id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 29 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.646 Rolnummer: A. 229687/XIV-38210 Zaak: Cassatiebeschikking 13646 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 29/01/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-02-12 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-26 01:16 Fiche Beschikking nr 13.646 van 29 januari 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.646 van 29 januari 2020 in de zaak A. 229.687/XIV-38.210 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ahmed Sakhi Mir-Baz kantoor houdend te 1083 Brussel Broustinlaan 88/1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 3 december 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 228.260 van 30 oktober 2019 van de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen. Het dossier van de zaak is op 24 december 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. 1. In het enige middel, genomen uit de schending van de jurisdictionele motiveringsplicht zoals vervat in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet), voert verzoeker aan dat de Raad van Vreemdelingenbetwistingen uitgaat van een verkeerde lezing van het XIV-38.210-1/8 gehoorverslag door het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de vtaatlozen. Volgens verzoeker is er sprake van “wettelijke verdediging”, zijn zijn woorden uit de context gehaald en blijkt uit een volledige lezing van het gehoorverslag dat er geen sprake is van misdaden tegen de menselijkheid. Ten slotte argumenteert verzoeker nog dat er geen concrete bewijzen zijn dat hij misdaden tegen de menselijkheid heeft begaan en dat hij wordt uitgesloten van de beschermingsstatus op basis van geruchten. 2. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de vreemdelingenwet specifiek aan de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiverings- plicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. 3.1. In het bestreden arrest komt de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen, in navolging van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, tot het besluit dat verzoeker met toepassing van artikel 55/2 van de vreemde- lingenwet juncto artikel 1, F, (
- a)van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 moet worden uitgesloten van de vluchtelingenstatus, alsook van de subsidiaire beschermingsstatus overeenkomstig het bepaalde in artikel 55/4, eerste lid,
- a)van de vreemdelingenwet, omdat er ernstige aanwijzingen zijn dat verzoeker bewust heeft deelgenomen aan of medeverant- woordelijk is voor misdrijven tegen de menselijkheid. De Raad voor Vreemdelingen- betwistingen steunt die conclusie op de volgende motieven: “2.2.2.4.2. In de bestreden beslissing wordt op correcte en pertinente wijze vastgesteld dat verzoeker zich persoonlijk schuldig heeft gemaakt aan oorlogsmisdrijven zoals bepaald in artikel 8 van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof van 17 juli 1998 door het doden van personen (burgers) die op dat moment niet actief deelnamen aan de vijandelijkheden van het (niet-internationaal) gewapend conflict: ‘Uit de persoonlijke onderhouden op het Commissariaat-generaal (d.d. 7 februari 2018 en 12 april 2018; hierna respectievelijk CGVS1 en CGVS2) blijkt duidelijk dat u direct en herhaaldelijk betrokken was bij het neerschieten en doden van burgers. U vertelt dat wanneer u binnen de zone was van de operatie iedereen mocht neerschieten. Zo kreeg u een rapport over een huis in Babus, ging u met het team waarvoor u verantwoordelijk was het huis binnen en schoten jullie iedereen neer, waardoor ongewapende burgers, vrouwen en kinderen omkwamen (CGVS1 p.13-14; CGVS2 XIV-38.210-2/8 p.7-11). U verduidelijkt dat jullie het bevel hadden iedereen neer te schieten en dat het voor jullie niet mogelijk was het onderscheid te maken tussen talibs en burgers (CGVS2 p.8,9,11). U geeft dan ook toe dat u deelnam aan operaties waarbij meermaals burgers het slachtoffer werden (CGVS2 p.11). Niet alleen verklaart u dat u bij de operatie te Babus ongewapende burgers doodde ook kan het u - aangezien u het huis binnendrong en zelf visueel contact maakte met de slachtoffers alvorens ze neer te schieten - niet ontgaan dat het ongewapende vrouwen en kinderen betrof. Ook al gebeurde de inval op