← België

Cassatiebeschikking 13764 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 07/07/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 07 juli 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.764 Rolnummer: A. 230633/XIV-38323 Zaak: Cassatiebeschikking 13764 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 07/07/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-07-23 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-13 21:13 Fiche Beschikking nr 13.764 van 7 juli 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.764 van 7 juli 2020 in de zaak A. 230.633/XIV-38.323 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dominique Andrien en Julie Janssens kantoor houdend te 4000 Luik Mont Saint Martin 22 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 18 maart 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 232.902 van 20 februari 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 10 juni 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Artikel 15, b), van richtlijn 2011/95/EU van 13 december 2011 ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming’ is omgezet in het Belgische recht door artikel 48/4, § 2, b), van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, XIV-38.323-1/7 het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet). Naar luid van deze bepalingen, waarvan verzoeker de schending opwerpt, kan “ernstige schade” bestaan uit “foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst”. Op hun beurt stemmen deze bepalingen overeen met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn arrest van 19 maart 2019 in de gevoegde zaken C-297/17, C-318/17, C-319/17 en C-438/17, Ibrahim tegen de Duitse Bondsrepubliek e.a., gesteld dat “in het kader van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel [moet] worden aangenomen dat de behandeling van personen die om internationale bescherming verzoeken, in elke lidstaat in overeenstemming is met de vereisten van het Handvest, het Verdrag van Genève en het EVRM”, dat “toch […] niet [kan] worden uitgesloten dat de werking van dit stelsel in de praktijk in een bepaalde lidstaat grote moeilijkheden ondervindt, en dat dus een ernstig risico bestaat dat personen die om internationale bescherming verzoeken, in die lidstaat worden behandeld op een wijze die hun grondrechten schendt” en dat, “wanneer de rechter bij wie beroep wordt ingesteld tegen een besluit waarbij een nieuw verzoek om internationale bescherming is afgewezen wegens niet- ontvankelijkheid, over gegevens beschikt die de verzoeker heeft overgelegd om aan te tonen dat er in de lidstaat die reeds subsidiaire bescherming heeft verleend, een dergelijk risico bestaat, […] deze rechter dan ook ertoe [is] gehouden om op basis van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens en afgemeten aan het beschermingsniveau van de door het Unierecht gewaarborgde grondrechten, te oordelen of er sprake is van tekortkomingen die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken”. Het Hof benadrukt in dat verband dat de voormelde tekortkomingen “alleen dan onder artikel 4 van het Handvest vallen […] wanneer die tekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, wat afhangt van alle gegevens van de zaak”. Het Hof overweegt dat “deze bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid is bereikt wanneer de onverschilligheid van de autoriteiten van een lidstaat tot gevolg zou hebben dat een persoon die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzes om, terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften, zoals eten, zich wassen en beschikken over woonruimte, en negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid of hem in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid” en dat “die XIV-38.323-2/7 drempel […] dus niet [wordt] bereikt in situaties die, ook al worden zij gekenmerkt door een grote onzekerheid of een sterke verslechtering van de levensomstandigheden van de betrokken persoon, geen zeer verregaande materiële deprivatie meebrengen waardoor deze persoon in een situatie terechtkomt die zo ernstig is dat zijn toestand kan worden gelijkgesteld met een onmenselijke of vernederende behandeling”. Het Hof stelt nog dat een bepaalde omstandigheid in de andere lidstaat “alleen dan [kan] leiden tot de vaststelling dat de verzoeker er wordt blootgesteld aan een reëel risico op een behandeling die in strijd is met artikel 4 van het Handvest, wanneer die omstandigheid tot gevolg heeft dat die verzoeker vanwege zijn bijzondere kwetsbaarheid, buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzes om, zou terechtkomen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie”.
