id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 12 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.695 Rolnummer: A. 230182/XIV-38262 Zaak: Cassatiebeschikking 13695 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/03/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-07-27 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-26 11:59 Fiche Beschikking nr 13.695 van 12 maart 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.695 van 12 maart 2020 in de zaak A. 230.182/XIV-38.262 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Charles Buytaert kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 235 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 7 februari 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 230.932 van 8 januari 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 18 februari 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- XIV-38.262-1/4 A. Eerste middel
- De materiëlemotiveringsplicht is als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet van toepassing op jusisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest, waarmee te dezen bovendien met hervormingsbevoegdheid uitspraak is gedaan.
- Verzoeker is van oordeel dat met het bestreden arrest “de terugkeergevolgen” voor hem niet zijn onderzocht. Zoals overigens door verzoeker geciteerd in het verzoekschrift tot cassatie, geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op omstandig gemotiveerde wijze weer waarom geen zwaarwegende gronden blijken om aan te nemen dat verzoeker bij een terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico zou lopen op ernstige schade in de zin van artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet). Verzoeker geeft niet in het minst aan in welk opzicht die motivering niet zou volstaan om te voldoen aan de vereisten van de jurisdictionele motiveringsplicht.
- Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. B. Tweede middel
- Verzoeker citeert een reisadvies van het ministerie van Buitenlandse Zaken voor Belgen naar Venezuela. Dit houdt echter geen verband met de beoordeling van de vraag of hij als Venezolaans onderdaan voldoet aan de criteria van artikel 48/3 van de vreemdelingenwet en artikel 1.A van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, om als vluchteling te worden erkend. Verzoeker citeert in het Engels informatie uit internationale rapporten om tot een ander besluit te komen dan het bestreden arrest. Hiermee vraagt verzoeker in wezen een nieuwe beoordeling ten gronde, doch de Raad van State is als administratieve cassatierechter niet bevoegd om kennis te nemen van de zaak zelf.
- Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. XIV-38.262-2/4 C. Derde middel
- Vermits noch met het bestreden arrest noch met de aanvankelijk bestreden beslissing uitspraak is gedaan over een verwijderingsmaatregel, kan verzoeker in beginsel geen mogelijke schending inroepen van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM). Wel stemmen de bewoordingen van artikel 48/4, § 2, b), van de vreemdelingenwet met betrekking tot de subsidiaire bescherming letterlijk overeen met die van artikel 3 van het EVRM, zodat bij de beoordeling van een verzoek om internationale bescherming onrechtstreeks toch een toetsing aan artikel 3 van het EVRM plaatsvindt. Verzoekers kritiek is ertoe beperkt dat in het bestreden arrest geen rekening zou zijn gehouden met zijn individuele situatie noch met zijn persoonlijke omstandigheden. Volgens verzoeker is geen rekening gehouden met het lot van terugkerende asielzoekers terwijl het “aan verwerende partij toe[komt] om wanneer zij een uitgeprocedeerde asielzoeker uitwijst na te gaan naar welk gebied deze laatste zou worden toegestuurd en of er daardoor geen schendingen in hoofde van artikel 3 van het EVRM zouden plaatsvinden”. Ondanks de omstandige concrete motivering van het bestreden arrest, licht verzoeker niet toe welke elementen van zijn individuele situatie of persoonlijke omstandigheden op onwettige wijze buiten beschouwing zouden zijn gelaten. Verzoekers kritiek op zijn uitwijzing als uitgeprocedeerde asielzoeker is niet dienstig vermits, zoals supra reeds aangegeven, het bestreden arrest enkel uitspraak doet over een verzoek tot internationale bescherming doch geen verwijderingsmaatregel bevat.
- Het derde middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. D. Vierde middel
- Volgens verzoeker hebben de Belgische asielinstanties “een eenzijdige beoordeling gemaakt van het dossier zonder actief op zoek te gaan naar elementen die de toekenning van een beschermingsstatus kunnen verantwoorden”, werden “bijgevolg […] niet alle elementen die voorlagen of voor konden liggen bij de beoordeling van de XIV-38.262-3/4 asielaanvraag betrokken” en zijn derhalve “de asielmotieven en terugkeermogelijkheden niet deugdelijk onderzocht”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beslist soeverein of hij over voldoende gegevens beschikt om uitspraak te doen over verzoekers beroep tegen de afwijzing van zijn verzoek om internationale bescherming. Verzoeker citeert slechts de motivering van het bestreden arrest doch hij geeft in het middel niet aan op welke vlak de in aanmerking genomen elementen niet zouden volstaan noch welke elementen op onwettige wijze buiten beschouwing zouden zijn gelaten.
- Het vierde middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 12 maart 2020, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.262-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.695 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div