← België

Cassatiebeschikking 13662 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 07/02/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 07 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.662 Rolnummer: A. 229901/XIV-38231 Zaak: Cassatiebeschikking 13662 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 07/02/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-02-25 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-26 02:10 Fiche Beschikking nr 13.662 van 7 februari 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.662 van 7 februari 2020 in de zaak A. 229.901/XIV-38.231 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ali Acer kantoor houdend te 2060 Antwerpen Brugstraat 5 bus 18 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 30 december 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 228.995 van 19 november 2019 van de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen. Het dossier van de zaak is op 9 januari 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. De materiëlemotiveringsplicht is niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Verzoeker kan derhalve niet dienstig opwerpen dat “het bestreden arrest niet door feitelijke en juridische motieven correct wordt gedragen”. Het enige middel is in die mate kennelijk niet-ontvankelijk. XIV-38.231-1/3
  2. In de uiteenzetting van het enige middel acht verzoeker ook artikel 74/11, § 1, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) geschonden omdat met de aanvankelijk bestreden beslissing “een inreisverbod wordt opgelegd voor de termijn van drie jaar zonder enig verfijnd onderzoek naar en motivering omtrent de specifieke omstandigheden van verzoeker en de duur van het inreisverbod” terwijl deze bepaling “wel degelijk een specifieke motivering vereist om de maximumtermijn op te leggen”. Verzoeker “begrijpt nog steeds niet waarom een termijn van drie jaar werd opgelegd”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest dat “in de [aanvankelijk] bestreden beslissing de elementen [worden] aangehaald waarom het opleggen van een inreisverbod van drie jaar proportioneel wordt geacht, met name omdat [verzoeker] niet heeft getwijfeld om op illegale wijze in België te verblijven om de openbare orde te schaden en gelet op ‘het belang van de immigratiecontrole en het handhaven van de openbare orde’.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt op dat “wordt toegelicht dat verzoeker verklaarde dat hij in België geen gezinsleven of minderjarige kinderen heeft, noch medische problemen”. Verder in het bestreden arrest overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen concreet dat, “in tegenstelling tot wat verzoeker voorhoudt, […] wel degelijk [wordt] uiteengezet waarom gekozen wordt voor een termijn van drie jaar voor een inreisverbod, met name omdat verzoeker op 28 mei 2019 een aanvraag tot verblijf en inschrijving als loontrekkende heeft ingediend op vertoon van een Sloveense identiteitskaart dewelke compleet vals is”, dat in de aanvankelijk bestreden beslissing wordt gewezen op “het bedrieglijk karakter van deze feiten” waaruit kan worden afgeleid “dat betrokkene door zijn gedrag geacht wordt de openbare orde te kunnen schaden”. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kan verzoeker, “gelet op deze motieven […] niet worden bijgetreden waar hij laat gelden dat hem op quasi automatische wijze een inreisverbod voor de duur van drie jaar werd opgelegd” en wordt geen schending aangetoond van artikel 74/11 van de vreemdelingenwet. Verzoeker gaat voorbij aan de voormelde motieven in het bestreden arrest. Hij toont dan ook geen schending aan van artikel 74/11 van de vreemdelingenwet. Verder komt het de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toe zelf het afdoende karakter van de motivering van de aanvankelijk bestreden beslissing te beoordelen in de plaats van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. XIV-38.231-2/3 3 Het enige middel is, voor zover ontvankelijk kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  3. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  4. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zeven februari tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.231-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.662 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.