id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 07 juli 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.765 Rolnummer: A. 230647/XIV-38327 Zaak: Cassatiebeschikking 13765 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 07/07/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-07-23 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-13 21:14 Fiche Beschikking nr 13.765 van 7 juli 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.765 van 7 juli 2020 in de zaak A. 230.647/XIV-38.327 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tristan Wibault kantoor houdend te 1000 Brussel Congresstraat 49 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 6 april 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 232.969 van 21 februari 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 10 juni 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Verzoeker heeft bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een brief van het UNHCR overgelegd ter staving van de door hemzelf voorgehouden identiteit en gezinssamenstelling. Hij acht de beoordeling van dat stuk in het bestreden arrest onwettig. XIV-38.327-1/3
- Volgens verzoeker heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de bewijskracht van akten geschonden “door een interpretatie van de termen van de akte aan te nemen die niet verenigbaar is met deze termen”. In het bestreden arrest wordt uitdrukkelijk niet getwijfeld aan de authenticiteit van het kwestieuze stuk, doch er wordt overwogen dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de identiteit op de amayeshkaart, op basis waarvan het UNHCR zijn onderzoek heeft gevoerd, verzoekers identiteit is. Door op concreet gemotiveerde wijze te oordelen dat niet blijkt dat de op de amayeshkaart en vervolgens in de brief van het UNHCR vermelde persoon verzoeker zelf is, geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen betekenis aan de brief van het UNHCR die niet overeenstemt met de inhoud of de bewoordingen ervan. Verzoeker gaat overigens niet in op de concrete motieven van het bestreden arrest om een en ander in twijfel te trekken, behalve met de algemene kritiek dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “een hoogst onwaarschijnlijke lezing van de feiten” geeft. Verzoeker toont aldus geen schending aan van de bewijskracht van een akte overeenkomstig de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek.
- Volgens verzoeker heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “het feitelijk vermoeden” geschonden “door een feitelijke hypothese goed te keuren die hoogst onwaarschijnlijk is”. Artikel 1353 van het Burgerlijk Wetboek heeft betrekking op het bewijs van verbintenissen in burgerlijke zaken. Hoe dan ook behoort de beoordeling van de bewijswaarde van stukken tot de soevereine beoordelingsbevoegdheid van de feitenrechter. Als administratieve cassatierechter treedt de Raad van State niet in de beoordeling van de zaak zelf en hij mag zijn beoordeling dus niet in de plaats stellen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, die te dezen uitspraak heeft gedaan met hervormingsbevoegdheid.
- Verzoeker zet niet uiteen hoe de overige in het cassatiemiddel aangehaalde bepalingen met het bestreden arrest zouden zijn geschonden. XIV-38.327-2/3
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zeven juli tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.327-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.765 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div