id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 18 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.672 Rolnummer: A. 229976/XIV-38242 Zaak: Cassatiebeschikking 13672 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/02/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-02-27 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-26 02:52 Fiche Beschikking nr 13.672 van 18 februari 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.672 van 18 februari 2020 in de zaak A. 229.976/XIV-38.242 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dominique Andrien en Justine Braun kantoor houdend te 4000 Luik Mont Saint Martin 22 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 14 januari 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 230.129 van 12 december 2019 van de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen. Het dossier van de zaak is op 21 januari 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Eerste onderdeel van het enige middel
- In het eerste onderdeel van het enige middel werpt verzoeker de schending op “van de rechten van de verdediging, van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, en van het beginsel van hoor en wederhoor”. Verzoeker voert aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn asielrelaas ongeloofwaardig beschouwt op XIV-38.242-1/6 grond van negen argumenten. Vijf van deze argumenten zouden niet voorkomen in de aanvankelijk bestreden beslissing, namelijk twijfel aan verzoekers profiel als boerenzoon uit het dorp Naseri, het feit dat verzoeker pas meerdere weken na zijn aankomst in Europa een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend, verzoekers vergissing over het moment waarop het trainingskamp van de taliban werd aangevallen, het feit dat verzoeker naar zijn eigen woning is teruggekeerd nadat hij dat kamp was ontvlucht en het feit dat verzoekers familie nog steeds in hetzelfde dorp woont.
- In de aanvankelijk bestreden beslissing, die in het bestreden arrest wordt geciteerd, wordt op grond van de beschikbare informatie in zijn dossier vastgesteld dat verzoeker zijn asielmotieven niet aannemelijk heeft gemaakt. Dienaangaande wordt eerst opgemerkt “dat rekrutering van minderjarigen door opstandelingen zich weliswaar voordoet maar nog steeds uitzonderlijk is en bovendien in hoofdzaak tot bepaalde gebieden beperkt blijft” en dat geen rapportering over ontvoeringen van minderjarigen in verzoekers voorgehouden dorp, district en zelfs provincie wordt vermeld. Verder komt volgens de aanvankelijk bestreden beslissing “het toepassen van dwang, althans op de manier zoals [verzoeker] deze heeft omschreven, […] hierbij evenmin overeen met de handelwijze die in realiteit doorgaans wordt gevolgd”. Waar de taliban slechts één tot drie keer zouden zijn komen preken in de madrassa waar verzoeker school liep en dan verzoeker en zes andere kinderen onder dwang zouden hebben meegenomen, acht de verwerende partij in haar beslissing dergelijke “de facto nachtelijke groepsontvoering” weinig overtuigend daar op grond van de gekende landenformatie kan worden verwacht dat de taliban “structureler en doortastender” tewerk zouden zijn gegaan. Uit verzoekers verklaringen blijkt geen reden waarom de taliban net hem en zes andere jongens wilden rekruteren, noch dat vóór die ontvoering iemand van zijn familie werd benaderd of dat op enige andere wijze druk werd uitgeoefend met het oog op verzoekers indiensttreding. Waar verzoekers stelling dat gedwongen rekrutering via groepsontvoering vaker zou voorkomen in zijn regio, op zich reeds als erg twijfelachtig wordt beschouwd, vraagt de verwerende partij zich in de aanvankelijk bestreden beslissing bovendien af waarom verzoekers ouders hem in die context naar de madrassa zouden blijven sturen nadat zij op de hoogte waren van de preken aldaar van de taliban. In het verzoekschrift tot beroep bij de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen heeft verzoeker de motieven betwist dat er geen rapportering zou zijn over groepsontvoeringen van minderjarigen in verzoekers dorp, district en provincie, dat het XIV-38.242-2/6 toepassen van dwang, zoals door verzoeker omschreven, niet zou overeenkomen met de in realiteit doorgaans gevolgde handelwijze, dat het de vraag is waarom verzoekers ouders hem naar de madrassa zouden sturen als ze wisten dat de taliban er kwamen preken en dat verzoeker tegenstrijdige verklaringen zou hebben afgelegd over de komst van de taliban. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest met betrekking tot de voorgehouden gedwongen rekrutering door de taliban “dat uit de voorliggende landeninformatie, dit in tegenstelling tot wat verzoeker laat uitschijnen, geenszins kan worden afgeleid dat het loutere gegeven een minderjarige te zijn en aanwezig te zijn in verzoekers zelfverklaarde regio van herkomst, zou volstaan om te besluiten tot het bestaan van een daadwerkelijk en concreet risico om gedwongen te worden gerekruteerd door de taliban en tot het bestaan, om deze reden, van een nood aan internationale bescherming”, doch dat verzoeker “het bestaan van dergelijke nood aan internationale bescherming bijgevolg in concreto aannemelijk [dient] te maken en […] te dezen niet [kan] volstaan met een verwijzing naar de beschikbare landeninformatie”. Met betrekking tot de door verzoeker voorgehouden handelwijze van de taliban overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat uit de aangehaalde informatie blijkt “dat de taliban inderdaad jongeren, waaronder Pashtun, rekruteren via de familie, lokale en religieuze netwerken en madrassa’s”, doch dat dit “op generlei wijze afbreuk doet aan de terechte vaststelling dat het, gelet op de werkwijze die de taliban daarbij doorgaans hanteren in hun rekruteringsproces, totaal niet aannemelijk is dat zij zomaar uit het niets en midden in de nacht een groep van zeven jongeren, dit geheel tegen hun zin, gewapend en onder dwang zouden hebben ontvoerd. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen blijkt nergens uit de beschikbare informatie dat de taliban dergelijke praktijken zouden hanteren bij het rekruteren van jongeren, laat staan in verzoekers regio van herkomst, en reikt verzoeker geen informatie aan die afbreuk zou doen aan de voormelde motieven. Met betrekking tot de vraag waarom verzoekers ouders hem naar de madrassa lieten gaan als ze op hoogte waren van de preken door de taliban, acht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het niet plausibel dat verzoekers ouders dit toestonden “met de loutere instructie dat hij moet ‘luisteren maar niet meegaan’.” Het wordt niet ernstig geacht dat verzoeker geen andere keuze zou hebben gehad dan naar de madrassa te gaan. De Raad voor Vreemdelingen- betwistingen voegt toe dat, “aangezien verzoekers vader erin slaagde om zijn vertrek op amper één nacht te regelen, […] niet [kan] worden ingezien waarom deze stap niet eerder werd ondernomen teneinde het risico op een gedwongen rekrutering van verzoeker weg te nemen nadat de taliban naar de madrassa kwamen”. Met betrekking tot de tegenstrijdigheden XIV-38.242-3/6 in verzoekers relaas over de komst van de taliban, is de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen van oordeel dat verzoeker de desbetreffende motieven niet ontkracht. Op concrete wijze wordt verzoekers argumentatie ontkracht als zou hij, ook als jeugdig en laaggeschoold persoon, verkeerd zijn begrepen.
- Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen verzoekers kritiek tegen de aanvankelijk bestreden beslissing volledig heeft beantwoord doch ongegrond heeft bevonden. Vermits verzoeker geen andere kritiek tegen de aanvankelijk bestreden beslissing heeft aangevoerd, volstond dit op zich reeds om verzoekers beroep te verwerpen wat de weigering van de vluchtelingenstatus betreft. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nog andere elementen vermeldt, zoals twijfel aan verzoekers voorgehouden profiel, het feit dat hij na zijn aankomst in Europa niet meteen om internationale bescherming heeft verzocht, dat hij zich heeft vergist over het ogenblik van de dag waarop het kamp van de taliban werd aangevallen, dat hij na zijn ontsnapping zou zijn teruggekeerd naar zijn woning in het dorp waar hij voordien was ontvoerd en dat zijn familie nog steeds in hetzelfde dorp is blijven wonen en het er goed stelt, hoewel verzoeker door de taliban zou zijn geviseerd. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is ingevolge de devolutieve werking van verzoekers beroep immers niet gebonden door de motieven uit de aanvankelijk bestreden beslissing. Wat de beoordeling van het asielrelaas betreft, meer bepaald de in betwisting zijnde geloofwaardigheid ervan, kan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich aldus ook steunen op eigen motieven die betrekking hebben op die geloofwaardigheid en die kunnen blijken uit de stukken waarop hij vermag acht te slaan. Hij is er in die omstandigheden niet toe gehouden zijn voorgenomen motieven voor te leggen aan de partijen alvorens tot zijn beslissing te komen.
- Het eerste onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. XIV-38.242-4/6 Tweede onderdeel van het enige middel
- In het tweede onderdeel van het enige middel laat verzoeker gelden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met een arrest van 12 februari 2019 de subsidiaire beschermingsstatus in een gelijkaardig geval wel heeft toegekend, zodat het gelijkheidsbeginsel zou zijn geschonden. Verzoeker acht ook de jurisdictionele motiveringsplicht geschonden.
- In de mate dat verzoeker verwijst naar een ander arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, wordt in het bestreden arrest terecht opgemerkt dat de arresten van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen precedentenwerking hebben en dat elk verzoek om internationale bescherming afzonderlijk en individueel moet worden onderzocht, rekening houdend met de concrete situatie in het land van herkomst en met de door de aanvragen aangebrachte individuele elementen. Uit het feit dat aanvragen van verschillende verzoekers om internationale bescherming verschillend worden beoordeeld, kan op zich geen schending van het gelijkheidsbeginsel worden afgeleid. Verzoeker geeft aan dat de algemene informatie in het dossier over zijn regio van herkomst betrekking heeft op “gebeurtenissen die in 2016, 2017 en 2018 hebben plaatsgevonden”. Dit argument mist feitelijke grondslag vermits in het bestreden arrest onder “informatie van EASO van medio 2019” wordt aangehaald met cijfermateriaal van januari 2018 tot einde februari 2019 om te besluiten dat “in verzoekers provincie wel willekeurig geweld plaatsvindt doch dat de mate van dit geweld niet hoog is en dat, bijgevolg, een hogere graad van individuele elementen aangetoond moeten worden om aan te tonen dat een burger die terugkeert naar deze regio een reëel risico zou lopen op ernstige schade”. Verder gaat verzoeker voorbij aan de concrete beoordeling in het bestreden arrest, waarvoor ook naar de motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing wordt verwezen, dat nergens uit blijkt dat verzoeker fysiek of mentaal minder in staat zou zijn om het willekeurig geweld te ontlopen, dat verzoeker gezien zijn herkomst uit een zeer ruraal dorp geen verhoogd risico op ernstige schade loopt omwille van de nabijheid van potentiële doelwitten, dat de door verzoeker aangehaalde incidenten dateren van jaren geleden en zich niet voordeden in verzoekers dorp, dat verzoekers ouders nog altijd thuis wonen en het er volgens verzoeker nog goed stellen en dat verzoeker enkel met de verwijzing naar zijn leeftijd geen afbreuk doet aan de voormelde motieven. XIV-38.242-5/6 Uit het voorgaande blijkt duidelijk waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van oordeel is dat verzoeker niet in aanmerking komt voor de subsidiaire beschermingsstatus ondanks zijn leeftijd. Verzoeker toont geen schending aan van de jurisdictionele motiveringsplicht, noch van artikel 48/4 van de vreemdelingenwet.
- Het tweede onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op achttien februari tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.242-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.672 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div