id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 07 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.663 Rolnummer: A. 229899/XIV-38233 Zaak: Cassatiebeschikking 13663 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 07/02/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-02-25 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-26 02:11 Fiche Beschikking nr 13.663 van 7 februari 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.663 van 7 februari 2020 in de zaak A. 229.899/XIV-38.é In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Geens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 2 januari 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 230.407 van 17 december 2019 van de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen. Het dossier van de zaak is op 9 januari 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Naar luid van artikel 74/11, § 1, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) wordt de duur van het inreisverbod vastgesteld “door rekening te houden met de specifieke omstandigheden van elk geval”. Volgens verzoeker heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers langdurig verblijf in Nederland, zijn vast adres aldaar en het verblijfsrecht dat hij er had “uitgesloten” XIV-38.é-1/3 van de elementen waarmee rekening moet worden gehouden op grond van de voormelde bepaling. In het bestreden arrest worden de omstandigheden behandeld waaruit volgens de aanvankelijk bestreden beslissing blijkt dat verzoeker een ernstig gevaar vormt voor de openbare orde en die leiden tot het opleggen van een inreisverbod van meer dan vijf jaar, te dezen van acht jaar. Verzoeker geeft in het verzoekschrift tot cassatie wel een theoretische uiteenzetting over het begrip “gevaar voor de openbare orde” doch hij bekritiseert nergens de motieven dienaangaande van het bestreden arrest. Wat verzoekers betoog betreft dat geen rekening is gehouden met zijn verblijf in Nederland, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest dat de gemachtigde ambtenaar op 18 juni 2019 een verzoek tot overname heeft gericht aan de Nederlandse instanties doch dat dit verzoek op 28 juni 2019 werd geweigerd omdat verzoeker geen Nederlandse verblijfsvergunning heeft. Hij citeert ook uit deze weigering. Omdat Nederland uitdrukkelijk heeft aangegeven dat verzoeker niet kan terugkeren naar Nederland, oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat de door verzoeker aangevoerde elementen die betrekking hebben op Nederland, geen afbreuk kunnen doen aan de aanvankelijk bestreden beslissing. Hieruit blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt dat de verwerende partij wel degelijk de omstandigheid van verzoekers voorgehouden verblijf in en banden met Nederland heeft onderzocht doch op wettige wijze heeft besloten dat deze geen afbreuk kunnen doen aan het opgelegde inreisverbod van 8 jaar. De formulering in het bestreden arrest dat verzoeker zich niet kan “steunen” op het beweerde lang verblijf en vast adres in Nederland, betekent niet dat deze omstandigheden werden “uitgesloten” van het onderzoek, zoals verzoeker thans voorhoudt. Uit het bovenstaande blijkt immers dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft vastgesteld dat deze omstandigheden werden onderzocht alvorens de aanvankelijk bestreden beslissing werd genomen, doch dat ze om de aangegeven redenen geen afbreuk kunnen doen aan die beslissing. Het enige middel is kennelijk ongegrond. XIV-38.é-2/3 BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zeven februari tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.é-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.663 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div