← België

Cassatiebeschikking 13668 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/02/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 18 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.668 Rolnummer: A. 229878/XIV-38230 Zaak: Cassatiebeschikking 13668 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/02/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-03-02 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-26 02:51 Fiche Beschikking nr 13.668 van 18 februari 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.668 van 18 februari 2020 in de zaak A. 229.878/XIV-38.230 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kati Verstrepen kantoor houdend te 2060 Antwerpen Rotterdamstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 27 december 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 229.222 van 25 november 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 14 januari 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. In het eerste onderdeel van het enige middel voert verzoeker in essentie aan dat “in tegenstelling tot wat in het bestreden arrest staat, nergens uit het rechtsplegingsdossier blijkt tot waar de ‘agglomeratie Jalalabad’ zich uitstrekt en waarom het dorp Abdyan in deze agglomeratie zou zijn opgegaan”. XIV-38.230-1/4 De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest “dat van verzoeker, rekening houdend met zijn persoonlijke omstandigheden, redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij zich vestigt in het dorp Abdyan, gelegen in het district Behsud van de provincie Nangarhar, of in een ander nabijgelegen dorp in het district Behsud dat is opgegaan in de agglomeratie rond de stad Jalalabad”, en “dat verzoeker […] bij terugkeer naar Afghanistan over de mogelijkheden beschikt om in het dorp Abidyan, gelegen in het district Behsud van de provincie Nangarhar, of in een ander nabijgelegen dorp in het district Behsud dat is opgegaan in de agglomeratie rond de stad Jalalabad, aan de slag te gaan en er een bestaan uit te bouwen”. Hij besluit vervolgens nogmaals “dat van verzoeker redelijkerwijze kan worden verwacht dat hij zich in het dorp Abdyan, gelegen in het district Behsud van de provincie Nangarhar, of in een ander nabijgelegen dorp in het district Behsud dat is opgegaan in de agglomeratie rond de stad Jalalabad vestigt.” Verzoekers kritiek kan niet leiden tot de cassatie van het bestreden arrest vermits de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uitdrukkelijk verwijst naar de mogelijkheid voor verzoeker om zich, behalve in het dorp Abidyan, ook te vestigen in een ander dorp in de omgeving dat deel uitmaakt van de agglomeratie rond de stad Jalalabad. De vraag of specifiek Abidyan behoort tot de agglomeratie rond Jalalabad en tot waar die agglomeratie zich precies uitstrekt kan de strekking van het bestreden arrest derhalve niet hebben beïnvloed. Het eerste onderdeel van het enige middel is kennelijk niet- ontvankelijk.
  2. In het tweede onderdeel van het enige middel richt verzoeker zich in essentie tegen de overweging in het bestreden arrest dat “verzoeker niet [kan] volstaan met een loutere verwijzing naar een risicoprofiel om aan te tonen dat hij in zij land van herkomst werkelijk wordt bedreigd of vervolgd of dat er wat hem betreft een reëel risico op het lijden van ernstige schade zoals bepaald in artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet bestaat”. Volgens verzoeker wordt daarmee niet geantwoord op zijn kritiek “waarom in bepaalde gevallen een objectief risicoprofiel wel voldoende is om over te gaan tot de toekenning van een internationaal beschermingsstatuut, en waarom bij uitbreiding dit voor verzoeker het geval zou moeten zijn”. XIV-38.230-2/4 Verzoekers kritiek is beperkt tot een theoretische uiteenzetting dat “in bepaalde gevallen” een objectief risicoprofiel voldoende kan zijn om in aanmerking te komen voor internationale bescherming. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest echter concreet waarom dit te dezen niet volstaat, namelijk omdat “geen enkel geloof wordt gehecht aan het profiel van verzoekers vader, noch aan de door verzoeker aangevoerde problemen die hij beweert te hebben gekend met de taliban”, omdat “verzoeker […] doorheen zijn opeenvolgende verklaringen evenmin gewag [heeft] gemaakt van andere persoonlijke problemen die hij in Afghanistan zou hebben gekend omwille van de werkzaamheden van zijn moeder” en omdat verzoeker geen concrete elementen aanbrengt ter weerlegging van de motieven in de aanvankelijk bestreden beslissing waarmee de door verzoeker voorgehouden problemen omwille van de politieke achtergrond van zijn familieleden ongeloofwaardig worden bevonden. Dat verzoeker “als terugkeerder uit het westen als rijk zal worden beschouwd”, wordt in het bestreden arrest als “louter hypothetische beweringen” beschouwd. Verzoekers kritiek kan niet leiden tot de cassatie van het bestreden arrest vermits hij voorbijgaat aan de motieven waarom zijn voorgehouden profiel als ongeloofwaardig wordt beschouwd. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kon derhalve op wettige wijze oordelen dat elke aanvraag individueel moet worden onderzocht waarbij de aanvrager op een voldoende concrete manier dient aan te tonen dat hij een gegronde vrees voor vervolging of een persoonlijk risico op ernstige schade loopt. Het tweede onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
  3. In het derde en laatste onderdeel van het enige middel houdt verzoeker voor dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een analyse had moeten maken van het risico dat verzoeker zou lopen als lid van een welstellende familie. Anders dan verzoeker lijkt te doen, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen enkel het behoren tot een welstellende familie echter niet beschouwd als een gekend algemeen risico voor vervolging of het lijden van ernstige schade. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermocht, zonder de door verzoeker aangehaalde bepalingen te schenden, rekening houden met het feit dat verzoeker de vrees voor kidnapping op grond van die situatie noch voor de dienst Vreemdelingenzaken noch op het XIV-38.230-3/4 Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft aangehaald, dat er in zijnen hoofde geen indicaties zijn dat hij persoonlijk moet vrezen voor crimineel geweld en dat de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade in concreto dient te worden aangetoond. Het derde onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  4. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  5. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op achttien februari tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.230-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.668 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.