id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 12 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.694 Rolnummer: A. 230201/XIV-38268 Zaak: Cassatiebeschikking 13694 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/03/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-07-27 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-26 12:01 Fiche Beschikking nr 13.694 van 12 maart 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.694 van 12 maart 2020 in de zaak A. 230.201/XIV-38.268 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gérald Gaspart kantoor houdend te 1060 Brussel Berckmansstraat 89 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 12 februari 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 231.124 van 13 januari 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 21 februari 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen XIV-38.268-1/7 wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. 2.
- Verzoekers stelling in het eerste onderdeel van het enige middel, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op basis van tegenstrijdige motieven heeft geoordeeld dat de door verzoeker bijgebrachte veiligheidsinformatie niet kan leiden tot de conclusie dat de analyse van de veiligheidssituatie zoals opgenomen in de ‘EASO Guidance Note’ niet correct zou zijn, berust op een onjuiste en selectieve lezing van het bestreden arrest. In het bestreden arrest overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met betrekking tot de veiligheidssituatie in verzoekers regio van afkomst: “Verzoekers afkomst uit het district Doshi van de provincie Baghlan wordt niet betwist. In de meest recente ‘Country Guidance: Afghanistan. Guidance note and common analysis’, van juni 2019, waarbij de periode van 1 januari 2018 tot 28 februari 2019 als algemene referentieperiode geldt, kwalificeerde EASO de provincie Baghlan als een gebied waar de mate van willekeurig geweld niet zodanig hoog is dat er zwaarwegende gronden zijn om aan te nemen dat een burger, wanneer deze terugkeert naar deze provincie, louter op basis van zijn aanwezigheid op het grondgebied van deze provincie een reëel risico zou lopen op een ernstige bedreiging van zijn leven of vrijheid (p. 92: ‘that indiscriminate violence is taking place in the province of Baghlan, however not at a high level and, accordingly, a higher level of individual elements is required in order to show substantiel grounds for believing that a civilian, returned to the territory, would face a real risk of serious harm within the meaning of Article 15(c) QD.’). De Raad bevestigt het standpunt van de commissaris-generaal in de bestreden beslissing dat de veiligheidssituatie in de provincie Baghlan, alles in acht genomen, geen dermate willekeurig geweld kent dat er zwaarwegende gronden zijn om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar de betrokken regio, louter door zijn aanwezigheid op het grondgebied aldaar, een reëel risico loopt om een ernstige bedreiging van zijn leven of persoon te ondergaan. Verzoeker verwijst in zijn verzoekschrift naar een aantal artikelen en Twitterberichten (stukken 4.1.-4.3., 5.1.-5.4., 6.1.-6.
- en 7.1.-7.3.) om de verslechterde situatie in het district Doshi van de Afghaanse provincie Baghlan te schetsen en betoogt voorts in zijn verzoekschrift dat de verslechterde situatie in de provinciale hoofdstad Pul-e- Khumri een impact heeft op de veiligheidssituatie in zijn regio van herkomst. Hij meent daarbij dat de informatie toegevoegd aan het administratief dossier achterhaald is en dat er thans een situatie voorlegt waar er mindere persoonlijke omstandigheden vereist zijn om de subsidiaire beschermingsstatus te verlenen, dan wel dat er sprake is van een situatie waar zijn loutere aanwezigheid voldoende zou zijn voor de toekenning XIV-38.268-2/7 van de subsidiaire beschermingsstatus. De Raad merkt vooreerst op dat de door verzoeker bijgebrachte informatie fragmentarisch is en dat van een deel van de bronnen - voornamelijk de ‘screenshots’ van Twitterberichten (verzoekschrift, stukken 5.1.-5.4., 6.1.-6.
