← België

Cassatiebeschikking 13680 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 03/03/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 03 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.680 Rolnummer: A. 230041/XIV-38250 Zaak: Cassatiebeschikking 13680 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 03/03/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-03-20 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-28 04:23 Fiche Beschikking nr 13.680 van 3 maart 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.680 van 3 maart 2020 in de zaak A. 230.041/XIV-38.250 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Geens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 22 januari 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 231.267 van 16 januari 2020 van de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen. Het dossier van de zaak is op 29 januari 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Verzoeker acht artikel 9ter, § 2, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) geschonden omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de overgelegde bijlage 26quinquies heeft uitgesloten als een “bewijselement” omdat dit document per definitie “geen bewijswaarde” zou hebben wat verzoekers identiteit betreft, dit zonder toetsing aan de criteria van het voornoemde artikel 9ter, §
  2. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zou ook artikel 39/2, § 2, van de XIV-38.250-1/3 vreemdelingenwet hebben geschonden door vervolgens in de plaats van de verwerende partij het voornoemde document te hebben getoetst aan de criteria van het meergenoemde artikel 9ter, §
  3. In de aanvankelijk bestreden beslissing wordt overwogen dat de door verzoeker overgelegde bijlage 26quinquies de vermelding draagt “dit document is geenszins een identiteitsbewijs noch een nationaliteitsbewijs” en bijgevolg “niet [kan] aanvaard worden als een bewijs van zijn identiteit”. Verzoeker heeft in zijn beroep tot nietigverklaring daartegen aangevoerd dat de verwerende partij de criteria van artikel 9ter van de vreemdelingenwet zou hebben genegeerd door niet na te gaan of de kwestieuze bijlage 26quinquies niet voldoet aan de criteria van het voornoemde artikel 9ter, §
  4. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest dat de bijlage 26quinquies “werd afgeleverd aan verzoeker in het kader van zijn asielprocedure en dit op basis van zijn eigen verklaringen, in casu de door hem verstrekte identiteits- en nationaliteitsgegevens” en dat, vermits “blijkt dat dit document geen bewijswaarde heeft voor wat betreft de verklaarde nationaliteit en identiteit van verzoeker, […] de verwerende partij terecht [kon] volstaan met de vaststelling dat ‘dit document niet aanvaard [kan] worden als een bewijs van identiteit’.”
  5. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft derhalve enkel de juistheid onderzocht van de vaststelling in de aanvankelijk bestreden beslissing dat de bewuste bijlage 26quinquies niet kan worden aanvaard als bewijs van verzoekers identiteit. Hij heeft daarmee niet zijn in artikel 39/2, § 2, van de vreemdelingenwet bepaalde bevoegdheid overschreden. Net omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft opgemerkt dat verzoekers bijlage 26quinquies slechts werd afgegeven op basis van diens eigen verklaringen en de vermelding draagt dat ze geen identiteitsbewijs of nationaliteitsbewijs vormt, heeft hij artikel 9ter, § 2, van de vreemdelingenwet niet geschonden door aan te nemen dat de verwerende partij kon volstaan met de vaststelling dat het kwestieuze stuk niet kan worden aanvaard als een bewijs van identiteit.
  6. Het enige middel is kennelijk ongegrond. XIV-38.250-2/3 BESLUIT:
  7. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  8. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op drie maart tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.250-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.680 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.