← België

Cassatiebeschikking 13793 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 09/07/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 09 juli 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.793 Rolnummer: A. 230645/XIV-38326 Zaak: Cassatiebeschikking 13793 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 09/07/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-07-23 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-13 21:14 Fiche Beschikking nr 13.793 van 9 juli 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.793 van 9 juli 2020 in de zaak A. 230.645/XIV-38.326 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dominique Andrien en Julie Janssens kantoor houdend te 4000 Luik Mont Saint Martin 22 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 24 maart 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 232.873 van 20 februari 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 10 juni 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Met de aanvankelijk bestreden beslissing wordt verzoekers subsidiaire beschermingsstatus ingetrokken op grond van artikel 55/5/1, § 2, 1°, iuncto artikel 55/4, § 1, c), van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) omdat er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat verzoeker een ernstig misdrijf heeft gepleegd. Dit zou blijken uit de motivering en de strafmaat van een XIV-38.326-1/4 vonnis van de correctionele rechtbank van Luik van 5 september
  2. Deze beslissing wordt met het bestreden arrest bevestigd.
  3. Verzoeker laat in het enige middel in essentie gelden dat, anders dan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aanneemt, om de subsidiaire beschermingsstatus te kunnen intrekken moet worden onderzocht of de betrokkene die een ernstig misdrijf heeft gepleegd, ook een gevaar voor de samenleving vormt. In ondergeschikte orde stelt verzoeker voor een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
  4. Artikel 55/5/1, § 2, 1°, van de vreemdelingenwet bepaalt dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de subsidiaire beschermingsstatus intrekt ten aanzien van de vreemdeling die met toepassing van artikel 55/4, §§ 1 of 2 uitgesloten wordt of had moeten zijn. Naar luid van artikel 55/4, § 1, eerste lid, c), van dezelfde wet wordt een vreemdeling uitgesloten van de subsidiaire beschermingsstatus wanneer er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat hij een ernstig misdrijf heeft gepleegd. Deze bepalingen vormen de omzetting in het Belgische recht van de desbetreffende bepalingen van richtlijn 2011/95/EU van 13 december 2011 ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming’ (hierna: richtlijn 2011/95). Artikel 19.3, a), van richtlijn 2011/95/EU bepaalt dat de lidstaten de subsidiaire beschermingsstatus van een onderdaan van een derde land of staatloze intrekken indien hij, nadat hem de subsidiaire beschermingsstatus is verleend, op grond van artikel 17.1 of 17.2, van subsidiaire bescherming uitgesloten is of had moeten zijn. Naar luid van artikel 17.1, b), van deze richtlijn wordt een onderdaan van een derde land of staatloze uitgesloten van subsidiaire bescherming wanneer er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat hij een ernstig misdrijf heeft gepleegd. In de voornoemde bepalingen van richtlijn 2011/95 is, eens het gaat om een “ernstig misdrijf”, de bijkomende voorwaarde van een (actueel) gevaar voor de samenleving niet opgenomen. Verzoeker verwijst niet dienstig naar artikel 14.4, b), van deze richtlijn, dat de mogelijkheid voorziet de vluchtelingenstatus in te trekken, te beëindigen of de verlenging ervan te weigeren wanneer de betrokkene “een gevaar vormt voor de XIV-38.326-2/4 samenleving van die lidstaat, omdat hij definitief veroordeeld is voor een bijzonder ernstig misdrijf”. In de eerste plaats heeft het voornoemde artikel 14.4 enkel betrekking heeft op de vluchtelingenstatus doch niet op de subsidiaire beschermingsstatus. In de tweede plaats geldt de in de artikelen 19 iuncto 17 van richtlijn 2011/95 voorziene intrekking of uitsluiting enkel voor de subsidiaire beschermingsstatus. De mogelijkheden voor intrekking of uitsluiting van de subsidiaire beschermingsstatus zijn in dat opzicht ruimer dan de mogelijkheden voor de intrekking of uitsluiting van de vluchtelingenstatus. Tot slot vormt het in artikel 17.1, d), van richtlijn 2011/95 voorziene geval dat de betrokkene “een gevaar vormt voor de gemeenschap of voor de veiligheid van de lidstaat waar hij zich bevindt” een afzonderlijke grond tot uitsluiting van de subsidiaire beschermingsstatus, die derhalve moet worden onderscheiden van littera b) van die bepaling en waarvoor het gepleegd hebben van een ernstig misdrijf niet noodzakelijk is. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft zich in zijn arrest van 13 september 2018 in de zaak C-369/17, Shajin Ahmed tegen Hongarije, waarnaar ook in het bestreden arrest wordt verwezen, uitgesproken over het begrip “ernstig misdrijf” in artikel 17.1, b) van richtlijn 2011/
  5. Het Hof heeft hierbij onder meer vastgesteld dat de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus twee verschillende beschermingsregimes zijn en dat de voornoemde uitsluitingsgrond een bredere werkingssfeer heeft dan de in artikel 13.2, b), van richtlijn 2011/95 voorziene uitsluitingsgrond van de vluchtelingenstatus. Het Hof merkt op dat het voornoemde artikel 17.1, b), “immers meer algemeen een ernstig misdrijf [betreft], dus zonder dat er sprake is van beperkingen in geografische of temporele zin of met betrekking tot de aard van het misdrijf”. Verder heeft het Hof enkel gesteld “dat de straf die volgens het strafrecht van de betrokken lidstaat op een misdrijf is gesteld, weliswaar bijzonder belangrijk is bij de beoordeling of er sprake is van een ernstig misdrijf” in de zin van het meergenoemde artikel 17.1, b), maar dat de bevoegde autoriteit slechts gebruik kan maken van deze uitsluitingsgrond “na met betrekking tot de individuele persoon de haar ter kennis gebrachte feiten te hebben onderzocht om uit te maken of er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de daden van de betrokkene, die voor het overige voldoet aan de criteria om de gevraagde status te krijgen, onder de desbetreffende uitsluitingsgrond vallen”. Volgens het Hof “dient bij de beoordeling van de ernst van het desbetreffende misdrijf een volledig onderzoek naar alle omstandigheden van het specifieke geval [uitgevoerd te worden]”. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt dus dat een volledig onderzoek naar alle omstandigheden van het XIV-38.326-3/4 specifieke geval moet worden uitgevoerd om na te gaan of het om een ernstig misdrijf gaat, maar er is geen sprake van een (actueel) gevaar voor de samenleving. Verzoeker toont derhalve geen schending aan van artikel 55/5/1, § 2, 1°, iuncto artikel 55/4, § 1, c), van de vreemdelingenwet, gelezen samen met artikel 19.3, a), iuncto 17.1, b), van richtlijn 2011/
  6. Gelet op de duidelijke inhoud van deze laatste richtlijnbepalingen en de duidelijke rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie dienaangaande, is er geen reden om de door verzoeker voorgestelde prejudiciële vraag te stellen.
  7. Verzoeker voert niet anders dan met het voorgaande een schending aan van de artikelen 39/2 en 39/65 van de vreemdelingenwet. Alleen al omdat die kritiek ongegrond is bevonden, toont hij ook geen schending aan van deze laatste bepalingen.
  8. Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  9. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  10. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op negen juli tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.326-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.793 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.