id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 07 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.661 Rolnummer: A. 229896/XIV-38234 Zaak: Cassatiebeschikking 13661 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 07/02/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-03-02 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-26 02:10 Fiche Beschikking nr 13.661 van 7 februari 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.661 van 7 februari 2020 in de zaak A. 229.896/XIV-38.234 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Geens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 2 januari 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 229.401 van 28 november 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 9 januari 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Met het bestreden arrest wordt verzoeker niet het belang ontzegd bij het beroep tot nietigverklaring tegen het hem met de aanvankelijk bestreden beslissing opgelegde inreisverbod. Verzoekers middelen worden erin behandeld en, in de mate dat ze ontvankelijk worden bevonden, als ongegrond beoordeeld. Er blijkt dan ook geen schending van artikel 39/56 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet). XIV-38.234-1/3
- In punt 2.2.5 van het bestreden arrest wordt verzoeker wel het belang ontzegd bij zijn grief dat er bij een inreisverbod dat niet beperkt is tot België en een draagwijdte heeft die geldt voor alle lidstaten, geen wettelijke grondslag bestaat voor de toevoeging in de aanvankelijk bestreden beslissing “tenzij hij/zij beschikt over de documenten die vereist zijn om er zich naar toe te begeven”. Vervolgens wordt verzoekers kritiek echter toch behandeld in het bestreden arrest. Verzoeker heeft dan ook geen belang bij het cassatiemiddel in de mate dat hij zich richt tegen de overweging in het bestreden arrest dat hij geen belang zou hebben bij de voormelde grief.
- De aanvankelijk bestreden beslissing heeft als voorwerp een inreisverbod “voor het grondgebied van België, evenals het grondgebied van de staten die het Schengenacquis ten volle toepassen”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft op wettige wijze geoordeeld dat het dus gaat om een “inreisverbod [dat] bindend is voor alle lidstaten die gebonden zijn door de Terugkeerrichtlijn, waaronder dus ook Frankrijk, tenzij de verzoekende partij aldaar over een verblijfsrecht beschikt, wat in dit geval al niet is aangetoond”. De algemene verwijzing naar het geval dat verzoeker over documenten zou beschikken om zich naar een lidstaat te begeven, doet geen afbreuk aan het feit dat de aanvankelijk bestreden beslissing voor alle lidstaten geldt en als dusdanig ook wordt beschouwd in het bestreden arrest. De voormelde verwijzing houdt slechts een loutere hypothese in, waardoor geen afbreuk wordt gedaan aan de in voorkomend geval geldende regels van de overeenkomst van 19 juni 1990 ‘ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen’, waaruit in het bestreden arrest wordt geciteerd. Wat dat betreft wordt in het bestreden arrest ook gewezen op de “EU- brede werking” van het inreisverbod zoals uiteengezet in de bijlage bij de Aanbeveling (EU) 2017/é8 van de Commissie van 16 november 2017 ‘tot vaststelling van een gemeenschappelijk „terugkeerhandboek” voor gebruik door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten bij de uitvoering van terugkeergerelateerde taken’.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar. XIV-38.234-2/3
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zeven februari tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.234-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.661 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div