← België

Cassatiebeschikking 13805 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/07/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 23 juli 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.805 Rolnummer: A. 230730/XIV-38340 Zaak: Cassatiebeschikking 13805 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/07/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-08-05 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-13 21:15 Fiche Beschikking nr 13.805 van 23 juli 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.805 van 23 juli 2020 in de zaak A. 230.730/XIV-38.340 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Françoise Jacobs kantoor houdend te 1050 Brussel Kroonlaan 88 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 12 maart 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 232.317 van 6 februari 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 24 juni 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. A. Eerste middel 1. Verzoeker werpt onder meer een “manifeste appreciatiefout” op. De Raad van State treedt als administratieve cassatierechter echter niet in de beoordeling van de zaak zelf en hij spreekt zich derhalve niet uit over de appreciatie van de feiten door de rechter ten gronde. XIV-38.340-1/5 Wat de bevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betreft, merkt verzoeker op dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “zich enkel en alleen kan steunen op elementen die in het administratief dossier aanwezig zijn”. Volgens verzoeker gaat de motivering van het bestreden arrest “volledig in tegen wat in het administratief dossier zit”. Verzoeker beperkt zich wat dat betreft tot een algemene bewering zonder aan te geven met welk(

  1. e)concre(e)t(
  2. e)stuk(ken) uit het administratief dossier het bestreden arrest in strijd zou zijn. Hij geeft ook niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich op elementen (welke?) buiten het administratief dossier zou hebben gesteund. Verzoeker verwijst in het opschrift van het middel naar een hele reeks bepalingen en beginselen waar hij in de uiteenzetting van het middel nergens op terugkomt. Het eerste middel is in die mate kennelijk niet-ontvankelijk. 2. Verzoeker zet wel concreet uiteen dat in het bestreden arrest ten onrechte wordt gesteld dat hij de motivering uit de aanvankelijk bestreden beslissing betreffende zijn vrees om “bij een eventuele terugkeer naar Venezuela in de gevangenis te belanden wegens landverraad omdat [hij] in het buitenland verbleven heeft en er een verzoek tot internationale bescherming [heeft] ingediend”, ongemoeid heeft gelaten. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zou niet hebben geantwoord op verzoekers kritiek op de desbetreffende motieven uit de aanvankelijk bestreden beslissing. Hiermee werpt verzoeker een schending op van de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) vervatte jurisdictionele motiveringsplicht. In de aanvankelijk bestreden beslissing werd betreffende die vrees overwogen dat verzoeker bij een terugkeer naar Venezuela mogelijk gescreend en ondervraagd zal worden betreffende zijn activiteiten in het buitenland en zijn redenen om Venezuela te verlaten en ernaar terug te keren. Volgens de aanvankelijk bestreden beslissing kan daaruit op zich geen reëel risico op het lijden van ernstige schade worden afgeleid omdat uit de informatie in het administratief dossier niet blijkt dat afgewezen verzoekers die terugkeren naar Venezuela er louter omwille van hun verblijf in het buitenland of het XIV-38.340-2/5 indienen van een verzoek om internationale bescherming een reëel risico lopen om te worden blootgesteld aan foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. De behandeling van een afgewezen verzoeker zou afhangen van diens individuele situatie. Van personen die verdacht worden van het plegen van een misdrijf, die in het verleden werden beschouwd als opposant of waarvan wordt vermoed dat ze gekant zijn tegen de Venezolaanse regering, zou kunnen worden vermoed dat ze problemen zullen ondervinden bij hun terugkeer. Steeds volgens de aanvankelijk bestreden beslissing, blijkt nergens uit verzoekers verklaringen dat hij een dergelijk profiel heeft noch dat hij voor zijn komst naar België in de specifieke negatieve aandacht van de Venezolaanse autoriteiten stond, zodat er redelijkerwijze van uitgegaan kan worden dat de Venezolaanse autoriteiten verzoeker niet zullen viseren bij een terugkeer naar zijn land van nationaliteit. Op zijn beurt oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat de voormelde motieven steun vinden in het administratief dossier, pertinent en terecht zijn en worden overgenomen “daar zij door verzoeker volledig ongemoeid worden gelaten”. Verzoeker heeft, wat de voornoemde motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing betreft, voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in enigszins onduidelijke bewoordingen laten gelden dat bij een terugkeer naar Venezuela niet enkel een daadwerkelijk, bewezen politiek engagement maar ook al een vermoeden van opposant te zijn volstaat om in de problemen te geraken. In de aanvankelijk bestreden beslissing wordt echter reeds overwogen dat louter een verblijf in het buitenland en het ingediend hebben van een verzoek om internationale bescherming niet volstaan om bij terugkeer naar Venezuela na een screening of ondervraging een reëel risico op het lijden van ernstige schade te lopen. Dergelijk risico hangt volgens de aanvankelijk bestreden beslissing af van de individuele situatie van de betrokkene, het geldt namelijk voor degenen die worden verdacht van een ernstig misdrijf of die in het verleden reeds werden beschouwd als opposant. Er wordt ook opgemerkt dat niet blijkt dat verzoeker in het verleden in de specifieke negatieve aandacht van de Venezolaanse autoriteiten stond. Vermits verzoeker enkel op algemene wijze verwees naar een vermoeden ingevolge zijn verblijf in het buitenland en zijn verzoek om internationale bescherming en vermits dat vermoeden in de aanvankelijk bestreden beslissing uitdrukkelijk en op gemotiveerde wijze niet werd aanvaard als grond voor een reëel risico op het lijden van ernstige schade, kon de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zonder schending van de jurisdictionele motiveringsplicht besluiten dat verzoeker dit motief ongemoeid liet. XIV-38.340-3/5 Het eerste middel is in die mate kennelijk ongegrond. B. Tweede middel 3. Opnieuw verwijst verzoeker in het opschrift van het middel naar een hele reeks bepalingen en beginselen waar hij in de uiteenzetting van het middel nergens op terugkomt. Waar verzoeker aanvoert dat hij geenszins beschikt over de mogelijkheid om terug te keren naar Venezuela omdat daar immers geen sprake is van een reële bescherming, vraagt hij in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is. Het tweede middel is in die mate kennelijk niet-ontvankelijk. 4. Verzoeker voert aan dat “er in casu sprake [is] van een tegenstrijdige motivering” omdat “de RVV […] in casu niet gelijktijdig [kon] stellen dat de verzoekende partij geen antwoord verleende op de vraag nopens de terugkeerders naar Venezuela en het betoog van de verzoekende partij in haar verzoekschrift ontwikkeld, ivm hetzelfde voorwerp”. Verzoeker lijkt hiermee het supra in het eerste middel behandelde motief te bedoelen, dat echter niet onwettig is bevonden. Een motivering die niet zou overeenstemmen met de door een verzoeker aangevoerde argumentatie vormt bovendien geen tegenstrijdige motivering in de zin van de jurisdictionele motiveringsplicht, waarbij het om een tegenstrijdigheid tussen de motieven zelf moet gaan. Het tweede middel is in die mate kennelijk ongegrond. BESLUIT: 1. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar. XIV-38.340-4/5 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 23 juli tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.340-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.805 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.