id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 31 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.650 Rolnummer: A. 229817/XIV-38225 Zaak: Cassatiebeschikking 13650 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 31/01/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-02-11 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-26 01:35 Fiche Beschikking nr 13.650 van 31 januari 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.650 van 31 januari 2020 in de zaak A. 229.817/XIV-38.225 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Julien Hardy kantoor houdend te 1400 Nijvel rue des Brasseurs 30 bij wie keuze van woonst wordt gedaan tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 23 december 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 228.942 van 19 november 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 3 januari 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Naar luid van artikel 74/13 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) moet bij het nemen van een beslissing tot verwijdering rekening worden gehouden met (onder meer) “de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land”. Deze bepaling houdt echter geen bijzondere motiveringsplicht in, zodat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich in de uitoefening van zijn wettigheidscontrole niet dient te beperken tot de eventuele uitdrukkelijke motieven XIV-38.225-1/4 van de voor hem bestreden beslissing. Door aan de hand van de gegevens van het administratief dossier na te gaan of bij het nemen van de aanvankelijk bestreden beslissing rekening is gehouden met verzoeksters gezondheidstoestand, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet a posteriori een eigen motivering toegevoegd aan de aanvankelijk bestreden beslissing en heeft hij zijn in artikel 39/2, § 2, van de vreemdelingenwet bepaalde bevoegdheid als annulatierechter niet overschreden.
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de vreemdelingenwet specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. Verzoekster betwist enkel de juistheid van de motieven van het bestreden arrest, doch met deze kritiek toont zij geen schending aan van de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste.
- Verzoekster voert op algemene wijze aan dat de analyse van de gezondheidstoestand in het kader van een aanvraag om machtiging tot verblijf tot verblijf op grond van artikel 9ter van de vreemdelingenwet “niet afdoende noch gelijk [is] aan de analyse die de administratie moet doen van de medische elementen in het kader van het nemen van een bevel om het grondgebied te verlaten”. Verzoekster gaat in het cassatiemiddel echter niet in op de in het bestreden arrest concreet uiteengezette gegevens van het administratief dossier met betrekking tot verzoeksters gezondheidstoestand en de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de behandeling en opvolging in het land van herkomst. Zij gaat evenmin concreet in op de vaststellingen in het bestreden arrest dat verzoekster “niet aan[toont] welke actuele medische gegevens of elementen aangaande de situatie in het land van herkomst niet door de ambtenaar-geneesheer werden beoordeeld” en dat “uit het administratief dossier […] evenmin het bestaan [blijkt] van andere elementen die nog niet zouden zijn beoordeeld”. Verzoekster ontkracht deze vaststellingen niet en toont derhalve geen schending aan van artikel 74/13 van de vreemdelingenwet. Evenmin toont zij XIV-38.225-2/4 aan, wat de inhoud van de in aanmerking genomen stukken betreft, dat de Raad van Vreemdelingenbetwistingen er een inhoud of betekenis aan zou hebben gegeven die in strijd is met de bewoordingen ervan.
- Aan het voorgaande wordt geen afbreuk gedaan doordat in het bestreden arrest ook wordt verwezen naar een synthesenota van 31 juli 2019 in het administratief dossier waarin volgens verzoekster ten onrechte wordt vermeld dat “betrokkene […] verschillende aanvragen 9ter in[diende], maar telkens werden deze onontvankelijk verklaard”. Vooreerst geeft verzoekster niet aan hoe deze verwijzing de strekking van het bestreden arrest kan hebben beïnvloed. Vervolgens wordt in het bestreden arrest, zoals supra reeds is aangegeven, verwezen naar een aantal concrete medische elementen uit het administratief dossier waar verzoekster niet op ingaat. Bovendien wordt in het bestreden arrest uitdrukkelijk vermeld dat verzoeksters aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter van de vreemdelingenwet van 17 augustus 2018 met een beslissing van 1 februari 2019 “ontvankelijk doch ongegrond” is verklaard. Het op grond van die aanvraag opgesteld medisch verslag wordt uitgebreid geciteerd in het bestreden arrest.
- Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.225-3/4 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op eenendertig januari tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.225-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.650 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div