de jurisdictionele motiveringsplicht.
  2. Louter door te aanvaarden dat de verwerende partij, nadat zij verzoekster eerst had uitgenodigd voor een persoonlijk onderhoud en vervolgens dat onderhoud had geannuleerd, de aanvankelijk bestreden beslissing heeft genomen op grond van artikel 57/6/2 en 57/5ter, § 2, 3°, van de vreemdelingenwet, zonder verzoekster opnieuw uit te nodigen voor een onderhoud, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen deze laatste bepalingen niet geschonden. Het staat de verwerende partij inderdaad vrij al dan niet toepassing te maken van de in voornoemde bepalingen voorziene mogelijkheid een beslissing te nemen zonder de verzoeker om internationale bescherming te horen, ook nadat zij eerst verzoekster had uitgenodigd voor een onderhoud dat zij vervolgens heeft geannuleerd. Bovendien heeft het door verzoekster bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ingestelde beroep devolutieve werking waardoor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kennis neemt van de zaak in haar geheel en uitspraak kan doen met hervormingsbevoegdheid. Verzoekster geeft niet aan en toont a fortiori niet aan dat zij bepaalde elementen niet ter kennis heeft kunnen brengen van de verwerende partij of nadien van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
  3. Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  4. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  5. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.226-3/4 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op achtentwintig januari tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.226-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.645 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.