id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 29 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.647 Rolnummer: A. 229793/XIV-38221 Zaak: Cassatiebeschikking 13647 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 29/01/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-02-12 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-26 01:16 Fiche Beschikking nr 13.647 van 29 januari 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.647 van 29 januari 2020 in de zaak A. 229.793/XIV-38.221 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hind Riad kantoor houdend te 1210 Brussel Haachtsesteenweg 55 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 17 december 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 228.754 van 13 november 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 3 januari 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen XIV-38.221-1/7 wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. De artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek houden in dat de rechter aan een akte geen uitlegging mag geven die niet verenigbaar is met de bewoordingen of de inhoud ervan. De bewijskracht van een akte is slechts miskend indien de uitlegging die de rechter eraan geeft volstrekt onverenigbaar is met de bewoordingen of de inhoud ervan.
- In het bestreden arrest heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers argumentatie dat hij niet naar Afghanistan kan terugkeren bij gebrek aan een ondersteunend netwerk, verworpen op grond van de volgende overwegingen: “2.3.6.
- Voorts kan verzoekers verklaring als zou hij niet naar Afghanistan kunnen terugkeren omdat hij daar niemand heeft, niet overtuigen. Er dient immers vastgesteld te worden dat verzoeker, die verklaart van Kabul afkomstig te zijn, in het kader van zijn ‘verklaring volgend verzoek’ op de Dienst Vreemdelingenzaken heeft aangegeven dat hij Kabul pas in 2013 en dus niet in 2011 heeft verlaten zoals hij eerder aangaf (verklaring volgend verzoek d.d. 20 maart 2019, administratief dossier, stuk 5, vraag 10) en bijgevolg, zelfs zo zou worden aangenomen dat verzoeker op 28 februari 1999 werd geboren - hetgeen danig gerelativeerd dient te worden in het kader van het leeftijdsonderzoek van de Dienst Voogdij waaruit blijkt dat verzoeker op datum van 22 februari 2016 ouder is dan 18 jaar, waarbij 20,6 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar een goede schatting is (administratief dossier, 1e verzoek om internationale bescherming, stuk 15) -, moet worden vastgesteld dat het niet aannemelijk is dat verzoeker, die gedurende al die tijd in Kabul zou hebben verbleven, geen enkele familie, vrienden of kennissen meer zou hebben aldaar. Waar verzoeker in dit verband de bevindingen van het leeftijdsonderzoek in het verzoekschrift nog wenst aan te vechten onder meer stellende dat er hevige kritiek wordt geuit tegen het leeftijdsonderzoek als methode voor het bepalen van de leeftijd, dat visueel duidelijk is dat hij jonger is dan zijn broer A. en diens leeftijd nochtans niet werd betwist, benadrukt de Raad dat het resultaat van de medische analyse niet in onderhavige procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kan worden betwist. Verzoeker had de mogelijkheid om overeenkomstig artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring in te stellen bij de Raad van State. Tevens werd hij van deze mogelijkheid in kennis gesteld in de kennisgeving van de beslissing van de Dienst Voogdij (administratief dossier, 1e verzoek om internationale bescherming, stuk 15). Verzoeker heeft echter nagelaten deze beroepsmogelijkheid te benutten. Verzoekers uitvoerige kritiek dienaangaande wordt dan ook niet in overweging genomen. Voorts blijkt uit ’s Raads arrest nr. 200 154 dat verzoeker niet als intern ontheemde (IDP) beschouwd kan worden omdat hij afkomstig is van Kabul en hij bovendien een XIV-38.221-2/7 tante heeft bij wie hij in het verleden lange tijd heeft kunnen verblijven. Dienaangaande staat in de bestreden beslissing nog te lezen als volgt: ‘(…) U verklaart nu dat zij weduwe is en ze die zorg niet langer op zich kan nemen. Echter geeft u niet aan waarom zij (en haar drie kinderen) u geen onderdak zouden kunnen verschaffen, en waarom u niet mee zou kunnen instaan voor een inkomen voor de familie die u altijd heeft ondersteund. Bovendien stelt u dat een vriend van uw broer recent naar Kabul is gegaan en daar een document (weduwekaart) van uw tante heeft ontvangen. Dat uw tante u nog niet vergeten is en u graag op haar eigen manier wil bijstaan in uw asielprocedure, betekent mogelijks dat zij nog steeds bereid is u in huis te nemen. Verder kan worden opgemerkt dat u haar huis in 2011 (of in 2013) om onduidelijke redenen verlaten heeft. Gezien u verklaard heeft dat u en uw broer daar zijn weggegaan omdat jullie N. vreesden, mag worden verondersteld dat er bij uw vertrek andere motieven speelden. U heeft evenwel nagelaten deze te verduidelijken.’ Waar verzoeker beargumenteert dat zijn tante weduwe is en zelf hulp moet vragen aan de autoriteiten omdat zij onvoldoende inkomsten heeft, dat zij bovendien in het verleden duidelijk heeft gemaakt niet te kunnen instaan voor verzoeker en zijn broer, hetgeen zou blijken uit verzoekers verklaringen aangaande hun periode dat zij als wees op straat leefden en uiteindelijk opgevangen werden door een onbekende man die hen zou hebben misbruikt en hij hiertoe nog verwijst naar de erkenning van zijn broer als vluchteling, dient er vooreerst op gewezen dat in ’s Raads arrest nr. 200 154 van 22 februari 2018 reeds werd vastgesteld dat verzoekers verklaringen dermate verschillen van de verklaringen van zijn broer dat de geloofwaardigheid van de gebeurtenissen en zijn vrees voor vervolging erdoor wordt ondermijnd. Bovendien merkt de Raad op dat uit het gehoorverslag van verzoekers broer d.d. 25 oktober 2012 (administratief dossier, 1e verzoek om internationale bescherming, map ‘Landeninformatie’) niet op ondubbelzinnige wijze kan blijken op welke basis verzoekers broer A. de vluchtelingenstatus zou zijn toegekend. Er dient in dit verband nog opgemerkt dat het enkele feit dat verzoekers broer A., die zich op geheel andere vluchtmotieven beroept dan verzoeker, erkend werd geenszins betekent dat is komen vast te staan dat hun verklaringen als zouden verzoeker en zijn broer als weeskinderen op straat hebben geleefd en uiteindelijk zijn opgevangen door een onbekende man waarheidsgetrouw zijn. Hoe dan ook merkt de Raad op dat verzoeker niet aantoont dat zijn tante (en/of haar drie kinderen) hem niet minstens tijdelijk onderdak zouden kunnen bieden bij een terugkeer naar Afghanistan. Ook is het niet uitgesloten dat verzoeker steun zou kunnen krijgen van zijn broer die in België erkend zou zijn als vluchteling en die onder meer via een vriend zorgde voor het bekomen van de weduwekaart van zijn tante in het kader van verzoekers verzoek om internationale bescherming. Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat verzoeker inmiddels een volwassen man is, die toch minstens over enkele familieleden in de stad Kabul beschikt en die, gelet op het feit dat hij afkomstig is van Kabul en daar tot 2013 (dan wel 2011) heeft verbleven, met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een uitgebreider netwerk heeft dan enkel zijn tante en haar drie kinderen, zodat niet kan worden aangenomen dat verzoeker niet zou kunnen terugkeren naar Afghanistan om reden van een gebrek aan netwerk. De Raad wijst er voorts op dat, hoewel kan worden aangenomen dat de levensomstandigheden in de stad Kabul onder druk komen te staan, uit de beschikbare informatie (zie administratief dossier, map ‘Landeninformatie’ en de in het verzoekschrift geciteerde rapporten en artikels) niet blijkt dat de stad niet meer in staat zou zijn om in de elementaire levensbehoeften van zijn inwoners te voorzien. Verzoeker toont geenszins in concreto aan dat hij ingeval van terugkeer naar de stad Kabul terecht zou komen in dermate precaire socio-economische omstandigheden dat hij hierdoor een vrees voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin zou lopen, dan XIV-38.221-3/7 wel dat zij een schending uitmaken van artikel 3 van het EVRM of een reëel risico op ernstige schade zouden vormen in de zin van artikel 48/4, § 2, b) van de Vreemdelingenwet, dat inhoudelijk overeenstemt met het voormelde artikel 3 van het EVRM. Dit klemt des te meer daar uit het voorgaande is gebleken dat verzoeker in de stad Kabul wel degelijk over een netwerk beschikt, dat vermoedelijk ruimer is dan enkel zijn tante en haar kinderen en hij, gelet op zijn herkomst uit de stad, ermee minstens enige bekendheid heeft. Er kan dan ook wel degelijk redelijkerwijs worden aangenomen dat verzoeker ingeval van terugkeer naar Kabul kan terugvallen op een ondersteunend netwerk.”
