id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 07 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.660 Rolnummer: A. 229927/XIV-38236 Zaak: Cassatiebeschikking 13660 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 07/02/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-02-19 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-26 02:10 Fiche Beschikking nr 13.660 van 7 februari 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.660 van 7 februari 2020 in de zaak A. 229.927/XIV-38.236 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Matthieu Lys kantoor houdend te 1060 Brussel Berckmansstraat 89 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 3 januari 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 229.778 van 3 december 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 10 januari 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- XIV-38.236-1/5 A. Eerste middel
- Het behoort tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen om te oordelen of al dan niet essentiële elementen ontbreken die inhouden dat hij niet kan komen tot een bevestiging of hervorming van de aanvankelijk bestreden beslissing zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen zoals voorzien in artikel 39/2, § 1, tweede lid, 2°, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet). De Raad van State vermag als administratieve cassatierechter niet deze feitelijke beoordeling over te doen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt dan ook soeverein aan de hand van het dossier van de zaak, met onder meer de door de partijen verstrekte gegevens, of een expertise nodig is zoals gevraagd door verzoeker teneinde diens “psychische situatie te onderzoeken en zijn capaciteit te bepalen om op dit ogenblik zijn asielrelaas uiteen te zetten”.
- Verzoeker houdt voor dat in het bestreden arrest niet wordt geantwoord op zijn argumentatie hieromtrent en dat de bewijskracht van bepaalde door verzoeker overgelegde stukken zou zijn geschonden. Uit de behandeling van het tweede middel infra zal blijken dat deze kritiek kennelijk ongegrond is.
- Verzoeker voert geen andere kritiek aan om te besluiten dat het bestreden arrest in strijd zou zijn met de artikelen 48/3 en 48/4 van de vreemdelingenwet.
- Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. B. Tweede middel
- In de punten 2.3.2.3.1 tot en met 2.3.2.3.4 van het bestreden arrest wordt uitgebreid ingegaan op de door verzoeker overgelegde attesten van 6 maart 2019, 25 juli 2019 en 22 oktober
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geeft in die punten aan dat en waarom uit deze attesten niet kan worden afgeleid dat verzoeker geen consistente en geloofwaardige verklaringen zou kunnen afleggen in antwoord op specifieke vragen met betrekking tot zijn regio van herkomst en zijn leefwereld. XIV-38.236-2/5 Daarmee is voldaan aan de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste.
- Verzoeker meent uit de inhoud van de voornoemde attesten te kunnen afleiden dat hij niet in staat is om op vragen over zijn herkomst te beantwoorden. Door het tegendeel aan te nemen, zou de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de bewijskracht van die stukken hebben miskend. Verzoeker geeft weliswaar een andere interpretatie aan de voornoemde attesten, doch daarmee toont hij niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen er een betekenis aan zou hebben gegeven die in strijd is met de bewoordingen of de inhoud ervan. Zo ontkracht verzoeker niet de vaststellingen uit de aanvankelijk bestreden beslissing, die in het bestreden arrest worden gevolgd, dat het attest van 6 maart 2019 weinig eenduidig is over de oorzaak van de psychische problematiek (namelijk mishandeling tijdens de reisweg in Bulgarije dan wel traumatische ervaringen in het land van herkomst) dat het attest niet vermeldt dat verzoeker niet op eenvoudige vragen over zijn herkomst zou kunnen antwoorden doch enkel dat het praten over de opgelopen trauma’s zou kunnen leiden tot het herbeleven van die trauma’s. Ook met betrekking tot het attest van 25 juli 2019 stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vast dat “nergens in het attest wordt gesteld dat verzoeker in de onmogelijkheid verkeert om op de specifieke vragen aangaande zijn leefomgeving, zijn familie en het dagelijks leven in zijn regio van herkomst te antwoorden”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt tevens op dat verzoeker een ingestudeerde kennis blijkt te vertonen van de Afghaanse kalender, van belangrijke personen in Achin en Nangarhar en van de verschillende bevolkingsgroepen in Afghanistan, hetgeen “in ernstige mate de vaststelling [nuanceert] in het psychiatrisch rapport van 25 juli 2019 dat verzoeker mogelijk een mentale achterstand heeft”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen benadrukt nog “dat verzoeker zelf zijn geheugenproblemen echter toeschrijft aan de slagen die kreeg te verduren in Bulgarije […] en dus niet aan trauma’s die hij zou verbinden aan zijn regio van herkomst, zodat van hem redelijkerwijze wel degelijk kon worden verwacht dat hij op specifieke vragen met betrekking tot zijn regio van herkomst en zijn leefwereld consistente en geloofwaardige verklaringen kon afleggen”. Met betrekking tot het attest van 22 oktober 2019 benadrukt de Raad voor XIV-38.236-3/5 Vreemdelingenbetwistingen dat een psycholoog of psychiater vaststellingen kan doen omtrent de geestelijke gezondheidstoestand van een patiënt doch bij het stellen van zijn diagnose afhankelijk is van de verklaringen van die patiënt en vervolgens vermoedens kan hebben over de oorzaak van die toestand. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen blijkt niet dat dit laatste attest is gesteund op andere gegevens dan verzoekers eigen verklaringen. Hij benadrukt opnieuw dat uit dit attest evenmin blijkt dat verzoeker niet in staat zou zijn op specifieke vragen te antwoorden. Overigens geeft verzoeker in het cassatiemiddel zelf aan dat deze attesten “niet uitdrukkelijk vermelden dat verzoeker niet in staat is om over precies zijn herkomst/leefomgeving in Afghanistan te spreken”, doch meent hij dat dit wel “op basis van de gehanteerde vakterminologie en gezien de ernst van de impact van de beschreven symptomen” moet worden besloten. Verzoeker geeft aldus zelf aan dat de door hem geschetste psychische toestand niet uitdrukkelijk is beschreven in de voornoemde attesten. Er blijkt derhalve geen schending van het beginsel van de bewijskracht van de akten, afgeleid uit de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek.
- De aanvrager van de subsidiaire beschermingsstatus kan, met name wat betreft de vraag of hij bij een terugkeer naar het land van herkomst een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4 van de vreemdelingenwet zou lopen, niet volstaan met een verwijzing naar de algemene toestand in het land van herkomst. Hij moet enig verband met zijn persoon aannemelijk maken, ook al is daartoe geen bewijs van een individuele bedreiging vereist. In het bestreden arrest wordt vastgesteld dat “verzoeker echter niet aannemelijk [maakt] dat hij afkomstig is uit het Afghaanse district Achin in de provincie Nangarhar, noch uit een gebied in Afghanistan waar, gelet op het willekeurig geweld, de subsidiaire beschermingsstatus kan worden toegekend of waar afhankelijk van het individuele geval toepassing kan worden gemaakt van artikel 48/5, § 3 van de Vreemdelingenwet”. Waar de bewijslast in beginsel rust op de verzoeker om internationale bescherming die in beginsel zelf alle elementen dient aan te brengen die van belang zijn voor zijn aanvraag, ook wat de subsidiaire beschermingsstatus betreft, vermocht de Raad voor XIV-38.236-4/5 Vreemdelingenbetwistingen vervolgens op wettige wijze te overwegen dat het mogelijk is dat verzoeker in Afghanistan in een veilig gebied verbleef of zou kunnen verblijven.
- Het tweede middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zeven februari tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.236-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.660 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div