← België

Cassatiebeschikking 13808 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/07/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 23 juli 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.808 Rolnummer: A. 230819/XIV-38356 Zaak: Cassatiebeschikking 13808 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/07/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-08-05 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-13 21:16 Fiche Beschikking nr 13.808 van 23 juli 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.808 van 23 juli 2020 in de zaak A. 230.819/XIV-38.356 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sylvie Micholt kantoor houdend te 8000 Brugge Maria van Bourgondiëlaan 7B bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 30 april 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 234.843 van 3 april 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 1 juli 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Het eerste middel is niet gericht tegen het bestreden arrest. Dat arrest maakt overigens geen toepassing van het door verzoeker aangehaalde koninklijk besluit nr. 12 van 21 april 2020 ‘met betrekking tot de verlenging van de termijnen van de rechtspleging voor de Raad van State en de schriftelijke behandeling van de zaken’. Er kan derhalve geen sprake zijn van een schending die daadwerkelijk van die aard is dat ze tot cassatie van het bestreden arrest kan leiden en de strekking van dat arrest kan hebben beïnvloed. XIV-38.356-1/3 Het eerste middel is kennelijk niet-ontvankelijk.
  2. Verzoeker voert aan dat, “ondanks de afkondiging van de ‘lockdown light’ vanaf 14 maart 2020, […] de terechtzitting in casu plaats[vond] op 16 maart 2020”, dat verzoeker, zijn advocaat en vele andere personen aanwezig waren en dat verzoeker en zijn advocaat onnodig in gevaar werden gebracht doordat de zitting niet werd uitgesteld. Verzoeker en zijn advocaat zijn ter terechtzitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verschenen op 16 maart
  3. Uit niets blijkt dat zij op enig ogenblik, voor of gedurende de terechtzitting, hebben gevraagd de zaak uit te stellen of dat zij ook maar enig voorbehoud hebben geformuleerd betreffende het houden van de bewuste terechtzitting, hoewel zij daartoe in de gelegenheid waren. Verzoeker kan derhalve niet voor het eerst in de graad van administratieve cassatie aanvoeren dat de terechtzitting van 16 maart 2020 had moeten worden uitgesteld. Alleen al om die reden is het tweede middel kennelijk niet-ontvankelijk.
  4. Algemeen bekende feiten zijn feiten die ieder ontwikkeld mens kent of uit algemeen toegankelijke bronnen kan kennen. De rechter mag dergelijke feiten steeds betrekken in zijn beslissing, doch het vormt geen schending van de jurisdictionele motiveringsplicht om zich niet ambtshalve, dus zonder dat een partij er melding van heeft gemaakt, te beroepen op dergelijke feiten. Dit daargelaten de vraag of de door verzoeker voorgehouden gevolgen van het COVID-19-virus in de Gazastrook een feit van algemene bekendheid was en daargelaten de vaststelling dat verzoeker zelf deze kwestie niet heeft aangehaald voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en evenmin een heropening van het debat heeft gevraagd omwille van deze kwestie. Verzoeker vermag er zich dan ook niet voor het eerst op te beroepen in de graad van administratieve cassatie. Het derde middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
  5. Uit de behandeling van het derde middel blijkt reeds dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet verplicht was ambtshalve rekening te houden met de thans door verzoeker voorgehouden gevolgen van het COVID-19-virus in de Gazastrook. Het vierde middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. XIV-38.356-2/3 BESLUIT:
  6. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  7. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 23 juli tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.356-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.808 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.