basis van een fout rapport, zoals u beweert, het incident te Babus past binnen de handelswijze van u en uw collega’s waarbij jullie iedereen in een vastgestelde perimeter viseerden en waarbij jullie bewust niet de moeite namen een persoon als gewapende strijder te identificeren alvorens jullie hem neerschoten (CGVS2 p.10). U geeft immers toe dat jullie niet trachtten het onderscheid tussen een taliban en een burger te maken en dat een ander team na afloop van de operatie het gebied onderzocht om te kijken wie er gedood werd en of er wapens aanwezig waren (CGVS2 p.8,9,10,11). Er kan niet worden voorbij gegaan aan uw verklaringen die stroken met de informatie die aan het administratief dossier is toegevoegd en die wijst op het bestaan van ernstige mensenrechtenschendingen van uw en andere eenheden van de special forces. U legde sinds de start van uw vraag om internationale bescherming coherente en plausibele verklaringen af over uw werkzaamheden bij de special forces. Zowel bij de DVZ als bij het CGVS heeft u uw verklaringen over uw profiel en handelingen helder, consequent en met volle bewustzijn voorgesteld. Het CGVS stelt vast dat uw verklaringen geheel in lijn liggen met voorgaande objectieve informatie die spreekt over meldingen van ernstige mensenrechtenschendingen van uw eenheid, net als van andere special forces-eenheden. Op basis van uw verklaringen, moet geconcludeerd worden dat u bewust hebt deelgenomen aan of medeverantwoordelijk bent voor oorlogsmisdaden zoals bepaald in artikel 8 van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof van 17 juli 1998, zoals hierboven uiteengezet. Er moet worden besloten dat u zich door uw concrete activiteiten persoonlijk schuldig heeft gemaakt aan oorlogsmisdrijven door het doden van personen die op dat moment niet actief deelnamen aan de vijandelijkheden gezien hun aard als burgers.’ Waar verzoeker [i]n zijn verzoekschrift aanvoert dat zijn verklaringen over de operaties die hij uitvoerde door de commissaris-generaal uit hun context werden gehaald en dat er onvoldoende onderzoek werd gedaan naar de precieze draagwijdte van de operaties waaraan hij deelnam, kan hij geenszins worden bijgetreden. Dat er in de bestreden beslissing enkel het voorbeeld wordt aangehaald van één concrete operatie, met name deze in Babus, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat verzoeker tevens verklaarde dat hij aan meerdere operaties deelnam, tot soms zelfs drie per dag, en dat hierbij steeds op dezelfde manier tewerk werd gegaan. Verzoeker maakte tijdens zijn interviews op het Commissariaatgeneraal voor de vluchtelingen en de staatlozen nooit een onderscheid tussen zijn handelswijze gedurende verschillende operaties; evenmin verklaarde hij dat de operatie in Babus een uitzonderlijk geval zou zijn geweest. In zijn verzoekschrift brengt verzoeker evenmin enige concrete verduidelijkingen daaromtrent aan en komt hij niet verder dan het post factum opwerpen van blote beweringen. Waar verzoeker verder in zijn verzoekschrift aanvoert dat hij in het donker geen onderscheid kon maken tussen talibanleden en burgers, dient erop gewezen dat verzoeker zelf tijdens zijn tweede persoonlijk onderhoud op het Commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verklaarde dat hij in Babus iedereen neerschoot, ‘zelfs de kinderen’ (notities van het persoonlijk onderhoud, p. 8). Nergens maakte verzoeker er melding van dat hij tijdens de operatie in Babus omwille van het donker geen onderscheid kon maken tussen talibanleden en burgers, vrouwen en XIV-38.210-3/8 kinderen; verzoeker verklaarde enkel dat hij de opdracht had gekregen om iedereen in het gebouw neer te schieten (notities van het persoonlijk onderhoud, p. 10-11). Opnieuw komt verzoeker in zijn verzoekschrift niet verder dan een post factum bewering. Dergelijk verweer is allerminst ernstig. Op welke wijze er bij de operatie te Babus, waar onschuldige burgers, vrouwen en kinderen werden gedood, sprake zou kunnen zijn van wat verzoeker in zijn verzoekschrift omschrijft als ‘wettelijke verdediging’, kan niet worden ingezien. Waar verzoeker in zijn verzoekschrift stelt niet te begrijpen of hij als dader of als medeplichtige wordt beschouwd en stelt ‘De beschuldigingen van verweerster is vaag en algemeen’, dient erop gewezen dat verzoeker door de