← België

Cassatiebeschikking 13671 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/02/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 18 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.671 Rolnummer: A. 229994/XIV-38244 Zaak: Cassatiebeschikking 13671 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/02/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-03-09 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-26 02:52 Fiche Beschikking nr 13.671 van 18 februari 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.671 van 18 februari 2020 in de zaak A. 229.994/XIV-38.244 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Geens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 16 januari 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 230.359 van 17 december 2019 van de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen. Het dossier van de zaak is op 22 januari 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Naar luid van artikel 74/11, § 1, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) wordt de duur van het inreisverbod vastgesteld “door rekening te houden met de specifieke omstandigheden van elk geval”. XIV-38.244-1/4 Verzoeker houdt in essentie voor dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn in artikel 39/2, § 2, van de vreemdelingenwet bepaalde annulatiebevoegdheid zou hebben overschreden door bij de behandeling van het tweede middel zelf een aantal elementen in zijn beoordeling te betrekken die niet blijken uit de aanvankelijk bestreden beslissing doch enkel uit het administratief dossier.
  2. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt bij de behandeling van het eerste middel dat met de aanvankelijk bestreden beslissing een inreisverbod met een duur van 10 jaar wordt opgelegd omdat verzoeker een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid, en dat daarin wordt gespecificeerd dat verzoeker niet heeft getwijfeld om op illegale wijze in België te verblijven en om de openbare orde zeer ernstig te verstoren. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen citeert vervolgens de concrete onderbouwing van die vaststellingen in de aanvankelijk bestreden beslissing. Wat het illegaal verblijf betreft, wordt daarin aangehaald dat verzoeker beweert sinds 2008 in België te verblijven, dat het administratief dossier geen aanvraag bevat van 6 januari 2012 voor een verblijfskaart als familielid van een Unieburger, dat op 25 september 2015 een beslissing die een einde stelt aan het recht op verblijf van meer dan drie maanden werd betekend aan verzoeker waartegen geen beroep werd ingediend, dat verzoeker op 28 november 2016 heeft verklaard een nieuwe procedure te hebben gestart voor zijn recht op verblijf, dat echter geen nieuwe procedure is opgestart, dat verzoeker geen geldig paspoort heeft en dat verzoeker niet heeft getwijfeld om op illegale wijze in België te verblijven. Wat de bedreiging voor de openbare orde of de nationale veiligheid betreft, citeert de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uit de aanvankelijk bestreden beslissing dat verzoeker op 16 maart 2016 een veroordeling tot vier jaar gevangenisstraf heeft opgelopen wegens poging tot doodslag, dat verzoeker ingevolge de ernst van deze feiten kan worden geacht de openbare orde te kunnen schaden, dat de feiten zeer ernstig zijn en getuigen van een agressieve ingesteldheid en een gebrek aan respect voor de fysieke en psychische integriteit van het slachtoffer, dat die feiten zeer traumatiserend zijn voor het slachtoffer en tot een fatale afloop hadden kunnen leiden en dat verzoeker niet heeft getwijfeld de openbare orde zeer ernstig te verstoren. Vervolgens overweegt de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen nog dat de verwerende partij rekening heeft gehouden met verzoekers familieleden in België en Nederland en hij citeert de motivering dienaangaande uit de aanvankelijk bestreden beslissing. XIV-38.244-2/4 Op grond van de voornoemde vaststellingen oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, na te hebben gewezen op zowel de discretionaire bevoegdheid als de nauwgezette motiveringsplicht inzake het bepalen van de duur van het inreisverbod, dat “de uitgebreide motivering in het bestreden inreisverbod […] op voldoende duidelijke wijze toe[laat] te begrijpen waarom de verwerende partij kiest voor een duurtijd van tien jaar en waarom deze duurtijd proportioneel zou zijn”, dat “wel degelijk [wordt] ingegaan op verzoekers specifieke omstandigheden en concreet [wordt] toegelicht waarom in het voorliggende geval het gepast is de duur van het inreisverbod op tien jaar te bepalen”, zodat “uit het bestreden inreisverbod […] derhalve [blijkt] dat de geldingsduur ervan voor de termijn van tien jaar is voorzien van een specifieke motivering die op eenvoudige wijze in die beslissing kan worden gelezen”, dat “verzoeker […] aldus niet [overtuigt] als zou de voorziene motivering op zich niet als afdoende zijn te beschouwen”, dat “de motivering van het bestreden inreisverbod […] pertinent en draagkrachtig [is] en […] verzoeker in staat [stelt] te begrijpen op welke juridische en feitelijke gegevens deze door hem bestreden beslissing is gegrond” en dat een schending van artikel 74/11, § 1, vierde lid, van de vreemdelingenwet iuncto artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ niet is aangetoond. Met die beoordeling is de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nagegaan of de motivering van de aanvankelijk bestreden beslissing met betrekking tot de duur van het inreisverbod voldoet aan de vereisten van artikel 74/11, § 1, vierde lid, van de vreemdelingenwet en heeft hij zich beperkt tot de uitdrukkelijke motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft op die wijze geenszins zijn bevoegdheid als annulatierechter overschreden.
  3. Verzoekers tweede middel voor de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen had daarentegen ook betrekking op het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijk- heidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht. Hij verwijst daarin wel naar “de miskenning van de formele motiveringsverplichting; zie het eerste middel”. Met de door verzoeker thans bekritiseerde passages uit het bestreden arrest gaat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet een mogelijke schending na van de formelemotiveringsplicht die voortvloeit uit artikel 74/11, § 1, van de vreemdelingenwet of uit de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurs- handelingen’. Hij gaat daarmee wel na of een voldoende individueel onderzoek blijkt en of XIV-38.244-3/4 geen schending van het evenredigheidsbeginsel blijkt. De Raad voor Vreemdelingen- betwistingen acht het met de aanvankelijk bestreden beslissing opgelegde inreisverbod van 10 jaar “proportioneel”, dit “gelet op alle voorgaande elementen”, zowel uit de aanvankelijk bestreden beslissing als uit het administratief dossier. In het licht daarvan acht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen die beslissing “niet kennelijk onredelijk”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is op die wijze enkel nagegaan of de verwerende partij met de aanvankelijk bestreden beslissing één van de door verzoeker aangehaalde algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden of niet. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermocht zich daarbij niet enkel te steunen op de uitdrukkelijke motieven maar ook op de inhoud van het administratief dossier. Door aldus te handelen heeft hij zijn bevoegdheid als annulatierechter niet overschreden.
  4. Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  5. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  6. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op achttien februari tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.244-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.671 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.