id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 12 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.696 Rolnummer: A. 230184/XIV-38263 Zaak: Cassatiebeschikking 13696 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/03/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-07-27 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-26 11:58 Fiche Beschikking nr 13.696 van 12 maart 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.696 van 12 maart 2020 in de zaak A. 230.184/XIV-38.263 In zake :
- XXXXX
- XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hajarpi Chatchatrian kantoor houdend te 8000 Brugge Langestraat 46/1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 10 februari 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 230.872 van 7 januari 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 18 februari 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De materiëlemotiveringsplicht is als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest waarmee met hervormingsbevoegdheid uitspraak wordt gedaan over een beroep tegen een beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen over een XIV-38.263-1/4 asielaanvraag. De verzoekers verwijzen te dezen dan ook verkeerdelijk naar een “wettigheidscontrole” door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het enige middel is in die mate kennelijk niet-ontvankelijk.
- De verzoekers achten artikel 39/2, § 1, van de vreemdelingenwet geschonden omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen buiten de gegevens van het administratief dossier om en zonder dat het gaat om feiten van algemene bekendheid stelt dat, indien eerste verzoeker voor de Mossad zelf zou hebben gewerkt, hij dit met loonbriefjes of buitenlandse vergoedingen zou kunnen aantonen. De verzoekers voeren zelf aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ter terechtzitting (volgens hen “terecht”) de vraag heeft gesteld naar eerste verzoekers profiel, of hij al dan niet voor de Mossad heeft gewerkt. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ontleedt in punt 3.4.6 van het bestreden arrest de verklaringen dienaangaande van eerste verzoeker. Hij overweegt dat eerste verzoeker bewakingsagent en naargelang de opdracht bodyguard was die via een beveiligingsadviseur van een agentschap werd tewerkgesteld en verder dat eerste verzoeker dus werkte voor beveiligingsfirma’s en beveiligingsagentschappen die (onder meer) contracten beoogden van joodse instellingen of personen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst naar eerste verzoekers verklaringen dat hij zelf werkte als bodyguard voor een bewakingsfirma voor de beveiliging of veiligheid van de joodse gemeenschap, als bodyguard van bekende personen in de joodse gemeenschap en dat hij verschillende opdrachten heeft aangenomen van met Israël gelieerde veiligheidsagentschappen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt dan op dat “dit laatste […] uiteraard niet nodig [zou] zijn indien verzoeker inderdaad voor de Mossad zelf zou gewerkt hebben aangezien hij dan in het kader van zijn werk zou worden uitgestuurd”. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wijzen ook de verklaringen van eerste verzoeker “dat hij eind december 2013 vertrok voor een opleiding van de Internationale Krav Maga Federatie naar Israël […] erop dat verzoeker niet ingelijfd was binnen de Mossad”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vervolgt dat “verzoekers bewering dat hij toen via via in contact kwam met een zekere M. die naar zijn bereidheid polste om effectief binnen de Israëlische inlichtingendienst Mossad te werken, […] er ondubbelzinnig op [wijst] dat verzoeker toen nog niet voor de Mossad had gewerkt laat staan in de zin van gestructureerde kennisvergaring en analyse”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen neemt aan dat beveiligingsfirma’s voor joodse gemeenschappen worden doorgelicht en opgevolgd door de XIV-38.263-2/4 Mossad doch dat “de tewerkstelling in deze firma’s […] echter niet [betekent] dat deze personen deel uitmaken van de Israëlische Veiligheidsdienst Mossad in de zin van onderzoekswerk of adviseur”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wijst erop dat “verzoeker […] bovendien [verklaarde] dat hij eind februari 2014 in Israël T. ontmoette voor gesprekken die mogelijk tot zijn aanstelling als veiligheidsagent in Israël zouden leiden maar dat hij werd afgewezen” en dat verzoeker ook niet aantoont dat T. behoorde tot de Mossad, noch wat zijn concrete opdrachten in Israël waren. De Raad voor Vreemdelingen- betwistingen stelt nog vast dat eerste verzoeker “blijft bij de bewering dat hij steeds i[n] cash werd betaald in US dollar en er geen sporen zijn van zijn tewerkstelling bij de Mossad in Israël” en komt tot het besluit dat eerste verzoeker “niet aan[toont] het profiel te hebben van een veiligheidsagent of undercover agent” doch dat wel “kan aangenomen worden dat verzoeker werkzaam was bij veiligheidsfirma’s, als bewaker en als bodyguard”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen steunt zijn oordeel dat verzoeker niet aannemelijk maakt tot de Mossad zelf te hebben behoord op een reeks van vaststellingen uit eerste verzoekers verklaringen betreffende de door hem uitgevoerde activiteiten voor een aantal veiligheidsfirma’s waaruit volgens het bestreden arrest echter geen band blijkt tussen de Mossad en eerste verzoeker zelf. De verzoekers voeren niet aan en maken a fortiori niet aannemelijk dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen daarbij zijn bevoegdheid zou hebben overschreden. De enkele vaststelling dat eerste verzoeker ook geen loonbriefjes of kostenvergoedingen van de Mossad heeft ontvangen, vormt slechts de bevestiging van het ontbreken van enig concreet bewijs van verzoekers verklaringen. Enige onwettigheid wat die enkele vaststelling betreft kan de strekking van het bestreden arrest niet hebben beïnvloed en kan derhalve niet leiden tot de cassatie ervan. Het enige middel is in die mate kennelijk niet-ontvankelijk.
- Met de overweging dat, indien eerste verzoeker door Interpol zou zijn geseind omwille van de zaak B.J., de Belgische autoriteiten hiervan kennis zouden hebben doch dat dit niet blijkt uit het administratief dossier, toetst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen slechts een logisch gevolg van het aldus geseind zijn aan de gegevens van het administratief dossier. Op die wijze heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn in artikel 39/2, § 2, van de vreemdelingenwet bepaalde bevoegdheid niet overschreden. XIV-38.263-3/4 Het enige middel is in die mate kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, ieder voor de helft. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 12 maart 2020, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.263-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.696 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.