asielinstanties in casu niet wordt beschuldigd van oorlogsmisdrijven; er wordt enkel vastgesteld dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat verzoeker een oorlogsmisdrijf heeft begaan in het kader van de beoordeling van zijn verzoek om internationale bescherming. Waar verzoeker in zijn verzoekschrift nog stelt als volgt: ‘Uit het vernietigingsarrest van uw Raad blijkt op een duidelijke wijze dat uw Raad de direct en herhaaldelijke betrokkenheid van verzoeker en het neerschieten en doden van burgers niet volgt. Uit het arrest blijkt duidelijk dat uw Raad wil zien of de eenheid waarin verzoeker werkt een dergelijke reputatie heeft. Waarom stelt uw Raad zoiets? Omdat uw Raad het niet bewezen acht dat verzoeker zich direct en herhaaldelijk schuldig maakte aan het neerschieten en doden van burgers. Verweerster verwijst in haar huidige beslissing naar de landeninformatie waaruit zou blijken dat de eenheid van verzoeker zich wel schuldig maakte. Verzoeker kijkt naar deze landeninformatie (pagina 5 van het laatste rapport) en hij stelt het volgende vast: Dit rapport is helemaal niet leesbaar. Verzoeker zal een keer naar […] uw Raad komen en het dossier inkijken of daar de kopieën zichtbaar […]. Wat verzoeker met moeite kon lezen is het volgende: De vraag die aan een journalist is gesteld op 26 november 2018 of er meldingen van ernstige mensenrechtenschendingen zijn, antwoord[d]e hij dat er meldingen zijn maar dat hij niet meteen concrete voorbeelden kan aanhalen. Ten eerste weten wij niet wie deze journaliste is en wat zijn missie is. Ten tweede de vraag was gesteld over hoger besproken eenheden. De vraag is vaag en het is moeilijk om af te leiden of de ‘meldingen’ betrekking heeft over een of alle eenheden. Ten derde is er geen concrete voorbeelden. U mag een asielzoeker niet uitsluiten op basis van geruchten.’, kan hij geenszins worden bijgetreden. In het arrest nr. 210 739 van 10 oktober 2018 werd nergens wordt gesteld dat de Raad geen geloof zou hechten aan de vaststelling van de commissaris-generaal dat verzoeker zich direct en herhaaldelijk schuldig maakte aan het neerschieten en doden van burgers. Waar verzoeker stelt dat het aan het administratief dossier toegevoegde rapport niet leesbaar zou zijn, dient vastgesteld dat zulks geenszins het geval blijkt (zie map ‘Landeninformatie’ in het administratief dossier, stuk 8: COI Focus ‘AFGHANISTAN - Eenheid 333 en gelijkaardige speciale eenheden: handelswijze tijdens operaties’ van 14 december 2018). Wat betreft de journalist die in het rapport wordt aangehaald, dient vastgesteld dat uit voetnoot 51 blijkt dat deze journalist gespecialiseerd is in veiligheid en militaire kwesties en dat hij per e-mail werd gecontacteerd. Bovendien wordt zijn naam in het rapport vermeld. Bezwaarlijk kunnen de antwoorden van deze journalist worden afgedaan als ‘geruchten’. Het staat verzoeker vrij om aan de hand van eigen objectieve informatie en rapporten aan te tonen dat de antwoorden van deze journalist onjuist, onvolledig en/of achterhaald zouden zijn. Het louter in twijfel trekken van deze XIV-38.210-4/8 antwoorden op zich volstaat echter niet om de accuraatheid ervan te weerleggen. Verder dient vastgesteld dat deze journalist verklaart dat er in Afghanistan sprake is van mensenrechtenschendingen bij operaties uitgevoerd door speciale eenheden van de Afghaanse veiligheidstroepen zoals deze waartoe verzoeker behoorde. Tevens zet de journalist uiteen dat moeilijk concrete voorbeelden van dergelijke mensen- rechtenschendingen kunnen worden gegeven gelet op het feit dat het vaak onduidelijk is welke eenheden bepaalde operaties uitvoeren. Uit het rapport blijkt bovendien dat het hoe dan ook moeilijk is om volledige en betrouwbare informatie te verzamelen over de samenstelling en de werking van alsook het begaan van eventuele mensenrechtenschendingen door dergelijke elite-eenheden van de Afghaanse veiligheidstroepen gelet op het geclassificeerd karakter van veel van de informatie over deze eenheden. In het licht van het vernietigingsarrest nr. 210 739 van 10 oktober 2018 volstaat deze informatie teneinde in casu een gegronde beoordeling te kunnen maken van de in hoofde van verzoeker bestaande uitsluitingsgrond, temeer daar deze informatie in dezelfde lijn ligt als verzoekers eigen verklaringen daaromtrent. 