- en 7.1.-7.3.) - onduidelijk is wie de precieze bron betreft en of, en zo ja, op welke manier deze informatie werd geverifieerd, hetgeen de betrouwbaarheid ervan relativeert. Bovendien verwijst het merendeel van de door verzoeker aangebrachte bronnen naar doelgerichte aanvallen van opstandelingen en/of de Afghaanse veiligheidsdiensten. De door verzoeker aangehaalde informatie heeft bovendien in grote mate betrekking op de situatie in Pul-e-Khumri en Kunduz, hetgeen niet het district van verzoeker betreft. Uit deze informatie kan dan ook niet blijken dat er in de provincie Baghlan in het algemeen en in het district van verzoeker specifiek, sprake is van een situatie waar willekeurig geweld niet op grote schaal plaatsvindt en er dus een hoger niveau van persoonlijke omstandigheden vereist is om aan te tonen dat men bij terugkeer naar de provincie een reëel risico op ernstige schade zou lopen. Uit de toegevoegde informatie bij het verzoekschrift (stukken 5.1.-5.3.) blijkt bovendien dat de aanval door de Taliban op de stad werd afgeweerd. Waar de bronnen verwijzen naar incidenten en aanwezigheid van de Taliban in de omliggende stadswijken (stukken 4.1.-4.3.), blijkt uit de verklaringen van verzoeker en de bijgevoegde kaart (verzoekschrift, stukken 3.
- en 3.2.) van zijn district niet dat zijn dorp gelokaliseerd is in de omliggende stadswijken van Pul-e-Khumri. Ook de ter terechtzitting voorgelegde internetartikelen (rechtsplegingsdossier, stuk 11) maken melding van doelgerichte aanvallen van opstandelingen en/of de Afghaanse veiligheidsdiensten. Meer nog, in de door verzoeker bijgebrachte informatie wordt gewag gemaakt van het feit dat 16 dorpen, waaronder het dorp Kelagai - verzoekers regio van herkomst-, bevrijd werden van de macht van de taliban. De informatie die door verzoeker wordt aangebracht kan dus niet leiden tot de conclusie dat de analyse van de veiligheidssituatie zoals opgenomen in de bestreden beslissing en in de ‘EASO Guidance Note’ niet correct zou zijn. ln zoverre verzoeker nog verwijst naar bronnen waaruit zou blijken dat de basisvoorzieningen vaak onderbroken zijn (stukken 7.1.- 7.3.) dient benadrukt dat dit slechts Twitterberichten zijn waarvan de bron onduidelijk is. Bovendien blijkt uit de informatie toegevoegd aan de nota met opmerkingen (rechtsplegingsdossier, stuk 4) dat een technisch team werd gestuurd op reparaties uit te voeren, waardoor dit slechts een tijdelijke situatie betrof.” Uit de voorvermelde overwegingen van het bestreden arrest blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van oordeel is dat de door verzoeker bijgebrachte informatie fragmentarisch is; dat van een deel van de bronnen - voornamelijk de ‘screenshots’ van Twitterberichten - onduidelijk is wie de precieze bron betreft en of deze informatie werd geverifieerd, waardoor de betrouwbaarheid ervan gerelativeerd moet worden; dat het merendeel van de door verzoeker bijgebrachte bronnen verwijst naar doelgerichte aanvallen van opstandelingen of de Afghaanse veiligheidsdiensten; en dat de door verzoeker aangehaalde informatie in grote mate betrekking heeft op de situatie in Pul-e- Khumri en Kunduz, hetgeen niet het district van verzoeker betreft. Het is geenszins daarmee tegenstrijdig dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vervolgens ook overweegt dat uit de aan het verzoekschrift toegevoegde informatie blijkt dat de aanval door de Taliban op de stad Pul-e-Khumri werd afgeweerd. Anders dan verzoeker in zijn verzoekschrift