← België

Cassatiebeschikking 13678 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 03/03/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 03 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.678 Rolnummer: A. 230048/XIV-38251 Zaak: Cassatiebeschikking 13678 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 03/03/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-03-13 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-26 03:07 Fiche Beschikking nr 13.678 van 3 maart 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.678 van 3 maart 2020 in de zaak A. 230.048/XIV-38.251 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Oriane Todts kantoor houdend te 1000 Brussel Kolenmarkt 83 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 23 januari 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 230.585 van 19 december 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 3 februari 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Verzoeker richt zich in het eerste onderdeel van het enige middel tegen de overweging in het bestreden arrest waarmee de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de voorkeur geeft aan de notities van het Commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (hierna: het Commissariaat-generaal) boven de notities van verzoekers raadsman wat betreft de vraag of verzoeker heeft verklaard “een paar maanden” dan wel “één maand” te hebben verbleven in Holzad Hostel. XIV-38.251-1/4 Verzoeker gaat voorbij aan de navolgende overweging in het bestreden arrest dat, “in zoverre zou worden aangenomen dat verzoeker wel degelijk ‘een paar maanden’ in Golzad Hostel zou hebben verbleven, quod non, dient vastgesteld dat er dan nog steeds een verschil van twee à drie maanden bestaat tussen de periode van verblijf zoals door verzoeker omschreven op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen” en dat “deze tegenstrijdigheid […] dus hoe dan ook overeind [blijft] en […] in ernstige mate afbreuk [doet] aan de geloofwaardigheid van verzoekers verklaringen betreffende zijn verblijf in Afghanistan na zijn terugkeer in 2017”. Uit deze laatste overweging blijkt dat, zelfs als verzoekers kritiek gegrond zou zijn, de voorgehouden onwettigheid de strekking van het bestreden arrest niet kan hebben beïnvloed.
  2. In het tweede onderdeel van het enige middel houdt verzoeker in essentie voor dat hij in zijn opmerkingen bij de notities van het persoonlijk onderhoud op het Commissariaat-generaal wel heeft aangegeven dat de procureur-generaal tijdens zijn tewerkstelling werd vervangen. Volgens verzoeker hebben de commissaris-generaal en vervolgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen deze opmerkingen niet behoorlijk onderzocht. In de mate dat verzoeker zich richt tegen de beoordeling van het verzoek om internationale bescherming door de commissaris-generaal, is deze kritiek niet gericht tegen het bestreden arrest en derhalve niet-ontvankelijk. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt op zijn beurt dat verzoeker tijdens zijn persoonlijk onderhoud op het Commissariaat-generaal “meermaals bevestigde dat hij steeds voor dezelfde procureur-generaal werkte”, zodat het post factum vermelden in verzoekers opmerkingen bij de notities van het Commissariaat-generaal dat de procureur-generaal wel degelijk werd vervangen tijdens verzoekers tewerkstelling, “allerminst afdoende is”. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “klemt [dit] des te meer daar verzoeker evenmin melding maakte van een ingrijpende beslissing van zijn werkgever, met name het afzetten van de burgemeester van Pul-i-Khumri ten tijde van zijn tewerkstelling”. Voor zover wordt aangenomen dat verzoeker enige tijd werkzaam is geweest als typist van de genoemde procureur-generaal, blijkt volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “uit de bestreden beslissing dat deze tewerkstelling van kortere duur was dan door verzoeker voorgehouden” en “klemt [dit] des te meer daar deze tewerkstelling slechts een minimale zichtbaarheid kende en reeds meer dan vijf jaar geleden XIV-38.251-2/4 heeft plaatsgevonden”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen neemt derhalve aan “dat verzoeker ingeval van terugkeer naar zijn land van herkomst louter omwille van zijn voormalige, kortstondige tewerkstelling als typist voor de procureur-generaal van de provincie Baghlan geen persoonlijke problemen zal kennen”. In het licht van deze motivering maakt verzoeker met de algemene kritiek dat de door hem bij de notities van het Commissariaat-generaal gemaakte opmerkingen niet zorgvuldig zijn onderzocht, geen schending aannemelijk door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van artikel 57/5quater, § 3, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Verder neemt de Raad van State als administratieve cassatierechter geen kennis van de zaak zelf, zodat hij niet vermag zelf de beoordeling over te doen van de door verzoeker gemaakte opmerkingen bij de notities van het Commissariaat-generaal.
  3. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  4. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  5. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.251-3/4 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op drie maart tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.251-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.678 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.