2.2.2.4.3. Verder wordt in de bestreden beslissing op terechte en pertinente wijze gemotiveerd dat verzoeker vrijwillig en in volle bewustzijn heeft meegewerkt aan deze onder artikel 1, F, a van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 vallende daden en dat hij hiervoor geen afdoende verschoning kan doen gelden: ‘Bovendien moet erop worden gewezen dat u vrijwillig en in volle bewustzijn heeft meegewerkt aan deze praktijken. Gedurende negen jaar was u actief als commando en voerde u één tot drie operaties per dag uit (CGVS2 p.4). U was getraind, ervaren, sectie-leider, en wist welke schade u met uw wapen kon aanrichten. Zoals hierboven beschreven maakten uw handelingen te Babus deel uit van de gangbare praktijken binnen uw gevechtseenheid, waarbij het principe van onderscheid tussen strijders en burgers geheel verwaarloosd werd. U beschrijft dat: ‘zelfs toen de kinderen of de volwassenen voor ons kwamen bleven we schieten’ (CGVS1 p.13). Het gegeven dat er na de slachtpartij geen wapens of explosieven werden aangetroffen impliceert dat de mensen die u neerschoot ongewapend waren en dat het geweld dat u tegen hen gebruikte ongetwijfeld buitensporig was. U stelt eveneens: ‘eerlijk gezegd we lieten niemand heel in dat huis, we doodden zelfs hun dieren zoals de koeien’ (CGVS2 p.10). De vaststelling dat u naast alle aanwezigen ook alle dieren van uw potentiële tegenstanders doodde toont uw onvoorzichtigheid en buitensporig geweld aan. Het druist bovendien in tegen het internationaal recht (zie supra artikel 8
(2)(a)(xii)). U wist dus duidelijk waarmee u bezig was en dit als professioneel en ervaren soldaat van een elite-eenheid van de Afghaanse veiligheidstroepen. Als u erop gewezen wordt dat de hierboven handelingen kunnen leiden tot uw uitsluiting van internationale bescherming en u expliciet gevraagd wordt naar verschoningsgronden voor uw daden werpt u op dat het niet uw fout was maar dat u een bevel uitvoerde en dat u handelde op basis van een foutief rapport (CGVS2 p.12). U zegt ook dat als men zich in het algemeen op een slagveld bevindt en men ziet iemand, men die natuurlijk zal neerschieten (CGVS2 p.12). Als er iemand naast een vijand staat kan niemand garanderen dat die persoon ook geen vijand is, gaat u verder (CGVS2 p.12). Het feit dat u een opgedragen bevel louter uitvoerde ontheft u niet automatisch van de strafrechtelijke aansprakelijkheid (zie ook Statuut van Rome, art. 33 §1). Integendeel, het bevel tot het doden van ongewapende burgers, vrouwen en kinderen, is manifest onwettig. Evenmin kan er zoals hierboven aangehaald aangenomen worden dat u door het foute rapport zich niet bewust was van uw daden. Bovendien moet worden opgemerkt dat er nergens uit uw verklaringen blijkt dat u morele bezwaren zou hebben gehad bij het uitvoeren van de hierboven beschreven operaties. U geeft aan dat er niets was wat u niet leuk vond aan het werk dat u deed, behalve dat u bevelen moest uitvoeren van iemand die niet sterker, zwaarder of slimmer was dan u (CGVS2 p.6). U bent eveneens nooit tegen een bevel ingegaan XIV-38.210-5/8 (CGVS2 p.7). U hebt daarnaast nooit overwogen om te stoppen met uw werk als commando of te worden overgeplaatst naar een andere eenheid (CGVS2 p.11-12). Als reden voor uw gehechtheid aan uw werk bij de commando’s wijst u op het hoge loon en de faciliteiten die u genoot als lid van de commando’s (CGVS2 p.11-12). De reden waarom u uw werk bij de commando’s niet kon stopzetten was omwille van dezelfde zaken (CGVS2 p.12). U haalt in dit opzicht ook aan dat u een vijfjarig contract had (CGVS2 p.11-12). Indien u uw werkcontract van vijf jaar vroegtijdig zou verbreken, zouden ze u vinden en voor acht maanden naar de gevangenis sturen, aldus uw verklaringen (CGVS2 p.12). Hoewel u zelf nooit overwogen heeft om een overplaatsing aan te vragen of uw werk te verlaten wordt uw bewering dat de Afghaanse overheid deserterende soldaten berecht niet gestaafd door de informatie waarover het CGVS beschikt. Uit de informatie die aan het administratief dossier werd toegevoegd (Algemeen Ambtsbericht Afghanistan, p.20-21) blijkt dat desertie uit de Afghaanse veiligheidstroepen niet vervolgd wordt.’ Waar verzoeker dienaangaande aanvoert dat hij verklaarde spijt te hebben van het doden van burgers op basis van een foutief rapport, doet hij geenszins afbreuk aan het feit dat hij deze burgers vrijwillig en in volle bewustzijn doodde. Waar hij nogmaals opmerkt dat het donker was en dat hij daarom geen onderscheid kon maken tussen burgers en talibanleden, kan dienstig worden verwezen naar hetgeen hieromtrent hoger reeds werd vastgesteld (zie supra). Dat er in casu sprake was van ‘onopzettelijk of onvoorzien schade’ of van ‘colleteral damage’, kan dan ook geenszins worden bijgetreden. Waar verzoeker wijst naar de omschrijving van misdrijven op de website van de FOD Justitie (verzoekschrift, p. 7-8), dient erop gewezen dat deze omschrijvingen geen afbreuk doen aan de specifieke inhoud van de begrippen die in het kader van een vluchtelingenrechtelijke beoordeling in casu worden gehanteerd, zoals hiervoor uiteengezet (zie supra). Tevens werd er hiervoor reeds op gewezen dat verzoeker in casu door de asielinstanties niet (strafrechtelijk) wordt beschuldigd van oorlogsmisdrijven en dat er enkel wordt vastgesteld dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat verzoeker een oorlogsmisdrijf heeft begaan. Waar verzoeker in zijn verzoekschrift nog stelt als volgt: ‘Verzoeker kan wel begrijpen wanneer een terrorist uitgesloten wordt van de vluchtelingenstatus. Verzoeker kan het helemaal niet begrijpen dat hij uitgesloten wordt omdat hij juist tegen de terroristen vocht en die in opdracht van de westerse landen. De westerse troepen zullen zich nooit schuldig maken aan een schending van de rechten van de mensen, tenzij het gaat over een geval wanneer het onmogelijk is om een onderscheid tussen de burgers en een terrorist.’, dient erop gewezen dat het loutere feit dat verzoeker zelf niet actief was bij de taliban of een andere terroristische organisatie en dat zijn eenheid samenwerkte met de in Afghanistan aanwezige buitenlandse troepen op zich geen afbreuk doet aan de vaststelling dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat zijn daden vallen onder de uitsluitingsgronden voorzien in artikel 1, F, a van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951. Het voorafgaande in acht genomen, wordt verzoeker overeenkomstig artikel 55/2 van de Vreemdelingenwet juncto artikel 1, F, (a) van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 uitgesloten van de vluchtelingenstatus alsook van de subsidiaire bescher- mingsstatus overeenkomstig het bepaalde in artikel 55/4, eerste lid, a) van de Vreemdelingenwet.” 3.2. Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen duidelijk en ondubbelzinnig de redenen heeft uiteengezet die hem tot de beslissing brengen dat verzoeker moet worden uitgesloten van de vluchtelingenstatus en de XIV-38.210-6/8 subsidiaire beschermingsstatus. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen steunt zich hiervoor op de stukken van het dossier, waaronder de verslagen van het persoonlijk onderhoud met verzoeker door het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen waaruit, anders dan verzoeker voorhoudt, geenszins foutief wordt geciteerd. Voorts kan worden vastgesteld dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de door verzoeker in zijn verzoekschrift aangevoerde argumenten stuk voor stuk heeft onderzocht en deze uitdrukkelijk heeft beantwoord. Hiermee is voldaan aan de jurisdictionele motiverings- plicht. 3.3. Wat verzoeker met zijn uiteenzetting in zijn verzoekschrift in wezen betracht is niet zozeer het aanklagen van een schending van de jurisdictionele motiverings- plicht, maar wel het betwisten van de juistheid van de conclusie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat verzoeker een oorlogsmisdrijf heeft begaan. Op die manier nodigt hij de Raad van State uit de beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over te doen en tot een andere conclusie te komen. De Raad van State is als administratieve cassatierechter evenwel niet bevoegd om in de beoordeling van de feiten te treden. 4. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT: 1. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. XIV-38.210-7/8 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op negenentwintig januari tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.210-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.646 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div