beweert XIV-38.268-3/7 heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met die overweging nog niet aangenomen dat er “een grootschalig offensief plaatsvond”. Bovendien overweegt de Raad dat de aanval werd afgeweerd en dat de situatie in Pul-e-Khumri geen betrekking heeft op het district van verzoeker. In elk geval vermag die overweging geen afbreuk te doen aan de conclusie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat thans het district van verzoeker geen dermate willekeurig geweld kent dat er zwaarwegende gronden zijn om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar de betrokken regio, louter door zijn aanwezigheid op het grondgebied aldaar, een reëel risico loopt om een ernstige bedreiging van zijn leven of persoon te ondergaan. Evenmin is het tegenstrijdig dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen eensdeels overweegt dat bepaalde van de door verzoeker bijgebrachte bronnen verwijzen naar incidenten en aanwezigheid van de Taliban in de omliggende stadswijken van Pul-e-Khumri terwijl uit de verklaringen van verzoeker en de door hem bijgevoegde kaart van zijn district blijkt dat verzoekers dorp niet gelokaliseerd is in die wijken en anderdeels overweegt dat in de door verzoeker bijgebrachte informatie gewag wordt gemaakt van het feit dat zestien dorpen - waaronder dat van verzoeker - bevrijd werden van de macht van de Taliban. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen neemt immers ondubbelzinnig aan dat verzoekers dorp, net zoals vijftien andere dorpen uit het district, thans niet langer in handen is van de Taliban en dat de incidenten en aanwezigheid van de Taliban waarvan in de door verzoeker bijgebrachte informatie gewag wordt gemaakt bovendien betrekking hebben op de omliggende stadswijken van Pul-e-Khumri waarvan verzoekers dorp geen deel uitmaakt. Ook die overweging is niet van aard dat ze afbreuk kan doen aan de conclusie dat er voor wat betreft het district van verzoeker thans geen sprake is van een dermate willekeurig geweld dat er zwaarwegende gronden zijn om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar de betrokken regio, louter door zijn aanwezigheid op het grondgebied aldaar, een reëel risico loopt om een ernstige bedreiging van zijn leven of persoon te ondergaan. Ten slotte is het evenmin tegenstrijdig dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen eensdeels stelt dat de door verzoeker bij zijn verzoekschrift bijgebrachte bronnen waaruit zou blijken dat de basisvoorzieningen vaak onderbroken zijn slechts Twitterberichten zijn waarvan de bron onduidelijk is en anderdeels overweegt dat uit de informatie toegevoegd aan de nota met opmerkingen blijkt dat een technisch team werd gestuurd om reparaties uit te voeren, waardoor dit slechts een tijdelijke situatie betrof. De XIV-38.268-4/7 Raad voor Vreemdelingenbetwistingen erkent weliswaar dat de basisvoorzieningen werden onderbroken, maar hij wijst erop dat een technisch team reparaties heeft uitgevoerd zodat de onderbreking slechts een tijdelijke situatie betrof die thans is verholpen. Verzoeker maakt dan ook niet aannemelijk dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op basis van tegenstrijdige motieven heeft geoordeeld dat de door verzoeker bijgebrachte veiligheidsinformatie niet kan leiden tot de conclusie dat de analyse van de veiligheidssituatie zoals opgenomen in de ‘EASO Guidance Note’ niet correct zou zijn. Het eerste onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond. 2.