  2. In de aanvankelijk bestreden beslissing, waarbij het bestreden arrest zich in fine aansluit, wordt eerst vastgesteld dat verzoeker geen elementen heeft vermeld waaruit kan worden afgeleid dat hij Griekenland heeft verlaten wegens een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op het lijden van ernstige schade, doch dat hij heeft verklaard nooit de bedoeling te hebben gehad in Griekenland te blijven maar zijn neven in België te vervoegen. Verzoeker heeft ook verklaard dat België altijd zijn bestemming was omdat hij er een betere toekomst meende te hebben en omdat zijn neven zeiden dat in België veel werk was en hij zo de Belgische nationaliteit zou kunnen verwerven. In de aanvankelijk bestreden beslissing wordt vervolgens vastgesteld dat verzoeker op de levensomstandigheden heeft gewezen toen hem werd gevraagd wat er zou gebeuren als hij terug naar Griekenland zou (moeten) gaan, met name dat het leefloon in Griekenland onvoldoende is voor vluchtelingen met een beschermingsstatus en een verblijfskaart en dat een woning met vele anderen moet worden gedeeld. Volgens de aanvankelijk bestreden beslissing heeft verzoeker vooral herhaald dat hij niet in Griekenland maar in België een toekomst wilde uitbouwen. Er wordt besloten dat, gelet op het voorgaande, verzoekers basisrechten als persoon die internationale bescherming geniet, gegarandeerd zijn in Griekenland en dat zijn levensomstandigheden niet kunnen worden beschouwd als onmenselijk of vernederend in de zin van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: het EVRM). Het feit dat verzoeker in Griekenland werd beroofd en verwond aan zijn been door drugverslaafde Marokkaanse Arabieren, medebewoners van het opvangcentrum, wordt beschouwd als een strafrechtelijk feit waartegen geen absolute bescherming kan worden geboden. Er wordt ook overwogen dat het kennelijk om een eenmalig incident ging waarvan verzoeker een toevallig slachtoffer was. XIV-38.323-3/7
  3. Verzoeker heeft voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen laten gelden dat hij zich bij terugkeer naar Griekenland in “een situatie van extreme materiële deprivatie” zou bevinden. Hij heeft daartoe een aantal algemene rapporten ingeroepen betreffende de toegang tot huisvesting en arbeid, tot gezondheidszorg en tot sociale voorzieningen. Verder heeft hij concreet gewezen op de nood aan behandeling van zijn benen wegens onder meer flebitis.
  4. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in zijn met toepassing van artikel 39/73, § 2, van de vreemdelingenwet genomen beschikking, die in het bestreden arrest wordt geciteerd, dat landeninformatie weliswaar een belangrijk aspect kan vormen bij de globale beoordeling, doch an sich niet volstaat om a priori te besluiten dat de geboden bescherming in een andere lidstaat niet langer effectief of toereikend zou zijn. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wijst vervolgens op het belang van de individuele situatie en persoonlijke ervaringen van verzoeker in Griekenland, waarbij het deze laatste toekomt de nodige concrete elementen aan te reiken die van aard zijn het vermoeden te weerleggen dat hij zich kan beroepen op de bescherming die hem in Griekenland werd verleend. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen blijkt te dezen uit de aanvankelijk bestreden beslissing, na individueel en concreet onderzoek van het geheel van de voorliggende elementen, dat verzoeker persoonlijk niet concreet aannemelijk heeft gemaakt dat de hem in Griekenland verleende bescherming ontoereikend zou zijn, noch dat verzoeker een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op het lijden van ernstige schade kan doen gelden ten overstaan van Griekenland. Verzoeker slaagt er met het herhalen van zijn eerdere verklaringen en het op algemene wijze inroepen van een aantal moeilijkheden, zonder een concreet verweer te ontwikkelen tegen de motivering van de aanvankelijk bestreden beslissing, niet in een ander licht te werpen op de vaststellingen in de bestreden beslissing. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is van oordeel dat verzoeker, hoewel de door hem geciteerde bronnen getuigen van diverse integratieproblemen op socio-economisch vlak voor in Griekenland erkende vluchtelingen, “in gebreke [blijft] om aan te tonen dat hij, wat betreft diens persoonlijke situatie, mishandelingen heeft ondergaan of riskeert te ondergaan omwille van diens hoedanigheid als erkend vluchteling en dat hij in een situatie zou belanden die beschouwd kan worden als onmenselijk of vernederend in de zin van artikel 3 EVRM”. Er wordt opgemerkt dat verzoeker zich baseert op hypotheses en algemene landeninformatie zonder in concreto aan te tonen dat hij in een situatie zou belanden die kan worden beschouwd als onmenselijk of vernederend in de zin van artikel 3 van het EVRM. Dat de levensomstandigheden moeilijk zijn, wordt beschouwd XIV-38.323-4/7 als een probleem van socio-economische aard dat niet valt onder het toepassingsgebied van de artikelen 48/3 en 48/4 van de vreemdelingenwet. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen laat nog gelden dat verzoeker geenszins de intentie blijkt te hebben gehad om een bestaan uit te bouwen in Griekenland daar België altijd al zijn eindbestemming was. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen erkent verzoekers medische problemen doch stelt onder meer vast dat verzoeker tijdens zijn onderhoud bij de dienst Vreemdelingenzaken en op het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen nergens een gebrek aan medische zorg heeft aangekaart. Op grond van het voorgaande besluit de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat verzoeker “nog steeds niet concreet [aan]toont dat hij daadwerkelijk verhinderd was om in Griekenland in zijn elementaire levensbehoeften te voorzien of om er aanspraak te kunnen maken op bepaalde basisvoorzieningen” en “evenmin op concrete wijze aannemelijk [heeft] gemaakt dat hij er moeilijkheden of incidenten met de daar aanwezige autoriteiten, overheden of burgerbevolking heeft gekend die kunnen worden aangemerkt als daden van vervolging of ernstige schade”. Wat de voorgehouden schending van artikel 3 van het EVRM betreft, oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat verzoeker “niet in concreto aan[toont] dat hij, die internationale bescherming geniet in Griekenland, geen toegang zou krijgen tot de rechten en voordelen verbonden aan zijn status inzake toegang tot onder meer gezondheidszorg, werkgelegenheid en huisvesting” en dat verzoekers levensomstandigheden er niet kunnen worden beschouwd als onmenselijk of vernederend in de zin van die verdragsbepaling. In antwoord op verzoekers argumentatie ter terechtzitting, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verder dat uit de notities van het interview van verzoeker op het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen “geenszins [blijkt] dat verzoekende partij, op het moment dat zij beroofd werd en gekwetst was aan haar been geen beroep kon doen op medische verzorging”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt nogmaals op dat het niet volstaat dat verzoeker verwijst naar de algemene situatie zonder deze te betrekken op zijn eigen persoonlijke omstandigheden. Tot slot merkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op dat verzoekers medische problemen op zich geen verband houden met de criteria van de artikelen 48/3 en 48/4 van de vreemdelingenwet en dat verzoeker een aanvraag om machtiging tot verblijf op XIV-38.323-5/7 grond van artikel 9ter van de vreemdelingenwet heeft ingediend, zodat verzoekers gezondheidstoestand en de beschikbaarheid van een eventuele adequate behandeling in Griekenland zullen worden onderzocht in het kader van die aanvraag.
  5. Uit het door verzoeker geciteerde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019 blijkt dat de rechter rekening dient te houden met alle omstandigheden van de zaak om te oordelen of de tekortkomingen in een andere lidstaat een dermate hoge drempel van zwaarwichtigheid bereiken dat de betrokkene, buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzes om, terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften. Door met verwijzing naar de concrete omstandigheden van de zaak en verzoekers eigen verklaringen te dezen aan te nemen dat algemene landeninformatie niet volstaat om te besluiten dat verzoeker concreet in de voornoemde toestand van zeer verregaande materiële deprivatie zou terechtkomen, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest noch artikel 48/3 van de vreemdelingenwet noch artikel 48/4, § 2, b), van die wet of artikel 15, c), van richtlijn 2011/95 geschonden. Als administratieve cassatierechter komt het de Raad van State niet toe om de dienaangaande door de feitenrechter gemaakte beoordeling over te doen. Anders dan verzoeker voorhoudt, wordt in het bestreden arrest niet als voorwaarde gesteld dat verzoeker “specifiek wordt geviseerd”. Er wordt enkel geoordeeld dat verzoeker niet concreet aantoont dat hij in Griekenland het slachtoffer zou worden van een behandeling die in strijd is met de aangehaalde bepalingen en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
  6. Door te dezen, zoals supra weergegeven, aan te halen dat algemene landeninformatie niet volstaat en door met concrete verwijzing naar de door verzoeker afgelegde verklaringen betreffende zijn verblijf in Griekenland en redenen voor zijn komst naar België te oordelen dat verzoeker geen tekortkomingen in Griekenland aantoont die de door het Hof van Justitie van de Europese Unie vereiste hoge drempel van zwaarwichtigheid bereiken, beantwoordt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk verzoekers argumentatie om diens verzoek om internationale bescherming te verwerpen. Daarmee is voldaan aan de in de artikelen 149 van de Grondwet en 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte motiveringsplicht als vormvereiste voor jurisdictionele beslissingen. XIV-38.323-6/7
  7. Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  8. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  9. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zeven juli tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.323-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.764 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.