- Anders dan verzoeker in het eerste onderdeel van het enige middel aanvoert, blijkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers argumentatie dat zijn tante weduwe is en zich in een precaire financiële situatie bevindt zodat hij niet bij haar terecht kan, wel degelijk bij zijn beoordeling te hebben betrokken en er in het bestreden arrest op te hebben geantwoord. Hij heeft hierbij ook uitdrukkelijk rekening gehouden met de door verzoeker overgelegde weduwekaart van zijn tante. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is evenwel van oordeel “dat verzoeker niet aantoont dat zijn tante (en/of haar drie kinderen) hem niet minstens tijdelijk onderdak zouden kunnen bieden bij een terugkeer naar Afghanistan”. Hiermee heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voldaan aan de vereisten van de jurisdictionele motiveringsplicht. In de mate dat verzoeker de juistheid betwist van die beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, moet worden opgemerkt dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om deze beoordeling over te doen. Voorts is verzoeker ten onrechte van oordeel dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met de overweging “dat verzoeker niet aantoont dat zijn tante (en/of haar drie kinderen) hem niet minstens tijdelijk onderdak zouden kunnen bieden bij een terugkeer naar Afghanistan” de bewijskracht van de weduwekaart van verzoekers tante miskent. De voormelde conclusie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is geenszins volstrekt onverenigbaar met de door verzoeker bijgebrachte weduwekaart, nu daaruit niet onomstotelijk blijkt dat verzoekers tante (of haar drie kinderen) verzoeker niet minstens tijdelijk onderdak zouden kunnen bieden bij zijn terugkeer naar Afghanistan. Daarmee wordt geen uitspraak gedaan over de financiële situatie van verzoekers tante. XIV-38.221-4/7 Verzoeker toont niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de jurisdictionele motiveringsplicht of de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek heeft geschonden. Het eerste onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
- Verzoeker stelt in het tweede onderdeel van het enige middel dat hij “niet [werd] gehoord omtrent het gegeven dat zijn broer of een ‘vriend’ hem zouden kunnen financieel ondersteunen en opvangen ingeval van terugkeer naar Kaboel” en dat hij “geen enkele uitleg [heeft] kunnen bieden […] waarom hij niet door zijn broer financieel zou kunnen worden onderhouden ingeval van terugkeer naar Kaboel noch door een zogenaamde ‘vriend’”. De overweging in het bestreden arrest dat “het niet [is] uitgesloten dat verzoeker steun zou kunnen krijgen van zijn broer die in België erkend zou zijn als vluchteling en die onder meer via een vriend zorgde voor het bekomen van de weduwekaart van zijn tante in het kader van verzoekers verzoek om internationale bescherming” betreft evenwel één van de motieven op grond waarvan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers argumentatie weerlegt dat hij niet naar Afghanistan kan terugkeren bij gebrek aan een ondersteunend netwerk. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is niet ertoe gehouden om verzoeker op voorhand in kennis te stellen van de motieven van zijn arrest en verzoeker erover te horen of hem in de gelegenheid te stellen om zijn standpunt erover te doen kennen wanneer het een antwoord op verzoekers argumentatie betreft. Voor zover verzoeker de juistheid van de voormelde overweging betwist, moet worden herhaald dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de feiten te treden. Verzoeker maakt niet aannemelijk dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de artikelen 39/65, 48/3 en 48/4 van de vreemdelingenwet, artikel 149 van de Grondwet, artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, het recht van verdediging, het principe van tegenspraak, en het recht op een eerlijk proces zou hebben miskend. Het tweede onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. XIV-38.221-5/7
- In het derde onderdeel van het enige middel voert verzoeker aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ten onrechte abstractie heeft gemaakt van de elementen die tot de erkenning van verzoekers broer als vluchteling hebben geleid, waarbij hij verwijst naar het gehoorverslag van zijn broer door het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Uit de sub 2 vermelde overwegingen van het bestreden arrest blijkt evenwel dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de beslissing waarbij verzoekers broer als vluchteling werd erkend en diens gehoorverslag door het CGVS uitdrukkelijk bij zijn beoordeling heeft betrokken. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is echter van oordeel dat “uit het gehoorverslag van verzoekers broer d.d. 25 oktober 2012 […] niet op ondubbelzinnige wijze kan blijken op welke basis verzoekers broer A. de vluchtelingenstatus zou zijn toegekend” en dat “het enkele feit dat verzoekers broer A., die zich op geheel andere vluchtmotieven beroept dan verzoeker, erkend werd geenszins betekent dat is komen vast te staan dat hun verklaringen als zouden verzoeker en zijn broer als weeskinderen op straat hebben geleefd en uiteindelijk zijn opgevangen door een onbekende man waarheidsgetrouw zijn”. Hiermee heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voldaan aan de op hem rustende jurisdictionele motiveringsplicht. In de mate dat verzoeker de juistheid betwist van die beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, moet worden herhaald dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om deze beoordeling over te doen. Met de overweging dat “het enkele feit dat verzoekers broer A […] erkend werd geenszins betekent dat is komen vast te staan dat hun verklaringen als zouden verzoeker en zijn broer als weeskinderen op straat hebben geleefd en uiteindelijk zijn opgevangen door een onbekende man waarheidsgetrouw zijn” miskent de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ook niet de bewijskracht van de beslissing waarbij verzoekers broer als vluchteling werd erkend of het gehoorverslag van verzoekers broer, aangezien de erkenning van verzoekers broer als vluchteling nog niet impliceert dat de verklaring dat verzoeker en zijn broer als weeskinderen op straat hebben geleefd en uiteindelijk zijn opgevangen door een onbekende man, waarheidsgetrouw is. Verzoekers broer beroept zich op geheel andere vluchtmotieven dan verzoeker en uit het gehoorverslag blijkt dat hij nog tal van andere redenen aanhaalt. XIV-38.221-6/7 Verzoeker toont niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de jurisdictionele motiveringsplicht of de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek heeft geschonden. Evenmin maakt hij aannemelijk dat zijn “volgend verzoek” niet aan een zorgvuldig onderzoek zou zijn onderworpen en dat hierdoor, voor zover van toepassing op een beslissing die geen verwijderingsmaatregel bevat, de artikelen 3 en 13 van het Europees Verdrag over de rechten van de mens zou zijn miskend. Het derde onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op negenentwintig januari tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.221-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.647 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div