id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 07 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.658 Rolnummer: A. 229906/XIV-38232 Zaak: Cassatiebeschikking 13658 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 07/02/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-02-18 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-26 02:09 Fiche Beschikking nr 13.658 van 7 februari 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.658 van 7 februari 2020 in de zaak A. 229.906/XIV-38.232 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pauline Delgrange kantoor houdend te 1210 Brussel Haachtsesteenweg 55 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 3 januari 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 229.667 van 2 december 2019 van de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen. Het dossier van de zaak is op 10 januari 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De verwerende partij stelt reeds in de aanvankelijk bestreden beslissing dat de stad Jalalabad groter is dan de districtsgrenzen aanduiden, dat bepaalde buitenwijken van de stad in de omliggende districten Behsud en Surkh Rod liggen, dat snelle urbanisatie, gedreven door economische migratie, plattelandsvlucht, terugkeer van XIV-38.232-1/4 vluchtelingen uit Pakistan en conflict-gerelateerde ontheemden, de omliggende dorpen heeft doen opgaan in een grootstedelijk gebied dat ver buiten de districtsgrenzen reikt. In de met toepassing van artikel 39/73, § 2, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) genomen beschikking, die in het bestreden arrest wordt geciteerd, staat vermeld “dat er in Beshud, alwaar verzoeker luidens zijn verklaringen sinds zijn tiende heeft verbleven, actueel geen sprake is van een uitzonderlijke situatie waarin de mate van willekeurig geweld dermate hoog is dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat verzoeker louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt blootgesteld te worden aan een ernstige bedreiging van het leven of de persoon zoals bedoeld door artikel 48/4, § 2, c) van de Vreemdelingenwet”. In het bestreden arrest wordt vastgesteld dat verzoeker ter terecht- zitting en in een aanvullende nota “verwijst naar de verschillende arresten van de algemene vergadering van de Raad en een kaartje toe[voegt] waaruit blijkt dat zij afkomstig is van een dorp (Nawabad in de buurt van Daman) in het district Beshud dat niet behoort tot de agglomeratie van Jalalabad”. Verzoeker heeft in de voornoemde aanvullende nota van 25 oktober 2019, die deel uitmaakt van het dossier van de zaak, opgemerkt dat de arresten van de algemene vergadering van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “wel een onderscheid [maken] voor de dorpen die eigenlijk behoren tot de agglomeratie van Jalalabad, even als sommigen officieel onder het district Surkrhod of Behsud vallen”, dat “dit […] niet het geval [is] van het dorp van verzoeker” doch dat “hij verbleef in Nawabad, bij Daman, dat niet in de buurt van Jalalabad stad ligt […] maar bij de grens van het district Kuzkunar”. Verzoeker heeft dus zelf voor de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen aangevoerd dat Nawabad geen deel zou uitmaken van de agglomeratie Jalalabad. Aan de hand van de landeninformatie uit het administratief dossier besluit de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “dat voormeld gebied, hoewel gelegen in het district Behsud, tot het grootstedelijk gebied Jalalabad kan worden gerekend”. Daarmee is de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, anders dan verzoeker voorhoudt, niet zelf tot de vaststelling gekomen dat verzoeker afkomstig was uit de agglomeratie van Jalalabad doch heeft hij slechts verzoekers argumentatie beantwoord aan de hand van de informatie in het dossier waarop hij vermocht acht te slaan. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is er in het XIV-38.232-2/4 licht van het recht van verdediging en het recht op tegenspraak niet toe gehouden zijn voorgenomen motieven voor te leggen aan de partijen alvorens tot zijn beslissing te komen. Verder is de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, die te dezen uitspraak heeft gedaan met hervormingsbevoegdheid, niet gebonden door de motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing en oordeelt hij soeverein of hij al dan niet over voldoende informatie beschikt om tot zijn beslissing te kunnen komen zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen. Het eerste onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond.
- Verzoeker verwijst enkel naar zijn eigen verklaring maar betwist niet dat het dorp Nawabad niet voorkomt op de diverse kaarten of in de andere informatie van het landendossier. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betwist overigens niet dat het door verzoeker aangeduide gebied in het district Behsud ligt, maar hij is van oordeel “dat voormeld gebied, hoewel gelegen in het district Behsud, tot het grootstedelijk gebied van Jalalabad kan worden gerekend”. Verzoeker maakt niet aannemelijk dat de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen met die feitelijke beoordeling de bewijskracht van enig stuk uit het dossier van de zaak heeft geschonden. Uit de behandeling van het eerste middelonderdeel blijkt reeds dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met zijn beoordeling evenmin het recht van verdediging of het recht op tegenspraak heeft geschonden. Het tweede onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.232-3/4 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zeven februari tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.232-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.658 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div