← België

Cassatiebeschikking 13677 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 25/02/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 25 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.677 Rolnummer: A. 230064/XIV-38253 Zaak: Cassatiebeschikking 13677 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 25/02/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-03-09 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-26 03:03 Fiche Beschikking nr 13.677 van 25 februari 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.677 van 25 februari 2020 in de zaak A. 230.064/XIV-38.253 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ali Fadili kantoor houdend te 2000 Antwerpen Terninckstraat 13 bus C bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 27 januari 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 230.810 van 27 december 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 3 februari 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de XIV-38.253-1/4 jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen.
  2. Verzoekster laat gelden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet haar kritiek heeft onderzocht tegen het feit dat haar met de aanvankelijk bestreden beslissing geen termijn van 30 dagen werd toegekend om het grondgebied van het Rijk vrijwillig te verlaten. Volgens verzoekster heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen haar eerste middel niet beantwoord. Verzoekster gaat eraan voorbij dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen haar vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid heeft verworpen omdat geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel werd aangetoond. In het licht daarvan was de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen er in beginsel niet toe gehouden verzoeksters middelen te beantwoorden. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft wel de door verzoekster in een tweede middel opgeworpen schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950, onderzocht, doch dit omwille van de door verzoekster als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel voorgehouden schending van haar gezinsleven. Derhalve heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, door verzoeksters eerste middel niet te beantwoorden, te dezen de jurisdictionele motiveringsplicht niet geschonden.
  3. Het is verzoekster een raadsel “waar de RvV het haalt dat het beroep van verzoekster gericht zou zijn op het inreisverbod”. In het bestreden arrest wordt overwogen dat, “in de mate dat verzoekster verwijst naar het inreisverbod, […] een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid niet kan worden ingesteld tegen een inreisverbod”, zodat “verzoekster […] zich dan ook niet nuttig [kan] beroepen op dit inreisverbod in het kader van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel”. Daarmee heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet gesteld dat verzoeksters beroep is gericht tegen het inreisverbod doch enkel dat - en waarom XIV-38.253-2/4 - verzoekster er zich niet op kan beroepen in het kader van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Deze overweging is pertinent vermits verzoekster in het verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid als moeilijk te herstellen ernstig nadeel ook heeft aangehaald dat de verwerende partij eraan voorbij is gegaan “dat aan verzoekster ook een inreisverbod werd opgelegd van 3 jaar in navolging van het bestreden bevel om het grondgebied te verlaten”. Verzoeksters kritiek berust op een foutieve lezing van het bestreden arrest en mist feitelijke grondslag.
  4. Verzoekster laat nog gelden “dat het bestreden bevel uitermate gebrekkig is gemotiveerd en bovendien niet klopt met de werkelijkheid”. Deze kritiek is niet gericht tegen het bestreden arrest doch tegen de aanvankelijk bestreden beslissing. De Raad van State treedt als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf.
  5. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  6. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  7. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.253-3/4 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vijfentwintig februari tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.253-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.677 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.