- Ten onrechte beweert verzoeker in het tweede onderdeel van het enige middel dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen inzake de door hem aangevoerde persoonlijke omstandigheden waaruit moet blijken dat hij een reëel risico zou lopen om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld in de zin van artikel 48/4, § 2, c, van de vreemdelingenwet geen rekening heeft gehouden met en geen antwoord heeft geboden op de argumentatie uit het verzoekschrift en de aanvullende nota dat zijn dorp in de nabijheid ligt van de snelweg die Kaboel met Kunduz en Mazaar-e-Shareef verbindt en die een strategisch doelwit in het gewapend conflict is en vaak het voorwerp van aanvallen van de Taliban met militaire confrontaties in het dorp tot gevolg. Uit overweging 2.2 van het bestreden arrest blijkt uitdrukkelijk dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen rekening heeft gehouden met verzoekers verzoekschrift en aanvullende nota waaraan onder meer het internetartikel ‘Militants defeated, highway reopend in Afghanistan’s northern Baghlan: Official’ is toegevoegd en verzoekers argumentatie en de bijgevoegde stukken met betrekking tot de individuele elementen waaruit moet blijken dat hij een reëel risico zou lopen om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld in de zin van artikel 48/4, § 2, c, van de vreemdelingenwet dus bij zijn beoordeling heeft betrokken. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest dienaangaande evenwel: “Verder stelt de Raad vast dat de mate van het willekeurig geweld in de regio van herkomst van verzoeker niet hoog is. Bijgevolg is een grotere mate aan individuele elementen vereist om aan te nemen dat een burger er een reëel risico zou lopen om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld in de zin van artikel 48/4, § 2, c), van de Vreemdelingenwet. XIV-38.268-5/7 Voor zover verzoeker zich teneinde de subsidiaire beschermingsstatus te bekomen beroept op de aangevoerde vluchtmotieven en de situatie waarbij rekening wordt gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden, kan vooreerst dienstig worden verwezen naar de hoger gedane vaststellingen dienaangaande. In zoverre verzoeker nog meent dat hij als minderjarige een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van het willekeurig geweld dat in zijn regio plaatsvindt, is de Raad van oordeel dat er van kan worden uitgegaan dat verzoeker, die ruim 17 jaar oud is, inmiddels over de nodige maturiteit beschikt om ook bij een terugkeer naar Afghanistan gevaarlijke situaties naar behoren in te schatten en hij aldus geen groter risico loopt om het slachtoffer te worden van een ernstige bedreiging van zijn leven of persoon wegens het willekeurig geweld dan andere burgers uit zijn regio van herkomst. Waar verzoeker nog aanvoert dat hij als familiehoofd na het overlijden van zijn vader een hoger risico op ernstige schade zou lopen, dient er vooreerst op gewezen dat uit het voorgaande en de motieven van de bestreden beslissing blijkt dat er vraagtekens geplaatst kunnen worden bij het overlijden van zijn vader. Zelfs zo hieraan geloof zou worden gehecht, dient te worden opgemerkt dat het niet duidelijk is hoe verzoeker een verhoogd risico zou lopen om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld door het feit dat hij het hoofd zou zijn van de familie, noch licht hij dit op enige wijze toe in zijn verzoekschrift. Verder brengt verzoeker geen individuele elementen bij, noch blijkt uit de stukken van het administratief dossier dat verzoekers persoonlijke omstandigheden van die aard zijn dat hij een verhoogde kwetsbaarheid heeft die ertoe leidt dat hij een groter risico loopt dan andere burgers in zijn herkomstregio op een ernstige bedreiging van zijn leven of persoon als gevolg van het willekeurig geweld aldaar. Bijgevolg maakt verzoeker niet aannemelijk dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat hij bij een terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico zou lopen op ernstige schade in de zin van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet.” De omstandigheid dat verzoekers dorp in de nabijheid ligt van een snelweg die een strategisch doelwit in het gewapend conflict zou zijn en vaak het voorwerp van aanvallen van de Taliban is, vormt geen persoonlijke omstandigheid in hoofde van verzoeker, laat staan een persoonlijke omstandigheid waaruit kan blijken dat hij, meer dan de andere inwoners van het dorp, een reëel risico zou lopen om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld in de zin van artikel 48/7, § 2, c, van de vreemdelingenwet. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kon dan ook op goede gronden overwegen dat verzoeker naast zijn minderjarigheid, het feit dat hij bij terugkeer familiehoofd zou zijn en de motieven voortvloeiende uit zijn asielrelaas, geen individuele elementen bijbrengt, noch uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoekers persoonlijke omstandigheden van die aard zijn dat hij een verhoogde kwetsbaarheid heeft die ertoe leidt dat hij een groter risico loopt dan andere burgers in zijn herkomstregio op een ernstige bedreiging van zijn leven of persoon als gevolg van het willekeurig geweld aldaar. Aldus kan worden vastgesteld dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers argumentatie in verband met de nabijheid van verzoekers dorp met een snelweg dan ook wel degelijk heeft onderzocht en (impliciet) beantwoord. XIV-38.268-6/7 Het tweede onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 12 maart 2020, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.268-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.694 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div